Adviezen
RvA no. RA/11-23-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening
Ontvangstdatum: 05/06/2023
Publicatie datum: 04/03/2024
(zaaknummer 2022/042059)
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening
(zaaknummer 2022/042059)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 2 juni 2023, dat de Raad van Advies op 5 juni 2022 heeft ontvangen, om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 19 juni 2023, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
De totstandkoming van het ontwerp
De Raad van Advies heeft op 5 juni 2023 een spoedadviesverzoek d.d. 2 juni 2023 van de Gouverneur (regering) ontvangen over een ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening (hierna: het ontwerp).
Het ontwerp strekt volgens de considerans ertoe de voorwaarden te scheppen die bijdragen aan de verdere profilering van het land Curaçao als Internationaal Financieel Centrum. Het één en ander houdt verband met een negatieve beoordeling voor Curaçao van de ‘Inclusive Framework’ van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) (‘Peer Review of the Automatic Exchange of Financial Account Information 2022’). Daarin wordt immers geconcludeerd dat het juridisch kader dat nodig is om te voldoen aan de implementatie van de standaarden voor automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen (hierna: ‘AEOI-standards’) in Curaçao nog niet (compleet) aanwezig is.
Deze negatieve beoordeling heeft er al toe geleid dat de Code of Conduct Group van de Europese Unie het land Curaçao op de zogenaamde grijze lijst heeft geplaatst.
Uit de overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat Curaçao ten aanzien van de automatische uitwisseling van informatie, zoals in dit geval bedoeld, op de lijst van niet-coöperatieve landen van de Europese Unie geplaatst zal worden als de gesignaleerde tekortkomingen niet worden geredresseerd vóór het najaar van 2024. De Europese Unie hanteert de uitkomst van de beoordeling van de peer review immers als een van de criteria op basis waarvan juridisdicties op deze lijst worden geplaatst.
In het ontwerp wordt met een deel van de gesignaleerde tekortkomingen rekening gehouden. Het overige gedeelte vereist een wijziging op het niveau van een landsverordening en doorloopt daarom een ander (langer) wetgevingstraject.[1]
Curaçao hoeft echter niet te wachten tot het najaar van 2024. Door in de tussenliggende periode verbeteringen aan te brengen aan het vereiste juridisch kader kan Curaçao eerder al een herbeoordeling (een zogenaamde reassessment) aanvragen bij de OESO. Het aanvragen van deze herbeoordeling dient echter uiterlijk 30 juni 2023 plaats te vinden. Het streven is daarom om de onderhavige wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandverlening per laatstgenoemde datum in werking te laten treden.
De Raad onderkent uiteraard het spoedeisend belang dat met het ontwerp wordt gediend. Het niet voldoen aan internationale afspraken en standaarden op het gebied van informatie-uitwisseling zal immers tot gevolg hebben dat Curaçao op de lijst van niet-coöperatieve landen van de Europese Unie zal worden geplaatst. Dit draagt uiteraard het risico in zich dat Curaçao minder internationale economische activiteiten zal aantrekken.
Het vorenstaande doet echter niet af aan de omstandigheid dat aan de Raad voldoende tijd geboden moet worden om verantwoorde adviezen uit te brengen. Dit geldt zeker, zoals in dit geval, wanneer internationale belangen in het geding zijn en geldt des te meer wanneer ruimschoots van tevoren bekend is dat aanpassing van nationale wet- en regelgeving nodig is.
De Raad herhaalt daarom dat de regering aandacht moet blijven besteden aan de voortgangsbewaking van het totstandkomingstraject van wettelijke regelingen. In het bijzonder de totstandkoming van wettelijke regelingen die ter voldoening aan internationale afspraken op een afgesproken tijdstip in werking moeten treden. In dit geval was – afgaande op de brief d.d. 15 december 2022 van de Sectordirecteur Fiscale Zaken (met kenmerk 2022/184) – ten minste op laatstgenoemde datum[2] al bekend dat het wettelijk kader om te voldoen aan de ‘AEOI-standards’ aangepast moest worden.
Voorkomen moet worden dat tekortkomingen in het monitoren van voornoemde ontwikkelingen of eventuele vertragingen in de ambtelijke voorbereiding van ontwerpregelingen tot gevolg hebben dat zelfs de verkorte zes weken termijn die aan de Raad – als laatste adviesinstantie – zou moeten worden gegeven voor het uitbrengen van een spoedadvies in onverantwoorde mate wordt ingekort, zoals nu weer het geval is.
