Adviezen
RvA no. RA/05-26-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van het Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao
Ontvangstdatum: 13/03/2026
Publicatie datum: 04/09/2026
Advies Uitgebracht: 09/04/2026
(zaaknummer 2025/060161)
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van het Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao
(zaaknummer 2025/060161)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 11 maart 2026 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 8 april 2026, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Spoedadviesverzoek
De Caribbean Financial Action Task Force (hierna: de CFATF) voerde in juni 2024 de Fourth Round Mutual Evaluation (hierna: MEVAL 2024) uit, die uitmondde in een Mutual Evaluation Report van juli 2025. Deze evaluatie concludeerde dat Curaçao niet in voldoende mate effectief uitvoering heeft gegeven aan de 40 aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: FTAF). Daardoor is Curaçao in een follow-up regime beland waarbij in maart 2026 en september 2026 gerapporteerd moet worden welke maatregelen het land genomen heeft om alsnog aan de aanbevelingen te voldoen. Als gevolg hiervan zullen een aantal wetgevingstrajecten met spoed moeten worden doorlopen. Het onderhavige adviesverzoek over de wijziging van het Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao (hierna: het OSC) betreft één van deze trajecten.
Alvorens inhoudelijk op dit adviesverzoek in te gaan wil de Raad nogmaals de aandacht van de regering vragen voor een juiste planning en bijsturing, zeker waar het betreft ontwerpregelingen die tot stand moeten worden gebracht ter voldoening aan belangrijke internationale normen. De MEVAL 2024 was ruim van tevoren aangekondigd en de Mutual Evaluation Report van juli 2025 is ondertussen ook enige tijd bekend bij de regering.
Het voortvarend acties ondernemen om de wetgeving te actualiseren vereist in die context, wat de Raad betreft, dat op een belangrijk dossier als het onderhavige, de coördinerende rol om de beoogde wetgeving tot stand te brengen, proactief wordt vervuld en dat de voortgang van het traject wordt bewaakt.
Daarbij moeten alle wetgevingsactoren in een vroeg stadium actief (kunnen) participeren aan de totstandkoming van de vereiste wet- en regelgeving, eventuele knelpunten tijdig (kunnen) signaleren én oplossen en een redelijke termijn worden gegund om hun rol in dat proces naar behoren te vervullen.
De Raad verzoekt nogmaals dringend de aandacht van de regering hiervoor.
2. Het horen van de Sociaal Economische Raad
Volgens het eerste lid van artikel 5 van de Sanctielandsverordening moet, alvorens een voordracht wordt gedaan tot vaststelling of wijziging van een sanctielandsbesluit – waaronder het OSC – de Sociaal Economische Raad (hierna: de SER) daarvan in kennis worden gesteld en daarover worden gehoord. Uit de nota van toelichting en de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken blijkt niet dat de SER over het ontwerp is geïnformeerd, noch dat zij in de gelegenheid is gesteld om haar advies te geven.
De Raad is zich bewust van de lopende FTAF-evaluatie en de daarbij behorende rapportagemomenten in maart en september 2026. De Raad begrijpt dat de regering in deze specifieke situatie voornemens is een beroep te doen op het tweede lid van artikel 5 van de Sanctielandsverordening, op grond waarvan het in kennis stellen en horen van de SER achterwege kan blijven indien dit naar het oordeel van de Minister van Algemene Zaken om redenen van algemeen belang is aangewezen.
Ook bij de totstandkoming van de huidige OSC[1] is, onder verwijzing naar spoedeisendheid, gebruik gemaakt van deze uitzonderingsgrond. De Raad acht het echter onwenselijk wanneer deze uitzondering structureel wordt toegepast. Een dergelijke handelswijze leidt ertoe dat de in artikel 5 neergelegde informatie‑ en hoorplicht feitelijk wordt uitgehold en kan daarmee de systematiek en de werking van de Sanctielandsverordening ondermijnen.
Daarbij acht de Raad het van belang dat onderwerpen die samenhangen met sanctiemaatregelen per definitie een zekere mate van urgentie kennen. Dit rechtvaardigt op zichzelf niet het structureel buiten toepassing laten van de hoorplicht, temeer nu de SER een wettelijk verankerde rol vervult bij de beoordeling van sociaal‑economische effecten van regelgeving.
