Adviezen
RvA no. RA/08-24-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging Landsverordening Wetboek van Strafrecht
Ontvangstdatum: 28/02/2024
Publicatie datum: 17/04/2024
(Zittingsjaar 2023-2024-220)
Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Wetboek van Strafrecht (Zittingsjaar 2023-2024-220)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 27 februari 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 8 april 2024, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Overheidsinterventie
a. Inleiding
In de onderhavige initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (Zittingsjaar 2023-2024-220) (hierna: het initiatiefontwerp) wordt voorgesteld om in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht drie nieuwe onderdelen op te nemen waarin wordt geregeld dat diefstal op een toerist die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is zwaarder kan worden gestraft alsook diefstal van vee uit de weide en diefstal van motorrijtuigen. Uit de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp (hierna: de memorie van toelichting) kan worden opgemaakt dat door de initiatiefnemers hiermee wordt beoogd de stijging in het aantal delicten begaan tegen toeristen en houders of eigenaren van vee en motorrijtuigen tegen te gaan. Aan de toerist die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is en aan de houder of eigenaren van vee en motorrijtuigen zal hierdoor meer bescherming geboden worden aangezien het opleggen van hogere straffen volgens de initiatiefnemer een groter schrikeffect op daders zal hebben.
Alvorens over te kunnen gaan tot het uitbreiden van de strafverhogende omstandigheden in het Wetboek van Strafrecht dient volgens de Raad in de memorie van toelichting te worden stilgestaan bij het volgende.
b. Het nut en de noodzaak van het initiatiefontwerp
1º. Inleiding
Volgens aanwijzing 5 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr) dient alvorens tot het treffen van een regeling wordt besloten, onderzocht te worden of overheidsinterventie noodzakelijk is en of de gekozen doelstellingen bereikt kunnen worden door aanpassing of beter gebruik van bestaande instrumenten.
2º. Overheidsbeleid
Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of door de initiatiefnemers na is gegaan of door Justitie (lees: de beleidsdirectie van het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie) beleid is opgesteld naar aanleiding van gedegen onderzoeken ten aanzien van het soort delicten dat in het initiatiefontwerp wordt genoemd. De Raad verwijst in deze naar het ‘Strategisch Beleidsplan 2022-2025’ van het Ministerie van Justitie waarin aangegeven wordt dat de aanpak specifiek gericht op het voorkomen van veelomvattende criminaliteit, waaronder autodiefstal, overvallen en woninginbraken een geprioriteerd project is. Uit het Strategisch Beleidsplan 2022-2025 volgt ook dat iedere burger het onvoorwaardelijke recht heeft op bescherming van zijn fysieke integriteit en zich veilig moet kunnen voelen in zijn persoonlijke leefomgeving. Volgens de Raad dient in de memorie van toelichting aangegeven te worden hoe in het initiatiefontwerp het voorgestelde zich verhoudt tot het beleid van het Ministerie van Justitie.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
3º. (Cijfermatig) onderzoek als reden voor overheidsinterventie
Uit aanwijzing 5 van de Awr volgt dat de nodige onderzoeken moeten worden verricht om vast te kunnen stellen dat overheidsinterventie in de vorm van bijvoorbeeld een wetswijziging (het initiatiefontwerp) noodzakelijk is. In de memorie van toelichting ontbreken bijvoorbeeld cijfermatige analyses met betrekking tot de betrokken soorten strafbare feiten waaruit zal blijken dat er sprake is van een (aanzienlijke) stijging in het aantal gevallen. Tevens dient de financiële schade aan een bedrijf of persoon van wie zijn goederen en zaken worden gestolen in kaart te worden gebracht. Verwezen wordt bijvoorbeeld naar het door de Raad voor de Rechtshandhaving in september 2021 uitgebrachte inspectieonderzoek “Aanpak autodiefstal in Curaçao” (hierna: het inspectieonderzoek).[1] In het inspectieonderzoek wordt aangegeven dat diefstal van motorrijtuigen niet alleen grote schade toebrengt aan slachtoffers maar ook aan verzekeringsmaatschappijen. Volgens de Raad voor de Rechtshandhaving kan dit premieverhoging tot gevolg hebben.
