Adviezen

RvA no. RA/03-26-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Arbeidsregeling 2000 (Landsverordening arbeid luchtvaart, scheepvaart en havens)

Ontvangstdatum: 19/01/2026
Publicatie datum: 03/06/2026

(Zittingsjaar 2024-2025-242)

Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Arbeidsregeling 2000 (Landsverordening arbeid, luchtvaart, scheepvaart en havens) (Zittingsjaar 2024-2025-242)

 

Advies:   Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 15 januari 2026 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan 18 mei 2026, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemeen

1. Het doel van het initiatiefontwerp

Aan de Raad is ter advisering voorgelegd een initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Arbeidsregeling 2000 (Landsverordening arbeid luchtvaart, scheepvaart en havens) (Zittingsjaar 2024-2025-242) (hierna: het initiatiefontwerp).

Het initiatiefontwerp heeft volgens de considerans tot doel de discrepantie op te heffen tussen de arbeidsregelingen die gelden voor het verrichten van arbeid in lucht- en scheepvaartondernemingen en havens en de arbeidsregeling die geldt voor het verrichten van ander arbeid.

 

2. Het doorlopen traject

Op verzoek van de Voorzitter van de Staten, gebaseerd op artikel 2, tweede lid, van de Landsverordening Sociaal-Economische Raad, heeft de Sociaal-Economische Raad (hierna: de SER) op 10 december 2025 advies uitgebracht over het initiatiefontwerp.[1]

Eén van de initiatiefnemers heeft de Voorzitter van de Staten bij brief van 5 januari 2026 geïnformeerd dat de initiatiefnemers kennis hebben genomen van het advies van de SER en van oordeel zijn dat het initiatiefontwerp kan worden voortgezet in de adviesprocedure bij de Raad van Advies. In deze brief is de Voorzitter van de Staten tevens verzocht het initiatiefontwerp ter advisering aan de Raad voor te leggen.

De Raad constateert dat uit het initiatiefontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) niet blijkt dat de initiatiefnemers de inhoud van het SER-advies kenbaar bij hun overwegingen hebben betrokken. In de memorie van toelichting wordt immers niet inhoudelijk op het advies van de SER gereageerd, terwijl een dergelijke reactie uit een oogpunt van zorgvuldige en deugdelijke wetgeving wel aangewezen is.

De Raad benadrukt in dit verband opnieuw dat van alle betrokkenen bij de voorbereiding van wetgeving, waaronder mede begrepen initiatiefnemers, mag worden verwacht dat zij de nodige zorgvuldigheid betrachten bij de voorbereiding en motivering van wettelijke regelingen. Daarbij past dat op relevante adviezen van geconsulteerde adviesinstanties inhoudelijk wordt ingegaan, in het bijzonder indien die adviezen betrekking hebben op de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid, handhaafbaarheid of juridische kwaliteit van het initiatiefontwerp.

De Raad heeft zich reeds eerder kritisch uitgelaten over situaties waarin adviezen van adviesinstanties niet of onvoldoende kenbaar in de memorie van toelichting worden betrokken. In dat verband verwijst de Raad naar zijn brief van 2 augustus 2024 aan de Staten (kenmerk RvA no. OV/19-24), alsmede naar de beleidsregels inzake advisering over initiatiefontwerpen, welke bij brief van 30 oktober 2017 (kenmerk RvA no. OV/46-17) aan de Staten zijn toegezonden.[2]

Hoewel de Raad aanleiding ziet om voormelde aandachtspunten opnieuw nadrukkelijk onder de aandacht van de initiatiefnemers en de Staten te brengen, heeft de Raad in het onderhavige geval aanleiding gezien het initiatiefontwerp niet reeds om die reden buiten behandeling te laten en over te gaan tot inhoudelijke advisering. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de beoordeling of een initiatiefontwerp voldoende rijp is voor verdere behandeling in belangrijke mate afhankelijk blijft van de omstandigheden van het concrete geval, waaronder de aard en inhoud van het initiatiefontwerp, de fase van het wetgevingsproces en de mate waarin de Raad zich, ondanks de geconstateerde tekortkomingen, in staat acht tot een deugdelijke advisering te komen.

Het vorenstaande laat onverlet dat het uitblijven van een inhoudelijke reactie op relevante adviezen van adviesinstanties naar het oordeel van de Raad onwenselijk blijft en in toekomstige gevallen aanleiding kan vormen om een initiatiefontwerp met het verzoek tot aanvulling of nadere motivering te retourneren.