De Raad vraagt aandacht van de regering hiervoor.
3. Strijd met hoger recht
a. Strijd met de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao
In artikel III van het ontwerp wordt, kortgezegd, bepaald dat de leden van de Commissie aanwijzing personen en organisaties (hierna: de Commissie) vooruitlopend op het resultaat van het veiligheidsonderzoek een vergadering van de Commissie mogen bijwonen maar dat er geen vertrouwelijke informatie met hen gedeeld zal worden. In de derde zin van de toelichting op artikel III van het ontwerp wordt aangegeven dat de Commissie reeds actief is en dat het resultaat van het veiligheidsonderzoek niet bepalend is.
De Raad wijst de regering op het eerste lid van artikel 16 van de Landsverordening Veiligheidsdienst Curaçao (hierna: de LvVC). Daarin wordt bepaald dat het verboden is om een persoon met een vertrouwensfunctie te belasten, tenzij de Minister van Algemene Zaken van tevoren op grond van een door de Veiligheidsdienst Curaçao ingestelde veiligheidsonderzoek verklaart daartegen geen bezwaar te hebben. Naar het oordeel van de Raad is artikel III van het ontwerp (landsbesluit, houdende algemene maatregelen) in strijd met het eerste lid van artikel 16 van de LvVC dat hiërarchisch van een hogere orde is (landsverordening). Dit brengt bovendien met zich mee dat de leden, vertegenwoordigers en de plaatsvervangende vertegenwoordigers van wie het veiligheidsonderzoek nog niet is afgerond of niet positief is uitgevallen daadwerkelijk ten onrechte zitting hebben in de Commissie waardoor het nemen van besluiten daarin in het gedrang dreigt te komen.
Ten overvloede wijst de Raad de regering op het tweede, derde en vierde lid van artikel 17 van de LvVC, waarin kortgezegd de intrekking van de verklaring van de Minister van Algemene Zaken wordt besproken indien een persoon die een vertrouwensfunctie bekleedt niet positief uit het veiligheidsonderzoek is gekomen. Die persoon dient terstond van zijn vertrouwensfunctie ontheven te worden. Om die reden is de Raad van oordeel dat de vierde zin van de toelichting op artikel III van het ontwerp geschrapt dient te worden. Daarin wordt aangegeven dat een lid van de Commissie zich terug dient te trekken indien het zo mocht zijn dat het veiligheidsonderzoek niet positief is uitgevallen. Los van de vraag of betrokkene daartoe zelf overgaat, het is op grond van de LvVC aan de Minister van Algemene Zaken om deze persoon van zijn vertrouwensfunctie te ontheffen.
De Raad adviseert de regering om artikel III van het ontwerp te schrappen.
b. Strijd met de Sanctielandsverordening
In artikel IV van het ontwerp wordt bepaald dat het landsbesluit, houdende algemene maatregelen (lees: het ontwerp) in werking zal treden op de dag na de datum van bekendmaking. Volgens het eerste lid van artikel 6 van de Sanctielandsverordening treedt een sanctielandsbesluit alsmede een besluit tot wijziging of intrekking daarvan niet eerder in werking dan twee maanden na de datum van uitgifte van het Publicatieblad waarin het wordt geplaatst. In de nota van toelichting ontbreekt een motivering om welke reden volgens de regering afgeweken moet worden van het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van de Sanctielandsverordening terwijl in genoemde landsverordening geen afwijkingsmogelijkheid bestaat.[2]
De Raad adviseert de regering om de inwerkingtredingstermijn zoals voorgeschreven in het eerste lid van artikel 6 van de Sanctielandsverordening te hanteren en artikel IV van het ontwerp daarop aan te passen. Indien de regering van mening is dat de mogelijkheid moet bestaan voor een (spoedeisende) afwijkende inwerkingtredingstermijn, dan geeft de Raad in overweging om de Sanctielandsverordening op dit punt te laten wijzigen.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. Het aanwijzingsbesluit om een persoon of organisatie van de lijst te verwijderen (artikel I, onderdeel I)
1º. De bekendmaking van de gronden versus het recht op privacy
In onderdeel I van artikel I van het ontwerp wordt het tweede lid van artikel 4.2 van het OSC gewijzigd. In de tweede zin van het huidige tweede lid van artikel 4.2 van het OSC wordt bepaald dat de gronden voor de totstandkoming van het aanwijzingsbesluit uitsluitend bekend gemaakt worden aan de betrokken persoon of organisatie. Volgens de toelichting op dat artikellid heeft deze voorwaarde te maken met de privacy van de betrokken persoon of organisatie.
