Home > Adviezen > RvA no. RA/02-08

RvA no. RA/02-08
13/02/2008

Ontwerp-Iandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (strafbaarstelling terrorisme, terrorismefinanciering en
witwassen) (5522/RNA'07, DWJ'07fi15, RvA no. LV/02-08)

Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 19 december 2007, door de Raad ontvangen d.d. 2 januari 2008, om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en de behandeling hiervan in de vergadering van de Raad van Advies d.d. 11 februari 2008 bericht de Raad u als volgt.

De onderhavige ontwerp-Iandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (strafbaarstelling terrorisme, terrorismefinanciering en witwassen) heeft in hoofdzaak tot doel de implementatie van het op 9 december 1999 te New Vork tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Trb. 2000, 12) (het Verdrag). De implementatie betreft met name aanbeveling 11 van de op 30 oktober 2001 tot stand gekomen anti-terrorisme-aanbevelingen van de zgn. Financial Action Task Force (FATF).

Eveneens wordt voorgesteld de witwas-bepalingen in andere bewoordingen dan zoals zij staan in de huidige Landsverordening Witwassen van geld (P.S. 1993, no. 52) op te nemen. Nieuwe formuleringen zijn noodzakelijk op grond van internationale ontwikkelingen en met name het VN-Verdrag inzake internationaal georganiseerde misdaad (15 november 2000, Trb. 2001, 68) (Verdrag van Palermo). De gewijzigde FATF-aanbevelingen van 2003 schrijven voor dat het Palermo-verdrag moet worden geïmplementeerd.

De Nederlandse Antillen hebben een achterstand in te halen voor wat betreft het uitvoeren van de FATF verplichtingen. Het voornemen van de Egmont Group on Financial Intelligence (de Egmont Group) om op de komende Mutual Evaluation van de FATF (maand mei 2008) alle Financial Intelligence Units (FIU's) (MOT organen) die niet hebben voldaan aan de uitvoering van de FATF-verplichtingen voor schorsing uit die organisatie voor te dragen, noopt de regering tot onmiddellijke actie.

Bestudering van het ontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting geeft de Raad aanleiding tot het maken van de navolgende opmerkingen. 


Algemeen

De Raad heeft uit de inleiding van de memorie van toelichting kunnen opmaken, dat de onderhavige ontwerp-Iandsverordening met spoed tot stand moet worden gebracht. Zoals eerder aangegeven zou de reden voor de zogenaamde "spoedprocedure" liggen in het voornemen van de Egmont Group om alle FIU's (MOT organen) te schorsen uit hun organisatie.

De Raad is van oordeel dat de regering voldoende diligent moet zijn in het nakomen van verdragsverplichtingen. Zeker in een geval als de onderhavige waarbij de regering weet dat de reputatie van het land als een respectabel internationaal financieel centrum op het spel staat.


De Raad heeft uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken kunnen opmaken, dat de Egmont Groep reeds in een vroeg stadium zijn bezorgdheid heeft geuit voor wat betreft het niet tijdig nakomen van de verdragsverplichtingen door de Nederlandse Antillen (zie brief d.d. 1 augustus 2007 van de Egmont Group aan de Directeur van de Meldpunt Ongebruikelijke Transacties Nederlandse Antillen (MOT-Nederlandse Antillen». In genoemde brief biedt de Egmont Group de MOT-Nederlandse Antillen nogmaals de nodige bijstand aan opdat de Nederlandse Antillen met de nodige diligentie, de uitvoeringsbepalingen tot stand brengt teneinde aan de verdragsverplichtingen te kunnen voldoen.

De Raad vindt dat de regering de nodige voortvarendheid in deze had moeten betrachten en het nodige heeft moeten doen voor een behoorlijke planning en sturing van het wetgevingproces.

De Raad vindt opmerkelijk de opmerkingen van de Directeur Wetgeving en Juridische Zaken op pagina 2 van de brief d.d. 20 november 2007, no. DWJ'07/715, aan de Minister van Justitie en de Minister van Financiën.

