Adviezen
RvA no. RA/05-24-DIV: Ongevraagd advies van de Raad inzake de ontwerplandsverordening houdende regels betreffende kansspelen (Landsverordening op de kansspelen) (Zitting 2023-2024- 215)
Ontvangstdatum: 05/03/2024
Publicatie datum: 25/04/2024
(Zitting 2023-2024- 215)
Ongevraagd advies van de Raad inzake de ontwerplandsverordening houdende regels betreffende kansspelen (Landsverordening op de kansspelen) (Zitting 2023-2024- 215)
Advies: Met inachtneming van artikel 21, eerste lid, van de Landsverordening Raad van Advies en naar aanleiding van de behandeling van bovengenoemd onderwerp in de Raadsvergadering van 4 maart 2024, bericht de Raad u als volgt.
I. Het behandelingsproces van de ontwerplandsverordening op de kansspelen en het uitbrengen van een ongevraagd advies door de Raad
Op 12 juni 2023 heeft de Raad van de Gouverneur een spoedadviesverzoek ontvangen over de ontwerplandsverordening op de kansspelen (hierna: het oorspronkelijke ontwerp) (zaaknummers 2022/041544, 2022/042286 en 2023/5974). De Raad heeft op 22 augustus 2023 hierover een advies (met kenmerk RvA no. RA/12-23-LV) uitgebracht (hierna: het advies van 22 augustus 2023). Op 20 december 2023 heeft de regering een aangepaste ontwerplandsverordening op de kansspelen (hierna: het ontwerp) bij de Staten ingediend (Zittingsjaar 2023-2024-215).
De Orde van Advocaten van Curaçao (hierna: de Orde) heeft op 9 januari 2024 een bezwaarbrief over het ontwerp bij de Staten ingediend. In deze bezwaarbrief heeft de Orde gesteld dat de Raad in het advies van 22 augustus 2023 niet is ingegaan op het onderwerp “accreditatie” en de gevolgen hiervan voor de advocatuur. De Raad heeft op 18 januari 2024 een brief, met kenmerk RvA no. OV/04-24, aan de Staten, met een afschrift daarvan aan de Minister-President tevens Minister van Algemene Zaken (kenmerk RvA no. OV/05-24), doen toekomen waarin, kortgezegd, ingegaan wordt op de onmogelijkheid van de Raad om over dat specifieke onderwerp te adviseren. Het één en ander omdat de Raad over het oorspronkelijke ontwerp heeft geadviseerd en niet over de aangepaste versie daarvan (het ontwerp), waarin het bezwaarpunt van de Orde voorkomt. De Raad is in zijn brief niet inhoudelijk ingegaan op het nieuwe stelsel van accreditatie, maar heeft ervoor gekozen om in dit ongevraagd advies daarop in te gaan.
In paragraaf 5 “Advies Raad van Advies” van de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de memorie van toelichting) is de regering ingegaan op het advies van 22 augustus 2023. Op basis van een verrichte analyse concludeert de Raad dat bepaalde zwaarwegende onderdelen uit voornoemd advies niet zijn opgevolgd.
De Raad vindt het op zijn plaats om zich in dit ongevraagd advies te beperken tot het maken van opmerkingen over die onderdelen waarbij sprake is van strijdigheid met de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling), met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en/of rechtstreeks werkende verdragsbepalingen, bijvoorbeeld strijdigheid met het recht op een eerlijk proces. Ook wordt in dit ongevraagd advies slechts ingegaan op onderdelen die betrekking hebben op een zwaarwegend onderwerp of waaraan zwaarwegende financiële gevolgen en/of rechtsgevolgen zijn verbonden.
De Raad is zich bewust van het feit dat enkele van de in dit advies genoemde bezwaren van de Raad tegen bepaalde onderdelen van het ontwerp alleen door (ingrijpende) aanpassing van het ontwerp kunnen worden ondervangen. Bedoelde aanpassingen kunnen bij nota van wijziging geschieden.
De regering wordt tevens aanbevolen om, aangezien de memorie van toelichting niet meer kan worden gewijzigd, gebruik te maken van de gelegenheid om in de toelichting op de bij de Staten in te dienen nota van wijziging, in te gaan op onderwerpen die een (nadere) onderbouwing c.q. toelichting nodig hebben.
II. De instelling van de Curaçao Gaming Authority als een zelfstandig bestuursorgaan in samenhang met artikel 111 van de Staatsregeling
De samenstelling van het ingestelde zelfstandig bestuursorgaan
a. Het standpunt van de regering in samenhang met het advies van 22 augustus 2023
In het tweede lid van artikel 111 van de Staatsregeling wordt bepaald dat de inrichting, samenstelling en bevoegdheden van een zelfstandig bestuursorgaan (hierna: een zbo) bij landsverordening moeten worden geregeld. Deze bepaling is dus van toepassing op de bij de Landsverordening op de kansspelen (hierna: LOK) in te stellen Curaçao Gaming Authority (hierna: CGA) als zbo. In het advies van 22 augustus 2023 heeft de Raad de regering hierop gewezen[1]. De Raad heeft de regering geadviseerd het oorspronkelijke ontwerp zodanig aan te passen dat het voldoet aan de in artikel 111, tweede lid, van de Staatsregeling opgenomen eis betreffende de inrichting en samenstelling van een zbo.
