Adviezen
RvA no. RA/12-24-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 45, vijftiende en zestiende lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (Landsbesluit UBO-registratie)
Ontvangstdatum: 08/05/2024
Publicatie datum: 14/06/2024
(zaaknummer 2023/044896)
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 45, vijftiende en zestiende lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (Landsbesluit UBO-registratie)
(zaaknummer 2023/044896)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 8 mei 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp, bericht de Raad u als volgt.
I. Spoedadviesverzoek
De Caribbean Financial Action Task Force (hierna: de CFATF) zal in juni 2024 de Fourth Round Mutual Evaluation (hierna: MEVAL 2024) uitvoeren, waarbij Curaçao moet aantonen dat de FATF- methodologie en de eerder gedane aanbevelingen zijn geïmplementeerd. In verband daarmee is het noodzakelijk dat Curaçao voldoet aan de recent bijgewerkte internationale normen en aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: de FATF) en de regels aanscherpt ten aanzien van de transparantie van uiteindelijk gerechtigden van rechtspersonen en andere juridische constructies, de zogenoemde UBO’s.
Volgens de nota van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de nota van toelichting) is de registratie van UBO’s bedoeld om de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen en daarmee om fiscale misdrijven en fraude, alsmede terrorismefinanciering, witwassen van gelden en corruptie te bestrijden (pagina 10, voorlaatste tekstblok). Door het instellen van een UBO-register zal de noodzakelijke transparantie, zoals door de FATF aanbevolen, gewaarborgd worden in Curaçao (pagina 8, tweede tekstblok, voorlaatste alinea, van de nota van toelichting). Het voorliggende ontwerplandsbesluit UBO-registratie (hierna: het ontwerp) dat haar grondslag vindt in artikel 45, vijftiende en zestiende lid, van de Algemene landverordening Landsbelastingen (hierna: de ALL) dient daartoe. UBO staat voor Ultimate Beneficial Owner, vertaald in het Nederlands is dit de ‘uiteindelijk belanghebbende’ of ook ‘uiteindelijk gerechtigde’ aldus het eerste tekstblok van de nota van toelichting.
Gezien de beperkte tijd die resteert vóór de MEVAL 2024 heeft de Minister-President tevens Minister van Algemene Zaken bij brief van 19 april 2024 (zaaknummer 2024/013075-4) de Raad van Advies dringend verzocht om prioriteit te geven aan de behandeling van de in dat kader relevante ontwerpen van wet- en regelgeving die aan de Raad voor advies zullen worden aangeboden.
De Raad onderschrijft het spoedeisend belang dat met het ontwerp wordt gediend. Het is nodig om de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao tegen misbruik te waarborgen. Immers, het niet voldoen aan genoemde internationale normen en aanbevelingen van de FATF kan negatieve gevolgen hebben voor de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao en als gevolg daarvan de economie van Curaçao in gevaar brengen.
De Raad heeft het onderhavige adviesverzoek op 8 mei 2024 ontvangen. Vanwege de belangen die in het geding zijn voor Curaçao en de betrokken actoren heeft de Raad getracht om de adviestermijn zo kort als mogelijk te houden.
De Raad wil echter nogmaals de aandacht van de regering vragen voor een juiste planning en bijsturing zeker waar het betreft ontwerpregelingen die tot stand moeten worden gebracht ter voldoening aan belangrijke internationale normen. De MEVAL 2024 was ruim van tevoren aangekondigd en bij de regering bekend.
Het voortvarend acties ondernemen om de wetgeving te actualiseren vereist in die context, dat op een belangrijk dossier als het onderhavige, de coördinerende rol om de beoogde wetgeving tot stand te brengen, proactief wordt vervuld en dat de voortgang van het traject wordt bewaakt, waarbij alle wetgevingsactoren in een vroeg stadium actief (kunnen) participeren aan de totstandkoming van de vereiste wet- en regelgeving, eventuele knelpunten tijdig (kunnen) signaleren en oplossen en een redelijke termijn worden gegund om hun rol in dat proces naar behoren te vervullen. De vertraging in het (C)FATF-traject is primair de verantwoordelijkheid van de regering, niet van de Raad.
De Raad vraagt nogmaals dringend de aandacht van de regering hiervoor.
II. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer
In het UBO-register zullen privé-gevoelige gegevens worden geregistreerd van de uiteindelijk gerechtigde, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het ontwerp (hierna: de uiteindelijk gerechtigde). Zie artikel 6 van het ontwerp. Dit vormt op zich een inmenging in de persoonlijke levenssfeer van de uiteindelijk gerechtigde.
Artikel 12 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) waarborgt het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bepaalt in het eerste lid dat dit recht alleen bij of krachtens landsverordening kan worden beperkt. Het tweede lid van artikel 12 van de Staatsregeling bepaalt dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens regels worden gesteld bij landsverordening. In dat kader wijst de Raad op de Landsverordening bescherming persoonsgegevens (hierna: de LBP) die in dit geval van toepassing is.
Naast artikel 12 van de Staatsregeling waarborgt ook het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in artikel 8 het recht op respect voor privéleven van eenieder. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in verschillende arresten uitleg en invulling gegeven aan dit artikel.[1] Het komt er kort gezegd op neer dat bezien vanuit de optiek van het EVRM bij inmenging door het openbaar gezag in de uitoefening van dit recht, beoordeeld dient te worden of de inmenging legitieme doelstellingen in het algemeen belang heeft en of er een behoorlijk evenwicht is tussen de vereisten van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van het recht op respect voor het privéleven van betrokkene, in dit geval de uiteindelijk gerechtigde.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op welke wijze de regering met genoemde belangen rekening heeft gehouden. Zie aanwijzing 157, onderdeel g, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin is bepaald dat in de toelichting op een regeling moet worden ingegaan op de verhouding tot andere wetgeving en tot bestaande en komende internationale regelingen.
III. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. Artikel 5
1°. Het opgaveformulier
Artikel 5, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat de Secretaris van de Kamer van Koophandel en Nijverheid (hierna: de Secretaris) onder andere moet onderzoeken of het ‘opgaveformulier’ volledig is ingevuld.
In de toelichting op artikel 3 van het ontwerp wordt ook melding gemaakt van ‘formulieren’ welke gedownload kunnen worden van de website van de Kamer van Koophandel en Nijverheid (hierna: de Kamer). Zie pagina 19, derde tekstblok, eerste zin, van de nota van toelichting.
De Raad adviseert de regering in artikel 3 van het ontwerp op te nemen dat het doen van de opgave bedoeld in dat artikel (mede) omvat het volledig invullen van een ‘opgaveformulier’.
2°. De bevoegde instantie en de Inspectie der Belastingen
De Inspecteur der Belastingen is een ‘bevoegde instantie’ in de zin van het Landsbesluit UBO-registratie (artikel 1, onderdeel b, van het ontwerp in samenhang met artikel 45, zestiende lid, van de ALL).
Indien de nieuwe opgave niet juist is of de eerder geconstateerde gebreken niet tijdig zijn verbeterd, wordt dit door de Secretaris gemeld bij de bevoegde instanties (artikel 5, achtste lid, eerste zin, van het ontwerp). De tweede zin van genoemd achtste lid bepaalt voorts dat de Inspectie der Belastingen op de hoogte wordt gesteld van eerder bedoelde melding bij de bevoegde instanties.
De Raad adviseert de regering de tweede zin van het genoemd achtste lid aan te passen of anders de noodzaak van deze kennelijk dubbele melding toe te lichten.
3°. Het registreren van de verstrekte gegevens
Het achtste lid, eerste zin, van artikel 5 van het ontwerp heeft betrekking op de onjuiste of onvolledige opgave ter registratie in het register, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het ontwerp (hierna: het UBO-register), die niet is verbeterd.
De tweede zin van genoemd achtste lid bepaalt dat de ‘verstrekte gegevens’ in het UBO-register worden geregistreerd. Als ervan wordt uitgegaan dat deze ‘verstrekte gegevens’ betrekking hebben op de eerste zin van het achtste lid van artikel 5 van het ontwerp, dan moet worden geconcludeerd dat deze gegevens onjuist of onvolledig zijn. Het is voor de Raad niet duidelijk waarom kennelijk onjuiste of onvolledige gegevens in het UBO-register geregistreerd moeten worden.
De Raad adviseert de regering de opdracht tot registratie van kennelijk onjuiste of onvolledige gegevens in de nota van toelichting toe te lichten.
b. Artikel 6
1°. De uiteindelijk gerechtigde
Als uiteindelijk gerechtigde worden aangemerkt de personen, bedoeld in artikel 45, zevende tot en met elfde lid, van de ALL (artikel 1, onderdeel h, van het ontwerp).
In artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 45, zesde tot en met elfde lid, van de ALL bij het opgeven van de reden waarom de geregistreerde natuurlijke persoon als uiteindelijk gerechtigde kwalificeert.
In dit verband moet worden opgemerkt dat het zesde lid van artikel 45 van de ALL slechts een algemene definitie geeft van degenen die als uiteindelijk gerechtigden worden aangemerkt, terwijl het zevende tot en met elfde lid van genoemd artikel per soort lichaam aangeeft wie als uiteindelijk gerechtigde van het lichaam kwalificeert.
De Raad adviseert de regering de verwijzing naar de relevante onderdelen van artikel 45 van de ALL in de artikelen 1, onderdeel h en 6, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van het ontwerp te synchroniseren.
2°. Het verwijderen van gegevens uit het UBO-register
Volgens artikel 10, eerste lid, van de LBP worden persoonsgegevens niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of vervolgens worden verwerkt.
De gegevens en bescheiden die in het UBO-register worden geregistreerd kunnen tot tien jaar na uitschrijving van het lichaam, bedoeld in het ontwerp, uit het handelsregister worden ingezien. Ten aanzien van een uiteindelijk gerechtigde van een dergelijk lichaam is inzage mogelijk tot tien jaar nadat de natuurlijke persoon niet langer een uiteindelijk gerechtigde is van dat lichaam. Zie artikel 6, vijfde en zesde lid, van het ontwerp en pagina 9, vierde tekstblok, laatste zin, van de nota van toelichting.
Volgens de nota van toelichting dienen de persoonsgegevens, overeenkomstig de LBP nadien verwijderd te worden, omdat er dan geen redelijk belang meer is om die gegevens te blijven bewaren (pagina 21, eerste tekstblok, tweede alinea, laatste zin).
De Raad meent dat het enkele feit dat bedoelde gegevens en bescheiden betreffende een persoon na tien jaar niet meer kunnen worden ingezien (artikel 6, zesde lid, van het ontwerp), niet per definitie betekent dat deze persoonsgegevens – in de zin van de LBP – niet meer worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt om de betrokkene te identificeren en ook niet dat bedoelde gegevens uit het UBO-register worden verwijderd zoals in de nota van toelichting wordt gesteld.
De Raad adviseert de regering artikel 6, zesde lid, van het ontwerp overeenkomstig het bovenstaande aan te passen.
3°. Inzage door de uiteindelijk gerechtigde
– Recht op inzage in eigen geregistreerde gegevens
Aan de Raad is de specifieke vraag voorgelegd of het inzagerecht van een geregistreerde persoon in het UBO-register beperkt kan worden door de eis van redelijk belang aan dat recht te verbinden.[2]
In onderdeel ‘II. Bescherming van de persoonlijke levenssfeer” van dit advies is de toepasselijkheid van de LBP op de in het UBO-register geregistreerde gegevens aangehaald.
In de nota van toelichting komt op pagina 21, eerste tekstblok, laatste alinea, een doorgehaald tekstgedeelte voor dat het scenario toelicht waarin het inzagerecht van de uiteindelijk gerechtigde wordt beperkt tot degenen met een ‘redelijk belang’. Uit dat doorgehaalde tekstgedeelte blijkt in elk geval niet wat de oorspronkelijke reden of noodzaak was om te overwegen om het inzagerecht, in afwijking van het bepaalde in artikel 35 van de LBP, te beperken tot degenen met een ‘redelijk belang’.
De Raad ziet voor het overige ook geen concrete aanleiding of gerechtvaardigde reden om het inzagerecht van de uiteindelijk gerechtigde verder te beperken dan de gronden genoemd in artikel 35 van de LBP. Deze gronden betreffen de veiligheid van de staat, de criminaliteitsbestrijding, de overheidsfinanciën en economische belangen van de overheid, de toezichthoudende taak van de overheid en als sluitstuk in algemene zin de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
Mochten er wel argumenten zijn om bedoeld inzagerecht te koppelen aan ‘een ‘redelijk belang’ dan zou deze beperking ook niet in het Landsbesluit UBO-registratie kunnen worden opgenomen. Immers, het Landsbesluit UBO-registratie zal hiërarchisch van lagere orde zijn dan de LBP die een (organieke) landsverordening is.