In de derde alinea op pagina 3 van de genoemde brief stelt de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) dat het ontwerp: "met de grootste prioriteit is behandeld, waarbij echter, ondanks de betrachte zorgvuldigheid, vanwege het spoedeisende karakter niet ten volle kan worden gegarandeerd dat het de kwaliteit bezit van wetgevingsprodukten die door DWJZ zelf zijn voorbereid of door DWJZ zijn gescreend of de kwaliteitstoets van DWJZ hebben doorstaan". DWJZ stelt verder: "Ook het feit dat prof. De Doelder nog een aantal keren met wijzigingen, (... ) is gekomen nadat het voorontwerp aan u was aangeboden mag duidelijk maken dat, zoals hij ook zelf in het gesprek op 8 november 2007 aangaf, nog meer onvolkomenheden niet uitgesloten zijn."

De Raad is van oordeel dat de directies (wetgevingsafdelingen) onder wier verantwoordelijkheid ontwerp-regelingen worden opgesteld, moeten streven naar een behoorlijke kwaliteit van de betreffende regelingen. Volgens de Raad is er sprake van een ontwerp-regeling van behoorlijke kwaliteit wanneer de ontwerp-regeling helder en toegankelijk is. De vormgeving, waarvan de redactie - formulering en indeling - een belangrijk aspect is, bepaalt voor een belangrijk deel de toegankelijkheid van de ontwerpregeling. De Raad is van mening dat pas wanneer een ontwerp-regeling aan de genoemde criteria voldoet deze aan de regering voor behandeling kan worden aangeboden.

De Raad constateert dat in casu opnieuw een ontwerp-regeling voor advies bij de Raad is aangeboden, die in feite nog niet rijp is voor beoordeling.

De Raad heeft de regering in de afgelopen periode reeds een aantal keren er op moeten wijzen dat het een en ander schort aan de kwaliteit van de ontwerp-regelingen die bij de Raad voor advies aanhangig zijn gemaakt.

De Raad geeft de regering thans nogmaals in overweging het nodige te doen, opdat de aan de Raad voor advies aangeboden ontwerpregelingen van het vereiste kwaliteit (inhoudelijk, wetstechnisch en redactioneel) zijn. De Raad is van oordeel dat slechts wetgeving die de kwaliteitstoets van DWJZ kan doorstaan bij de Raad voor advies aanhangig dient te worden gemaakt.

Opmerkingen van inhoudelijke aard

De ontwerp-Iandsverordening


Onderdeel A

In artikel 4, onder 8°, is in de voorlaatste en laatste regel opgenomen "enig land van de Nederlandse Antillen". De Nederlandse Antillen is echter één land bestaande uit vijf eilandgebieden. De Raad geeft de regering in overweging het woord "land" te vervangen door het woord "eilandgebied".

In de laatste regel van het voorgestelde artikel 4, onder go, is opgenomen het woord "gemakkelijker". Het gebruik van het woord "gemakkelijker" is volgens de Raad niet juist, omdat het woord suggestief is. De Raad geeft de regering in overweging in plaats van het woord "gemakkelijker" het woord "gemakkelijk" op te nemen.

De voorgaande opmerking geldt ook voor het gebruik van het woord "gemakkelijker" in de onderdelen B, Z en GG.

Onderdeel B

In artikel 4a, tweede lid, is het woord "uitlevering" opgenomen. In het overeenkomstige Nederlandse artikel 4a is opgenomen "uitlevering of overlevering". Voor de Raad is niet duidelijk waarom in het Nederlands-Antilliaanse artikel 4a het woord "overlevering" is weggelaten. Volgens de Raad is overlevering naast uitlevering een reële mogelijkheid in de praktijk.

Onderdeel H

De formulering van artikel 48a, tweede lid, is naar het oordeel van de Raad niet duidelijk. Indien bij de lezing van het betreffende artikellid het accent gelegd wordt op het woord "voorbereiding" dan is de bepaling in het tweede lid een nadere specificering van de algemene bepaling in artikel 48a, eerste lid. Wordt echter bij de lezing het accent gelegd op het woord "tevens" dan suggereert dat woord dat het onderdeel voorbereiding van terroristische misdrijven eerder in het artikel aan bod is geweest, terwijl dat niet zo is. De Raad geeft de regering in overweging de redactie van artikel 48a, tweede lid, opnieuw te bezien.