Naar het oordeel van de Raad zou onderzocht kunnen worden of dit inderdaad zal leiden tot premieverhoging en wat de consequenties ervan zijn voor de eigenaren of houders van motorrijtuigen.
De Raad adviseert de initiatiefnemers om de noodzakelijke onderzoeken te laten verrichten en de memorie van toelichting vervolgens aan te passen.
4º. Diefstal van motorrijtuigen
Diefstal van motorrijtuigen is voor het eerst in het jaar 2000 als strafverzwarende omstandigheid in het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen opgenomen.[2] De wetgever heeft in het jaar 2011 bij de introductie van een nieuw Wetboek van Strafrecht voor Curaçao diefstal van motorrijtuigen als strafverzwarende omstandigheid geschrapt. In de toelichting op artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht is aangegeven dat de maximumstraf van vier jaren ruim
voldoende is voor diefstal van motorrijtuigen. Uit het inspectieonderzoek van de Raad voor de Rechtshandhaving is voortgevloeid dat het Openbaar Ministerie van Curaçao en het Korps Politie Curaçao van mening zijn dat het Wetboek van Strafrecht voldoende handvatten biedt om stelers, omkatters en andere vormen van deelname aan het strafbaar feit (van diefstal van motorrijtuigen) te berechten.[3]
De initiatiefnemers dienen dus in de memorie van toelichting te motiveren waarom het bestaande instrument ‘gewone’ diefstal, strafbaar gesteld in artikel 2:288 van het Wetboek van Strafrecht, met een strafmaximum van vier jaren niet voldoende is om diefstal van motorrijtuigen aan te pakken. Een cijfermatige onderbouwing van het nut en de noodzaak van de invoering van diefstal van motorrijtuigen als strafverzwarende omstandigheid kan bijvoorbeeld aan de hand van een criminaliteitsbeeldanalyse geschieden met een focus op het verschil tussen de periode waarbij er wel een artikel over strafverzwarend autodiefstal in het Wetboek van Strafrecht was opgenomen en de periode waarin dat niet het geval was.
In het inspectieonderzoek geeft de Raad voor de Rechtshandhaving aan dat Justitie de Stichting Overheidsaccountantsbureau (SOAB) heeft benaderd om een onderzoek te doen naar de aard en omvang van autodiefstal. Dit verzoek werd echter nooit geformaliseerd. De Raad beveelt de initiatiefnemers aan om het daarheen te helpen leiden dat dit onderzoek wordt geformaliseerd en uitgevoerd.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen, nadat de nodige onderzoeken en analyses zijn verricht.
5º. Diefstal van vee uit de weide
Diefstal van vee uit de weide als een strafverzwarende omstandigheid bestond sinds 1913[4] in het Wetboek van Strafrecht en werd ook in 2011 geschrapt. De exacte beweegredenen om dit te doen, blijken niet uit de toelichting op artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht. Niettemin is de Raad van oordeel dat in de memorie van toelichting uiteengezet dient te worden om welke reden het bestaande instrument ‘gewone’ diefstal, strafbaar gesteld in artikel 2:288 van het Wetboek van Strafrecht, met een strafmaximum van vier jaren niet voldoende is om diefstal van vee uit de wei aan te pakken. Een cijfermatige onderbouwing van het nut en de noodzaak van de invoering van diefstal van vee uit de weide als strafverzwarende omstandigheid kan bijvoorbeeld aan de hand van een criminaliteitsbeeldanalyse geschieden met een focus op het verschil tussen de periode waarbij er wel een artikel over het strafverzwarend zijn van diefstal van vee uit de weide in het Wetboek van Strafrecht was opgenomen en de periode waarin dat niet het geval was. Daarnaast zou ook nagegaan kunnen worden of in die periode daadwerkelijk zwaardere straffen werden geëist en opgelegd en of dit het gewenste effect had. De Raad is zich ervan bewust dat de tijden zijn veranderd en dat andere factoren zoals een verslechtering van de sociaal-economische situatie aanleiding kan zijn voor een stijging van onder meer het delict diefstal. Aan de hand van analyses kan beoordeeld worden of een eenduidig antwoord is te geven op de vraag of het voorgestelde in het initiatiefontwerp al dan niet opgenomen moet worden in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen, nadat de nodige onderzoeken en analyses zijn verricht.
