Adviezen
RvA no. RA/10-24-LV: Ontwerplandsverordening houdende de wijziging van titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de medegelding in Curaçao van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Landsverordening conflictenrecht trusts)
Ontvangstdatum: 30/04/2024
Publicatie datum: 31/05/2024
(zaaknummer 2023/033889)
Bijlage
Ontwerplandsverordening, houdende wijziging van titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de medegelding in Curaçao van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Landsverordening conflictenrecht trusts)
(zaaknummer 2023/033889)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 30 april 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Inleiding
De ontwerplandsverordening conflictenrecht trusts (hierna: het ontwerp) strekt volgens de daarbij behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) ertoe met het oog op de rechtszekerheid de gewenste duidelijkheid te verschaffen op bepaalde punten waar twijfel zou kunnen rijzen, in het bijzonder in het buitenland, over de opvatting die in Curaçao geldt ten aanzien van enkele bepalingen van het op 1 juli 1985 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts (Trb. 1985, 141) (hierna: het Verdrag). Het gaat daarbij om bepalingen waarin het Verdrag het primaat van de nationale rechter aanvaardt, zoals in artikel 12 (“voorzover zulks niet door het recht van de Staat, waar de inschrijving wordt verlangd, verboden wordt”) en artikel 15, eerste lid, (“Het Verdrag laat onverlet de toepassing van bepalingen van het recht dat is aangewezen door de verwijzingsregels van het land van de rechter”).
De Raad onderschrijft het belang van het ontwerp. Duidelijkheid over bovengenoemde bepalingen van het Verdrag waarover in het internationale rechtsverkeer twijfel zouden kunnen ontstaan, is van belang voor de buitengaatse financiële sector en dus voor de economie van Curaçao. Niettemin maakt de Raad enige opmerkingen over onder andere de inpasbaarheid van het ontwerp in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) voor wat de term ‘trust’ betreft en het bepaalde in het ontwerp over de toepasselijkheid van het Verdrag. Alvorens bedoelde inhoudelijke opmerkingen te maken zal worden ingegaan op enkele aspecten van procedurele aard.
2. Procedurele aspecten
a. Spoedadviesverzoek
De Caribbean Financial Action Task Force (hierna: de CFATF) zal in juni 2024 de Fourth Round Mutual Evaluation (hierna: MEVAL 2024) uitvoeren, die gebaseerd is op de FATF-aanbevelingen en de FATF-methodologie. In verband hiermee is het noodzakelijk dat Curaçao voldoet aan de recent bijgewerkte internationale normen en aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: de FATF). Hierdoor moet onder andere in het bijzonder in het buitenland duidelijkheid worden verschaft over de opvatting die in Curaçao ten aanzien van de hierboven in onderdeel ‘I. 1. Inleiding’ van dit advies genoemde bepalingen van het Verdrag geldt.
Gezien de beperkte tijd die resteert vóór de MEVAL 2024 heeft de Minister-President tevens Minister van Algemene Zaken bij brief van 19 april 2024 (zaaknummer 2024/013075-4) de Raad van Advies dringend verzocht om prioriteit te geven aan de behandeling van de in dat kader relevante ontwerpen van wet- en regelgeving die aan de Raad voor advies zullen worden aangeboden.
De Raad onderschrijft het spoedeisend belang dat met het ontwerp wordt gediend. Het is nodig om de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao tegen misbruik te waarborgen. Immers, het niet voldoen aan genoemde internationale normen en aanbevelingen van de FATF kan negatieve gevolgen hebben voor de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao en als gevolg daarvan de economie van Curaçao in gevaar brengen.
De Raad heeft het onderhavige adviesverzoek op 30 april 2024 ontvangen. Gezien de belangen die in het geding zijn voor Curaçao en de betrokken actoren heeft de Raad getracht om de adviestermijn zo kort als mogelijk te houden.
De Raad wil echter nogmaals de aandacht van de regering vragen voor een juiste planning en bijsturing zeker waar het betreft ontwerpregelingen die tot stand moeten worden gebracht ter voldoening aan belangrijke internationale normen. De MEVAL 2024 was ruim van tevoren aangekondigd en bij de regering bekend.