In artikl 12.1, eerste lid, van het ontwerp wordt de CGA als een zbo als bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de Staatsregeling ingesteld. In artikel 1, onderdeel a, van het ontwerp wordt “Curaçao Gaming Authority” omschreven als “de bij notariële akte van 19 april 1999 opgerichte Stichting Curaçao Gaming Authority, voorheen de Stichting Gaming Control Board, hierna CGA”. Hiermee is volgens de regering voldaan aan het vereiste van de inrichting in artikel 111 van de Staatsregeling. Volgens de toelichting op artikel 12.1 van het ontwerp blijft de Stichting Gaming Control Board (hierna: GCB) in privaatrechtelijke zin als stichting voortbestaan, onder de in het ontwerp genoemde naam en wordt op basis van dit ontwerp tevens een zbo.[2]
Ten aanzien van de samenstelling van het zbo is de Raad, zoals aangegeven in onderdeel I.4.d ’De (financiële) onafhankelijkheid van het zelfstandig bestuursorgaan tevens kansspelautoriteit’, onder ’Benoeming van bestuursleden’ van het advies van 22 augustus 2023 (pagina’s 7 en 8), van oordeel dat profielschetsen moeten worden opgesteld voor de leden van de raad van bestuur van de CGA, alsook voor de leden van de raad van toezicht (lees: de raad van commissarissen). Voor de benoeming van de leden van de raad van bestuur heeft de Raad geadviseerd om voor elk lid een bindende voordracht te laten doen door een onafhankelijke instantie. Het vaststellen van profielschetsen kan bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen gebeuren, waarvoor een wettelijke grondslag in het ontwerp moet worden opgenomen.
Geconstateerd wordt dat de regering het advies van 22 augustus 2023 niet heeft opgevolgd. Volgens de regering is er voor gekozen om “de GCB, een op privaatrechtelijke basis ingerichte organisatie, die thans op onderdelen krachtens mandaat namens de minister belast is met het houden van toezicht, de handhaving alsmede de vergunningverlening op het gebied van kansspelen in privaatrechtelijke vorm als de CGA te laten voortgaan”.[3] In de voetnoot op pagina 9 van de memorie van toelichting wordt verwezen naar pagina 591 van het Handboek Caribisch Staatsrecht (2019), van prof. dr. A. van Rijn.
b. Het standpunt van de Raad in samenhang met het advies van 22 augustus 2023 voor wat betreft de samenstelling van de zbo
Instelling van een zbo is alleen bij landsverordening, dus krachtens publiekrecht, mogelijk. De landsverordening moet tevens de inrichting, samenstelling en bevoegdheden en de openbaarheid van de vergaderingen regelen. Volgens Van Rijn kunnen zbo’s in beginsel zowel krachtens publiekrecht als krachtens privaatrecht zijn ingesteld. Doorslaggevend is of zij met openbaar gezag zijn bekleed. In beide gevallen beschikken zbo’s over een eigen bestuurlijke structuur die al naar gelang de gekozen vorm publiekrechtelijk of privaatrechtelijk van aard is. Dit alles sluit volgens Van Rijn echter niet uit dat daarbij voor het zbo dat in het leven wordt geroepen de privaatrechtrechtelijke rechtsvorm wordt gekozen. De wetgever is daarin vrij en kan desgewenst ook voor een hybride vorm opteren door wel van het commune privaatrecht uit te gaan maar daarvan op bepaalde punten af te wijken.
Ongeacht welke rechtsvorm gekozen wordt, dient volgens de Raad rekening te worden gehouden met onder andere het bepaalde in artikel 111, tweede lid, van de Staatsregeling in samenhang met de Eilandsverordening corporate governance[4] en de daarop gebaseerde regels. Deze bepalingen zijn van toepassing op de CGA. In de memorie van toelichting wordt geen beeld geschetst over de wijze waarop in de statuten van de CGB wordt voldaan aan de governance regels. De statuten van de GCB zijn laatstelijk gewijzigd op 6 februari 2019. Uit de inleidende bepaling en artikel 16 van die statuten kan worden afgeleid dat de aangebrachte wijzigingen zijn ingegeven door het bepaalde in het Landsbesluit Code Corporate Governance.[5]
Naar de letter van het bepaalde in artikel 111, tweede lid, van de Staatsregeling moet in een (instellings)landsverordening de samenstelling van het zbo worden geregeld. Dit betekent in dit geval dat de samenstelling van de CGA in het ontwerp zelf dient te worden geregeld. Aangezien in het ontwerp met geen enkel woord wordt gerept over de samenstelling van het bestuur en het toezichthoudend orgaan van de CGA (voorheen GCB) voldoet het ontwerp naar het oordeel van de Raad niet aan het vereiste in artikel 111, tweede lid, van de Staatsregeling, dat de samenstelling van het ingestelde zbo bij landsverordening moet zijn geregeld. Hierdoor staat het ontwerp op dit punt op gespannen voet met artikel 111, tweede lid, van de Staatsregeling.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp zodanig aan te passen dat in de LOK regels worden opgenomen over de samenstelling van de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van de CGA. Ook wordt geadviseerd deze aanpassing toe te lichten.
III. Het nieuwe accreditatiestelsel
1. Inleiding
De accreditatie van leveranciers werd in artikel 5.18 van het oorspronkelijke ontwerp geregeld. Het accreditatiestelsel in het oorspronkelijke ontwerp kenmerkte zich door het feit dat het om een vrijwillig verzoek van de leverancier ging[6]. De leverancier mocht om accreditatie vragen voor diensten maar kon vanwege de facultatieve vorm ervan ook zonder accreditatie deze diensten blijven leveren aan de kansspelvergunninghouder. De Raad heeft de regering in onderdeel II.1.s ‘De accreditatie (artikel 5.18)’ van het advies van 22 augustus 2023 (pagina 29) over een aantal punten met betrekking tot het gekozen accreditatiestelsel geadviseerd.
Nadat de Raad het advies van 22 augustus 2023 heeft uitgebracht, is de bepaling over accreditatie ingrijpend gewijzigd. Door het bepaalde in het nieuwe artikel 1.6 van het ontwerp, in samenhang gelezen met artikel 5.17 (voorheen 5.18) van het ontwerp, is de accreditatie niet meer vrijwillig. Volgens het eerste lid van artikel 1.6 is het verboden zonder of in afwijking van een ingevolge de LOK voorgeschreven accreditatie van de CGA, diensten of goederen te leveren waarvoor de accreditatie vereist is. Het feit dat de aanvraag om accreditatie niet meer facultatief is, heeft een aantal gevolgen. De Raad zal hierna op hoofdlijnen ingaan op de belangrijkste gevolgen van het gekozen nieuwe accreditatiestelsel.