Door de voorgestelde wijziging van de desbetreffende bepaling in onderdeel I van artikel I van het ontwerp is de voorwaarde die direct samenhangt met de privacy van de betrokken persoon of organisatie komen te vervallen. Een motivering hiervoor is niet in de nota van toelichting opgenomen. Om te voorkomen dat in strijd wordt gehandeld met grondrechten van personen of organisaties, is de Raad van oordeel dat de tweede zin van het tweede lid van artikel 4.2 van het OSC gehandhaafd dient te worden. Indien de regering een andere mening is toegedaan, dan dienen de beweegredenen hiervoor uit de nota van toelichting te blijken.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de nota van toelichting aan te passen.
2º. Bevroren middelen, het aanbieden van financiële diensten en het ter beschikking stellen van middelen
Op grond van het eerste lid van artikel 4.2 van het OSC kunnen, kortgezegd, personen en organisaties op de (nationale) terrorismelijsten worden geplaatst, na vaststelling van een aanwijzingsbesluit door de Minister van Algemene Zaken. Op grond van het derde, vierde en vijfde lid van artikel 4.2 van het OSC worden (respectievelijk) alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties op de terrorismelijsten bevroren, is het verboden om financiële diensten voor of ten behoeve van hen te verrichten en is het verboden aan hen rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen. Het is niet duidelijk of bij het verwijderen van de personen of organisaties van de terrorismelijsten overeenkomstig het nieuwe tweede lid van artikel 4.2 van het OSC, zoals voorgesteld in onderdeel I van artikel I van het ontwerp, automatisch of niet, sprake zal zijn van het terugdraaien van de bevriezing van middelen en het opheffen van de verboden gesteld in het vierde en vijfde lid van artikel 4.2 van het OSC.
Voorkomen moet worden dat in strijd wordt gehandeld met grondrechten, zoals het eigendomsrecht en het recht op een eerlijk proces, en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daarom is de Raad van oordeel dat uit het ontwerp duidelijk dient te blijken of de eerder genomen beslissingen krachtens het vierde en vijfde lid van genoemd artikel al dan niet automatisch opgeheven zullen worden indien er sprake is van het verwijderen van personen of organisaties van terrorismelijsten.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de nota van toelichting aan te passen.
3º. De procedure voor het verwijderen van personen of organisaties van terrorismelijsten
Volgens het zesde lid van het huidige artikel 4.2 van het OSC stelt de Minister van Algemene Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën een procedure vast voor de totstandkoming van een aanwijzingsbesluit. Volgens de toelichting op artikel I, onderdeel I, van het ontwerp dient de regering een procedure vast te stellen om een persoon of organisatie van de nationale terrorismelijst te verwijderen (delisting) (Zie pagina 13, laatste tekstblok, en pagina 14, eerste tekstblok, van de nota van toelichting). Noch in het huidige artikel 4.2 van het OSC noch in het voorgestelde in het ontwerp is een dergelijke verplichting opgenomen.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de nota van toelichting aan te passen.
b. Vertrouwensfuncties (artikel II)
Uit artikel II van het ontwerp volgt dat alle in het eerste en tweede lid van het nieuw voorgestelde artikel 4.5 van het OSC genoemde functionarissen, hun vertegenwoordigers en plaatsvervangende vertegenwoordigers een vertrouwensfunctie uitoefenen in de zin van artikel 15 van de LvVC in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken. Ten aanzien van een aantal van deze functionarissen worden uit hoofde van hun functies reeds (reguliere driejaarlijkse) veiligheidsonderzoeken uitgevoerd. Het is niet duidelijk waarom ten aanzien van deze functionarissen een apart veiligheidsonderzoek dient plaats te vinden omdat zij lid zijn van de Commissie. In de nota van toelichting ontbreekt een motivering hiervoor. De Raad is van oordeel dat alleen de leden, hun vertegenwoordigers en de plaatsvervangende vertegenwoordigers die niet reeds in de desbetreffende bijlage voorkomen daarin opgenomen moeten worden.