Het voortvarend acties ondernemen om de wetgeving te actualiseren vereist in die context, dat op een belangrijk dossier als het onderhavige, de coördinerende rol om de beoogde wetgeving tot stand te brengen, proactief wordt vervuld en dat de voortgang van het traject wordt bewaakt, waarbij alle wetgevingsactoren in een vroeg stadium actief (kunnen) participeren aan de totstandkoming van de vereiste wet- en regelgeving, eventuele knelpunten tijdig (kunnen) signaleren en oplossen en een redelijke termijn worden gegund om hun rol in dat proces naar behoren te vervullen. De vertraging in het (C)FATF-traject is primair de verantwoordelijkheid van de regering, niet van de Raad.
De Raad verzoekt nogmaals dringend de aandacht van de regering hiervoor.
b. Vertraging in ambtelijk voorbereidingstraject versus de met de totstandkoming van het ontwerp te dienen belangen
Alhoewel in de bij het ontwerp gevoegde stukken steeds wordt vermeld dat het wenselijk is om duidelijkheid in het internationale rechtsverkeer te verschaffen over de opvatting die in Curaçao ten aanzien van de hierboven in onderdeel ‘I. 1. Inleiding’ van dit advies genoemde bepalingen van het Verdrag geldt, lijkt het erop dat weinig spoed is betracht om de gewenste duidelijkheid te verschaffen. Immers dit wetgevingstraject is – zoals uit de bij dit adviesverzoek gevoegde stukken kan worden opgemaakt – minstens vanaf het jaar 2019 opgestart. De Raad is zich ervan bewust dat de wetgevingsfunctie in Curaçao niet zodanig is georganiseerd en bemenst dat alle wetgeving die nodig is ook daadwerkelijk tijdig en van goede kwaliteit kan worden gemaakt.[1] Voor de verbetering van de wetgevingsfunctie in Curaçao zijn tal van aanbevelingen gedaan.[2] De Raad is van oordeel dat de regering de nodige maatregelen moet treffen om die aanbevelingen ook daadwerkelijk op te volgen.[3] De Raad vindt dat de regering zeker wanneer zwaarwegende belangen zoals in dit geval in het geding zijn, zich meer moet inspannen om het ambtelijk voorbereidingstraject van de desbetreffende wettelijke regelingen mogelijk te maken en zo zorgvuldig mogelijk te doorlopen en op tijd af te ronden.
De Raad vraagt nogmaals dringend de aandacht van de regering voor het vorenstaande.
c. Adviseringsrol van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken
Zoals hierboven opgemerkt blijkt uit de bij dit adviesverzoek gevoegde stukken dat al minstens vanaf het jaar 2019 het wetgevingstraject over dit ontwerp is opgestart. De Directie Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: WJZ) heeft bij brief van 21 augustus 2019, met kenmerk WJZ’17/0493 (zaaknummer 2017/037556), advies uitgebracht over een versie van het ontwerp. Uit de bij het adviesverzoek gevoegde stukken kan niet worden opgemaakt of deze versie van het ontwerp nadien inhoudelijk is gewijzigd en zo ja, wat de aard van deze wijzigingen is geweest. Hierdoor kan de Raad niet beoordelen of een nader advies van WJZ over het ontwerp nodig is. WJZ dient als regievoerder in het proces van regelgeving, ontwerpen van wettelijke regelingen aan een laatste kwaliteitstoets te onderwerpen. Bij een constatering – al dan niet na navraag op ambtelijk niveau – dat het advies van WJZ over de eindversie van een ontwerpregeling ontbreekt, wordt het ontwerp conform de vastgestelde beleidsregels[4] door de Raad aan de regering geretourneerd. In dit geval is voor de Raad doorslaggevend het spoedeisende karakter van dit adviesverzoek in het licht van de verwachte negatieve gevolgen van een niet gunstige beoordeling door CFATF.[5] Hierdoor is er voor de Raad geen ruimte om zich ervan te vergewissen of WJZ in 2019 over de aan de Raad aangeboden (eind)versie van het ontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting heeft geadviseerd of om het adviesverzoek te retourneren.
