Home > Adviezen > RvA no. RA17E-09-LV

RvA no. RA17E-09-LV
30/08/2010

Ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening verzekering en lijfrente)
(89/RNA e.a., DWJ’09/011-a)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 7 april 2009 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en de behandeling hiervan in de vergadering van de Raad van Advies d.d. 17 mei 2010, bericht de Raad u als volgt.

De ontwerp-landsverordening tot vaststelling van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening verzekering en lijfrente) strekt, volgens de considerans, ertoe de titels 17 (Verzekering) en 18 (Lijfrente) van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek vast te stellen.

Bestudering van het onderhavige ontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting alsmede de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken geeft de Raad aanleiding tot het maken van de navolgende opmerkingen.

Algemeen
Verwijzing naar een Nederlandse wet
De onderhavige ontwerp-landsverordening (het ontwerp) is volgens pagina 1 van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (de memorie van toelichting) ontleend aan de Nederlandse Wet van 22 december 2005, Stb. 700 (Kamerstukken 19 529), vernummerd in Stb. 2006, I, en in werking getreden op 1 januari 2006.
De Raad zal bij de toetsing van het ontwerp, waar nodig, in dit advies verwijzen naar relevante artikelen van genoemde Nederlandse Wet.

Voorlichting
In het ontwerp is de mogelijkheid opgenomen om gebruik te maken van de elektronische polis en de elektronische berichtgeving.
De Raad geeft de regering in overweging voorafgaand aan de inwerkingtreding van het ontwerp voorlichting te geven aan de bevolking over de juridische aspecten van het gebruik van de elektronische polis en de elektronische berichtgeving. Voor zover bij de financiële toetsing van het ontwerp geen rekening is gehouden met de kosten die hiermee gemoeid

zullen zijn, adviseert de Raad de regering op grond van het Landsbesluit versterking budgetdiscipline Land (P.B. 2001, no. 40) dit alsnog te doen.

Inhoudelijke opmerkingen
Het ontwerp
Artikel 928, zesde lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
Op pagina 7 van de memorie van toelichting is onder punt 12 opgenomen, dat op aandrang van de Nederlands Antilliaanse Vereniging van Verzekeraars (NAVV) niet is overgenomen de Nederlandse regel, dat de verzekeraar zich er niet op kan beroepen dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord. Volgens de memorie van toelichting stelt de NAVV dat ingevolge de rechtspraak een kenbaarheidsvereiste geldt, inhoudende dat (i) een verzekerde een gestelde vraag mag opvatten naar de zin die hij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs daaraan mag toekennen en dat (ii) feiten waarnaar niet is gevraagd geen verzwijginggrond opleveren, tenzij de verzekerde behoorde te begrijpen dat die informatie voor de beoordeling van het risico essentieel was. Volgens de NAVV voldoet deze regel nog prima en schiet een regeling zoals in de Nederlandse wet voorkomt haar doel voorbij (pagina 7 van de memorie van toelichting).

De Raad betwijfelt of het genoemde argument van de NAVV genoemde afwijking van de Nederlandse regel wel kan dragen. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 928, zesde lid, Boek 7, van het Nederlandse nieuwe Burgerlijk Wetboek (BW Ned.) dat inhoudt dat het kenbaarheidsvereiste zijn betekenis heeft verloren voor feiten waarnaar in het aanvraagformulier niet met zoveel woorden gericht is gevraagd. Het een en ander houdt in dat indien de verzekering is gesloten op de grondslag van een door de verzekeraar opgestelde vragenlijst deze zich er niet op kan beroepen dat feiten waarnaar niet is gevraagd, niet zijn meegedeeld. Het houdt evenmin in dat “een in algemene termen vervatte vraag” - zoals de in algemene termen luidende slotvraag: ”Hebt u overigens nog andere feiten mede te delen” - onvolledig is beantwoord (tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden). Voor een aanvullende spontane mededelingsplicht is met andere woorden in beginsel geen ruimte meer.