2. De aanvrager
a. Rechtspersonen en natuurlijke personen
Geconstateerd wordt dat in het eerste lid van artikel 5.17 van het ontwerp het soort leverancier dat om accreditatie kan verzoeken is gewijzigd. Volgens het eerste lid van artikel 5.18 van het oorspronkelijke ontwerp kon een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die in Curaçao is gevestigd of een buitenlandse rechtspersoon met een filiaal in Curaçao om accreditatie verzoeken. In het eerste lid van artikel 5.17 van het ontwerp wordt thans bepaald dat (alleen) een rechtspersoon die in Curaçao is gevestigd om accreditatie kan verzoeken. De regering heeft het toepassingsbereik van artikel 5.17 van het ontwerp niet in voldoende mate in de memorie van toelichting toegelicht. Ook is zij niet ingegaan op de neveneffecten van het gekozen accreditatiestelsel. Volgens de Raad zal dit accreditatiestelsel een aantal van de in aanwijzing 6, onderdeel b, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr) bedoelde (ongewenste) neveneffecten met zich meebrengen. Ter illustratie worden de volgende voorbeelden gegeven:
- Volgens de Orde is een advocaat geen rechtspersoon maar een natuurlijk persoon. Dit brengt met zich mee dat een advocaat in strijd met artikel 1.6, eerste lid, van de LOK zal handelen bij het verrichten van diensten ten behoeve van een kansspelvergunninghouder. Hetzelfde geldt ook voor accountants, belastingadviseurs, notarissen en het trustwezen. Door het bepaalde in de LOK wordt het de kansspelvergunninghouder onmogelijk gemaakt om bijvoorbeeld een advocaat in de arm te nemen voor zijn verdediging in een rechtsgeding of een accountant een rapport te laten opstellen voor een jaarrekening. Het is niet duidelijk om welke reden de regering het uitoefenen van deze vrije beroepen wenst te beperken. (Verwezen wordt naar het volgende onderdeel). Bovendien is niet duidelijk hoe het één en ander zich bijvoorbeeld verhoudt met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) waarin het recht op een eerlijk proces (zoals het recht op een advocaat) wordt geregeld. Volgens de Raad kan artikel 1.6, eerste lid, van de LOK strijd opleveren met artikel 6 van het EVRM.
- Buitenlandse leverancier van onder meer digitale diensten die uitwisselbaar zijn door middel van cryptografie (onderdeel l van het eerste lid van artikel 5.17), van het verzorgen van opleidingen en cursussen aan de medewerkers van een kansspelvergunninghouder (onderdeel f van het eerste lid van artikel 5.17) of commerciële advertising-bedrijven (onderdeel a van het eerste lid van artikel 5.17) zullen hun diensten op grond van het eerste lid van artikel 1.6 van het ontwerp nimmer aan een kansspelvergunninghouder mogen leveren vanwege het feit dat deze leverancier (rechtspersonen) in het buitenland gevestigd zijn.
De Raad is van oordeel dat in ieder geval zowel in als buiten Curaçao gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen die als leverancier diensten willen verlenen aan kansspelvergunninghouders in aanmerking moeten komen voor een accreditatie door de CGA.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
b. De verhouding tussen de accreditatie met een verplicht karakter in de LOK en de bestaande kwaliteitseisen voor vrije beroepsbeoefenaars en het toezicht daarop
Uit artikel 5.17 van het ontwerp, in samenhang gelezen met artikel 1.6, volgt het verplichte karakter van de accreditatie. In bestaande (bijzondere) landsverordeningen worden kwaliteitseisen en het toezicht daarop geregeld ten aanzien van beroepsgroepen die diensten aan kansspelvergunninghouders kunnen bieden en daarvoor geaccrediteerd moeten worden. De Orde is in zijn brief van 9 januari 2024 op dit onderwerp ingegaan. Ook de Staten hebben zich hierover in de Centrale Commissie van 9 januari 2024[7] uitgelaten. Volgens de Raad dient in het licht van aanwijzing 6 van de Awr duidelijk te worden gemaakt op welke wijze het accreditatiestelsel met een verplicht karakter, geregeld in artikel 5.17 in samenhang met artikel 1.6 van het ontwerp, zich verhoudt tot de bestaande (bijzondere) landsverordeningen waarin kwaliteitseisen zijn opgenomen en het toezicht daarop is geregeld voor de beroepsgroepen die voor dienstverlening aan kansspelvergunninghouders een accreditatie van CGA nodig hebben. De Raad noemt de volgende voorbeelden:
- het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie) dat op grond van de artikelen 20 en 45 van de Advocatenlandsverordening 1959 toezicht houdt op advocaten respectievelijk belastingadviseurs.
- de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten die toezicht houdt op trustkantoren en commerciële banken op grond van respectievelijk de Landsverordening toezicht trustwezen en de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen.
Door het gebrek aan een voldragen motivering in de memorie van toelichting voor de invoering van een accreditatie met een verplicht karakter kan de Raad vooralsnog niet beoordelen waarom de invoering hiervan nodig is. Ook valt om deze reden niet in te zien waarom een andere instantie – in dit geval de CGA – anders dan de bestaande toezichthoudende instanties directe betrokkenheid moet hebben met aspecten betreffende de kwaliteit van de dienstverlening door de betrokken beroepsgroepen.
Uit de brief d.d. 9 januari 2024 van de Orde kan worden opgemaakt dat de Orde niet is gehoord over het nieuwe accreditatiestelsel, opgenomen in het ontwerp. Ook kan niet uit de memorie van toelichting worden opgemaakt of toezichthoudende instanties, zoals het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, over het voorgestelde nieuwe accreditatiestelsel zijn gehoord terwijl een eventuele toepassing daarvan in de praktijk verstrekkende gevolgen zal hebben voor onder meer de betrokken beroepsgroepen. Onder verwijzing naar onderdeel I. 7. ‘d. Overige’ van het advies van 22 augustus 2023 merkt de Raad opnieuw op dat andere instanties en personen betrokken moeten worden bij de voorbereiding van de in te voeren LOK. In de memorie van toelichting moet voorts worden aangegeven hoe de regering met het ontvangen commentaar van deze instanties en personen is omgegaan.