Een uiteindelijk gerechtigde of gewezen uiteindelijk gerechtigde heeft er naar het oordeel van de Raad vooralsnog alle recht op om buiten de gevallen, genoemd in artikel 35 van de LBP, inzage te kunnen krijgen in de over hem geregistreerde gegevens in het UBO-register.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting naar de beperkingsgronden in artikel 35 van de LBP te verwijzen.
– Het ontbreken van een grondslag in de ALL
De Raad merkt in verlengde van het voorgaande op dat in artikel 45, vijftiende en zestiende lid, van de ALL waarop dit ontwerp is gebaseerd, geen grondslag is opgenomen voor het bepaalde in artikel 6, zevende en achtste lid, van het ontwerp.
Het bepaalde in artikel 6, zevende en achtste lid, van het ontwerp staat in relatie met de LBP, die gebaseerd is op artikel 12 van de Staatsregeling.
De Raad adviseert de regering het zevende en achtste lid van artikel 6 van het ontwerp te schrappen en in de nota van toelichting in te gaan op de toepasbaarheid van de artikelen 27 (inzagerecht), 28 (recht om wijzigingen aan te brengen) en 30 (kennisgeving van wijzigingen aan derden) van de LBP en daarbij tevens te wijzen op de Kamer (c.q. Secretaris) als ‘verantwoordelijke’ in de zin van de LBP. De Raad wijst er bovendien op dat, anders dan de formulering van artikel 6, zevende lid, van het ontwerp doet vermoeden, ook de gewezen uiteindelijk gerechtigde op grond van artikel 27 van de LBP recht heeft op inzage in zijn geregistreerde gegevens. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat degene die inzage heeft verzocht geïnformeerd moet worden als er geen gegevens hem betreffende in het UBO-register zijn opgenomen.
De Raad adviseert de regering de nota van toelichting met de boven aangehaalde onderwerpen uit te breiden.
– Richtlijnen over de wijze waarop inzage wordt verkregen
Op grond van artikel 6, achtste lid, van het ontwerp – ten aanzien van welk artikel de Raad dus adviseert om dit uit het ontwerp te schrappen – kunnen bij ministeriële regeling met algemene werking regels worden gesteld over de wijze waarop het uiteindelijk gerechtigde inzicht kan krijgen in de in het UBO-register opgenomen gegevens hemzelf betreffende.
De Raad adviseert de regering in dit verband binnen de kaders opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de LBP een richtlijn op te stellen en deze met de Kamer, die immers met de uitvoering ter zake zal worden belast, af te stemmen. De Raad adviseert de regering hiervan melding te maken in de nota van toelichting.
c. Artikel 9
1°. Uitoefening van een taak of wettelijke bevoegdheid
Het uitgangspunt is dat de gegevens in het UBO-register slechts door een bevoegde instantie kunnen worden ingezien, voor zover de bevoegde instantie handelt in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taak of bevoegdheid. In artikel 9, eerste lid, van het ontwerp is echter een zinsdeel opgenomen – ‘behoudens het bepaalde in artikel 6, zesde lid’ – dat dit anders maakt voor de gegevens ten aanzien van de uiteindelijk gerechtigde van een lichaam.
Uit de nota van toelichting blijkt niet wat de reden is om in dit laatste geval niet als voorwaarde te stellen dat de inzage alleen mogelijk is als de bevoegde instantie in het kader van de uitoefening van haar wettelijke taak of bevoegdheid handelt.
Indien geen zwaarwegend argument kan worden aangevoerd om het geconstateerde verschil te rechtvaardigen, adviseert de Raad de regering het aangehaalde zinsdeel te schrappen. De Raad sluit niet uit dat in de aangehaalde tussenzin mogelijk naar artikel 6, zevende lid, van het ontwerp verwezen had moeten worden. In dat geval is er slechts sprake van een technische fout in de formulering van artikel 9, eerste lid, van het ontwerp. Daarnaast heeft de Raad hiervoor in onderdeel ‘Het ontbreken van een grondslag in de ALL’ op pagina 5 van dit advies de regering geadviseerd om het zevende lid uit artikel 6 van het ontwerp te schrappen.
