Home > Adviezen > RvA no. RA/21-16-LV

RvA no. RA/21-16-LV
11/01/2017

Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap van de Staten (Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten) (A.B. 2010, no. 87) (Zittingsjaar 2015-2016-091)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 12 mei 2016 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 4 juli 2016, bericht de Raad u als volgt.

I.    Algemeen

De verenigbaarheid van het initiatiefontwerp met de Staatsregeling van Curaçao

Het wettelijke kader

De onderhavige initiatiefontwerplandsverordening (hierna: het initiatiefontwerp) strekt, volgens de considerans, ertoe regels vast te stellen in geval een lid van de Staten weigert zijn functie neer te leggen na een veroordeling door de rechter voor het begaan van een ambtsmisdrijf. De Raad wenst ten aanzien van het initiatiefontwerp het volgende op te merken.

Een lid van de Staten is op grond van de huidige wettelijke regelingen niet gehouden af te treden na een niet-onherroepelijke veroordeling door de rechter voor het begaan van een misdrijf. Artikel 43, tweede lid van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) schrijft onder andere voor in welke gevallen iemand van het recht om tot lid van de Staten gekozen te worden (het passief kiesrecht) is uitgesloten.

Artikel 43, tweede lid van de Staatsregeling luidt als volgt:

Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij landsverordening aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste één jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.

Het uitsluitingsregime ligt in de sfeer van de grondrechtbeperkingen en is daarom in de Staatsregeling aan nauwe grenzen gebonden. Slechts in zeer beperkte mate is, zoals aangegeven in de memorie van toelichting behorende bij de Staatsregeling, ontneming van het passief kiesrecht mogelijk. Daarbij is een uitspraak van de rechter vereist. In het geval dat iemand strafrechtelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste één jaar, verliest hij niet automatisch zijn kiesrecht. De rechter moet daarover hebben beoordeeld en beslist. Daar komt nog bij dat de ontneming van het kiesrecht als bijkomende straf door de rechter alleen mogelijk is bij bepaalde door de wet aangewezen misdrijven.

Artikel 44 van de Staatsregeling sluit aan bij artikel 43 van de Staatsregeling. Het bepaalt aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om lid van de Staten te kunnen zijn.

Artikel 44 van de Staatsregeling luidt als volgt:

Om lid van de Staten te kunnen zijn is vereist dat men ingezetene van Curaçao is, de Nederlandse nationaliteit bezit, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat een lid van de Staten die tijdens zijn zittingsperiode in een situatie komt te verkeren dat hij niet meer aan één van de in artikel 44 van de Staatsregeling genoemde vereisten voldoet, op dat moment van rechtswege geen lid meer is van de Staten. Dit is onder meer het geval indien hij bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste één jaar en daarbij tevens door de rechter is ontzet uit het kiesrecht.

Naast de ontneming van het passief kiesrecht overeenkomstig artikel 43, tweede lid, van de Staatsregeling als bijkomende straf door een rechter bestaat in artikel 45, derde lid van de Staatsregeling de  mogelijkheid waarbij het passief kiesrecht kan worden ontnomen bij landsverordening.

Artikel 45, derde lid van de Staatsregeling luidt als volgt:

Bij landsverordening kunnen regels worden gesteld voor de vervallenverklaring van het lidmaatschap van een lid van de Staten, dat wegens het begaan van een delict bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf. De landsverordening regelt de misdrijven waarvoor het lidmaatschap van de Staten kan worden vervallen verklaard alsmede de beroepsmogelijkheid van het betrokken Statenlid bij het Hof van Justitie.

Volgens de memorie van toelichting behorende bij de Staatsregeling opent laatstgenoemd artikellid de mogelijkheid om bij landsverordening ook de beëindiging van het lidmaatschap van een Statenlid, dat door de rechter tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, zonder oplegging van de bijkomende straf van ontzetting uit het kiesrecht, wettelijk te regelen. Een beoordeling en beslissing door de rechter over de ontzetting uit het passief kiesrecht is dus hierbij niet vereist.

b.   Wettelijke grondslag voor de beoogde beperking van het passief kiesrecht

De initiatiefnemers beogen in de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten regels vast te stellen voor het van rechtswege schorsen (tijdelijke opschorting) van een lid van de Staten in de uitoefening van zijn ambt bij een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten en indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt ter zake van voornoemd misdrijf. Voornoemde landsverordening strekt ter uitvoering van artikel 45, derde lid van de Staatsregeling maar is nog niet in werking getreden.