Gezien het belang van Curaçao om eventuele gevolgen te ontlopen in verband met het niet tijdig voldoen aan de ‘AEOI-standards’, zal de Raad toch advies uitbrengen over het ontwerp, waarbij de Raad tegelijkertijd aangeeft dat indien hem meer tijd was gegund er wellicht een diepgaander en genuanceerder advies zou zijn uitgebracht.
In het licht van het waarborgen van de kwaliteit van wet- en regelgeving verzoekt de Raad de regering met klem om in het vervolg volgens de juiste procedure en dus met inachtneming van een redelijke termijn een adviesverzoek aan de Raad voor te leggen.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. Artikel I, onderdeel A
Het voorgestelde artikel 1a
– Deelnemend rechtsgebied (onderdeel a)
De Raad merkt op dat de definitie van ‘deelnemend rechtsgebied’ overeen lijkt te komen met de definitie van ‘Reportable Jurisdiction’, zoals opgenomen in het achtste lid, onderdeel b, van het huidige artikel 2a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandverlening.
Als dat het geval is, adviseert de Raad het achtste lid, onderdeel b, van genoemd artikel 2a, te laten vervallen. Aangezien het voorgestelde artikel 1a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandverlening bedoeld is om alle definities die verband houden met de uitvoering van genoemd artikel 2a samen te brengen, adviseert de Raad om zowel de definitie in onderdeel a als in onderdeel b van het achtste lid van artikel 2a, in het voorgestelde artikel 1a op te nemen.
– Persoon uit een te rapporteren rechtsgebied (onderdeel k, onder 2°)
Om aansluiting te zoeken bij de binnen ons rechtstelsel gangbare termen, geeft de Raad de regering in overweging om in plaats van de begrippen ‘partnership’ en ‘partnership met beperkte aansprakelijkheid’ de formulering ‘lichamen en samenwerkingsverbanden en daarmee vergelijkbare rechtsvormen naar buitenlands recht’ te gebruiken.
b. Artikel I, onderdeel B
1°. Peildata vóór datum van inwerkingtreden
Om aan de verplichtingen van de ‘Common Reporting Standard’ (hierna: CRS) van de OESO te voldoen, is het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening gewijzigd bij P.B. 2017, no. 55. Bedoelde wijziging trad in werking op 30 juni 2017 en werkte terug tot en met 1 januari 2017.
Het ontwerp beoogt nadere uitwerking te geven aan de verplichtingen van de CRS. Echter, het valt op dat in het voorliggende ontwerp (van 2023) de data 31 december 2016 en 31 december 2017 zijn opgenomen als peildatum voor het saldo op bepaalde rekeningen en ter vaststelling van de uiterste datum waarop de betrokken procedures genoemd in de CRS door de administratieplichtigen moeten zijn doorlopen om vast te stellen of sprake is van te rapporteren rekeningen (het voorgestelde artikel 2a, derde lid, onderdelen a tot en met f). Zie ook artikel I, onderdeel C van het ontwerp (het voorgestelde artikel 6, eerste lid, onderdeel b: 1 januari 2016 en het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdelen a en d: 1 januari 2021 respectievelijk 31 december 2021).
Het lijkt erop dat met genoemde peildata achteraf nieuwe verplichtingen voor de administratieplichtigen in het leven worden geroepen. Het kan ook zo zijn dat administratieplichtigen in de praktijk reeds met de ogenschijnlijk nieuwe peildata rekening hebben gehouden en dat het ontwerp aldus slechts beoogt de gevolgde praktijk (gebonden aan die peildata) te formaliseren.
Het is voor de Raad dus niet duidelijk wat de regering beoogt te bereiken met het opnemen van deze reeds verstreken peildata in het ontwerp. In elk geval merkt de Raad op dat als de regering formalisering beoogt over een periode die al voorbij is, deze formalisering met terugwerkende kracht moet plaatsvinden om ook het verwachte juridisch effect te hebben.