2°. De Kamer en de Secretaris
De werkzaamheden die verband houden met de registratie van gegevens in het UBO-register en het verstrekken van bedoelde gegevens aan de instanties die bevoegd zijn om inzage te krijgen in deze gegevens, worden door de Secretaris dan wel door de Secretaris aangewezen medewerkers van de Kamer gedaan. Zie artikel 2, tweede lid, van het ontwerp.
Artikel 9, derde lid, van het ontwerp bepaalt dat de Kamer de gegevens en bescheiden omtrent uiteindelijk gerechtigden aan de bevoegde instanties verstrekt.
De artikelen 2, tweede lid, en 9, derde lid, van het ontwerp zijn niet met elkaar in overeenstemming.
De Raad adviseert de regering artikel 9, derde lid, van het ontwerp aan te passen. In het andere geval adviseert de Raad in de nota van toelichting in te gaan op de noodzaak van het verschil tussen artikel 2, tweede lid, en artikel 9, derde lid, van het ontwerp.
d. Artikel 10
1°. Het eerste lid
– Wijziging van het UBO-register na een melding
Een bevoegde instantie kan discrepanties die zij aantreft tussen de gegevens in het UBO-register en de informatie waarover zij uit anderen hoofde beschikt bij de Kamer melden. In de tweede zin van artikel 10, eerste lid, van het ontwerp wordt artikel 5, zevende en achtste lid, van het ontwerp van overeenkomstige toepassing verklaard op deze gevallen.
Uit het tweede tekstblok op pagina 12 van de nota van toelichting blijkt dat de Kamer naar aanleiding van een dergelijke melding de kennelijk onjuiste gegevens in het UBO-register zelf en zonder verificatie bij het betreffende lichaam kan corrigeren. Volgens de nota van toelichting zou de Kamer het betreffende lichaam kunnen informeren en deze verzoeken om alsnog de juiste informatie aan te leveren. Zie pagina 12, tweede tekstblok, voorlaatste zin, van de nota van toelichting: “Tot slot kan de Kamer (…)”.
De Raad leidt uit de tekst van het ontwerp – in samenhang met het tweede tekstblok op pagina 12 van de nota van toelichting – af dat betrokkene alleen wordt geïnformeerd en verzocht om de juiste informatie aan te leveren, als een wijziging van de inschrijving naar aanleiding van een melding wordt geweigerd (overeenkomstige toepassing van artikel 5, zevende lid, van het ontwerp).
Indien deze lezing van de Raad juist is, adviseert de Raad de regering in het ontwerp te bepalen dat de Secretaris de tot opgave verplichte persoon binnen een redelijke termijn informeert over de wijzigingen die naar aanleiding van de melding van de bevoegde instantie zijn aangebracht in het UBO-register.
– De vorm van een melding
De Raad adviseert de regering in artikel 10, eerste lid, van het ontwerp op te nemen op welke wijze de melding, bedoeld in dat artikellid, moet plaatsvinden. Bijvoorbeeld de gegevens die de bevoegde instantie bij een melding aan de Kamer moet verstrekken.
2°. Het derde lid
Overtreding van artikelen 5 tot en met 9 van het ontwerp moet door de Kamer of een bevoegde instantie in de zin van het ontwerp, gemeld worden aan de Inspectie der Belastingen. Zie artikel 10, derde lid, van het ontwerp. De Raad meent dat de formulering van artikel 10, derde lid, van het ontwerp voor verwarring kan zorgen. De Raad geeft de volgende voorbeelden om het een en ander te illustreren.
– Handelen in strijd met artikel 5
Artikel 5 van het ontwerp is in feite gericht aan de Secretaris. Het is daarom ook de Secretaris die in strijd kan handelen met artikel 5 van het ontwerp. Uit de strekking van het ontwerp blijkt niet dat dit de bedoeling is. De Raad concludeert daarom dat de verwijzing naar artikel 5 in artikel 10, derde lid, van het ontwerp eerder betrekking zou moeten hebben op degene die de in artikel 5 van het ontwerp door de Secretaris geconstateerde handelingen verricht of juist nalaat.
– Handelen in strijd met artikel 8
Artikel 8, tweede lid, van het ontwerp is gekoppeld aan het niet voldoen aan de verplichting opgenomen in artikel 8, eerste lid, van het ontwerp en legt aan de Secretaris de verplichting op om zodra die omissie bekend wordt een kennisgeving aan het betrokken lichaam uit te sturen met het verzoek alsnog tot registratie over te gaan. Indien daaraan niet wordt voldaan, moet de Secretaris dit overeenkomstig het tweede lid van artikel 8 van het ontwerp bij de Inspectie der Belastingen melden.