De Raad is van oordeel dat het door de initiatiefnemers beoogde doel niet verwezenlijkt kan worden door de voorgestelde wijziging van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten. De wettelijke grondslag voor de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten is, zoals hierboven reeds is vermeld, te vinden in artikel 45, derde lid van de Staatsregeling welke slechts de mogelijkheid opent regels vast te stellen omtrent de beëindiging van het lidmaatschap van de Staten indien een lid van de Staten wegens het begaan van een delict bij onherroepelijk rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf. De door de initiatiefnemers voorgestelde beperking van het passief kiesrecht is niet hiermee in overeenstemming omdat het niet betreft een beëindiging van het lidmaatschap van de Staten maar een tijdelijke opschorting daarvan. De initiatiefnemers beogen immers regels vast te stellen voor de schorsing van rechtswege van een lid van de Staten voor de uitoefening van zijn ambt bij een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling voor het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten. Daarnaast hebben de initiatiefnemers tot doel een lid van de Staten van rechtswege te schorsen indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt ter zake van een misdrijf als bedoeld in laatstgenoemd artikellid.

Ook staat het voorgestelde artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten op gespannen voet met artikel 45, derde lid, van de Staatsregeling omdat bij een voorlopige hechtenis nog geen sprake is van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak wegens het plegen van een misdrijf. Indien iemand in voorlopige hechtenis is genomen voor het begaan van een misdrijf is er nog geen sprake van een inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak en staat daardoor niet vast dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.

Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat het door de initiatiefnemers met het initiatiefontwerp beoogde doel buiten de reikwijdte valt van de regelgevende bevoegdheid, opgenomen in artikel 45, derde lid van de Staatsregeling.

Op basis van het gestelde in onderdeel 1 is de Raad van oordeel dat het door de initiatiefnemers met het initiatiefontwerp beoogde doel slechts gerealiseerd zal kunnen worden middels een wijziging van de Staatsregeling. Niettegenstaande genoemde opvatting wenst de Raad met betrekking tot het initiatiefontwerp het volgende op te merken.

2.   De verenigbaarheid van de door initiatiefnemers beoogde beperking van het passief recht met het internationaal recht.

a.   Algemeen

De Raad merkt op dat de door de initiatiefnemers beoogde beperking van het passief kiesrecht een vergaande beperking is. De Raad mist in de memorie van toelichting een toets van genoemde beperking van het passief kiesrecht aan internationale verdragen, in het bijzonder aan artikel 3 van het Eerste Protocol (hierna: EP) van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM) en aan artikel 25 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), de jurisprudentie en in de rechtsliteratuur heersende opvattingen. Hoewel de Staten die aan genoemde verdragen gebonden zijn bij het stellen van voorwaarden waaronder het actieve en passieve kiesrecht uitgeoefend kunnen worden, over een ruime “margin of appreciation” (beoordelingsruimte) beschikken, toetst het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het Europees Hof) die beperkingen aan de navolgende elementen om na te gaan of de Staten binnen genoemde marge blijven:

de beperkingen mogen het actief en passief kiesrecht niet zo ver beperken dat ze in de kern worden aangetast of hun effectiviteit verliezen;

een beperking moet een rechtmatig doel dienen, en;

de aangewende middelen mogen niet onevenredig zijn ten opzichte van het nagestreefde doel.

Niettegenstaande de omstandigheid dat bij het passieve kiesrecht op grond van jurisprudentie verdere beperkingen lijken te zijn toegestaan dan bij het actieve kiesrecht, zijn genoemde elementen ook van belang bij het treffen van beperkende maatregelen ten aanzien van het passief kiesrecht.

De Raad adviseert de door de initiatiefnemers beoogde beperking van het passief kiesrecht te toetsen aan artikel 3 van het EP van het EVRM, artikel 25 van de IVBPR, de jurisprudentie en in de rechtsliteratuur heersende opvattingen en in de memorie van toelichting daarop in te gaan.

Aandachtspunten

De navolgende aandachtspunten dienen naar de mening van de Raad bij bovengenoemde

toetsing in acht te worden genomen:

De gronden die tot inbreuk op het passief kiesrecht leiden, moeten welomlijnd en van voldoende gewicht zijn. In de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp worden als gronden voor het maken van een inbreuk op het passief recht genoemd een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling en het in voorlopige hechtenis stellen van een lid van de Staten ter zake van het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten. De Raad merkt op dat in voornoemde gevallen geen sprake is van een strafzaak die uitgeprocedeerd is bij een onafhankelijke rechter. De veroordeling staat in beide gevallen niet vast, waardoor naar het oordeel van de Raad genoemde gronden niet zo gewichtig zijn, om een beperking van het passief kiesrecht te kunnen rechtvaardigen.