Aangezien het in dit geval om verplichtingen voor de administratieplichtigen gaat, moet bij het toekennen van terugwerkende kracht echter de nodige voorzichtigheid worden betracht. Aan belastende regelingen wordt immers, behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht verleend (zie aanwijzing 126 van de Aanwijzingen voor de regelgeving). In dit geval is voorzichtigheid des te meer op zijn plaats nu de Landsverordening internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen (hierna: LIBB), waarin het ontwerp zijn grondslag vindt, bepaalde overtredingen sanctioneert. Zie hierna onder ‘2°. Het nu sanctioneren van overtredingen uit het verleden’.
De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de regering voor het voorgaande en adviseert de regering in de nota van toelichting uit te leggen wat de regering met het opnemen van genoemde peildata wil bereiken.
2°. Het nu sanctioneren van overtredingen uit het verleden
Het vierde lid van artikel 28 van de LIBB stelt de termijn waarbinnen een administratieve boete kan worden opgelegd wegens onder andere het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 22 van de LIBB op vijf jaar.
Het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening bevat de regels ter uitvoering van de verplichtingen bedoeld in artikel 22 van de LIBB. Het feit dat de nu in te voeren uiterste data waarbij aan de diverse verplichtingen moet zijn voldaan reeds zijn verstreken, leidt ertoe dat de betreffende administratieplichtigen die verplichtingen mogelijkerwijs niet tijdig zijn nagekomen en dus per definitie in overtreding zijn.
De nota van toelichting gaat niet in op gevolgen van de in te voeren reeds verstreken uiterste data en de administratieve boete voorvloeiend uit artikel 28 LIBB. Zie ook hierna onder ‘c. Artikel I, onderdeel C’, ‘1°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden (artikel 6, eerste lid, onderdeel b)’ en ‘5°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden (artikel 6, derde lid, onderdelen a en d)’ van dit advies.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het voorgaande in te gaan.
3°. Twee peildata
Sectie V, onderdeel B, van de CRS vereist net als onderdeel E, (1) van dezelfde Sectie van de CRS dat twee data worden vastgesteld. In het voorgestelde derde lid van artikel 2a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt ten aanzien van Sectie V, onderdeel B, van de CRS in onderdeel d echter slechts één datum (31 december 2016) vermeld.
Indien voor de vast te stellen data in beide gevallen 31 december 2016 moet gelden, adviseert de Raad om dit in de nota van toelichting uitdrukkelijk te vermelden. In het andere geval adviseert de Raad de regering het voorgestelde artikel 2a, derde lid, onderdeel d, van het Landsbesluit internationale bijstandsverlening aan te vullen met de eventueel ontbrekende datum.
c. Artikel I, onderdeel C
1°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden (artikel 6, eerste lid, onderdeel b)
Ook in het voorgestelde nieuwe artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt – in 2023 – een verplichting ingevoerd waaraan met ingang van 1 januari 2016 of vóór 2016 moet zijn voldaan.[3]
De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de regering voor het voorgaande en adviseert de regering in de nota van toelichting uit te leggen wat de regering met het opnemen van genoemde peildatum in het ontwerp wil bereiken en welke gevolgen dit eventueel voor de administratieplichtigen kan hebben.
2°. De term ‘afkoop’ in samenhang met de CRS (artikel 6, derde lid, onderdeel b)
In Sectie VIII, onderdeel B, (9), sub b, van de CRS wordt het woord ‘surrender’ gebruikt, hetgeen verder gaat dan de betekenis van het woord ‘afkoop’ dat wordt gebruikt in het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel b, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening. Het woord ‘surrender’ houdt in dit verband immers ook in ‘het inleveren van het aandeel’. De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel b, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening aan te passen.
3°. De term ‘due diligence-procedure’ (artikel 6, derde lid, onderdeel c)
In het voorgestelde artikel 2a, derde lid, aanhef, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening worden de procedures waar het hier om gaat aangeduid als de procedures opgenomen in “Secties II tot en met VII” van de CRS. In het achtste lid van artikel 2a wordt gesproken van de “identificatieprocedures in Secties II tot VII” van de CRS. De term ‘due-diligence-procedure’ wordt alleen in het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel c, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening gebruikt.
De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel c, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening aan te passen.
4°. De termen ‘teruggekocht’ en ‘ingetrokken’ in samenhang met de CRS (artikel 6, derde lid, onderdeel d)
In Sectie VIII, onderdeel B, (9), sub d, van de CRS worden de woorden ‘redeemed or immobilised’ gebruikt. Het woord ‘Immobilised’ betekent in dit verband ‘niet verhandelbaar’ maken wat niet overeenkomt met het ‘inkopen of terugkopen’ van aandelen in het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel d, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening.