 

3. Het opheffen van discrepanties

Zoals eerder aangegeven, heeft het initiatiefontwerp tot doel de discrepantie op te heffen tussen de arbeidsregelingen die gelden voor het verrichten van arbeid in lucht‑ en scheepvaartondernemingen en havens, en de arbeidsregeling die geldt voor het verrichten van overig arbeid. Immers, bepalingen van de Arbeidsregeling 2000 betreffende arbeidsduur, rusttijden, nachtarbeid, overwerk en de compensatie daarvan en arbeid verricht in consignatiedienst zijn gelet op artikel 1, tweede lid, onderdelen e tot en met i, van die regeling niet van toepassing op werknemers in genoemde sectoren. Hiermee wordt volgens de initiatiefnemers onrechtmatig onderscheid gemaakt tussen arbeiders in Curaçao. Zij halen in dat verband verdragen van de International Labour Organization en artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao aan.[3]

Artikel 27 van de Arbeidsregeling 2000 bepaalt voorts dat ten aanzien van een bepaald bedrijfstak of een bepaalde soort arbeid bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nadere afwijkende regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de artikelen 8 tot en met 16 van genoemde regeling. Deze artikelen hebben betrekking op de arbeidsduur, werktijden, rusttijden en overwerk. Voor hotels, restaurants en casino’s (samen horeca) is een dergelijk landsbesluit tot stand gebracht. Zie daarvoor het Arbeidsbesluit hotels, restaurants en casino’s 2000 dat voor werknemers in de horeca afwijkt van de algemene bepalingen betreffende rusttijden, pauzes, consignatie, nachtarbeid en maximale arbeidsduur.

Nu het onderscheid voor wat betreft het verrichten van arbeid in lucht- en scheepvaartondernemingen en havens met het initiatiefontwerp wordt belicht, valt het op dat in de memorie van toelichting geen aandacht wordt besteed aan de arbeidsduur, werktijden, rusttijden en overwerk in de horeca.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan en daarbij aan te geven of de afwijkende bepalingen voor arbeidsduur, werktijden, rusttijden en overwerk in de horeca aan de hand van objectieve en redelijke criteria naar hun oordeel al dan niet gerechtvaardigd zijn.

 

4. Bijzondere bepalingen

Artikel 519 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) bepaalt dat de arbeid door de kapitein wordt geregeld in overeenstemming met de daaromtrent bij algemene verordening (en arbeidsovereenkomst) gestelde bepalingen (eerste lid). Daarbij moet hij ervoor zorgen dat de arbeid die door schepelingen moet worden verricht op zondagen beperkt blijft tot het noodzakelijke (tweede lid). In de memorie van toelichting benadrukken de initiatiefnemers dat de feestdagen niet in het aangehaalde artikel worden genoemd.[4]

Artikel 520, eerste lid, van het WvK bepaalt voorts dat een schepeling recht heeft op een bijslag op het loon voor de tijd, gedurende welke hij langer dan de bij algemene verordening of bij arbeidsovereenkomst bepaalde normale arbeidsduur werk verricht, tenzij de kapitein het werk noodzakelijk acht tot behoud van het schip, de opvarenden of de zaken aan boord. Deze bepaling is op grond van het vierde lid van hetzelfde artikel niet van toepassing op de scheepsofficier, tevens hoofd van dienst, de geneeskundige en de marconist.

De algemene verordening betreffende arbeidstijden en arbeidsduur waarnaar in het eerste lid van artikel 519 respectievelijk 520 van het WvK wordt gerefereerd, is de Arbeidsregeling 2000. Deze is echter zoals eerder vermeld niet van toepassing op arbeid verricht in scheepvaartondernemingen.