De Raad adviseert de regering om aan de hand van het hierboven genoemde analyse inclusief het overlegresultaat, het accreditatiestelsel geregeld in artikel 5.17 in samenhang met artikel 1.6 van het ontwerp te heroverwegen.
3. De algemene vereisten voor de aanvrager
a. Inleiding
In het tweede lid van artikel 5.17 van het ontwerp worden de algemene vereisten ten aanzien van de aanvrager geregeld. Volgens onderdeel a van genoemd artikellid komt een aanvrager in aanmerking voor accreditatie voor het verlenen van diensten mits de identiteit van de natuurlijke personen die de diensten verlenen, dan wel de identiteit van de natuurlijke personen van een rechtspersoon die de diensten verleent, in voldoende mate vast is komen te staan. Bovendien moet volgens onderdeel b aannemelijk worden gemaakt dat de personen bedoeld in onderdeel a van onbesproken gedrag zijn.
b. Discrepantie met betrekking tot ’natuurlijke personen’
Volgens de Raad is er sprake van een discrepantie tussen het eerste lid en onderdeel a van het tweede lid van artikel 5.17 van het ontwerp. Uit het eerste lid volgt immers dat accreditaties alleen aan rechtspersonen kunnen worden verleend en niet (meer) aan natuurlijke personen. Indien dit juist is, dan is de zinsnede “van de natuurlijke personen die de diensten verlenen” in onderdeel a van het tweede lid overbodig.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
c. In voldoende mate vast komen te staan
Uit het ontwerp en de toelichting op artikel 5.17 volgt niet wat verstaan moet worden onder “in voldoende mate komen vast te staan” van de identiteit van natuurlijke personen (bestuursleden) bedoeld in onderdeel a van het tweede lid van dat artikel. De Raad is van oordeel dat in het ontwerp en de memorie van toelichting duidelijk moet worden gemaakt op welke wijze een aanvrager zijn identiteit bekend dient te maken en dat dit kan door bijvoorbeeld te verwijzen naar de Landsverordening op de identificatieplicht.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
d. Aannemelijk maken van het van onbesproken gedrag zijn
Uit het ontwerp en de toelichting op artikel 5.17 volgt niet wat verstaan moet worden onder “aannemelijk is gemaakt dat de personen, bedoeld in onderdeel a, van onbesproken gedrag zijn” zoals opgenomen in onderdeel a van het tweede lid van dat artikel. De Raad is van oordeel dat in het ontwerp en de memorie van toelichting duidelijk moet worden gemaakt op welke wijze een aanvrager aannemelijk moet maken dat de bedoelde personen van onbesproken gedrag zijn.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
4. De specifieke vereisten voor de aanvrager
In het tweede lid van artikel 5.17 van het ontwerp worden de specifieke vereisten ten aanzien van de aanvragers van accreditatie betreffende diensten als bedoeld in de onderdelen f, g, k, l en n van het eerste lid van dat artikel geregeld. Voor de leverancier-aanvrager die, kortgezegd, opleidingen en cursussen, betaaldiensten, adviseringsdiensten op het gebied van opsporing van witwassen en terrorisme, diensten met betrekking tot cryptografie of diensten van alternatieve geschillenbeslechting gaat leveren, geldt het vereiste dat aannemelijk moet worden gemaakt dat deze leverancier-aanvragers over de nodige kennis, ervaring en overige kwaliteiten beschikken. De Raad is van oordeel dat in het ontwerp en de memorie van toelichting duidelijk moet worden gemaakt op welke wijze een leverancier-aanvrager aannemelijk moet maken dat hij over deze nodige kennis, ervaring en overige kwaliteiten beschikt.
Tevens moet duidelijk worden gemaakt wat verstaan moet worden onder “overige kwaliteiten”.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
5. Voorwaarden met betrekking tot de dienstbetrekking van sleutelpersonen, onroerende zaken en op Curaçao gelegen servers
In het zesde lid van artikel 5.17 van het ontwerp worden het eerste en tweede lid van artikel 5.12 van het ontwerp van overeenkomstige toepassing verklaard op de geaccrediteerde leverancier. In de desbetreffende artikelleden worden voorwaarden aan de kansspelvergunninghouder gesteld ten aanzien van, kortgezegd, de dienstbetrekking van sleutelpersonen, onroerende zaken en op Curaçao gelegen servers (informatiedragers). De Raad is van oordeel dat het zesde lid van artikel 5.17 kan worden geschrapt. Artikel 5.12, eerste en tweede lid, is immers al genoemd in het tweede lid van artikel 5.13 van het ontwerp. Met andere woorden, de van overeenkomstige toepassing verklaring van voorwaarden die voor kansspelvergunninghouders gelden is al opgenomen in het tweede lid van artikel 5.13 van het ontwerp
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
6. Het vervallen van de accreditatie
In artikel 5.18, zesde lid, van het oorspronkelijke ontwerp werd bepaald dat de accreditatie van rechtswege vervalt bij aanvang van het zesde kalenderjaar nadat deze is verleend. Het vervallen van een verleende accreditatie wordt niet geregeld in artikel 5.17 van het ontwerp. Het is daarom niet duidelijk wat de geldigheidsduur van een accreditatie is.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
7. De intrekking van de accreditatie en het staken van diensten
a. Meerdere gronden en onderlinge tegenstrijdigheid
In het zevende lid van artikel 5.17 van het ontwerp wordt bepaald dat een accreditatie kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden die als zij vóór het tijdstip van de verlening van de accreditatie bekend waren geweest of zich hadden voorgedaan, de accreditatie niet zou zijn verleend.