De Raad adviseert de regering in het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel d, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening de term ’geïmmobiliseerd’ te gebruiken, zoals ook in de nota van toelichting (pagina 5, voorlaatste tekstblok) wordt gehanteerd.
5°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden (artikel 6, derde lid, onderdelen a en d)
– Algemeen
In het voorgestelde nieuwe artikel 6, derde lid, onderdelen a en d van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt – in 2023 – een verplichting ingevoerd waarmee vóór 1 januari 2021 rekening moet zijn gehouden respectievelijk waaraan uiterlijk 31 december 2021 moet zijn voldaan. Ook in dit geval is voor de Raad niet duidelijk hoe een in 2023 wettelijk vastgestelde verplichting ervoor kan zorgen dat vóór 1 januari 2021 respectievelijk 31 december 2021 al aan deze verplichting is voldaan.[4]
De Raad adviseert de regering ook in dit geval in de nota van toelichting uit te leggen wat zij met het opnemen van genoemde peildatum in het ontwerp wil bereiken.
– Niet samenvallende data
Het voorgestelde artikel 6 van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening bepaalt in het derde lid, onderdeel a, dat het collectieve beleggingsvehikel na 31 december 2021 geen fysieke aandelen aan toonder moet hebben uitgegeven of uitgeeft. Onderdeel d van datzelfde artikellid bepaalt dat het collectieve beleggingsvehikel over beleid en procedures moet beschikken om te garanderen dat dergelijke aandelen zo spoedig mogelijk worden teruggekocht of ingetrokken, in elk geval vóór 1 januari 2021[5]. Om overtreding van genoemd onderdeel d te voorkomen, zou naar het oordeel van de Raad, onderdeel a ook met ingang van 1 januari 2021 moeten gelden.
De Raad adviseert de regering de peildatum in het voorgestelde artikel 6, derde lid, onderdeel a, of die opgenomen in onderdeel d, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening in het licht van het bovenstaande te heroverwegen.
d. Artikel I, onderdeel D
1°. De term ‘depositorekening’ (artikel 6a, tweede lid)
In het voorgestelde artikel 6a, tweede lid, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening worden onder 1°. en 2°. vereisten gesteld waaraan een ‘depositorekening’ moet voldoen. Daarbij wordt niet vermeld waartoe deze vereisten dienen. Met andere woorden wat het gevolg is als eenmaal aan die vereisten wordt voldaan. Door dat niet te doen, blijft de term ‘depositorekening’ met de daaraan gestelde vereisten, vaag. Naar het oordeel van de Raad moet in voornoemd artikellid worden aangegeven dat de ‘depositorekening’ aan de genoemde vereisten moet voldoen om als ‘excluded’ (uitgezonderde rekening) te kunnen kwalificeren als bedoeld in het voorgestelde artikel 1a, onderdeel h, van genoemd landsbesluit zijnde een uitgezonderde rekening als bedoeld in Sectie VIII, onderdeel C, (17), onderdeel f, van de CRS.
De Raad adviseert de regering het voorgestelde artikel 6a, tweede lid, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening aan te passen.
2°. De verplichtingen voor de creditcard uitgever (artikel 6a, tweede lid, onderdeel 2)
De vereiste genoemd onder artikel 6a, tweede lid, onder 2°, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandverlening waaraan een depositorekening moet voldoen, geldt vanaf 1 januari 2017, terwijl het verband houdt met te veel betaalde gelden die samenhangen met een creditcard of andere kredietfaciliteit. Uit het voorgestelde artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening blijkt dat de verplichting voor de creditcard uitgever vanaf 1 januari 2016 geldt.
De Raad adviseert de regering het verschil in vereiste datum uit te leggen in de nota van toelichting.
f. Ontbrekende inwerkingtredingsbepaling
De Raad constateert dat er geen inwerkingtredingsbepaling in het ontwerp is opgenomen. De voorgenomen wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening zal bij het ontbreken van een bepaling die zijn inwerkingtreding regelt pas met ingang van de dertigste dag na de datum van bekendmaking in werking kunnen treden (artikel 11 van de Bekendmakingsverordening[6]).