De beperking van het passief kiesrecht is in het initiatiefontwerp afhankelijk gesteld van het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten. Geconstateerd wordt dat de misdrijven waarnaar in genoemd artikellid wordt verwezen, zijn opgenomen in het oude Wetboek van Strafrecht. Bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht is voornoemde verwijzing niet gewijzigd. Het is dan ook niet duidelijk welke misdrijven tot schorsing van een lid van de Staten kunnen leiden.

De Raad adviseert artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

De omstandigheid dat er voldoende procedurele waarborgen voorhanden dienen te zijn bij bovengenoemde beperking. In artikel 2 van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten is bijvoorbeeld de mogelijkheid opgenomen voor een lid van de Staten om in beroep te gaan tegen de vervallenverklaring van zijn lidmaatschap bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Een dergelijke mogelijkheid is in geval van schorsing van een lid van de Staten bij een niet-onherroepelijke veroordeling door de rechter of bij het in voorlopige hechtenis stellen van een lid van de Staten bij het begaan van een misdrijf niet in het initiatiefontwerp opgenomen.

3.  De waarneming van een geschorst lid van de Staten

Ingevolge het voorgestelde artikel 1, derde lid, tweede volzin van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten, (artikel I, onderdeel A van het ontwerp) wordt het lid van de Staten dat is geschorst, als bedoeld in het tweede lid, waargenomen. Opgemerkt zij dat een geschorst lid van de Staten tijdens de duur van de schorsing formeel lid van de Staten blijft. Artikel 40 van de Staatsregeling schrijft voor dat de Staten uit eenentwintig leden bestaan. De in de Staatsregeling geregelde bevoegdheden van leden van de Staten kunnen alleen door iemand worden uitgeoefend die formeel lid van de Staten is. Daar komt nog bij dat de Staatsregeling de rechtsfiguur van “waarnemer van een lid van de Staten” niet kent.

De Raad adviseert artikel 1, derde lid, tweede volzin van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten met inachtneming van het bovenstaande te schrappen en de laatste volzin van genoemd artikellid aan te passen.

4.   Het bevel tot voorlopige hechtenis

Ingevolge het voorgestelde artikel 1 tweede lid, onderdeel a, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten (artikel I, onderdeel A, van het ontwerp) wordt een lid van de Staten van rechtswege geschorst indien hij zich in voorlopige hechtenis bevindt ter zake van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid. Een bevel tot voorlopige hechtenis tot aan de terechtzitting kan echter ingevolge artikel 100, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering alleen worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:215, eerste lid, 2:255 eerste lid, 2:286, 2:298, 2:334, eerste lid, 2:338, 2:376, 2:377 en 2:397 van het Wetboek van Strafrecht. 

Geconstateerd wordt dat niet alle in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten bedoelde misdrijven aan de in artikel 100, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering genoemde criteria voldoen. Zo zijn de in de artikelen 2:128, 2:129, en 2:230 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, welke artikelen overeenkomen met de artikelen 183 en 184 van het oude Wetboek van Strafrecht waar in artikel 1, eerste lid, onderdeel c van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten naar wordt verwezen, misdrijven ter zake waarvan geen bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

5.   De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp

Op grond van het voorgestelde artikel 1, derde lid van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten (artikel I, onderdeel A) wordt voor het lid van de Staten dat is geschorst, als bedoeld in het tweede lid waargenomen. Bovendien geniet het geschorste lid van de Staten zijn bezoldiging gedurende de schorsing. Ook staat er in het laatste tekstblok van de memorie van toelichting dat de omstandigheid dat een lid van de Staten bij een onherroepelijke einduitspraak niet wordt veroordeeld, aanleiding kan zijn voor een schadevergoeding. Dat betekent allemaal extra kosten voor het Land. De Raad constateert dat de memorie van toelichting over die kosten en de manier waarop deze zullen worden gedekt zwijgt. In artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 staat dat in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel moet worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld.

Hoewel de toelichting op genoemd artikel niets daarover zegt, maakt de Raad naar aanleiding van de laatste volzin daarvan op, dat het artikel alleen ministers bindt. Desalniettemin kan er naar het oordeel van de Raad van een zekere reflexwerking richting de Staten sprake zijn. Immers, de lasten voor de overheid die voortvloeien uit het initiatiefontwerp, zullen op de begroting gaan drukken. In aanwijzing 157 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) wordt ook bepaald dat de memorie van toelichting een verantwoording dient te bevatten over de lasten voor de overheid en de financiële gevolgen van het initiatiefontwerp. Indien een ontwerp voor een landsverordening financiële gevolgen voor het Land bevat, dient overeenkomstig aanwijzing 159 van de Awr in een afzonderlijk gedeelte van de memorie van toelichting aangegeven te worden in welke omvang daaraan meer of mindere uitgaven of ontvangsten zullen zijn verbonden.