In het licht van het waarborgen van de kwaliteit van wet- en regelgeving adviseert de Raad de regering zo nodig een nader advies van WJZ over het voorgestelde in het ontwerp in te winnen.
d. Het ontbreken van adviezen van belangrijke stakeholders
In de bij dit adviesverzoek gevoegde stukken zijn de adviezen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) en van de trustsector over het ontwerp niet aangetroffen. In het kader van het waarborgen van de kwaliteit c.q. de zorgvuldige voorbereiding van wet- en regelgeving vindt de Raad het van belang dat de regering advies van het Hof en de trustsector over het ontwerp inwint.
De Raad adviseert de regering advies van het Hof en de trustsector over het ontwerp in te winnen voor zover dat nog niet is geschied. De Raad ontvangt gaarne de adviezen van het Hof en de trustsector zodra deze beschikbaar zijn ten einde een aanvullend advies uit te brengen indien daartoe aanleiding bestaat.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. De inpasbaarheid van het ontwerp in titel 6 van Boek 3 van het BW
1°. Inleiding
In tegenstelling tot Nederland heeft Curaçao een eigen intern trustrecht in het leven geroepen, namelijk in de Landsverordening trust. De bepalingen in het Verdrag met betrekking tot het trustrecht kunnen in het BW of in een nieuwe (afzonderlijke) landsverordening worden opgenomen. Uit het voorliggende ontwerp kan worden opgemaakt dat de regering gekozen heeft om bedoelde bepalingen in titel 6 van Boek 3 van het BW op te nemen. Volgens de memorie van toelichting (pagina 2, punt 4) is de inhoud van het ontwerp en de memorie van toelichting ontleend aan de Nederlandse Wet conflictenrecht trusts en de daarbij behorende memorie van toelichting. Inhoudelijk is de systematiek in de Nederlandse Wet conflictenrecht trusts in het ontwerp gevolgd. Echter gezien het feit dat Curaçao, anders dan Nederland, een eigen trustrecht kent, moet volgens de Raad goed worden bezien of de bepalingen die overgenomen zijn van de Nederlandse Wet conflictenrecht inpasbaar zijn in het Curaçaose trustrecht. De Raad geeft hieronder een tweetal voorbeelden, waarbij dit niet is gebeurd.
De Raad adviseert de regering om na te gaan of er naast de hieronder genoemde bepalingen andere bepalingen zijn in titel 6 van Boek 3 van het BW waarmee bij de redactie van het voorgestelde artikel 3:126a van het BW rekening moet worden gehouden.
2°. De inpasbaarheid voor wat de term ‘trust’ betreft
Artikel 3:127 van het BW geeft een omschrijving van de term ‘trust’ voor de toepassing van titel 6 van Boek 3 van het BW. Genoemde omschrijving is volgens de memorie van toelichting behorende bij de Landsverordening trust ontleend aan de omschrijving van de term ‘trust’ in artikel 2 van het Verdrag. Het valt de Raad echter op dat laatstgenoemde omschrijving van de term ‘trust’ enigszins afwijkt van de omschrijving van de term ‘trust’ in artikel 3:127 van het BW. De toevoeging van het voorgestelde artikel 3:126a in titel 6 van het BW (artikel 1 van het ontwerp) heeft tot gevolg dat in dat titel van Boek 3 van het BW twee definities van de term ‘trust’, die enigszins van elkaar afwijken, worden gebruikt. Voor de toepassing van het voorgestelde artikel 3:126a van het BW wordt ingevolge het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel onder ‘trust’ verstaan: een trust als omschreven in artikel 2 van het Verdrag, die door een wilsuiting in het leven is geroepen en waarvan blijkt uit een geschrift. Hoewel de definitie van de term ‘trust’ opgenomen in het voorgestelde artikel 3:126a, eerste lid, onderdeel b, van het BW slechts van toepassing is op het bepaalde in artikel 3:126a van het BW (bij de aanwijzing van het toepasselijke recht op trusts en de erkenning van trusts), kan over de juiste definitie van die term onduidelijkheid bestaan omdat artikel 3:127 van het BW van toepassing is op titel 6 in haar geheel, dus ook op het daarin toegevoegde artikel 3:126a van het BW. Teneinde de onduidelijkheid die zou kunnen ontstaan over de juiste definitie in geval van het toepasselijke recht op trusts weg te nemen, moet volgens de Raad in het voorgestelde artikel 3:126a van het BW tot uitdrukking komen dat voorzover het betreft de omschrijving van de term ‘trust’ bij de toepassing van dit artikel afgeweken wordt van het bepaalde in artikel 3:127 van het BW.[6]
De Raad adviseert de regering met inachtneming van het vorenstaande het ontwerp aan te passen.