Zoals al aangegeven in dit advies worden – in 2023 – in het ontwerp verplichtingen ingevoerd waaraan op een tijdstip dat vóór 2023 ligt, moet zijn voldaan. In de inwerkingtredingsbepaling moet aan de bepalingen waarin dergelijke verplichtingen worden ingevoerd terugwerkende kracht worden verleend. Voorts is gezien het belang om de in het ontwerp voorgestelde wijzigingen per 30 juni 2023 in werking te laten treden – gewenst om een inwerkingtredingsbepaling in het ontwerp op te nemen. Zie hiervoor onder ‘b. Artikel I, onderdeel B’, ‘2°. Het nu sanctioneren van overtredingen uit het verleden’, van dit advies.
De Raad adviseert de regering om een inwerkingtredingsbepaling in het ontwerp op te nemen.
2. De nota van toelichting
In het ontwerp zijn verschillende data opgenomen bij de inwerkingtreding van de voorliggende wijziging van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening die al voorbij zijn. In de nota van toelichting wordt geen aandacht hieraan gewijd.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting (bij de voorgestelde artikelen 2a, 6 en 6a) aan te geven waarom deze data voor Curaçao gelden en nu alsnog in 2023 in het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening dienen te worden opgenomen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 20 juni 2023
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/11-23-LB
Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. De considerans
– Voorgesteld wordt in de derde overweging ‘de het rapport’ te vervangen door ‘het rapport’.
– Voorgesteld wordt in de laatste overweging ‘bij de heffing van belastingen’ te schrappen (zie citeertitel van het betreffende landsbesluit zoals vastgesteld in artikel I, onderdeel G, in P.B. 2017, no. 55).
b. De definitie van termen
In de voorgestelde nieuwe artikelen 1a, 6 en 6a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening (artikel I, onderdelen A, C en D van het ontwerp) worden begrippen gedefinieerd die niet in dat landsbesluit zelf voorkomen. Deze begrippen komen ook niet voor in de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen die als grondslag dient van dat landsbesluit. Ze zijn wel terug te voeren tot de CRS, welke de identificatie- en rapportagevoorschriften bevat voor automatische uitwisseling van gegevens, bedoeld in artikel 2a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening.
De Raad adviseert de regering om in de voorgestelde artikelen 1a, 6 en 6a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening een verband te leggen tussen de in die artikelen gedefinieerde begrippen en de CRS waarop deze begrippen terug te voeren zijn.
c. Artikel I, onderdeel A
– Het begrip ‘financiële instelling’ (artikel 1a, onderdeel c)
Voorgesteld wordt de verwijzing naar Sectie VIII, onderdeel A, (3) tot en met (8), van de CRS te vervangen door een verwijzing naar Sectie VIII, onderdeel A, (3) tot en met (6) en (8), van de CRS.
– Persoon uit een te rapporteren rechtsgebied (artikel 1a, onderdeel k, onder 2°)
Voorgesteld wordt om de term ‘werkelijke leiding’ te vervangen door de term ‘feitelijke leiding’ die in fiscale wet- en regelgeving van Curaçao gebruikelijk is en ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd.[7]
– Het begrip ‘entiteit’ (artikel 1a, onderdeel l)
Voorgesteld wordt om ten goede van de leesbaarheid de (korte) omschrijving in de CRS van het begrip ‘entiteit’ over te nemen in het ontwerp.
– De afkorting ‘FE’ (artikel 1a, onderdeel m)
Voorgesteld wordt ‘FE’ te vervangen door ‘NFE’.
d. Artikel I, onderdeel B
1°. Groeperen van definities en termen vertalen
Als de term ‘deelnemend rechtsgebied’ opgenomen in het voorgestelde nieuwe artikel 1a, onderdeel a, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening (artikel I, onderdeel A, van het ontwerp) niet overeenkomt met de term ‘Reportable Jurisdiction’ in het huidige achtste lid, onderdeel b van artikel 2a van genoemd landsbesluit, dan heeft de Raad de volgende opmerking.
Bij de invoering van artikel 2a in het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening[8] (P.B. 2017, no. 55) is onder meer aangegeven dat het gebruik van de Engelse term ‘Reportable Jurisdiction’ voortkwam uit de haast die geboden was bij de invoering van deze wijzigingen en er geen tijd was om de termen te vertalen.[9] Bij de onderhavige wijziging worden wel Nederlandse termen gebruikt voor onder meer een ‘deelnemend rechtsgebied’.