In het advies van 22 augustus 2023 is in onderdelen II.1.s.6º en II.1.s.7º geadviseerd om meerdere intrekkingsgronden op te nemen, de innerlijke tegenstrijdigheid van de desbetreffende bepaling te elimineren en sancties voor het niet staken van de diensten bij intrekking van de accreditatie op te nemen. De regering heeft geen rekening gehouden met de eerste twee hierboven genoemde adviespunten terwijl de grondslag ten aanzien van het derde adviespunt zelfs is geschrapt (artikel 5.18, achtste lid, van het oorspronkelijke ontwerp).
Het in het ontwerp ingevoerde verplichte karakter van de accreditatie brengt met zich mee dat de CGA over meerdere instrumenten c,q. gronden moet kunnen beschikken om accreditaties in te trekken. Dit geldt ook voor omstandigheden die na het verlenen van accreditatie bekend worden of zich kunnen voordoen.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
b. Voorziening voor periode na verlies van de accreditatie
In het ontwerp moet een voorziening worden opgenomen voor de periode nadat een leverancier de accreditatie heeft verloren. Het moet duidelijk zijn dat deze leverancier de diensten en goederen niet meer mag leveren en per wanneer. De leverancier die zich niet hieraan houdt, moet tevens gesanctioneerd kunnen worden door de CGA. De CGA moet in dit geval de mogelijkheid hebben om bijvoorbeeld een last onder dwangsom, een last onder bestuursdwang of bestuurlijke boete op te leggen (de artikelen 13.6, 13.18 en 13.32 van het ontwerp).
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
c. Schorsende werking
In het (geschrapte) achtste lid van artikel 5.18 van het oorspronkelijke ontwerp werd bepaald dat een ingestelde bezwaar-, beroep- of gerechtelijke procedure geen schorsende werking heeft op het staken van de levering van diensten. Een vergelijkbare voorziening moet volgens de Raad in het ontwerp worden opgenomen.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
8. Het vaststellen van nadere criteria en voorschriften door de CGA
a. Inleiding
Op grond van artikel 5.17, achtste lid, van het ontwerp kan de CGA nadere criteria en voorschriften vaststellen met betrekking tot de nodige kennis, ervaring, overige kwaliteiten en rapportages voor het aanbieden van de dienst of diensten waarvoor accreditatie is verzocht.
b. De woorden ‘nadere criteria’
In onderdeel II. 1. s. ‘3°. Door de CGA vast te stellen nadere criteria’ van het advies van 22 augustus 2023 (pagina 30) is de vraag gesteld of de door de CGA eventueel vast te stellen nadere criteria ingevolge het analoge artikel 5.18, negende lid, van het oorspronkelijke ontwerp, moeten worden aangemerkt als beleidsregels of regelgeving (ofwel algemeen verbindende voorschriften). In laatstgenoemd geval zal verordenende bevoegdheid aan de CGA moeten worden verleend op grond van artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling. In dit verband is in het advies van 22 augustus 2023 ook verwezen naar onderdeel II. 1. w. ’3º. Beleidsregels’ daarvan. De Raad constateert dat de regering niet in de memorie van toelichting op voornoemde opmerking is ingegaan.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging artikel 5.17, achtste lid, van het ontwerp zodanig aan te passen dat duidelijk is of de nadere criteria die CGA zal vaststellen met betrekking tot de nodige kennis, ervaring, overige kwaliteiten en rapportages voor het aanbieden van de dienst of diensten waarvoor accreditatie is verzocht aangemerkt moet worden als beleidsregels of regelgeving (ofwel algemeen verbindende voorschriften).
c. De gebruikte term ‘voorschriften’
In artikel 5.17, achtste lid, van het ontwerp is – in vergelijking met het analoge artikel 5.18, negende lid, van het oorspronkelijke ontwerp – na ‘nadere criteria’ de woorden ‘en voorschriften’ ingevoegd. In dat artikel 5.17 wordt nu de facultatieve bevoegdheid aan CGA gegeven om ‘nadere criteria en voorschriften’ vast te stellen over de onderwerpen, genoemd in dat artikellid.
Volgens aanwijzing 44, eerste lid, van de Awr wordt hetzelfde begrip niet met verschillende termen aangeduid. Bij de delegatie van de bevoegdheid om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen wordt, overeenkomstig aanwijzing 24 van de Awr[8], over ‘regels’ gesproken. Zie in dit verband ook aanwijzing 22, eerste lid, van de Awr, waar in de formule voor delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister, ook gesproken wordt over ‘(nadere) regels’. In het ontwerp wordt bijvoorbeeld in de artikelen 5.3, achtste lid, 5.9, zesde lid, en 5.11, zesde lid, ook gesproken over ‘regels’.
De term ‘voorschriften’ wordt op grond van aanwijzing 101, tweede lid, van de Awr gebruikt door de bij het geven van een beschikking op te leggen verplichtingen.