c. De effectiviteit van het ontwerp
Uit onderdeel a van aanwijzing 6 van de Awr volgt dat bij overheidsinterventie rekening moet worden gehouden met de mate waarin verwacht mag worden dat de voorgestelde wijziging van artikel 2:289 het beoogde doel van het initiatiefontwerp (namelijk een daling van de daarin opgenomen soort criminaliteit) zal helpen verwezenlijken.
1º. De strafeis van het Openbaar Ministerie en de straftoemeting door de rechter
Door de voorgestelde wijziging van het Wetboek van Strafrecht wordt het strafmaximum ten aanzien van diefstal op een toerist die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is, diefstal van vee uit de wei en diefstal van motorrijtuigen zes jaren. Volgens de initiatiefnemers zal dit een schrikeffect teweegbrengen bij mogelijke daders.
In dit verband wordt verwezen naar overweging 3.4.7 van de uitspraak van 15 augustus 2013 van het Constitutioneel Hof van Sint Maarten[5] (hierna: het Hof). Daarin heeft het Hof zich uitgelaten over het opnemen van diefstal op een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is als een strafverzwarende omstandigheid in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten. Het Hof heeft erop gewezen dat het alleen gaat om het mogelijk maken van een hoger strafmaximum, zonder dat daaruit voortvloeit dat diefstal op recreatieve toeristen in alle gevallen zwaarder zal worden gestraft dan diefstal op anderen. Volgens het Hof blijkt uit de memorie van toelichting van de desbetreffende wijziging van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten dat het hogere strafmaximum aanleiding zal kunnen vormen voor een hogere strafeis van het Openbaar Ministerie en, onder omstandigheden, het opleggen van een hogere straf door de strafrechter mogelijk maken. Maar of en in hoeverre de rechter bij de straftoemeting van die mogelijkheid gebruik zal maken, valt volgens het Hof echter niet te voorzien. De rechter is bij de straftoemeting ook gebonden aan het gelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel en moet volgens het Hof daarin door dit hogere strafmaximum niet in zijn beoordelingsvrijheid ter zake belemmerd worden.
Het opnemen in het Wetboek van Strafrecht van strafverhogende omstandigheden zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, geeft de rechter de ruimte om hogere straffen op te leggen. Er is echter geen garantie dat de rechter in de praktijk ook een hogere straf zal opleggen. Dit heeft te maken met de straftoemetingsvrijheid van de rechter. De rechter houdt op grond van artikel 1:14 van het Wetboek van Strafrecht bij het opleggen van een straf steeds rekening met een viertal sanctiefactoren. Deze sanctiefactoren betreffen de persoon van de verdachte, de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te wijten, de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De rechter zal er bij het opleggen van straffen dus ook rekening mee moeten houden dat het strafbare feit tegen een toerist of een houder of eigenaar van vee of een motorrijtuig is gepleegd. De Raad heeft geen indicatie dat rechters bij het opleggen van straffen geen of te weinig acht slaan op het bepaalde in artikel 1:14 van het Wetboek van Strafrecht als het gaat om toeristen of houders of eigenaars van vee of motorrijtuigen. Om deze reden is de Raad van oordeel dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) gevraagd kan worden over hoe in de praktijk hiermee omgegaan wordt.
De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting ingegaan moet worden op het vorenstaande en adviseert daarom de memorie van toelichting aan te passen.