Gezien het bovenstaande adviseert de Raad in een financiële paragraaf in de memorie van toelichting de kosten verbonden aan het initiatiefontwerp inzichtelijk te maken en aan te geven hoe deze kosten gedekt zullen worden.

 

II.   Inhoudelijke opmerkingen

1.   Het initiatiefontwerp

De considerans

Volgens de considerans strekt het initiatiefontwerp ertoe regels vast te stellen voor wanneer een lid van de Staten weigert zijn functie neer te leggen na een veroordeling door de rechter voor het begaan van een ambtsmisdrijf. Naar de letter van het voorgestelde artikel 1, tweede lid, onderdeel b van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten (artikel I, onderdeel A, van het ontwerp) en uit de memorie van toelichting volgt dat het niet om schorsing van een lid van de Staten bij een onherroepelijke rechterlijke veroordeling maar bij een schorsing van een lid van de Staten bij een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling gaat. Bovendien is in het voorgestelde onderdeel b van voornoemd artikellid ook een voorziening getroffen voor schorsing van een lid van de Staten dat in voorlopige hechtenis is genomen.

De Raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de considerans niet helemaal de lading van het initiatiefontwerp dekt en adviseert de considerans met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

De eis van een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling

Ingevolge het voorgestelde artikel 1, tweede lid onderdeel b van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten wordt een lid van de Staten van rechtswege geschorst indien hij bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens het begaan van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid. Uit genoemde formulering blijkt onvoldoende duidelijk dat het in dit geval gaat om een niet-onherroepelijke rechterlijke veroordeling.

De Raad adviseert het voorgestelde artikel I, onderdeel A (het voorgestelde artikel 1, tweede lid, onderdeel b van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

De pensioenopbouw van een geschorst lid van de Staten

Het kan voorkomen dat achteraf blijkt dat een overeenkomstig het voorgestelde artikel 1, tweede lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten geschorst lid van de Staten schuldig was van het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid van genoemde landsverordening. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt wat voor gevolgen dit heeft voor de pensioenopbouw. Het is niet duidelijk of de pensioenbouw gedurende de periode van schorsing gestuit zal worden.

De Raad vraagt de aandacht voor het bovenstaande en adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

De vervanging van een lid van de Staten

Ingevolge het voorgestelde artikel 1, derde lid, eerste volzin van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten (artikel I, onderdeel A van het ontwerp) wordt degene die het lidmaatschap van de Staten heeft verloren, als bedoeld in het eerste lid vervangen.  De Raad merkt op dat in artikel 3 van voornoemde landsverordening reeds een voorziening is opgenomen omtrent de vervanging van degene die heeft opgehouden lid van de Staten te zijn.

Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad het voorgestelde artikel 1, derde lid, eerste volzin van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten te schrappen.

De zittingsduur van de vervanger of waarnemer

Uit de laatste volzin van het voorgestelde artikel 1, derde lid van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten (artikel I, onderdeel A) volgt dat degene die het lid van de Staten dat het lidmaatschap heeft verloren vervangt, aftreedt op hetzelfde tijdstip als de andere leden van de Staten. De Raad meent dat het begrip “de andere leden van de Staten” vaag is, omdat het mogelijk is dat ook ten aanzien van andere leden van de Staten strafrechtelijke procedures zijn aangespannen. De Raad is van oordeel dat hier beter verwezen kan worden naar “afloop van de zittingsduur van de Staten”.

De Raad adviseert de laatste volzin van het voorgestelde artikel 1, derde lid van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

2.   De memorie van toelichting

Omschreven doel

Blijkens het voorlaatste tekstblok van de memorie van toelichting (pagina 1) is het doel van de onderhavige regeling zeker te stellen dat zittende Statenleden die bepaalde misdrijven hebben begaan, aftreden. Volgens de memorie van toelichting ziet de regeling dan ook niet op een oud-Statenlid. Opgemerkt zij dat de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten reeds beoogt dat leden van de Staten die een misdrijf hebben begaan aftreden. Van het begaan van een strafbaar feit bestaat er zekerheid als de betrokkene onherroepelijk is veroordeeld. Het initiatiefontwerp beoogt naar de mening van de Raad iets anders. Het beoogt een lid van de Staten dat verdacht wordt van een strafbaar feit tijdens de periode waarin er onzekerheid bestaat over zijn daderschap de uitoefening van zijn ambt tijdelijk op te schorten. Verder is het volgens de Raad onmogelijk om een oud-lid van de Staten in de uitoefening van zijn ambt te schorsen. Hij is immers geen lid van de Staten meer.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Bovendien is het gestelde in de tweede alinea van de memorie van toelichting (pagina 1) niet correct. Het gestelde is al geregeld, namelijk “het verlies van rechtswege van het lidmaatschap van de Staten”. In het initiatiefontwerp wordt schorsing van rechtswege” geregeld. De woorden “Om deze redenen is voorgesteld” wekken de indruk dat het verlies van rechtswege van het lidmaatschap van de Staten nu middels het initiatiefontwerp wordt geregeld.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Onderdeel “Lid 2”