De Raad vindt dat de NAVV dan ook, ten onrechte, ter onderbouwing van haar - afwijkende - standpunt, een beroep doet op beweerdelijke rechtspraak aangaande het kenbaarheidsvereiste. De memorie van toelichting op het ontwerp neemt ten onrechte die redenering zonder meer over. Weliswaar geldt het kenbaarheidsvereiste in de rechtspraak nog steeds, maar dan voor vragen die juist minder algemeen geformuleerd zijn dan de algemene vraag: ”Hebt u overigens nog andere feiten mede te delen”.

Daarbij komt dat de - in het ontwerp niet overgenomen - regel over de algemene slotvraag niet op zichzelf staat, maar de in het ontwerp wél gehandhaafde regel, dat de verzekeraar zich niet erop kan beroepen dat “feiten waarnaar niet was gevraagd niet zijn medegedeeld”, completeert. Gelet op het voorgaande kan volgens de Raad schrapping van bedoelde regel alleen op zeer goede gronden geschieden, en die gronden zijn in de memorie van toelichting niet gegeven. Dit klemt temeer nu artikel 939, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp - in navolging van de Nederlandse wet - uit het oogpunt van consumentenbescherming zo belangrijk wordt geacht, dat daarvan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkeringgerechtigde kan worden afgeweken indien de verzekeringnemer een particulier is (zie artikel 943, derde lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp).
De Raad geeft de regering in overweging artikel 928, zesde lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, in overeenstemming met het voorgaande aan te passen.

Artikel 939 jo. artikel 943, eerste lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
In artikel 943, eerste lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, wordt bepaald dat bij een wettelijk verplichte motorrijtuigenaansprakelijkheidsverzekering afwijking van artikel 939 wel mogelijk is. Door deze bepaling wordt, zoals aangegeven op pagina 18 van de memorie van toelichting, tussentijdse beëindiging van de aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen door de verzekeringnemer financieel onaantrekkelijk gemaakt. Met genoemde bepaling wordt voorts het beleid dat de NAVV hanteert met betrekking tot de uitvoering van de Landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (P.B. 1977, no. 4) ondersteund door een voorziening in de wet (punt 4 op pagina 18 van de memorie van toelichting bij artikel 939).

De Raad vindt dat misbruik moet worden tegengegaan. Voor de Raad is echter niet duidelijk in hoeverre het gesignaleerde probleem van het misbruik door de zogenaamde “kwade lieden” veel groter is dan die van de bonafide opzeggers.
De Raad geeft de regering dan ook in overweging om nader na te gaan en in kaart te brengen hoe de feitelijke situatie is van enerzijds het misbruik en anderzijds van de legitieme vormen van opzegging.
Vervolgens zal de regering dienen na te gaan of er een uitzonderingsbepaling in het ontwerp kan worden opgenomen op grond waarvan de legitieme opzeggers toch recht hebben op terugbetaling.

Artikel 942, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
In artikel 942, derde lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, wordt bepaald dat in geval van afwijzing de rechtsvordering verjaart door verloop van zes maanden.

In Nederland is zeer recentelijk ingediend bij de Tweede Kamer van de Staten-Generaal het voorstel van wet tot Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Kamerstukken II 2008-2009, 32 038).

In het Nederlandse wetsvoorstel wordt in artikel 944, tweede lid, de verjaringstermijn in geval van afwijzing verlengd tot drie jaar.

Volgens de Raad is er aanleiding om - in navolging van het Nederlandse wetsvoorstel - ook in de Nederlandse Antillen de verjaringstermijn na afwijzing van de aanspraak te verlengen. Bij afwijzing heeft de verjaringstermijn in het huidige voorstel immers de korte duur van zes maanden. Dit brengt voor een verzekerde, die zich niet kan verenigen met de afwijzing, de noodzaak mee om iedere zes maanden te stuiten, wat voor hem bewerkelijk is. Door de voorgestelde verlenging van de verjaringstermijn zal de verjaringstermijn voor afwijzing en erkenning gelijk zijn.

Overigens roept verlenging van de verjaringstermijn na afwijzing van zes maanden naar drie jaar enkele vragen van overgangsrecht op.
De Raad geeft de regering in overweging met genoemd aspect rekening te houden.