3°. De inpasbaarheid van het ontwerp in titel 6 van Boek 3 van het BW voor wat betreft het voorgestelde in artikel 3:126a, derde lid van het BW in samenhang met de artikelen 3:136, eerste lid en 3:137, eerste lid van het BW
Volgens het voorgestelde artikel 3:126a, derde lid, van het BW kan de trustee met betrekking tot een goed ter zake waarvan inschrijvingen kunnen plaatsvinden in een ingevolge de wet gehouden register en dat behoort tot de goederen van de trust die een afgescheiden vermogen vormen, verlangen dat een inschrijving geschiedt op zijn naam en in zijn hoedanigheid van trustee, of op een zodanige andere wijze dat van het bestaan van een trust blijkt.
De Raad constateert dat hetgeen in laatstgenoemd artikel wordt geregeld al in de artikelen 3:136, eerste lid, en 3:137, eerste lid, van het BW is geregeld. Artikel 3:136, eerste lid, van het BW bepaalt dat de trustee met betrekking tot een tot het trustvermogen behorend goed ter zake waarvan inschrijvingen kunnen plaatsvinden in een ingevolge de wet gehouden register, kan verlangen dat een inschrijving op zijn naam geschiedt en in zijn hoedanigheid van trustee, of op een zodanige andere wijze dat van het bestaan van de trust blijkt. Voorts verplicht het eerste lid van artikel 3:137 van het BW de trustee tot het afgescheiden houden van het trustvermogen van zijn eigen vermogen. Het is niet duidelijk waarom niet in de memorie van toelichting volstaan is met een verwijzing naar de artikelen 3:136, eerste lid, en 3:137, eerste lid, van het BW. Indien de regering van mening is dat het bepaalde in het voorgestelde artikel 3:126a, derde lid, van het BW in het ontwerp moet worden gehandhaafd, dan moet in genoemd artikel de verhouding met de artikelen 3:136, eerste lid, en 3:137, eerste lid, van het BW tot uitdrukking komen.
De Raad adviseert de regering om een uitgebreidere toelichting op te nemen waarom het voorgestelde artikel 3:126a, derde lid, van het BW nodig is of het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.
b. Het bepaalde over de toepasselijkheid van het Verdrag
Artikel 1 van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3:126a, tweede lid, van het BW) bepaalt dat op de aanwijzing van het recht dat toepasselijk is op trusts en de erkenning van trusts de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn. Het bepaalde in het tweede lid van het voorgestelde artikel 3:126a van het BW is naar de mening van de Raad een logisch gevolg van de medegelding van het Verdrag in Curaçao. Dit blijkt ook uit punt 3 van het algemene gedeelte van de memorie van toelichting (pagina 2) en de toelichting op laatstgenoemd artikellid (pagina 3).
De materiële bepalingen in het Verdrag betreffen eenieder verbindende bepalingen en maken vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor Curaçao (1 februari 2024) deel uit van de nationale rechtsorde (zie artikel 93 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden). In het licht hiervan strekt het voorgestelde artikel 3:126a, tweede lid, van het BW er slechts toe de rechtstoepasser eraan te herinneren dat de bepalingen in het Verdrag deel uitmaken van het Curaçaose recht. De Raad vindt het overbodig om dit in het ontwerp zelf op te nemen. Immers, over dat punt zou, gezien het bovenstaande, geen twijfel hoeven te bestaan die tot verduidelijking in het ontwerp noopt. Volgens de Raad kan de regering volstaan met dit in de memorie van toelichting uit te leggen, hetgeen zij al heeft gedaan. Indien de regering toch van mening is dat opneming van het bepaalde in het voorgestelde artikel 3:126a, tweede lid, van het BW in het ontwerp wenselijk is, dan moet zij in de memorie van toelichting een voldragen motivering hiervoor opnemen.