2º. Andere maatregelen in plaats van wetswijziging
Het is de Raad opgevallen dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van bijvoorbeeld diefstal met geweldpleging (artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht) de strafeis die in de Richtlijn voor strafvordering nr. 2015/02[6] wordt gehanteerd met een derde (met afronding naar boven) zal verhogen indien het gaat om een toerist. Of deze maatregel het gewenst effect heeft gehad, is niet bekend bij de Raad. De vraag is wel gerezen of een dergelijke maatregel, naast het voorgestelde in het initiatiefontwerp, ook effectief zal blijken te zijn ten aanzien van diefstal op recreatieve toeristen, diefstal van vee uit de wei of diefstal van motorrijtuigen. Hiervoor dient door het Openbaar Ministerie het gewenste beleid te worden gevoerd.
De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting ingegaan moet worden op het vorenstaande.
d. Handhaving
Uit het eerste lid van aanwijzing 8 van de Awr en de toelichting daarop volgt dat moet worden onderzocht of in voldoende mate de handhaving van de regeling gerealiseerd kan worden. Uit dat onderzoek moet blijken welke inspanningen nodig worden geacht voor de preventieve en repressieve handhaving van de regeling. Onderbouwd dient bijvoorbeeld te worden welke (bestaande) instrumenten voor het bestrijden van dit soort criminaliteit, zoals preventie, opsporings-, vervolgings- en detentiecapaciteit, personeel, materiaal en financiële middelen nodig zouden zijn.
Uit het inspectieonderzoek volgt dat Justitie in enige mate zicht heeft op de aard en omvang van autodiefstal maar dat verder diepgaand onderzoek noodzakelijk is.[7] Het thema autodiefstal moet volgens de Raad voor de Rechtshandhaving binnen het Korps Politie Curaçao zijn ingebed en er moet sprake zijn van een gericht vervolgingsbeleid. Het jaarplan van Justitie moet prestatie-indicatoren vermelden en een multidisciplinair team moet autodiefstal aanpakken. Het Openbaar Ministerie moet volgens de Raad voor de Rechtshandhaving een aanwijzing en een richtlijn opstellen voor strafvordering op autodiefstal. Volgens het Openbaar Ministerie in hun Jaarverslagen van 2021 en 2022, wordt voertuigdiefstal als een vorm van georganiseerde misdrijf gezien, waarbij door de politie meer bijzondere opsporingsbevoegdheden werden ingezet.[8]
Uit de uitslag van deze onderzoeken, maar ook vergelijkbare onderzoeken ten aanzien van diefstal op recreatieve toeristen en vee uit de weide moet blijken of de handhaving met het gewenste effect, van de nieuw voorgestelde onderdelen e, f en g van artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht, mogelijk is.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen nadat de noodzakelijke onderzoeken zijn verricht.
2. Concordantie
In de memorie van toelichting[9] wordt aangegeven dat de strafverzwarende omstandigheid van diefstal van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is reeds jaren in de Wetboeken van Strafrecht van Aruba[10] en van Sint Maarten[11] is opgenomen. Hetzelfde geldt echter niet voor diefstal van vee uit de weide en diefstal van motorrijtuigen als strafverzwarende omstandigheden. Zoals eerder in dit advies naar voren is gebracht, heeft de wetgever bij het vaststellen van een nieuw Wetboek van Strafrecht in het jaar 2011 in de toelichting op artikel 2:289 aangegeven dat het een bewuste keuze is geweest om niet langer diefstal van vee uit de weide en diefstal van motorrijtuigen tot de strafverzwarende omstandigheden te rekenen.
Daar het voorgestelde in het initiatiefontwerp beschouwd kan worden als een ingrijpende wijziging van het Wetboek van Strafrecht moeten de andere landen van het Koninkrijk, ter voldoening aan de concordantieverplichting conform het bepaalde in artikel 39, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, wel in de gelegenheid worden gesteld om hun zienswijze te doen blijken omtrent de voorgestelde wijziging van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao.
De Raad vraagt aandacht hiervoor.