Artikel 973 jo. artikel 974, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
In de toelichting onder punt 2 bij artikel 973 (pagina 45 van de memorie van toelichting) wordt gesteld dat in de polisvoorwaarden kan worden bepaald dat ook zonder strafrechtelijke veroordeling opzettelijk veroorzaakte schade niet tot uitkering leidt, immers artikel 974 staat niet in de weg aan een uitbreiding van de gevallen waarbij geen recht op uitkering bestaat. De Raad vindt, gelet op de tekst van artikel 974, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp - gelezen in samenhang met die van artikel 973 – dat het allerminst duidelijk is dat, zoals onomwonden in de memorie van toelichting wordt gesteld, uitbreiding in de polisvoorwaarden van uitsluiting van uitkering tot het geval van opzet waarbij geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd, wel is toegestaan.
De Raad geeft de regering in overweging de tekst van artikel 974 aan te passen, teneinde de toelaatbaarheid van de kennelijk beoogde uitbreidingsmogelijkheid buiten twijfel te stellen.

De memorie van toelichting
Artikel 932, eerste lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
Artikel 932, eerste lid, tweede volzin, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, bevat een bepaling met betrekking tot een polis die is opgemaakt op een wijze als bedoeld in artikel 135a, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Op pagina 11 van de memorie van toelichting wordt onder punt 1 van de toelichting bij artikel 932, voorgesteld in een nieuw artikel 135a Rv de elektronische onderhandse akte mogelijk te maken. De tekst van dat nieuwe artikel 135a Rv is echter - zonder dat daarvoor in de memorie van toelichting een reden wordt gegeven - niet gegeven in het onderhavige ontwerp.

Volgens de Raad is de reden voor het niet vermelden van het tekstvoorstel voor bedoeld artikel 135a Rv, dat rechtsvordering op grond van de Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba eenvormig moet worden geregeld, in verband waarmee een apart wetsvoorstel tot aanpassing van (onder meer) het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is ontworpen.

De Raad geeft de regering in overweging in de memorie van toelichting dienaangaande iets meer informatie te verschaffen. Rekening moet daarbij overigens worden gehouden met de mogelijkheid dat artikel 135a Rv nog niet zal zijn ingevoerd op het moment dat het ontwerp tot wet wordt verheven, waardoor de door artikel 932, eerste lid, tweede volzin, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, gegeven mogelijkheid van een elektronische polis nog niet daadwerkelijk kan worden benut.

Artikel 169, derde lid, zoals voorgesteld in artikel VI van het ontwerp
Artikel 937, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, houdt in dat de verzekeraar bij betaling aan de tussenpersoon pas is gekweten zodra de uitkering aan de tot uitkering gerechtigde is voldaan.
Onder punt 10 van de toelichting (pagina’s 58 en 59) bij artikel 169 is opgenomen dat deze regel vanzelfsprekend alleen van toepassing dient te zijn op uitkeringen die na de inwerkingtreding van de wet verschuldigd worden (reden waarom dit in het derde lid van artikel 169, zoals voorgesteld in artikel VI, van het ontwerp, zo is bepaald).
Hoewel het hier een verdedigbare keuze van het ontwerp betreft, is die niet zonder meer zo vanzelfsprekend. Het betreft hier een belangrijke - dwingendrechtelijke (zie artikel 943, tweede lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp) - bescherming van de tot uitkering gerechtigde. Minstens even goed verdedigbaar is dan ook het stelsel dat artikel 937, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, van toepassing is in die gevallen waarin de uitkering verschuldigd is geworden vóór inwerkingtreding van deze landsverordening, maar pas daarna aan de tussenpersoon wordt betaald.
De Raad geeft de regering dan ook in overweging de memorie van toelichting aan te passen.