De Raad adviseert de regering met inachtneming van het vorenstaande het voorgestelde artikel 3:126a, tweede lid, van het BW te schrappen.
2. De memorie van toelichting
a. Het wijzigen van titel 6 van Boek 3 van het BW in verband met de aanbevelingen van de (C)FATF
Uit de bijlage behorende bij de brief van 19 april 2024 (zaaknummer 2024/013075-4) van de Minister-President tevens Minister van Algemene Zaken kan worden opgemaakt dat ook het voorliggende ontwerp in het kader van de MEVAL 2024 in mei 2024 tot stand moet worden gebracht. De Raad mist in het algemene gedeelte van de memorie van toelichting een uiteenzetting over de aanbeveling(en) van de (C)FATF die ertoe zou(den) moeten leiden dat nu met spoed in het bijzonder in het buitenland, duidelijkheid moet worden verschaft over de opvatting die in Curaçao ten aanzien van de hierboven in onderdeel ‘I. 1. Inleiding’ van dit advies genoemde bepalingen van het Verdrag geldt.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te vullen.
b. De medegelding van het Verdrag in Curaçao
Uit de stukken die bijgevoegd zijn bij het ontwerp maakt de Raad op dat het Verdrag voor Curaçao ingevolge artikel 30, tweede lid, onderdeel c, van dat Verdrag in werking is getreden per 1 februari 2024. De Raad merkt op dat daarvan geen melding wordt gemaakt in de memorie van toelichting. De Raad vindt het belangrijk dat in de memorie van toelichting te vermelden, omdat uit de memorie van toelichting niet blijkt dat het Verdrag na vele jaren na zijn totstandkoming op 1 juli 1985 voor Curaçao pas op 1 februari 2024 in werking is getreden. Ook blijkt uit de memorie van toelichting niet dat de Curaçaose trustwetgeving vóór de inwerkingtreding van het Verdrag en wel vanaf 1 januari 2012 in Curaçao geldt. Bovendien wordt in de memorie van toelichting (met name op pagina’s 1, 2, 3 en 5) veelvuldig de woorden ‘aanvaarding van het Verdrag’ of ‘aanvaarding van het Verdrag door Curacao’ gebruikt. Verdragen worden door het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Koninkrijk) aanvaard of gesloten. De Caribische landen van het Koninkrijk, waaronder het land Curaçao, kunnen aangeven of zij medegelding van een verdrag wensen. In de praktijk is de wens van de regering van het betrokken land vaak leidend bij het nemen van de beslissing tot gelding van een verdrag in het betrokken land door de rijksministerraad.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
c. Vastgestelde citeertitel voor een wijzigingslandsverordening
De Landsverordening trust maakt deel uit van het BW. In het ontwerp wordt deze landsverordening gewijzigd en in artikel 3 van het ontwerp wordt voor de onderhavige wijzigingslandsverordening een citeertitel vastgesteld. Volgens aanwijzing 146, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) heeft een wijzigingsregeling slechts in bijzondere gevallen een citeertitel. De Raad mist een toelichting op artikel 3 van het ontwerp in de memorie van toelichting.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.
Willemstad, 17 mei 2024
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/10-24-LV
Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Algemeen
Het opschrift
Voorgesteld wordt in het opschrift het Tractactenblad waarin het Haags Trustverdrag is gepubliceerd te vermelden.
Indeling van het ontwerp
Volgens aanwijzing 174, eerste lid, van de Awr wordt een regeling die slechts betrekking heeft op wijziging van een bestaande regeling ingedeeld in artikelen met Romeinse cijfers. Voorgesteld wordt de indeling van het ontwerp met inachtneming van deze aanwijzing aan te passen.
2. Het ontwerp
De aanhef
Voorgesteld wordt om overeenkomstig artikel 7 van de Bekendmakingsverordening – zoals gewijzigd bij de in P.B. 2014, no. 87 afgekondigde landsverordening – in de aanhef:
- ‘IN NAAM VAN DE KONING!’ te vervangen door ‘In naam van de Koning!’;
- ‘DE GOUVERNEUR’ te vervangen door ‘De Gouverneur’.