De noodzaak om in artikel 10, derde lid, naar artikel 8 van het ontwerp te verwijzen blijkt niet uit de nota van toelichting. Het is daarom ook niet duidelijk wat artikel 10, derde lid, – anders dan een melding door de Kamer of de bevoegde instantie in plaats van door de Secretaris – extra of anders regelt dan artikel 8, tweede lid, van het ontwerp. In de nota van toelichting zou meer duidelijkheid hierover moeten worden gegeven.
Volgens artikel 7, tweede lid, van het ontwerp is artikel 8, tweede lid, van het ontwerp van overeenkomstige toepassing. Hetgeen hiervoor gesteld is over de noodzaak om in artikel 10, derde lid, naar artikel 8 te verwijzen geldt om die reden ook voor de verwijzing naar artikel 7 van het ontwerp.
– Handelen in strijd met artikel 9
In artikel 10, derde lid, van het ontwerp wordt ook artikel 9 aangehaald. Artikel 9 regelt de inzage in het UBO-register. Uit genoemd artikel 10, derde lid, blijkt niet op welk lid van artikel 9 een vermoeden van overtreding betrekking moet hebben. Strijdigheid met het eerste lid van artikel 9 houdt in dat een bevoegde instantie het UBO-register heeft ingezien zonder daartoe bevoegd te zijn. Aan de andere kant kan ook de Kamer artikel 9 overtreden door de te verstrekken gegevens niet te rangschikken naar natuurlijke personen (artikel 9, tweede lid) of door de gegevens omtrent de uiteindelijk gerechtigde op een zodanige wijze aan de bevoegde instantie te verstrekken, dat het betrokken lichaam er weet van krijgt (artikel 9, derde lid).
De Raad adviseert de regering (1) de relevante onderdelen van de artikelen, genoemd in artikel 10, derde lid, van het ontwerp, in artikel 10, derde lid, op te nemen (2) en de overtreder en het te sanctioneren gedrag aan te wijzen. De Raad adviseert voorts om de hiervoor aangehaalde onduidelijkheden in de nota van toelichting te verduidelijken.
e. Artikel 11
Beleid ten aanzien van het opleggen van een administratieve boete
– Het ontbreken van een grondslag in de ALL
In geval van een melding als bedoeld in de artikelen 5, achtste lid, en 8, tweede lid, van het ontwerp legt de Inspecteur overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van het ontwerp altijd een boete op met inachtneming van artikel 28a van de ALL. Het derde lid van artikel 11 van het ontwerp bepaalt dat nadere regels hiervoor kunnen worden gesteld bij ministeriële regeling met algemene werking.
In artikel 28a van de ALL is geen bepaling opgenomen die delegatie bij ministeriële regeling met algemene werking mogelijk maakt ten aanzien van de toepassing van de administratieve sanctie bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het ontwerp.
De Raad adviseert de regering het derde lid van artikel 11 van het ontwerp om die reden te schrappen.
Ten overvloede merkt de Raad ook op dat in de nota van toelichting (pagina 23, eerste tekstblok) hierover staat dat in laatstgenoemd derde lid de mogelijkheid is opgenomen om ten aanzien van het voorgaande een beleid op te stellen met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek en het opleggen van boetes.
Artikel 11, derde lid, van het ontwerp heeft echter slechts betrekking op het eerste lid, van datzelfde artikel. Het ‘verrichten van onderzoek’ dat in de nota van toelichting wordt aangehaald, komt slechts voor in het tweede lid van artikel 11 van het ontwerp.
Aangezien de Raad hiervoor geadviseerd heeft om artikel 11, derde lid, van het ontwerp te schrappen, dient de nota van toelichting hieraan te worden aangepast. De Raad vraagt de regering echter om bij het eventueel vaststellen van nadere regels ter zake – in het geval daarvoor een grondslag wordt gecreëerd – aan te geven aan welke soort regels ten aanzien van het opleggen van boetes in dit verband gedacht moet worden.
f. Artikel 12
1°. De aanvang van de overgangstermijn
In artikel 12 van het ontwerp is een overgangsregeling opgenomen met een termijn van ‘zes maanden na de inwerkingtreding van het Landsbesluit UBO-registratie’ respectievelijk ‘twaalf maanden na de eerste dag van de maand volgende op die van inwerkingtreding van het Landsbesluit UBO-registratie’.