Onderdelen K en N

In artikel 113a en artikel 124a, tweede lid, is als straf opgenomen levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren of geldboete van ten hoogste één miljoen gulden. De Raad vindt het opmerkelijk dat in de overige artikelen waar levenslange gevangenisstraf is opgenomen de als alternatief op te leggen tijdelijke gevangenisstraf gesteld wordt op ten hoogste vierentwintig jaren terwijl er in de onderhavige artikelen de tijdelijke gevangenisstraf gesteld wordt op ten hoogste twintig jaren. Dit verschil zal naar het oordeel van de Raad toegelicht moeten worden. In artikel 124a, eerste lid, is als straf opgenomen een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van ten hoogste één miljoen gulden.

In artikel 124a, tweede lid, is als straf opgenomen een levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren of geldboete van ten hoogste één miljoen gulden. De Raad vindt het opmerkelijk dat ongeacht de hoogte van de vrijheidsstraf van ten hoogste twintig of vierentwintig jaren, de geldboete steeds op ten hoogste één miljoen gulden wordt gesteld. De regering zal deze keuze nader moeten toelichten.

Onderdeel S

De Raad geeft de regering in overweging in de voorlaatste regel van artikel 146a, derde lid, vóór het woord "stoffelijke" op te nemen het woord "andere". Geldelijke steun is volgens de Raad ook een vorm van stoffelijke steun.

Onderdeel T

In de tweede regel van artikel 167 is de volgende bepaling opgenomen: "voor zover dat werk ten algemene nutte gebruikt wordt,". In het oude artikel 167 komt die nadere precisering niet voor. Met de toevoeging van de nadere precisering kiest de regering voor een verbijzondering van de oude bepaling. Niet wordt toegelicht waarom gekozen wordt voor deze verbijzondering. De Raad geeft de regering in overweging artikel 167 nader toe te lichten.

Onderdeel V

In artikel 179a wordt de term "onrechtmatig" gehanteerd. DWJZ merkt op op pagina 1 van de bijlage bij de brief van 21 augustus 2007, no. DWJ'07/15 en '07/144 aan de Minister van Justitie dat de gevolgen van het loslaten en vervangen van het in het kader van strafrechtelijke wet- en regelgeving gehanteerde begrip "wederrechtelijk" door het typisch civielrechtelijke begrip "onrechtmatig" niet aanstonds zijn te overzien. DWJZ stelt dat wat hiermee beoogd wordt en de strikte noodzaak hiertoe vooralsnog voor DWJZ niet geheel duidelijk is. Opgemerkt wordt dat in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarvan het ontwerp voor het nieuwe Nederlands-Antilliaanse wetboek een getrouwe afspiegeling beoogt te zijn, het begrip "wederrechtelijk" tot nu toe ook niet verwisseld is met het binnen het strafrecht a-typische begrip "onrechtmatig", terwijl er geen indicaties zijn dat de Nederlandse wetgever serieuze voornemens daartoe heeft. DWJZ stelt dan ook voor het begrip "wederrechtelijk" te handhaven en consequent te gebruiken.
De Raad geeft de regering in overweging, overeenkomstig het advies van DWJZ in de bijlage bij de brief van 21 augustus 2007, het begrip "wederrechtelijk" te handhaven en consequent te gebruiken.

Onderdeel LL

In artikel 430a is het woord "kan" opgenomen. Met het woord "kan" laat de regering de
keuze over aan de rechter, terwijl de rechter die bevoegdheid al heeft. De bedoeling van de regering is met de onderhavige wijziging een strakkere regie van de terroristische misdrijven te bewerkstelligen. De regering dient in een geval als het onderhavige de beslissing dan ook niet aan de rechter over te laten. De Raad geeft de regering in overweging het woord "kan" te vervangen door het woord "wordt".

De memorie van toelichting

Algemeen

In de tekst van de memorie van toelichting wordt vaak gebruik gemaakt van afkortingen. Naar de mening van de Raad moet in de tekst de eerste keer waarop de term (of benaming) wordt aangehaald deze voluit worden geschreven, met eventueel daarbij de afkorting. Pas dan kan in de rest van de tekst volstaan worden met de aangegeven afkorting.