3. Het inwinnen van advies van derden
De Raad merkt op dat uit de memorie van toelichting niet blijkt of advies van het Gemeenschappelijk Hof en het Openbaar Ministerie is ingewonnen. Het inwinnen van advies van deze instanties is nodig in verband met het gestelde in de onderdelen I, 1.c. ‘De effectiviteit van het ontwerp’ en 1.d. ‘Handhaving’ van dit advies.
De Raad adviseert de adviezen van bovengenoemde instanties over het initiatiefontwerp in te winnen en vervolgens in de memorie in te gaan op deze adviezen.
4. Het ontbreken van een financiële paragraaf in de memorie van toelichting
Het voorgestelde in het initiatiefontwerp kan aanleiding zijn tot uitbreiding van de bestaande instrumenten, bijvoorbeeld meer personeel. De Raad verwijst naar onderdeel I. 1. ‘d. Handhaving’ van dit advies.
Geconstateerd wordt dat in de memorie van toelichting een financiële paragraaf ontbreekt. Artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 bepaalt dat in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel moet worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. Hoewel daar in de toelichting op genoemd artikel niets over is vermeld, maakt de Raad, gezien de laatste volzin, daaruit op dat het artikel alleen ministers bindt. Naar het oordeel van de Raad is dit echter ook van invloed op de Staten omdat de lasten voor de overheid die voortvloeien uit het initiatiefontwerp ook op de begroting van het Land zullen drukken.
Voorts is in de Awr, te weten in aanwijzing 157, onder e, bepaald dat de memorie van toelichting een verantwoording dient te bevatten van de ontwerpregeling, waaronder de financiële gevolgen daarvan, de lasten voor de overheid alsook de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen. Ook indien een ontwerplandsverordening geen financiële gevolgen heeft, dient dit conform aanwijzing 159, tweede lid, van de Awr, gemotiveerd uit de memorie van toelichting te blijken.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting een financiële paragraaf op te nemen. Indien aan het initiatiefontwerp financiële gevolgen zijn verbonden, adviseert de Raad in de financiële paragraaf aan te geven welke deze zijn en hoe deze in dat geval gedekt zullen worden. Indien het initiatiefontwerp geen (aanvullende) financiële gevolgen heeft c.q. er sprake is van een budgetneutraal effect, dan dient dit gemotiveerd in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting te worden opgenomen.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. De term ‘toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’
In artikel I, punt 2, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om een nieuw onderdeel e in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht op te nemen. Dit nieuwe onderdeel e gaat over diefstal ten opzichte van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is.[12] De term ‘toerist die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is’ heeft bij met name de Ombudsman van Sint Maarten de vraag doen rijzen of er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel geregeld in de Staatsregeling (van Sint Maarten). In de uitspraak van het Hof van 15 augustus 2013[13] naar aanleiding van deze vraag heeft het Hof aangegeven dat het onderscheid in strafbedreiging al naar gelang het slachtoffer van diefstal een recreatieve toerist is of niet, in feite grotendeels neerkomt op een onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van het land. Het Hof is van oordeel dat diefstal van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is niet in strijd is met het verbod op discriminatie omdat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging hiervoor bestaat. Met het opnemen van de desbetreffende strafverzwaringsgrond in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten wordt volgens het Hof beoogd het algemeen belang, namelijk het economisch welzijn van het land, te dienen. Zeker voor landen, zoals Sint Maarten, waar het toerisme een zo dominante rol speelt in het genereren van inkomsten vormt de desbetreffende strafverzwaring volgens het Hof een objectieve en legitieme doelstelling, namelijk het bevorderen van het (economisch) welzijn van de ingezetenen.
In Curaçao moet het gemaakte onderscheid tussen personen in het initiatiefontwerp passen binnen de grenzen van artikel 14 en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao. Hoewel de Raad de bovengenoemde redenering van het Hof kan volgen, wordt in het initiatiefontwerp toch een ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen de soorten toeristen onderling. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat onder de term ‘toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’ niet moet worden verstaan de persoon die uit zakelijke overwegingen ons land bezoekt.[14] Uit de memorie van toelichting blijkt verder niet wat de beweegredenen zijn om dit onderscheid te maken.