De Raad geeft de regering in overweging om de definities[10] zoals opgenomen in het achtste lid van artikel 2a van het Landsbesluit internationale bijstandsverlening onder te brengen in het voorgestelde nieuwe artikel 1a van dat landsbesluit nu dat laatste artikel de definities voor de toepassing van genoemd artikel 2a bevat. In dat geval geeft de Raad ook in overweging om de term ‘Reportable Jurisdiction’ naar het Nederlands te vertalen.
2°. Herformuleren (artikel 2a, tiende lid)
Voorgesteld wordt het voorgestelde nieuwe artikel 2a, tiende lid, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening langs deze lijnen aan te passen:
‘Als sprake is van een overeenkomst of praktijk waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het primaire doel is het omzeilen van een verplichting als bedoeld in dit landsbesluit en artikel 22 van de landsverordening, geldt die verplichting alsof die overeenkomst, onderscheidenlijk die praktijk, er niet is’.
e. Artikel I, onderdeel C
– Wijzigingsvoorstel voor de aanhef
Artikel 6 van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening is vervallen.[11] Voorgesteld wordt daarom om de aanhef van artikel I, onderdelen C en D samen te voegen en deze als volgt te doen luiden:
‘Na artikel 5 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende als volgt:’.
– Artikel 6, eerste lid, onderdeel b
Nationale valuta van een lidstaat
In artikel 1, onderdelen e en f, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt gesproken van een bedrag dat overeenstemt met (niet) meer dan USD 1.000.000. De Raad is van oordeel dat de zinsnede ‘een in de nationale valuta van elke lidstaat uitgedrukt’ in onderdeel b van het voorgestelde artikel 6, eerste lid, geschrapt kan worden.
Wanneer de regering er niet voor kiest om deze zinsnede te schrappen kan gekozen worden om de term ‘lidstaat’ (1) te definiëren of (2) te vervangen door de term ‘jurisdictie’ (dat in het huidige achtste lid van artikel 2a wordt gebruikt) of (3) door de term ‘rechtsgebied’. Dat laatste past naar het oordeel van de Raad overigens beter in de terminologie van de CRS, terwijl dat ook wordt gehanteerd in de definities opgenomen in artikel 1a van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening.
Het voorgaande geldt ook voor het voorgestelde artikel 6a, tweede lid, onderdeel a, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening.
Wijzigingsvoorstel van taalkundige aard
Voorgesteld wordt voorts in het nieuwe artikel 6, eerste lid, onderdeel b, ‘betaald bedrag’ telkens te vervangen door ‘betaalde bedrag’ en ‘teruggestorte’ door ‘geretourneerde’.
– Artikel 6, tweede lid
De term ‘uiteindelijk belanghebbenden’
Voorgesteld wordt om ‘uiteindelijk belanghebbenden’ in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, te vervangen door ‘uiteindelijk gerechtigden’ om consistent gebruik van terminologie te waarborgen. De term ‘uiteindelijk gerechtigden’ is immers al gedefinieerd, terwijl de term ‘uiteindelijk belanghebbende’ niet is gedefinieerd. In de CRS wordt bovendien in Sectie VIII, onderdeel B, (9) de term ‘controlling person’ gehanteerd welke in het voorgestelde artikel 1a, onderdeel q, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening als ‘uiteindelijk gerechtigden’ wordt vertaald met een verwijzing naar Sectie VIII, onderdeel D, (6) van de CRS.
– Artikel 6, derde lid
Voorgesteld wordt om in de aanhef van het voorgestelde derde lid vóór ‘als’ in te voegen ‘om te kwalificeren’.
Voorgesteld wordt in onderdeel c ‘meldt’ te vervangen door ‘verstrekt’.
f. Artikel I, onderdeel D
Voorgesteld wordt in het voorgestelde nieuwe artikel 6a, tweede lid, onder 2°, ‘teruggestuurde’ te vervangen door ‘geretourneerde’. Ten aanzien van de zinsnede ‘nationale valuta van elke lidstaat’ in datzelfde artikelonderdeel verwijst de Raad naar ‘e. Artikel I, onderdeel C’ van de bijlage bij dit advies.
Ook wordt voorgesteld ‘, van de CRS’ na ‘onderdeel C van deel VII’ in te voegen.