Door de gebruikte formulering in het voorgestelde artikel 5.17, achtste lid, van het ontwerp is volgens de Raad nog steeds niet duidelijk of beoogd wordt om de CGA de bevoegdheid te geven om algemeen verbindende voorschriften vast te stellen over de onderwerpen, genoemd in dat artikellid.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
d. De verkeerde aanvrager
De formulering van het achtste lid van artikel 5.17 van het ontwerp zal volgens de Raad voor verwarring kunnen zorgen, aangezien daarin een verkeerde aanvrager van de accreditatie wordt gebruikt. Door het woord “zij” wordt de indruk gewekt dat de CGA de aanvrager is van accreditatie.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
e. Bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften
Indien een regelgevende bevoegdheid aan de CGA wordt toegekend, dient conform artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling in samenhang met artikel 4 van de Bekenmakingsverordening, in het ontwerp expliciet te worden bepaald dat de afkondiging van de verordeningen van de CGA door hun plaatsing in het Publicatieblad met vermelding van de datum van uitgifte moet geschieden. Ook moeten nadere regels over de bekendmaking bij of krachtens de LOK worden vastgesteld omdat de bij of krachtens de Bekendmakingsverordening vastgestelde regels alleen van toepassing zijn op regelgeving en besluiten, genoemd in artikel 5 van laatstgenoemde landsverordening.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
9. Goederen en diensten
Ten overvloede wijst de Raad de regering op de volgende discrepantie tussen artikel 1.6 en artikel 5.17 van het ontwerp. Op grond van artikel 1.6 van het ontwerp is het, voor zover relevant, verboden om diensten en goederen te leveren waarvoor geen accreditatie is verleend. Echter accreditatie kan op grond van artikel 5.17, eerste lid (aanhef), van het ontwerp slechts worden verleend voor het leveren van diensten (en geen goederen). Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of het in de bedoeling van de regering heeft gelegen om het verlenen van de accreditatie uit te sluiten voor te leveren goederen. De Raad mist een nadere onderbouwing in de memorie van toelichting ten aanzien van de gemaakte keuze van de regering.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging zonodig het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
IV. De intrekkingsgronden van een kansspelvergunning
1. Onderdeel c van het eerste lid van artikel 2.4 van het ontwerp
In onderdeel c van het eerste lid van artikel 2.4 van het ontwerp wordt bepaald dat de CGA de kansspelvergunning kan intrekken indien de kansspelvergunninghouder, een uiteindelijk belanghebbende, een persoon met een gekwalificeerde deelneming of enige sleutelpersoon onherroepelijk veroordeeld is ten aanzien van een misdrijf als bedoeld in artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering. De Raad constateert dat dit artikelonderdeel in vergelijking met het oorspronkelijke ontwerp ingrijpend is gewijzigd maar niet als gevolg van het advies van 22 augustus 2023.[9]
De Raad is van oordeel dat de verwijzing naar artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering niet juist is. Deze verwijzing zal voor rechtsonzekerheid zorgen aangezien een aantal van de in laatstgenoemd artikel opgesomde strafbaar gestelde feiten qua aard en strekking niets te maken hebben met het al dan niet intrekken van een kansspelvergunning. Ter illustratie, een kansspelvergunning kan ingetrokken worden als een van de personen genoemd in onderdeel c van het eerste lid van artikel 2.4 zich als matroos op een Nederlands of Nederlands-Antilliaanse schip, op grond van artikel 410 van het Wetboek van Strafrecht (van de Nederlandse Antillen, thans artikel 2:377 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao), schuldig maakt aan insubordinatie (onderdeel b van artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering).
Bovendien wordt in onderdeel a van het eerste lid van artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering gesproken over misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. In het huidige Wetboek van Strafrecht gaat het om een groot aantal misdrijven en is niet te overzien of deze feiten qua aard en strekking als een intrekkingsgrond voor een kansspelvergunning mogen worden gebruikt.
De Raad is van oordeel dat in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijke wetgeving in bovengenoemd onderdeel c duidelijk moet worden aangegeven op grond van welke misdrijven precies, die opgenomen zijn in het Wetboek van Strafrecht, andere lokale regelingen, rijksregelgeving of rechtstreekswerkende verdragsbepalingen, een kansspelvergunning kan worden ingetrokken.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen.
2. Onderdeel f van het tweede lid van artikel 2.4 van het oorspronkelijke ontwerp dat ontbreekt
Het tweede lid van artikel 2.4 van het oorspronkelijke ontwerp bevatte een imperatieve intrekkingsgrond (onderdeel f) waarbij werd bepaald dat de kansspelvergunning ingetrokken zal worden indien de kansspelvergunninghouder is veroordeeld voor een overtreding van een bij of krachtens deze landsverordening (lees: Landsverordening op de kansspelen) gesteld verbod, dan wel een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feit waaronder maar niet gelimiteerd tot diefstal, heling, witwassen, terrorisme, fraude of enig misdrijf dat de openbare rechtsorde ernstig heeft geschokt.
De Raad heeft in onderdeel II.1.g.3º van het advies van 22 augustus 2023 geadviseerd om onderdeel f aan te vullen met andere wettelijke regelingen op strafrechtelijk gebied van ons land, het Koninkrijk of rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Dit advies werd niet opgevolgd en het desbetreffende artikelonderdeel is zelfs uit het tweede lid van artikel 2.4 van het ontwerp geschrapt.
Vermeld dient te worden dat onderdeel f niet van gelijke inhoud en strekking is als onderdeel l van het tweede lid van artikel 2.4 van het (oorspronkelijke) ontwerp. Onderdeel l gaat namelijk over de verwijtbaarheid van de kansspelvergunninghouder of enige sleutelpersoon. Het gevolg van het niet opnemen van het ’oude’ onderdeel f in aangepaste vorm in het tweede lid van artikel 2.4 van het ontwerp brengt met zich mee dat een kansspelvergunning niet zal kunnen worden ingetrokken indien de kansspelvergunninghouder een niet aan hem te verwijten strafbaar gestelde feit heeft begaan.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ’oude’ onderdeel f van het tweede lid van artikel 2.4 van het oorspronkelijke ontwerp, in aangepaste vorm rekening houdende met het gestelde daarover in het advies van 22 augustus 2023, in het tweede lid van artikel 2.4 van het ontwerp op te nemen.
V. De verplichting voor de houder van een kansspelvergunning of leveranciersvergunning en overige al dan niet geaccrediteerde leveranciers om over een op Curaçao gelegen server te beschikken
Op grond van onderdeel d van het eerste lid van artikel 5.12 van het ontwerp wordt bepaald dat de houder van een kansspelvergunning over een op Curaçao gelegen server moet beschikken voor het bewaren van kritieke gegevens en rapporten zoals gespecificeerd door de CGA. Dit artikelonderdeel kwam niet voor in het oorspronkelijke ontwerp en is een ingrijpende wijziging van het ontwerp die niet het gevolg is van het advies van 22 augustus 2023.