Na inwerkingtreding van de in het initiatiefontwerp voorgestelde wijziging zal de Arbeidsregeling 2000 voor wat betreft onder andere de arbeidstijden, arbeidsduur, overwerk en overwerkvergoeding ook van toepassing zijn op arbeid verricht in scheepvaarondernemingen. Zonder verdere aanpassing zal artikel 520, eerste lid, van het WvK naar het oordeel van de Raad mogelijk als bijzondere bepaling naast de Arbeidsregeling 2000 blijven gelden voor wat betreft arbeid verricht door een schepeling, uitgezonderd de scheepsofficier, de geneeskundige en de marconist. De kapitein zal aldus ook dan kunnen bepalen dat de betreffende schepeling geen bijslag (overwerkvergoeding) zal ontvangen, als hij het verrichte overwerk noodzakelijk acht tot behoud van het schip, de opvarenden of de zaken aan boord. Dit is ook het geval voor wat betreft artikel 519, tweede lid, van het WvK en het op zondagen verrichten van arbeid. Ook dan zal naar het oordeel van de Raad de kapitein niet per se rekening hoeven te houden met het op feestdagen laten verrichten van arbeid door de schepeling. Wel zullen in dat geval de algemene bepalingen inzake overwerk, na inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen, van toepassing zijn.

Uit de memorie van toelichting kan niet worden afgeleid of het voorgaande ook de bedoeling is van de initiatiefnemers. De Raad vraagt daarom bijzondere aandacht voor dit punt. In dat verband adviseert de Raad zorgvuldig na te gaan of, en zo ja in welke mate, de initiatiefnemers het wenselijk achten dat de thans geldende arbeidsrechtelijke bepalingen inzake het verrichten van arbeid in lucht- en scheepvaartondernemingen en havens, naast de Arbeidsregeling 2000, gehandhaafd blijven.

 

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het initiatiefontwerp

a. De Curaçaose vlag en de buiten Curaçao gevestigde werkgever

Met de voorliggende wijziging zal het verrichten van arbeid in de lucht- en zeevaart sector en in de havens onder de reikwijdte worden gebracht van de Arbeidsregeling 2000.

In artikel I, onderdeel B, van het initiatiefontwerp wordt kort gezegd bepaald dat de Arbeidsregeling 2000 niet van toepassing is op (1) bemanningsleden van een zeeschip dat niet in het Curaçaose scheepsregister is geregistreerd en dat zich binnen de territoriale zee of exclusieve economische zone bevindt en ook niet op (2) personen werkzaam voor een buiten Curaçao gevestigde werkgever aan boord van een luchtvaartuig dat zich in het Curaçaose luchtruim of op het Curaçaos grondgebied bevindt.

Personen die geen werknemer zijn naar Curaçaos recht en die werkzaam zijn in de havens en in genoemde sectoren moeten volgens de initiatiefnemers immers van het toepassingsbereik van de Arbeidsregeling 2000 worden uitgesloten. Zie daarvoor pagina 5 van de memorie van toelichting. onder ‘Artikel I, onderdeel B’.

De Raad acht het onvoldoende duidelijk wat in dit verband moet worden verstaan onder de woorden ‘personeel dat niet naar Curaçaos recht werknemer is’. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad op dat werkgever en werknemer in hun arbeidsovereenkomst in beginsel kunnen kiezen voor de toepasselijkheid van het Curaçaos recht, ook indien het schip onder een andere vlag vaart. In dat geval zal de betrokkene mogelijk als werknemer naar Curaçaos recht worden aangemerkt, maar desalniettemin niet de bescherming van de Arbeidsregeling 2000 genieten, aangezien deze regeling niet van toepassing is op schepen die onder vreemde vlag varen (artikel I, onderdeel B, van het initiatiefontwerp).

De Raad vraagt of het voorgaande de bedoeling is van de initiatiefnemers en adviseert in de memorie van toelichting daarop in te gaan.

 

b. De inwerkingtreding in samenhang met noodzaak voor een redelijke invoeringstermijn

In artikel III van het initiatiefontwerp is bepaald dat de daarin voorgestelde wijzigingen in werking treden met ingang van de dag na de datum van bekendmaking. Uit de memorie van toelichting blijkt echter niet of de initiatiefnemers voorafgaand aan het indienen van het initiatiefontwerp overleg hebben gevoerd met de stakeholders die door deze wijzigingen rechtstreeks worden geraakt. Evenmin blijkt dat deze stakeholders tijdig op de hoogte zijn gesteld van het voornemen en van de gevolgen die de voorgestelde wijzigingen voor hen kunnen hebben.

De Raad acht het van belang dat werkgevers in de betrokken sectoren voldoende gelegenheid krijgen om zich voor te bereiden op de nieuwe verplichtingen die uit het initiatiefontwerp voortvloeien. Dit geldt temeer nu de wijzigingen mogelijk aanzienlijke organisatorische en personele consequenties zullen hebben. Te denken valt onder meer aan het aanpassen van dienst- en werkroosters, het naleven van gewijzigde maximale arbeidstijden en, waar nodig, het aantrekken van aanvullend personeel om aan de nieuwe wettelijke eisen te kunnen voldoen.