2. De nota van toelichting
Pagina 6
Voorgesteld wordt onder ‘1. Algemeen deel’, tweede tekstblok, eerste alinea, de juiste citeertitel te gebruiken, namelijk ‘Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening’ (zie artikel I, onderdeel G, van P.B. 2017, no. 55). Dit geldt ook voor de vermelding op pagina 7, tweede volzin, van de nota van toelichting.
Voorgesteld wordt onder ‘1. Algemeen deel’, tweede tekstblok, tweede alinea, vierde zin, ‘de Curaçaose wettelijke kader’ te vervangen door ‘het Curaçaose wettelijk kader’ en ‘het nationaal wettelijke kader’ door ‘het nationale wettelijk kader’.
Pagina 8
Voorgesteld wordt onder ‘Artikel 1a, onderdeel d’, tweede tekstblok, de twee laatste zinsneden, te vervangen door:
‘behalve als de trust alle informatie met betrekking tot volgens de CRS te rapporteren rekeningen die door de trust worden beheerd aan een ander deelnemend rechtsgebied rapporteert, omdat het voor fiscale doeleinden ingezetene is in een dergelijk ander deelnemend rechtsgebied’.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, onder punt a, ‘opgenomen’ te vervangen door ‘opgericht’ en onder punt b, ‘beheer (inclusief effectief beheer)’ door ‘leiding (inclusief feitelijke leiding)’.
CRS hanteert immers wat dat laatste betreft de term ‘management (including effective management)’. In het voorgestelde artikel 1a, onderdeel k, van het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt voor dezelfde term als vertaling gehanteerd ‘werkelijke leiding’, waarvoor de Raad eerder in deze bijlage voorstelt ‘feitelijke leiding’ te gebruiken. Zie onder ‘1. Het ontwerp’, ‘a. Artikel I, onderdeel A’, ‘Persoon uit een te rapporteren rechtsgebied (onderdeel k, onder 2°)’.
Voorgesteld wordt voorts om het opschrift van het laatste tekstblok te vervangen door ‘Artikel 1a, onderdeel p’.
Pagina 9
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, tweede zin, ‘moet’ te vervangen door ‘moeten’ en in het laatste tekstblok, eerste zin, de verwijzing naar het ‘derde lid’ te vervangen door een verwijzing naar het ‘tweede en derde lid’.
Pagina 10
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok ‘(17b)’ te vervangen door ‘(17f)’.
__________________________
[1] De betreffende ontwerplandsverordening herziening en reparatie belastingverordeningen 2023 (zaaknummer 2021/032284) is tegelijkertijd met dit ontwerp aan de Raad voorgelegd voor advisering.
[2] Zo niet eerder gezien de brief van 10 november 2022 van de Voorzitter van de Code of Conduct Group – met als onderwerp: ‘The EU list of non-cooperative jurisdictions for tax purposes: Implementation of criterion 1.1 – automatic exchange of information on financial accounts’ – aan de Minister van Financiën.
[3] Zie ook onder ‘b. Artikel I, onderdeel B’, ‘1°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden’ van dit advies.
[4] Zie onder ‘b. Artikel I, onderdeel B’, ‘1°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden’ en ‘c. Artikel I, onderdeel C’, ‘1°. Peildatum vóór datum van inwerkingtreden (artikel 6, eerste lid, onderdeel b)’ van dit advies.
[5] Met onderdeel d wordt bedoeld: alle aandelen aan toonder vóór 1 januari 2021 te hebben ingetrokken of niet verhandelbaar gemaakt. Zie opmerking van de Raad onder ‘c. Artikel I, onderdeel C’, ‘4°. De termen ‘teruggekocht’ en ‘ingetrokken’ in samenhang met de CRS (artikel 6, derde lid, onderdeel d)’ van dit advies.
[6] A.B. 2010, no. 87 (bijlage i).
[7] Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2021:1044 (BNB 2021/156).
[8] Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 27ste juni 2017 tot wijziging van het Landsbesluit internationale bijstand bij de heffing van belastingen (P.B. 2017, no. 55).
[9] Zie pagina 6, onder ‘3. Advies van de Raad van Advies’, van de nota van toelichting behorende bij P.B. 2017, no. 55.
[10] Zowel onderdeel a, als onderdeel b, welke waarschijnlijk overeenkomt met deelnemend rechtsgebied van het bestaande artikel 2a.
[11] Zie artikel 5, derde lid, van het Landsbesluit winstbelasting (P.B. 2018, no. 19).