Toeristen zijn volgens het tweede lid van artikel 8 van de Landsverordening toelating en uitzetting[15] (hierna: de Ltu) eenieder die niet langer dan drie maanden in Curaçao blijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakendoen en die tijdens zijn verblijf geen werkzaamheden tegen beloning verricht. Aangezien zelfs de toeristen die Curaçao bezoeken voor zakendoen zich in hun vrije tijd kunnen recreëren (bijvoorbeeld digital nomads), is de Raad van oordeel dat de bescherming die de recreatieve toeristen als gevolg van het initiatiefontwerp zullen genieten zich dient uit te strekken tot alle toeristen die ons land bezoeken. Het één en ander zal immers het economisch welzijn van het land dienen, aangezien het toerisme een steeds dominantere rol in Curaçao gaat spelen.[16]
De Raad is van oordeel dat in het voorgestelde nieuwe onderdeel e van artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht het bestanddeel ‘die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’ geschrapt moet worden. Het schrappen van het bestanddeel uit het voorgestelde onderdeel e heeft als ‘voordeel’ dat door het Openbaar Ministerie niet bewezen hoeft te worden dat de toerist alleen voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is. Het feit dat men toerist is, zal op zich voldoende zijn voor de toepassing van de strafverzwaring.
Als gevolg van het schrappen van het bestanddeel ‘voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is’ moet volgens de Raad in het Wetboek van Strafrecht in elk geval een bepaling worden opgenomen waarin de term ‘toerist’ wordt gedefinieerd. Hierbij kan het tweede lid van artikel 8 van de Ltu als leidraad dienen. Daarbij dient echter de zinsnede ‘en die tijdens zijn verblijf geen werkzaamheden tegen beloning verricht’ buiten beschouwing te worden gelaten en dient geen onderscheid te worden gemaakt in het doel van het verblijf en de termijn van het tijdelijk verblijf als toerist in Curaçao. Op deze manier kan bijvoorbeeld digital nomads ook onder de bescherming van het voorgestelde onderdeel e van artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht vallen.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting aan te passen. In de memorie van toelichting moet in ieder geval een motivering worden opgenomen waarom het gemaakte onderscheid tussen personen binnen de grenzen van onder meer artikel 14 en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao valt.
b. De term ‘vee uit de weide’
In artikel I, punt 2, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om een nieuw onderdeel f in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht op te nemen. Dit nieuwe onderdeel gaat over diefstal van vee uit de weide als strafverzwarende omstandigheid. De vraag rijst wat de reikwijdte is van de desbetreffende bepaling aangezien in het Wetboek van Strafrecht geen definitie van de termen ‘vee’ en ‘weide’ is opgenomen. Volgens onderdeel h van artikel 1 van de Landsverordening openbare orde[17] wordt onder ‘vee’ verstaan eenhoevige of herkauwende dieren en varkens. Hieronder vallen bijvoorbeeld geen paarden en (struis)vogels. Een weide is volgens de gangbare Nederlandse taal een omheinde grasvlakte.
Uit de memorie van toelichting volgt dat het opnemen in het Wetboek van Strafrecht van diefstal van vee in de weide een economisch doel heeft omdat het vaak zo is dat het slachtoffer zijn bron van inkomsten heeft verloren. Aangezien Curaçao onder meer commerciële paardenmaneges, een struisvogelfarm, kippenfarms, dierenopvangcentra, dierentuinen en een Seaquarium heeft, is de Raad van oordeel dat onderdeel f van artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht een moderne invulling moet krijgen die zich in elk geval zal uitstrekken tot diefstal van alle dieren die voor, in hoofdzaak, commercieel-economische doeleinden worden gehouden in omheinde terreinen of in andere speciale voor hen bedoelde accommodaties.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
c. De term ‘motorrijtuig’
In artikel I, punt 2, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om een nieuw onderdeel g in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht op te nemen. Dit nieuwe onderdeel gaat over diefstal van motorrijtuigen als strafverzwarende omstandigheid. De Raad beveelt de initiatiefnemers aan om ten aanzien van de term ‘motorrijtuig’ aansluiting te zoeken bij onderdeel an van artikel 1 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000[18] (hierna: WVVC-2000) omdat de term ‘motorrijtuigen’ verouderd is.