Aangezien een toelichting op dit artikelonderdeel in de memorie van toelichting ontbreekt, is voor de Raad niet te achterhalen wat de beweegredenen van de regering zijn geweest om deze bepaling in het ontwerp op te nemen. Bovendien is, gezien het feit dat deze eis op grond van de artikelen 5.13, tweede lid en 5.17, zesde lid van het ontwerp ook geldt voor de leveranciers van kritieke diensten of goederen met een leveranciersvergunning en de overige al dan niet geaccrediteerde leveranciers, niet duidelijk aan welke technische en andere vereisten deze server moet voldoen. Voorts is voor de vaststelling van deze vereisten geen delegatiebepaling in het ontwerp opgenomen. Bovendien is niet duidelijk welke maatregelen (zoals intrekking of schorsing van de kansspelvergunning c.q. leveranciersvergunning) en sancties (zoals de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete of een andere straf) opgelegd kunnen worden bij niet-naleving van deze bepaling.
De Raad wijst de regering ten overvloede ook op de aanwijzingen 6, onderdeel c, 10 en 157, onderdelen e en h, van de Awr waaruit, kortgezegd, volgt dat in de memorie van toelichting een verantwoording moet worden gegeven over de lasten van de regeling voor bedrijven en burgers.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
VI. Heffings- en inningssysteem van verschuldigde vergunningsrechten en overige vergoedingen
1. Inleiding
In de artikelen 5.18 en 5.19 van het ontwerp worden respectievelijk de vergoedingen voor verschuldigde bedragen (onder meer voor de behandeling van vergunningsaanvragen) en het vergunningsrecht geregeld. In het advies van 22 augustus 2023 heeft de Raad geadviseerd over het heffings- en inningssysteem. De wijze waarop het heffings- en inningssysteem in het ontwerp is gewijzigd, is niet het gevolg van het advies van 22 augustus 2023.
Aangezien volgens de regering de uitvoering van de LOK een aanzienlijk bedrag aan overheidsinkomsten zal genereren, is er een zwaarwegend financieel belang voor het Land in het geding. In het licht hiervan is het uitermate belangrijk dat het heffings- en inningssysteem op deugdelijke wijze in het ontwerp wordt geregeld. Afgezien daarvan is het van belang dat de regering in elke fase van het traject van totstandkoming van de LOK voor ogen houdt of het geraamde bedrag aan inkomsten bijstelling behoeft.
Om bovengenoemde reden wordt in dit onderdeel op enkele aspecten van dit heffings- en inningssysteem ingegaan.
2. De voldoening van het vergunningsrecht en de verschuldigde bedragen
De voldoening van het vergunningsrecht en de verschuldigde bedragen overeenkomstig deze landsverordening geschiedt volgens het eerste lid van artikel 6.1 van het ontwerp langs elektronische weg. Volgens de Raad impliceren de woorden “overeenkomstig deze landsverordening” in het eerste lid van artikel 6.1 van het ontwerp dat de LOK zelf regels zou bevatten over de elektronische voldoening of in de LOK een grondslag is geschapen voor vaststelling van regels hierover in lagere regelgeving. Geconstateerd wordt dat dit niet het geval is.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
3. Grondslag voor delegatie
Volgens de toelichting op artikel 6.1 van het ontwerp vindt de voldoening van vergunningsrechten en verschuldigde bedragen plaats op basis van een door de minister vastgestelde digitale formulier.[10] Ten aanzien van dit digitale formulier ontbreekt volgens de Raad in het ontwerp een delegatiebepaling waarin de bevoegdheid tot het vaststellen van dit formulier bij ministeriële beschikking met algemene werking is opgenomen. Daarnaast bevat het ontwerp evenmin een (algemene) wettelijke grondslag, waaruit de bevoegdheid volgt om uitvoeringsregels ten aanzien van de voldoening van de desbetreffende rechten en bedragen vast te stellen.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
4. Periode voor betaling
In onderdeel II.1.t.2 van het advies van 22 augustus 2023 heeft de Raad aangegeven dat er in het ontwerp een bepaling ontbreekt wanneer de ingevolge artikel 5.19, derde tot en met vijfde lid, van het (oorspronkelijke) ontwerp genoemde bedragen verschuldigd zijn. Er is niet geregeld of deze verschuldigde bedragen tijdsevenredig over de resterende maanden van het jaar dan wel geheel verschuldigd zijn indien de vergunning in de loop van het jaar wordt verstrekt. De Raad constateert dat een dergelijke bepaling niet in het ontwerp is opgenomen.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
5. De vijftien-dagen termijn
Ingevolge het tweede lid van artikel 6.1 van het ontwerp ontstaat de verschuldigdheid binnen vijftien dagen ‘na afloop’ van de termijn waarop het vergunningsrecht of de verschuldigde bedragen betrekking heeft. Opgemerkt moet worden dat de bedragen op grond van artikel 5.18 van het ontwerp betrekking hebben op de behandeling van aanvragen en dus toezien op een tijdstip (dat al dan niet samen zal vallen met of voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag) en niet op een periode. Bovendien worden gezien de formulering van artikel 6, tweede lid, van het ontwerp de bedragen genoemd in het derde en vijfde lid van artikel 5.19 van het ontwerp, die verschuldigd zijn per jaar, pas binnen vijftien dagen na het verstrijken van dat jaar verschuldigd.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
VII. Het aangaan van samenwerkingsprotocollen
In het zevende lid van artikel 13.1 van het ontwerp wordt bepaald dat de CGA, ter bevordering van effectief toezicht, samenwerkingsprotocollen kan vaststellen met nationale of internationale instellingen, zoals de Stichting Overheids Belastingsaccountantsbureau (hierna: SBAB) of kansspelautoriteiten van andere landen. Dit artikellid kwam niet voor in het oorspronkelijke ontwerp en is een ingrijpende wijziging van het ontwerp die niet het gevolg is van het advies van 22 augustus 2023. Uit de memorie van toelichting volgt niet wat de beweegredenen van de regering zijn geweest om deze bepaling te introduceren.