Gelet hierop en gezien aanwijzing 136 van de Aanwijzingen voor de regelgeving[5] is de Raad van oordeel dat een onmiddellijke inwerkingtreding op de dag na bekendmaking onvoldoende mogelijkheid geeft voor de betrokken werkgevers en andere bij de onderhavige landsverordening betrokkenen om zich tijdig op deze (wijzigings)landsverordening in te stellen

De Raad adviseert de inwerkingtreding van de voorgestelde wijzigingen in het licht van het voorgaande op een later tijdstip (redelijke invoeringstermijn), eventueel bij landsbesluit, te laten plaatsvinden, zodat betrokken partijen hun bedrijfsvoering tijdig en op zorgvuldige wijze aan de nieuwe regelgeving kunnen aanpassen.

De Raad adviseert voorts om ruim vóór bedoelde inwerkingtreding publiciteit te geven aan de voorgenomen wijzigingen zodat werkgevers, maar vooral ook werknemers geïnformeerd kunnen worden over hun rechten en verplichtingen.

 

c. Toezicht en evaluatie

De invoering van de voorgenomen wijzigingen zal alleen effect sorteren als op de naleving van de nieuwe normen in de aangehaalde sectoren wordt toegezien. Ten aanzien van het opnemen van een evaluatiebepaling in het initiatiefontwerp wordt verwezen naar aanwijzing 123 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin een model voor een evaluatiebepaling is opgenomen.

De Raad adviseert de uitvoering van de Landsverordening arbeid, luchtvaart, scheepvaart en havens na een bepaalde periode te laten evalueren om na te gaan of de door initiatiefnemers beoogde doelen in de praktijk zijn bereikt.

 

2. De memorie van toelichting

Onder verwijzing naar aanwijzing 157 van de Aanwijzingen voor de regelgeving[6] adviseert de Raad in de memorie van toelichting onder ‘2. Financiële gevolgen’ te concretiseren wat de mogelijke extra kosten zijn voor de werkgevers in de luchtvaart- en scheepvaart- en havensector als gevolg van de in het initiatiefontwerp voorgestelde wijziging van de Arbeidsregeling 2000. Deze kosten kunnen bijvoorbeeld samenhangen met aanpassingen in roosters en personeelsplanning en het eventueel moeten inzetten van extra personeel.

 

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

 Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het initiatiefontwerp en adviseert om daarmee rekening te houden voordat het in behandeling wordt genomen.

 

Willemstad, 25 mei 2026

de Ondervoorzitter,                                                                de Secretaris,

________________________                                                _____________________

mevr. mr. drs. L. M. Vicento                                                   mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/03-26-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het initiatiefontwerp

a. Het opschrift

Voorgesteld wordt een sluitingshaak te plaatsen na ‘havens’.

 

b. De considerans

Voorgesteld wordt ‘met betrekking van arbeidsregeling’ te vervangen door ‘tussen de arbeidsregeling die van toepassing is op het verrichten’ en ‘in havens met ander arbeid’ te vervangen door ‘havens en die welke van toepassing is op het verrichten van’.

 

c. Artikel I

Voorgesteld wordt onderdeel A in woorden van de volgende strekking te laten luiden:

‘In artikel 1, tweede lid, vervallen de onderdelen e tot en met i en wordt onderdeel j verletterd tot e’.

 

Voorgesteld wordt in onderdeel B in het voorgestelde derde lid, onderdeel b, ‘welke’ en ‘wordt verricht’ te schrappen en de eerste ‘Curaçaose’ te vervangen door ‘Curaçao’.

In onderdeel C wordt voorgesteld om na artikel 2, derde lid, van de Arbeidsregeling 2000 een vierde lid toe te voegen betreffende de werk- en rusttijden van luchtvaartpersoneel. Het te wijzigen artikel 2 heeft echter geen derde lid. Bovendien worden in genoemd artikel 2 slechts begrippen gedefinieerd. Voorgesteld wordt onderdeel C met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

In onderdeel C wordt voorts de ‘Beschikking werk- en rusttijden luchtvaartpersoneel’ aangehaald. Voorgesteld wordt deze te vervangen door ‘Regeling werk- en rusttijden luchtvaartpersoneel’ en ‘door’ te vervangen door ‘verricht door de’. Zie hiervoor de citeertitel in artikel 25 van de Regeling werk- en rusttijden luchtvaartpersoneel (P.B. 2025, no. 108).