In het laatste tekstblok van de memorie van toelichting onder “Lid 2” (pagina 1) staat dat de minister (a) die wegens misdrijf zich in voorlopige hechtenis bevindt of (b) niet-onherroepelijk wegens misdrijf is veroordeeld tot een gevangenisstraf van rechtswege is geschorst. Opgemerkt zij dat het voorgestelde artikel 1, tweede lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten niet gericht is tot ministers maar tot leden van de Staten. Daarnaast lijkt de formulering van het voorgestelde artikel 1, tweede lid, onderdeel b van voornoemde landsverordening erop dat een lid van de Staten van rechtswege geschorst wordt bij een niet-onherroepelijke veroordeling wegens het begaan van alle soorten misdrijven. Uit het initiatiefontwerp blijkt dat het alleen om de misdrijven bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten gaat.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Onderdeel “Lid 3”

In het laatste tekstblok, derde volzin, van de memorie van toelichting (pagina 2) staat dat de bezoldiging van het lid van de Staten dat geschorst is op het moment dat de betrokkene onherroepelijk wordt veroordeeld vervalt. Overeenkomstig aanwijzing 158 van de Awr wordt de toelichting niet gebruikt voor het stellen van nadere regels. De Raad meent dat het feit dat de bezoldiging van het lid van de Staten die geschorst is bij zijn onherroepelijke veroordeling vervalt in het initiatiefontwerp moet worden opgenomen.

De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

Verwijzing naar minister

In de laatste volzin van het eerste tekstblok en de voorlaatste volzin van de memorie van toelichting (pagina 2) wordt over “ministerambt” en “de minister die de uit zijn ambt ontheven minister vervangt” gesproken. Dit terwijl het initiatiefontwerp over de schorsing en de vervanging van leden van de Staten gaat.

De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

 

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

Willemstad, 8 juli 2016

de fungerend Ondervoorzitter,                               de Secretaris,

___________________________                         _____________________

mevr. mr. L.M. Dindial                                         mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

a.   Algemeen

Zowel in het initiatiefontwerp als in de daarbij behorende memorie van toelichting worden de termen “lid van de Staten” als “Statenlid” door elkaar gebruikt. Voorgesteld wordt om aan te sluiten bij de term “lid van de Staten” die in de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten wordt gehanteerd.

b.   Het initiatiefontwerp

Artikel I

Voorgesteld wordt in de aanhef van artikel I “A” te schrappen. Artikel I van het initiatiefontwerp heeft slechts één onderdeel, waarin artikel 1 van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten gewijzigd wordt.

Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 178, derde lid, onder B, van de Awr, de aanhef van het voorgestelde artikel I als volgt te wijzigen:

Artikel 1 van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten wordt gewijzigd als volgt:

Onder vernummering van het tweede tot en met het vijfde lid tot vierde tot en met zevende lid wordt een nieuw tweede en derde lid …..ingevoegd, luidende:

2. ….

3. ….

Als gevolg van het vorenstaande wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel I (het nieuwe artikel 1, derde lid van de Landsverordening vervallenverklaring lidmaatschap Staten)  de navolgende passage te schrappen:

“Lid 2 wordt vernummerd tot lid 4;

Lid 3 wordt vernummerd tot lid 5;

Lid 4 wordt vernummerd tot lid 6;

Lid 5 wordt vernummerd tot lid 7.”

c.   De memorie van toelichting

Pagina 2

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste volzin na “derde lid” het woord “wordt” in te voegen.

 

Zoeken in Adviezen

 Datum vanaf:
 Datum tot:

 

LAATST GEPLAATSTE ADVIEZEN

RvA no. 36-16-LV / 10/02/2017
Ontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (ontbinding rechtspersonen door de Kamer van Koophandel)
(zaaknummer 2016/007723)

Lees meer >>

RvA no. 28-16-LB / 10/02/2017
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 13, derde lid, van de Landsverordening financieel beheer (Landsbesluit subsidie)
(zaaknummer 2015/051641)

Lees meer >>