Indien er volgens de regering toch sprake zou moeten zijn van een speciale categorie veiligheidsonderzoeken geënt op de leden, hun vertegenwoordigers en plaatsvervangende vertegenwoordigers van de Commissie, dan dient hiervoor een wettelijke basis gecreëerd te worden op grond van artikel 16, derde lid, van de LvVC.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp, en indien nodig de nota van toelichting, aan te passen.
2. De nota van toelichting
De (tijdelijke) bezwaarprocedure
In de toelichting op onderdeel I van artikel I van het ontwerp wordt aangegeven dat de regering een wijzigingsvoorstel in de maak heeft teneinde bezwaar bij de Minister van Algemene Zaken tegen de plaatsing op een terroristenlijst uit te sluiten aangezien die aanwijzing zich niet leent voor bestuurlijke heroverweging (Zie pagina 14, derde tekstblok, van de nota van toelichting). In de tussentijd zal er een tijdelijke procedure worden uitgewerkt voor een bezwaarprocedure.
De Raad is van oordeel dat de regering gelet op de evaluatie en de rapportageplicht ten aanzien van de FATF gehouden is om in de nota van toelichting meer inzicht te geven in de inhoud van deze tijdelijke bezwaarprocedure. In dergelijke procedures spelen naast persoonlijke, economische en financiële belangen van personen of organisaties ook grondrechten en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol. Hierbij valt te denken aan het recht op privacy, het recht op een eerlijk proces, het rechtszekerheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het verbod op discriminatie, het verbod op willekeur, enzovoorts. Bezwaarprocedures dienen volgens de Raad te berusten op de formele wet en dienen transparant te zijn. Aangezien er uit de nota van toelichting geen duidelijk zicht is op de bedoelingen van de regering met betrekking tot een tijdelijke bezwaarprocedure is de Raad van oordeel dat voor een persoon of organisatie die bezwaar wenst te maken tegen de plaatsing op een terroristenlijst de weg van de bezwaarprocedure omschreven in de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) gevolgd moet worden, voor zover de plaatsing op de terroristenlijst valt aan te merken als een appellabele beschikking in de zin van de Lar.
De Raad adviseert de regering om de nota van toelichting aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 9 april 2026
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/05-26-LB
Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. Het opschrift en de considerans
Uit artikel II van het ontwerp volgt dat de bijlage behorende bij artikel 2, eerste lid, van het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken gewijzigd moet worden. Voorgesteld wordt om het één en ander in het opschrift en de considerans tot uitdrukking te brengen.
Tevens wordt voorgesteld om de vindplaats van de wettelijke regelingen genoemd in het opschrift in een voetnoot op te nemen.
b. Artikel I (opschrift en de aanhef)
Voorgesteld wordt om het opschrift, in navolging van de aanwijzingen 175, derde lid en 178, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr) te wijzigen in:
‘Artikel I
Het Omnibus-Sanctiebesluit Curaçao wordt als volgt gewijzigd:’
c. Artikel I, onderdeel C
Voorgesteld wordt vóór de tekst van het nieuwe artikel het opschrift ‘Artikel 1.19 Iran’ in te voegen.
d. Artikel I, onderdeel E
Voorgesteld wordt om:
- in de aanhef de zinsnede ‘wordt als volgt gewijzigd’, in navolging van aanwijzing 178, vierde lid, van de Awr te vervangen door ‘wordt gewijzigd als volgt’;
- in de aanhef van punt 1 het woord ‘onderdeel’ met een hoofdletter te schrijven;
- in het voorgestelde onderdeel l van het eerste lid achter ‘Directie Buitenlandse Betrekkingen’ de zinsnede ‘van het Ministerie van Algemene Zaken’ op te nemen;
- in de aanhef van punt 2 de zinsnede ‘wordt geletterd naar o’ te vervangen door ‘wordt geletterd tot o’.