2. De memorie van toelichting

a. Pagina 1

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok in de eerste zin, tussen ‘de’ en ‘landsverordening’ in te voegen ‘ontwerp’[7] en in de tweede zin ‘met betrekking tot’ te vervangen door ‘voor’.

 

b. Pagina 2

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok:

–     eerste alinea, derde zin, ‘is een belangrijke verplichting’ te vervangen door ‘hetgeen een belangrijke verplichting is’;

–     tweede alinea, eerste zin, ‘waarop zij’ te schrappen en de eerste ‘is’ te vervangen door ‘zijn’.

De laatste zin van het eerste tekstblok tot en met het vierde tekstblok van onderaan hebben betrekking op norm A.2.3 van voorschrift 2.3 ‘Arbeidstijden en rusttijden’ van het Maritiem Arbeidsverdrag. In het vierde tekstblok van onderaan wordt in de laatste zinsnede echter de definitie gegeven van het begrip ‘overuren’. Deze definitie komt niet voor in bedoelde norm A. 2.3, maar in leidraad B2.2 van het voorschrift 2.2. ‘Lonen’ van het Maritiem Arbeidsverdrag.

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok van onderaan ‘Norm’ te vervangen door ‘Leidraad’ en ‘bepaald’ door ‘bepaalt’.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste en laatste tekstblok ‘zou’ telkens te schrappen en te plaatsen na ‘meer’ respectievelijk ‘geldt,’.

 

c. Pagina 3

Voorgesteld wordt in het eerste en tweede tekstblok ‘zou’ respectievelijk ‘zouden’ te schrappen en te plaatsen na ‘uur,’ respectievelijk ‘overuren’.

 

d. Pagina 4

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok ‘bedrijfstaken’ te vervangen door ‘bedrijfstakken’.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok ‘staatsregeling discriminatie’ te vervangen door ‘Staatsregeling is discriminatie’.

 

e. Pagina 5

Voorgesteld wordt onder ‘Artikel I, onderdeel B’ de woorden ‘personeel die’ te vervagen door ‘personeel dat’, ‘Caracaos’ door ‘Curaçaos’ en na ‘werknemer’ in te voegen ‘is,’.

 

f. Citeertitel

Aan wijzigingsregelingen wordt slechts in bijzondere gevallen een citeertitel gegeven. In artikel II van het initiatiefontwerp wordt een citeertitel gegeven aan de voorliggende wijzigingslandsverordening. Onder verwijzing naar aanwijzing 146, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt voorgesteld te motiveren waarom (de bijzonderheid van het geval) een citeertitel is toegekend aan de voorliggende wijzigingslandsverordening.

__________________________

[1] Advies met kenmerk 141/2025-SER.

[2] Relevant daarbij is onderdeel ‘II. De fase voorafgaande aan de goedkeuring van het initiatiefontwerp’ waarin onder meer het volgende staat: “Een niet voldragen initiatiefontwerp met de bijbehorende memorie van toelichting kan door de Raad geretourneerd worden wanneer het advies van de SER of andere relevante adviezen ontbreken of indien de onderbouwing van het aan de Raad ter advisering voorgelegde initiatiefontwerp door het ontbreken van een deugdelijke memorie van toelichting – ook indien de Raad zelfstandig advies van derden zou hebben ingewonnen – dusdanig summier en gebrekkig is dat de Raad niet kan komen tot een deugdelijk en verantwoord inhoudelijk advies.”

[3] Zie hiervoor pagina 4, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting.

[4] Pagina 3, laatste tekstblok, onder punt a.

[5] Aanwijzing 136 luidt als volgt: “Bij het bepalen van de termijn tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van een regeling wordt rekening gehouden met de mogelijkheid voor uitvoeringsorganen en andere bij de regeling betrokkenen om zich tijdig op de regeling in te stellen.”

[6] Aanwijzing 157 luidt als volgt: “De toelichting bevat een verantwoording van de regeling. Daarbij komen, voor zover ter zake, in ieder geval de volgende punten aan de orde:

(…)

  1. de financiële gevolgen;

(…)”.

[7] Zie daarvoor aanwijzing 161 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.