Volgens onderdeel an van artikel 1 van de WVVC-2000 wordt onder ‘voertuig’ verstaan fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen[19] en (aanhang)wagens. Aangezien Curaçao bedrijven heeft die bromfietsen, fietsen of aanhangwagens verhuren, is de Raad van oordeel dat in onderdeel g de term ‘diefstal van voertuigen’ opgenomen moet worden. De term ‘voertuigen’ is met andere woorden een ruimer en meer sluitend begrip.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
2. De memorie van toelichting
a. Strafverzwaring ten aanzien van afpersing
Het is de Raad opgevallen dat in de derde zin van het eerste tekstblok op pagina 2 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de strafverzwaring zich, door het systeem van de wet, ook uitstrekt over andere vormen van diefstal en over afpersing. Afpersing wordt geregeld in de artikelen 2:294 tot en met 2:297 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het initiatiefontwerp volgt niet dat deze artikelen moeten worden gewijzigd.
De Raad adviseert om duidelijkheid te creëren en de memorie van toelichting en zonodig ook het initiatiefontwerp aan te passen.
b. De inwerkingtredingsbepaling
Op grond van artikel II van het initiatiefontwerp treedt de onderhavige landsverordening op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip in werking. Uit de memorie van toelichting is niet gebleken om welke reden sprake moet zijn van een inwerkingtreding bij landsbesluit.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het initiatiefontwerp en adviseert om daarmee rekening te houden voordat het in behandeling wordt genomen.
Willemstad, 9 april 2024
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
___________________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/08-24-LV
Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het initiatiefontwerp
a. Het opschrift
Voorgesteld wordt om:
- ‘Landsverordening tot wijziging Landsverordening Wetboek van Strafrecht’ te vervangen door ‘Landsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht’;
- de vindplaats ‘P.B. 2011, no. 48’ van het Wetboek van Strafrecht in een voetnoot op te nemen.
b. De considerans
Voorgesteld wordt om:
- de overweging, in navolging van aanwijzing 91 van de Awr, kort weer te geven;
- in de eerste zin ‘motorrijtuig’ te vervangen door ‘voertuigen’. (Zie onderdeel II. ‘c. De term ‘motorrijtuig’’ van dit advies.)
c. Artikel I
Voorgesteld wordt om in navolging van onderdeel B van het vierde lid van aanwijzing 178 van de Awr, artikel I langs de lijnen van het volgende te wijzigen:
‘Artikel I
Artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd als volgt:
Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, worden drie nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:
e. diefstal ten opzichte van een toerist (…….);
f. diefstal van (……);
g. diefstal van (……).’
2. De memorie van toelichting
a. Algemeen
Voorgesteld wordt om de memorie van toelichting in overeenstemming te brengen met aanwijzing 160 van de Awr door deze te verdelen in een algemeen gedeelte en een artikelsgewijs gedeelte.
b. Het opschrift
Voorgesteld wordt om ‘Landsverordening tot wijziging Landsverordening Wetboek van Strafrecht’ te vervangen door ‘Landsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht’.
c. Pagina 1
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het eerste tekstblok ‘in de Landsverordening Wetboek van Strafrecht’ te vervangen door ‘in het Wetboek van Strafrecht’;
- in de tweede zin van het eerste tekstblok ‘van en toerist’ te vervangen door ‘van een toerist’;
- het opschrift ‘Diefstal ten opzichte van en toerist’ te vervangen door ‘Diefstal ten opzichte van een toerist’;
- in de eerste zin van het tweede tekstblok ‘van en toerist’ te vervangen door ‘van een toerist’;
- in de tweede zin van het tweede tekstblok ‘het welvaart’ te vervangen door ‘de welvaart’;
- in de tweede zin van het derde tekstblok ‘het toerist’ te vervangen door ‘de toerist’.