e. Artikel I, onderdeel F
Voorgesteld wordt om:
- ten behoeve van een consequent woordgebruik in alle onderdelen van het desbetreffende artikel na te gaan of de woorden ‘VAN DE RAAD’, ‘BESLUIT’ en ‘VERORDENING’ steeds met hoofdletters geschreven dienen te worden of niet;
- in onderdeel b van het voorgestelde artikel 3.1 van het OSC de afkorting ‘UNSCR’ bij het eerste gebruik ervan voluit te schrijven;
- in onderdeel b van het voorgestelde artikel 3.1 van het OSC de zinsnede ‘heg BESLUIT (GBVB) 2016/1693’ te vervangen door ‘het Besluit (GBVB 2016/1693’;
- in onderdelen i en l van het voorgestelde artikel 3.1 van het OSC vóór ‘Gemeenschappelijk Standpunt’ het lidwoord ‘het’ op te nemen;
f. Artikel I, onderdeel H
Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 178, vierde lid, onderdeel A, van de Awr vóór het woord ‘personen’ de letter ‘d.’ op te nemen.
g. Artikel I, onderdeel J
Voorgesteld wordt om in onderdeel e van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 4.5 van het OSC de zinsnede ‘het hoofd Douane’ te vervangen door ‘het hoofd van de Douane Curaçao’.
h. Voetnoot 26
In voetnoot 26 wordt verwezen naar een vindplaats van het besluit van de Raad van Europa van 15 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zimbabwe. Het document is volgens het opschrift ervan geen authentieke versie waaraan rechten ontleend kunnen worden. Gelet op de rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel wordt voorgesteld om de tekst in voetnoot 26 te vervangen door ‘http://data.europa.eu/dec/2011/101(1)/oj’.
i. Artikel II
Voorgesteld wordt om in onderdeel 2 vóór het woord ‘vervangen’ het woord ‘wordt’ op te nemen.
2. De nota van toelichting
a. Het opschrift
Voorgesteld wordt om in het opschrift tot uitdrukking te laten brengen dat het Landsbesluit aanwijzing vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken gewijzigd moet worden. Tevens wordt voorgesteld om de vindplaats van de wettelijke regeling(en) genoemd in het opschrift in een voetnoot op te nemen.
b. Pagina 7
Voorgesteld wordt om de tweede zin van het voorlaatste tekstblok te vervangen door bijvoorbeeld ‘in de memorie van toelichting behorende bij de Rijkssanctiewet wordt verder uitgelegd dat Curaçao door de van overeenkomstige toepassing-verklaring uitsluitend de bepalingen inzake toezicht en strafrechtelijke handhaving behoeft vast te stellen’.
c. Pagina 8
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het tweede tekstblok het punt achter ‘aangeboden’ te schrappen’;
- in de laatste gedachtestreep in het tweede tekstblok de zinsnede ‘een tweetal vertegenwoordigers’ te vervangen door ‘twee vertegenwoordigers’.
d. Pagina 9
Voorgesteld wordt om:
- op een nieuwe regel na ‘Artikelsgewijs deel’ de tekst ‘Artikel I’ op te nemen;
- in de tweede zin van onderdeel A ‘Terrorismebestrijding’ het woord ‘verbodsbepalingen’ te vervangen door ‘verbodsbepaling’.