De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting moet worden ingegaan op de reden waarom naast de door de CGA aangewezen toezichthouders van de CGA ook toezichthouders van de SBAB met het toezicht op grond van de LOK belast moeten worden. Er moet aannemelijk worden gemaakt dat de SBAB of andere nationale of internationale instellingen over voldoende deskundigheid en ervaring op het gebied van kansspelen beschikken om als toezichthouder op te kunnen treden.[11] Bovendien moet duidelijk komen vast te staan dat een internationale instelling voldoende bekend is met de lokale (toezicht)wetgeving en andere van toepassing zijnde lokale of rijkswet- en regelgeving. Het één en ander in verband met het legaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en onder meer artikel 6 van het EVRM, waarin het recht op een eerlijk proces wordt geregeld. Duidelijk dient te worden gemaakt op basis van welke wettelijke (jurisdictie)regelgeving internationale instellingen hier te lande belast kunnen worden met het toezicht dat uiteindelijk tot het opleggen van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties zou kunnen leiden.
Verder mist de Raad in artikel 13.3 van het ontwerp de mogelijkheid om ten aanzien van deze samenwerkingsprotocollen nadere (algemene) regels vast te stellen. Volgens de Raad moet in elk geval de nodige waarborgen voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de toezichthouders worden geregeld alsmede de beperkingen die gesteld kunnen worden aan de uitoefening van het toezicht. Verder dienen bijvoorbeeld ook de tijdsduur van de samenwerkingsprotocollen, de vergoedingen, de geschillenbeslechting en het toepasselijk recht te worden geregeld.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
VIII. Het verschoningsrecht
In het advies van 22 augustus 2023 heeft de Raad geadviseerd om het verschoningsrecht, opgenomen in het tweede lid van artikel 13.29 van het oorspronkelijke ontwerp in artikel 13.28 van dat ontwerp op te nemen. De reden hiervoor is dat het verschoningsrecht in familieverband reeds vanaf de eerste keer waarbij een overtreder een (schriftelijke) verklaring aflegt, dus vanaf het tijdstip waarop er sprake is van criminal charge, moet gelden. Door het verschoningsrecht (alleen) in artikel 13.29 van het ontwerp op te nemen, geldt dit alleen ten aanzien van de tweede verklaring van de overtreder. Het niet opnemen van het verschoningsrecht in familieverband in artikel 13.28 van het ontwerp kan strijd opleveren met artikel 6 van het EVRM, waarin het recht op een eerlijk proces wordt geregeld.
De Raad adviseert de regering om bij nota van wijziging het ontwerp aan te passen en deze aanpassing toe te lichten.
Onder verwijzing naar het besluit van de Raad van Ministers d.d. 24 oktober 2012 (zaaknummer 2012/061193) met betrekking tot de plaatsing van adviezen op de website van de Raad, wordt u erop geattendeerd, dat dit advies zes weken nadat het aan de Gouverneur is aangeboden op de website van de Raad zal worden geplaatst, tenzij de Minister van Algemene Zaken de Raad binnen voornoemde termijn bericht dat plaatsing op de website op grond van een van de gronden, genoemd in artikel 11 van de Landsverordening openbaarheid van bestuur Curaçao, niet gewenst is.
Willemstad, 5 maart 2024
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
[1] Zie onderdeel I.4.d. ‘1° Algemeen’ op pagina 7 van het advies van 22 augustus 2023.
[2] Pagina 51 van de memorie van toelichting.
[3] Pagina 9, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting.
[4] P.B. 2014, no. 4 GT.
[5] Om deze reden is de Raad van mening dat in artikel 1, onderdeel a, van het ontwerp dan ook beter verwezen kan worden naar de statuten van 6 februari 2019.
[6] De facultatieve aard volgde uit de “kan-formulering” in de aanhef van het eerste lid van artikel 5.18 van het oorspronkelijke ontwerp en uit de toelichting op dat artikel in de memorie van toelichting.
[7] Zie het voorlopig verslag d.d. 7 februari 2024 behorende bij het ontwerp (Zittingsjaar 2023-2025-215).
[8] Aanwijzing 24 van de Awr luidt als volgt: “Bij delegatie van regelgevende bevoegdheid wordt over “regels” gesproken, indien in de delegerende regeling over het betrokken onderwerp nog niets is geregeld. In andere gevallen wordt over “nadere regels” gesproken.“
[9] In onderdeel c van het eerste lid van artikel 2.4 van het oorspronkelijke ontwerp werd bepaald dat de CGA de kansspelvergunning kan intrekken indien de CGA vermoedt of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat de kansspelvergunninghouder, een uiteindelijk belanghebbende, een persoon met een gekwalificeerde deelneming of enige sleutelpersoon verdacht wordt van een overtreding van een bij of krachtens deze landsverordening (lees: de Landsverordening op de kansspelen) gesteld verbod of van een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feit, waaronder maar niet gelimiteerd tot diefstal, heling, witwassen, fraude of enig ander misdrijf dat de openbare rechtsorde ernstig heeft geschokt. De Raad heeft, kortgezegd, in onderdelen II.1.g.2º en II.1.g.3º van het advies van 22 augustus 2023 geadviseerd om “het vermoeden of ernstige reden om te vermoeden’ in de memorie van toelichting nader toe te lichten en om andere regelingen van ons land of van het Koninkrijk en rechtstreekswerkende verdragen waarop de intrekking kan worden gebaseerd in onderdeel c van het eerste lid van artikel 2.4 van het oorspronkelijke ontwerp op te nemen. Dit advies werd niet opgevolgd.
[10] Pagina 49, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting.
[11] Zie ook paragraaf “2.5 Toezicht en handhaving inefficiënt ingericht” op pagina’s 32 en 33 van het advies van de Sociaal Economische Raad van maart 2023, met referentienummer 024/2023-SER, over de ontwerplandsverordening op de kansspelen.