d. Pagina 2
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het tweede tekstblok ‘De Wetboek van’ te vervangen door ‘De Wetboeken van’;
- in de tweede zin van het tweede tekstblok vóór ‘indieners’ het lidwoord ‘de’ in te voegen en telkens ‘op Curaçao’ te vervangen door ‘in Curaçao’;
- in de enige zin van het derde tekstblok ‘meer oog met zijn’ te vervangen door ‘meer oog moet zijn’;
- in de tweede zin van het vierde tekstblok ‘veel onrust en onveiligheidsgevoelens in de samenleving’ te vervangen door ‘veel onrust in en gevoelens van onveiligheid in de samenleving’;
- in de derde zin van het vierde tekstblok, vóór ‘impact’ het lidwoord ‘de’ op te nemen en ‘is’ vóór ‘groot’ te schrappen;
- in de achtste zin van het vierde tekstblok ‘inkomen’ te vervangen door ‘inkomsten’;
- in de laatste zin van het vierde tekstblok ‘de vee’ te vervangen door ‘het vee’.
__________________________
[1] Inspectieonderzoek “Aanpak autodiefstal in Curaçao” van de Raad voor de Rechtshandhaving, 2021, te raadplegen op www.raadrechtshandhaving.com
[2] Zie artikel I, onderdeel AI in P.B. 2000, no. 28, waarbij onderdeel 3 van artikel 324 van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd in ‘diefstal van een motorrijtuig’.
[3] Zie pagina’s 9 en 19 van het inspectieonderzoek.
[4] Artikel 324, eerste lid, onder 1º, van het Koninklijk besluit van den 4den October 1913, No. 61, houdende vaststelling van een Wetboek van Strafrecht voor de kolonie Curaçao, P.B. 1913, no. 67.
[5] ECLI:NL:OCHM:2013:2 – Constitutioneel Hof Sint Maarten 15 augustus 2013/2013/1, rechtsoverweging 3.4.7, voorlaatste tekstblok.
[6] Zie www.openbaarministerie.org
[7] Paragraaf ’Beleid’ op pagina 9.
[8] Openbaar Ministerie Jaarverslag 2021 Parket Curaçao, subparagraaf ’Autodiefstallen’ van paragraaf ’Trends en hoogtepunten’, pagina 17 en Openbaar Ministerie Jaarverslag 2022 Curaçao, subparagraaf ’Woninginbraken, bedrijfsinbraken en autodiefstallen’ van paragraaf 4.1.3 ’Veel voorkomende delicten’, pagina 11.
[9] Pagina 2, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting.
[10] A.B. 2012, no. 24.
[11] A.B. 2013, no. 2
[12] De term ‘toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’ komt ook voor in onderdeel e van artikel 2:289 van de Wetboeken van Strafrecht van Aruba en van Sint Maarten.
[13] ECLI:NL:OCHM:2013:2 – Constitutioneel Hof Sint Maarten 15 augustus 2013/2013/1, rechtsoverweging 3.4.6.
[14] Pagina 2, eerste tekstblok, laatste volzin, van de memorie van toelichting.
[15] P.B. 2010, no. 5 GT.
[16] Zie dr. Sh. E. Dare en Ch. M. Rigaud, ‘The real contribution of tourism to the balance of payments of Curaçao and Sint Maarten’, Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, 19 januari 2024, table ‘Net contribution of primary sectors to the current account balance’ op de voorlaatste pagina.
[17] P.B. 2015, no. 31.
[18] P.B. 2013, no. 41 GT.
[19] Motorvoertuigen zijn volgens onderdeel x van artikel 1 van de WVVC-2000 alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en invalidenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen.