Het is opgevallen dat in de toelichting op onderdeel A van artikel I van het ontwerp, voor zover relevant, artikel 2, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van de Europese Unie van 27 december 2001 (PbEG L 344) wordt aangehaald. Het is de Raad opgevallen dat in het derde lid van het aangehaalde artikel 2 de tekst van subonderdelen i tot en iv ontbreekt.
e. Pagina 12
Het is opgevallen dat in de toelichting op onderdeel D van artikel I van het ontwerp verwezen wordt naar Besluit (GBVB) 2025/8141 en Verordening (EU) nr. 2025/8132 van de Raad van de Europese Unie. Voorgesteld wordt om de zinsneden ‘2025/8141’ en ‘2025/8132’ in de voorlaatste zin van genoemde toelichting te vervangen door ‘2025/814’ en ‘2025/813’.[3]
Tevens wordt voorgesteld om:
- in de laatste zin van onderdeel E ‘Meldplicht’ de zinsnede ‘li dis’ te vervangen door ‘lid is’;
- in de laatste zin van het eerste tekstblok van onderdeel F en G ‘Wapenembargo’s’ de zinsnede ‘deze leveringenzijn’ te vervangen door ‘deze leveringen zijn’.
f. Pagina 13
Voorgesteld wordt om:
- in de laatste zin van onderdeel H de zinsnede ‘FATF’ te vervangen door ‘Financial Action Task Force (FATF)’;
- in de eerste zin van het eerste tekstblok van onderdeel I het woord ‘verwijderen’ te vervangen door ‘verwijdering’ en het woord ‘op’ te vervangen door ‘van’.
g. Pagina 14
Voorgesteld wordt om:
- in de derde zin van het eerste tekstblok de zinsnede ‘UNSCR 1730’ te vervangen door ‘Resolutie 1730 (2006);
- in de voorlaatste zin van het tweede tekstblok de zinsnede ‘EU verordening’ te vervangen door ‘EU-verordening’;
- in de eerste zin van het laatste tekstblok het woord ‘beschikking’ met een hoofdletter te schrijven;
- de tekst van voetnoot 33 te vervangen door ‘P.B. 2026, no. 1 GT’
h. Pagina 15
Voorgesteld wordt om in de voorlaatste zin van het eerste tekstblok het woord ‘verordening’ telkens te vervangen door ‘verordeningen’.
i. Pagina’s 15 en 16
Voorgesteld wordt om de tekst op pagina 15 die begint met de zin ‘Personen, groepen en entiteiten die aangewezen kunnen worden zijn personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden’ en eindigt op pagina 16 met de zin ‘Een “bevoegde instantie” is steeds een rechterlijke instantie of, indien rechterlijke instanties geen bevoegdheid bezitten, een gelijkwaardige op dat terrein bevoegde instantie’ op te nemen als toelichting op de onderdelen H en I van artikel I van het ontwerp (toelichting op de artikelen 4.1 en 4.2 van het OSC).
j. Pagina 16
Voorgesteld wordt om:
- in de toelichting op artikel II van het ontwerp het woord ‘organisatie’ te vervangen door ‘organisaties’ en de naam ‘Curacao’ te vervangen door ‘Curaçao’;
- in de toelichting op artikel III van het ontwerp de naam ‘Curacao’ telkens te vervangen door ‘Curaçao’;
- de vindplaats van het rapport, genoemd in de eerste zin van de toelichting op artikel III, in een voetnoot te vermelden;
- in voetnoot 34 ‘AB’ te vervangen door ‘A.B.’.
__________________________
[1] Zie in dit verband pagina 4, tweede tekstblok van het ‘Nader rapport inzake het ontwerp-Omnibus-Sanctielandsbesluit Curaçao’ d.d. 19 maart 2025 (zaaknummer 2024/009591).
[2] Zie in dit verband pagina 3, eerste tekstblok, laatste zin, van het Nader rapport van 19 maart 2025 waarin de regering expliciet aangeeft de inwerkingtredingsdatum van de dag na bekendmaking te zullen hanteren ten aanzien van het OSC.
[3] Zie in dit verband de tweede zin van onderdeel ‘Wijziging van de Sanctieregeling Libië 2016 van de toelichting op de Regeling van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 augustus 2025, nr. BZ2518839, tot wijziging van de Sanctieregeling Libië 2016, de Sanctieregeling Centraal-Afrikaanse Republiek 2014 en de Sanctieregeling Haïti 2022. De cijfers ‘1’ na ‘2025/814’ en ‘2’ na 2025/813’ zijn voetnoten in superscript.