Pagina 2

Op pagina 2 is in de eerste regel van de eerste alinea is het woord "spoedwetgeving" en in de voorlaatste alinea is het woord "spoedprocedure" opgenomen. Voor de Raad is niet duidelijk wat er bedoeld wordt met de woorden "spoedwetgeving" en "spoedprocedure". Een regeling kan naar de mening van de Raad hoogstens een spoedeisend karakter hebben. De Raad stelt voor hier een andere formulering te gebruiken.

In de zin in de eerste alinea die begint met "De komende Mutual Evaluation" is opgenomen, dat het voornemen van de Egmont Group is "alle FIU's (MOT organen) te schorsen". Naar het oordeel van de Raad is hetgeen hier gesteld wordt niet juist. Volgens de Raad moet aan deze zin worden toegevoegd de woorden: "die niet hebben voldaan aan de uitvoering van de FATF verplichting om in de nationale wetgeving de financiering van terrorisme (TF), strafbaar te stellen".

In de voorlaatste regel van de eerste alinea is opgenomen dat de regering "de ontwerplandsverordening nr 2002-2003/3015" heeft ingetrokken. Bij een navraag bij de Directie Justitiële Zaken (DJZ) is door DJZ te kennen gegeven dat deze intrekking nog moet plaatsvinden. De bedoeling is dat de intrekking zal hebben plaatsgevonden op het moment dat de onderhavige ontwerp-Iandsverordening aan de Staten wordt aangeboden. De Raad is van oordeel dat zolang de regeling nog niet is ingetrokken niet kan worden vermeld dat zulks heeft plaatsgevonden. De tekst moet dan ook aangepast worden. De Raad geeft de regering in overweging in plaats van de woorden "heeft ingetrokken" op te nemen de woorden" de nog in te trekken".

Pagina 4

Onderdeel B
In de voorlaatste regel van onderdeel B is opgenomen:"(Reparatiewet IJ Justitie, Kamerstukken IJ 30171, Stb 2006, 24, inwerkingtreding 1 februari 2006), ". Dit onderdeel dient gewijzigd te worden als volgt: "(Reparatiewet IJ Justitie, Stb 2006, 24, inwerkingtreding 1 februari 2006), ".

Op een aantal plaatsen, onder meer op pagina's 2, 3, 4, 5 etc... van de memorie van toelichting wordt verwezen naar de ingetrokken landsverordening 2002-2003/3015. In het kader van de duidelijkheid van de memorie van toelichting is aan te bevelen de volledige naam van bedoelde regeling te gebruiken.

Pagina 8

Onderdeel O
De tweede alinea van onderdeel O die begint met "Vermeldenswaard is hier" heeft volgens de Raad geen toegevoegde waarde. De Raad geeft de regering in overweging deze alinea weg te laten.

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Zoals de Raad eerder heeft aangegeven, komen in zowel de ontwerp-Iandsverordening als in de memorie van toelichting veel onvolkomenheden van wetstechnische en redactionele aard voor.
De Raad volstaat hier met het geven van slechts enkele voorbeelden.

De aanhef van de ontwerp-Iandsverordening De puntkomma ";" achter "de Nederlandse Antillen" moet worden vervangen door een
komma ",". 


De considerans


Het woord "organisatise" in de laatste regel van de considerans moet zijn "organisatie". 


Onderdeel B

In artikel4a, tweede lid, dient in de derde regel een komma U," geplaatst te worden achter
"eerste lid" van het onderdeel "324, eerste lid onder 6°". 


Onderdeel C

In de eerste regel van onderdeel C is opgenomen dat: "onder vervanging van de punt aan
het slot van artikel 5, onder 2°. Opgenomen had moeten worden: "artikel 5, eerste lid,
onder 2°,". 
In het nieuwe onderdeel onder 3 ° van artikel 5, eerste lid, dient in de derde regel een
komma "," geplaatst te worden achter "tweede lid" van "artikel 325, tweede lid onder 2°,". 


Onderdeel E

Op pagina 4 van de memorie van toelichting is in de eerste regel van onderdeel E
opgenomen "een nieuw tweede lid". In het onderdeel E wordt gesteld dat aan artikel 32
een derde lid wordt toegevoegd. In de memorie van toelichting moet dan ook zijn
opgenomen "een nieuw derde lid" in plaats van "een nieuw tweede lid".
In de tweede regel van het onderdeel E op pagina 4 van de memorie van toelichting dient
in plaats van het woord "alle" te worden opgenomen de woorden "alle in het eerste lid
vermelde rechten". 