Overige inhoudelijke opmerkingen
Het ontwerp
Het ontbreken van elke regeling over risicoverzwaring
In titel 17 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (titel 7.17) ontbreekt een regeling over risicoverzwaring. Artikel 940, vijfde lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, bevat wel de bijzondere bepaling dat de verzekeraar een persoonsverzekering niet kan beëindigen of wijzigen op grond van verzwaring van het gezondheidsrisico voor zover dat is gelegen in de persoon van degene die de verzekering betreft. Daarbij komt dat het huidige artikel 359 van het Wetboek van Koophandel, dat een specifieke regeling voor brandverzekering bevat in geval van risicoverzwaring door een bestemmingswijziging van een gebouw, ingevolge artikel V, onderdeel A, van het ontwerp, komt te vervallen. Zie in dit verband ook de overgangsregeling die met het oog daarop is opgenomen in artikel 169, negende lid, zoals voorgesteld in artikel VI van het ontwerp.
Het komt volgens de Raad er dus op neer dat verzekeraars, teneinde zich te beschermen tegen de gevolgen van risicoverzwaring, een regeling in de polisvoorwaarden zullen moeten gaan treffen.
De Raad geeft de regering in overweging in de memorie van toelichting daarnaar te verwijzen, teneinde de verzekeraars enig houvast in deze vrij lastige materie te bieden.

Artikel 971, eerste lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
Op pagina 44 van de memorie van toelichting is opgenomen onder punt 1 van de toelichting bij artikel 971 dat ingevolge het eerste lid stille verpanding van rechten uit een sommenverzekering niet mogelijk is, (mede) omdat het met het oog op de eenvoud van de te regelen verhoudingen tussen verzekeraar, verzekeringnemer, derdebegunstigde en pandhouder de voorkeur verdient dat verpanding geschiedt met kennisgeving aan de verzekeraar.

De Raad vindt dat gelet op deze motivering artikel 971, eerste lid, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, tevens behoort te bepalen dat artikel 94, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BWNA) toepassing mist, waarin de mogelijkheid van stille “cessie tot zekerheid” is opgenomen.

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
De memorie van toelichting geeft de Raad aanleiding tot het maken van wetstechnische en redactionele opmerkingen. De Raad volstaat met het geven van een aantal voorbeelden.
 

Memorie van toelichting
Artikel 957, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp
De Raad geeft de regering in overweging op pagina 34 van de memorie van toelichting, onder punt 5 van de toelichting bij artikel 957, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, na “artikel 963” voor de duidelijkheid nog “zesde lid” toe te voegen.

Artikel 169, zoals voorgesteld in artikel VI van het ontwerp
Volgens de Raad bevat de toelichting (pagina 56 e.v.) bij artikel 169 een inconsistentie.
Op pagina 56 van de memorie van toelichting wordt onder punt 1 van de toelichting bij artikel 169 opgemerkt, dat er geen reden is om aan het nieuwe verzekeringsrecht voor lopende verzekeringen voor een bepaalde periode uitgestelde werking te verlenen. Onder punt 3 van toelichting bij artikel 169 (pagina’s 56 en 57) wordt daarentegen vermeld dat aan de nieuwe sanctieregeling van de artikelen 929 en 930, zoals voorgesteld in artikel I van het ontwerp, een uitgestelde werking van één jaar wordt verleend.
Onder punt 19 van de memorie van toelichting bij artikel 169 (pagina’s 61 en 62) wordt voorts verwezen naar de “eerste volzin” van het tiende lid van dat artikel, terwijl dat artikellid maar één volzin kent.
De Raad geeft de regering in overweging genoemde inconsistentie te adresseren.

 

De Raad heeft voor het overige geen opmerkingen.


Concluderend geeft de Raad de regering in overweging de onderhavige ontwerp-landsverordening bij de Staten in te dienen, nadat met vorenstaande opmerkingen rekening zal zijn gehouden.


Willemstad, 2 juni 2010


de Ondervoorzitter,   de Secretaris,

 

_____________________    ____________________
Prof mr. F.B.M. Kunneman     mevr. mr. C.M. Raphaëla

 

Zoeken in Adviezen

 Datum vanaf:
 Datum tot:

 

LAATST GEPLAATSTE ADVIEZEN

RvA no. 36-16-LV / 10/02/2017
Ontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (ontbinding rechtspersonen door de Kamer van Koophandel)
(zaaknummer 2016/007723)

Lees meer >>

RvA no. 28-16-LB / 10/02/2017
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 13, derde lid, van de Landsverordening financieel beheer (Landsbesluit subsidie)
(zaaknummer 2015/051641)

Lees meer >>