De considerans
Voorgesteld wordt ‘enkele wettelijke bepalingen’ in de considerans te vervangen door ‘regels terzake van de trust in titel 6 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek’.
Artikel 1
Voorgesteld wordt in de aanhef vóór het opschrift ‘Artikel 126a’ het werkwoord ‘worden’ te vervangen door ‘wordt’.
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 1 (artikel 3:126a, derde lid, van het BW) de zinsnede ‘in een ingevolge de wet’ te vervangen door de zinsnsede ‘in een ingevolge een wettelijke regeling’.
Artikel 2
Voorgesteld wordt artikel 2 ingevolge aanwijzing 140, eerste lid, onderdeel C, van de Awr als volgt te doen luiden: Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.
3. De memorie van toelichting
Pagina 1
Soms wordt het woord ‘verdrag’ in de tekst met een hoofdletter geschreven soms met een kleine letter (zie bijvoorbeeld pagina 1, derde zin, waarin staat ‘de artikelen 2 en 11 van het verdrag’ en op pagina 4, tweede zin, staat ‘Artikel 12 van het Verdrag’). Voorgesteld wordt daarom de memorie van toelichting op het gebruik van het woord ‘verdrag’ in hoofdletters of kleine letters te screenen.
Voorgesteld wordt in de eerste zin onder ‘Algemeen’ de woorden ‘Het Haags trust verdrag’ te vervangen door ‘Het Haags Trustverdrag’.
Het is in de derde zin niet duidelijk op welke regeling ‘die regeling’ in die zin slaat.
Pagina 2
Voorgesteld wordt in de tweede zin bij het eerste gebruik van het woord ‘Burgerlijk Wetboek’ erachteraan te duiden dat die term verder in de memorie van toelichting zal worden afgekort met de afkorting ‘BW’.
Voorgesteld wordt in punt 4 van het eerste tekstblok ‘de toelichting’ te vervangen door de daarbij behorende memorie van toelichting’ en de tweede ‘Nederlandse’ te schrappen.
Voorgesteld wordt de laatste zin op pagina 2 die zijn vervolg heeft op pagina 3 bovenaan ten behoeve van de leesbaarheid ervan zoveel mogelijk in te korten.
Pagina 3
Voorgesteld wordt in de voorlaatste zin voor ‘Landsverordening openbare regeisters’ de woorden ‘van de’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in de laatste zin ‘Het voorgestelde artikel 3’ te vervangen door ‘Het voorgestelde derde lid’.
Pagina 4
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok onder punt 2, derde zin, ‘een ingevolge de wet gehouden register’ te vervangen door ‘een ingevolge een wettelijke regeling gehouden register’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, onder punt 2, laatste zin, ‘een ingevolge de wet’ te vervangen door ‘een ingevolge een wettelijke regeling’.
Pagina 5
Voorgesteld wordt onder punt 3, derde zin, ‘Men name’ te vervangen door ‘Met name’ en voor ‘Faillissementsbesluit 1931’ in te voegen ‘van het’.
_________________________
[1] Prof. mr. S. E. Zijlstra, Onderzoek naar de wetgevingsfunctie in Curaçao, Willemstad/Hilversum, juni 2021, pagina 2.
[2] Prof. mr. S. E. Zijlstra, Onderzoek naar de wetgevingsfunctie in Curaçao, Willemstad/Hilversum, juni 2021, pagina 27.
[3] Zie Jaarverslag 2022 van de Raad van Advies Curaçao pagina 48.
[4] Het betreft ‘Beleidsregels met betrekking tot het ontbreken van adviezen van derden ten aanzien van regeringsontwerpen’, zoals vastgesteld op 6 maart 2017.
[5] Zie onderdeel I. 2 ‘a. Spoedadviesverzoek’ op pagina’s 1 en 2 van dit advies.
[6] Geadviseerd wordt het eerste lid van het voorgestelde artikel 3:126a van het BW zodanig aan te passen dat bij de omschrijving van de term ‘trust’ een bepaling langs de lijnen van het volgende in het ontwerp wordt opgenomen: Voor de toepassing van dit artikel wordt in afwijking van artikel 127 verstaan onder trust: een trust als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag, die door een wilsuiting in het leven is geroepen en waarvan blijkt uit een geschrift.