Onderdeel F

Vóór "titel IV" dient te worden ingevoegd: "Het opschrift van". 


Onderdeel H

In artikel 48a, derde lid, dient achter het woord "gesteld" een komma "," geplaatst te
 worden. Op pagina 5 van de memorie van toelichting is in de voorlaatste regel van de derde alinea
van onderdeel H opgenomen het "derde lid". Het "derde lid" moet zijn het "tweede lid". 


Onderdeel I

In artikel 84a, eerste lid, dient het woord "onderdeel" telkens vervangen te worden door
 "onder". 


Pagina 6, laatste alinea, van de memorie van toelichting bevat enkele onvolkomenheden:
Artikel 84 moet zijn artikel 84b.

Op pagina 6 van de memorie van toelichting moet het onderdeel van de zin op de vijfde
regel van de laatste alinea worden geherformuleerd (de zin loopt niet).

Op pagina 7 van de memorie van toelichting is in de eerste alinea opgenomen, dat niet is
gekozen voor het woord "intimideren" maar voor de woorden "ernstige vrees aanjagen". In
artikel 84b komt echter het woord "ernstige" niet voor.

Op pagina 7, laatste alinea, van de memorie van toelichting is in de eerste regel
opgenomen artikel 85a. Hier moet staan: artikel84a. 


Onderdeel N

De komma achter het woord "persoon" in de tweede regel van artikel 124e dient
weggelaten te worden (zie artikel 117b Nederlandse Wetboek van Strafrecht). 


Onderdeel O
Op pagina 8 van de memorie van toelichting moet "Onderdeel O" zijn: Onderdeel Q.


Onderdelen T & U

Op pagina 9 van de memorie van toelichting dient in de eerste regel, in plaats van artikel
84, te worden opgenomen: artikel 84a. In de laatste regel op pagina 9 van de memorie
van toelichting zijn opgenomen de artikelen 182 of 182a. In de plaats hiervan moet worden
opgenomen de artikelen 182a of 182b.


In de eerste regel op pagina 10 van de memorie van toelichting moet in plaats van het
woord "huidge" opgenomen worden: "huidige". 


Onderdeel Y

De laatste zin van de toelichting op pagina 10 van de memorie van toelichting bevat een
onvolkomenheid. Gesteld wordt dat ter voorkoming van misverstanden het woord "Koning"
in de aanhef is opgenomen. In artikel 211 is het woord "Gouverneur" opgenomen en niet 
"Koning", Deze zin zal dan ook aangepast moeten worden.


Onderdeel BB

Na de woorden "met gijzeling" in artikel 298, eerste lid, dient een komma "," te worden
 opgenomen.


Onderdeel HH

Vóór de voorgestelde tekst dient de nummeraanduiding van het tweede lid te worden
geplaatst. 


Onderdeel JJ

Zoals uit de aanhef van artikel 399a blijkt, wordt een vierde lid toegevoegd. De nummeraanduiding van het vierde lid dient in plaats van het derde lid te worden geplaatst. 


De komma achter "vervoer" in de derde regel van artikel 399a, derde lid, kan worden
weggelaten. 


Onderdeel LL

In de eerste regel van artikel 430b dient vóór het woord "artikelen" ingevoegd te worden
de woorden "in de" en na het woord "artikelen" de woorden "omschreven misdrijven".


De Raad heeft voor het overige geen opmerkingen. 


Concluderend kan de Raad zich met de ontwerp-Iandsverordening en de memorie van
toelichting verenigen en geeft de Raad de regering in overweging de ontwerplandsverordening
bij de Staten in te dienen, nadat met vorenstaande opmerkingen
rekening zal zijn gehouden.


Willemstad, 13 februari 2008

Zoeken in Adviezen

 Datum vanaf:
 Datum tot:

 

LAATST GEPLAATSTE ADVIEZEN

RvA no. 36-16-LV / 10/02/2017
Ontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (ontbinding rechtspersonen door de Kamer van Koophandel)
(zaaknummer 2016/007723)

Lees meer >>

RvA no. 28-16-LB / 10/02/2017
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 13, derde lid, van de Landsverordening financieel beheer (Landsbesluit subsidie)
(zaaknummer 2015/051641)

Lees meer >>