Volgens de nota van toelichting (pagina 23, tweede tekstblok, voorlaatste zin) loopt de zes – respectievelijk – twaalfmaandstermijn vanaf de eerste dag van de maand volgende op de datum van de inwerkingtreding van genoemd landsbesluit. Voor de zes maandentermijn is dit volgens de tekst van artikel 12, eerste lid, van het ontwerp echter niet het geval.
De Raad adviseert de regering het ontwerp en de nota van toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.
2°. Het soort lichaam
Het eerste lid van artikel 12 van het ontwerp heeft betrekking op de lichamen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het ontwerp.
Artikel 4, eerste lid, van het ontwerp heeft echter geen betrekking op (bepaalde) lichamen, maar houdt slechts een verplichting in voor het bestuur van de lichamen in de zin van het ontwerp om de uiteindelijk gerechtigden van het lichaam in het UBO-register te registreren.
De Raad adviseert de regering artikel 12, eerste lid, van het ontwerp te verduidelijken. Aangezien het begrip ‘lichaam’ in artikel 1 van het ontwerp wordt gedefinieerd, is een verwijzing naar ‘de lichamen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Landsbesluit UBO-registratie voorkomen in het handelsregister’, volgens de Raad voldoende
g. Artikel 13
Zolang elektronische opgave tot registratie in het UBO-register niet mogelijk is, zal een fysiek UBO-register worden bijgehouden. In het ontwerp en de nota van toelichting wordt geen aandacht besteedt aan de eventuele omzetting van het fysieke register naar het digitale register.
De Raad vraagt uw bijzondere aandacht hiervoor.
2. De nota van toelichting
a. Geheimhoudingsplicht
Volgens de nota van toelichting is in het ontwerp een geheimhoudingsverplichting opgenomen voor eenieder die beroepshalve kennis moet nemen van gegevens uit het UBO-register. Zie de zin die begint op pagina 7 en eindigt op pagina 8 van de nota van toelichting.
In het ontwerp is echter geen expliciete geheimhoudingsbepaling opgenomen. Aangezien artikel 50, eerste lid, van de ALL in deze gevallen onverkort van toepassing is, is dit ook niet nodig.
De Raad adviseert de regering de verwijzing in de nota van toelichting naar een expliciete geheimhoudingsverplichting in het ontwerp te schrappen en daarvoor in de plaats te verwijzen naar artikel 50 van de ALL.
b. Passend beschermingsniveau en degelijke beveiliging
In het UBO-register zullen privé-gevoelige gegevens van burgers worden opgenomen. Volgens de nota van toelichting is het een vereiste dat elke bevoegde instantie een beleid vaststelt ten aanzien van wie toegang mag krijgen tot het register, en dat er strikt de hand kan worden gehouden dat zij niet voor andere doeleinden dan die waartoe zij bevoegd zijn gegevens uit het register gebruiken of voorhanden hebben (pagina 11, derde tekstblok).
In de zin die begint op pagina 9 van de nota van toelichting en eindigt op pagina 10 staat voorts dat deze privé-gevoelige gegevens ‘uiteraard, met inachtneming van een degelijke beveiliging, bewaard zullen worden (…).
Het is volgens de nota van toelichting bovendien aan de bevoegde instanties om te zorgen dat er strak op wordt gecontroleerd wie toegang en beschikking heeft over de toegangscodes tot het UBO-register (pagina 22, tweede tekstblok, voorlaatste zin).
Gezien het belang van de bescherming van bedoelde gegevens acht de Raad het op zijn plaats dat in de nota van toelichting meer concreet aandacht wordt besteed aan de garantie die zal worden geboden dat bedoelde gegevens daadwerkelijk adequaat zullen worden beveiligd. De Raad geeft de regering in overweging in het ontwerp te bepalen dat de Kamer een protocol moet opstellen, dat betrekking heeft op de beveiliging van het UBO-register en te bepalen dat dat protocol eerst door de verantwoordelijke minister moet worden goedgekeurd. De Raad verwijst hierbij naar artikel 13 van de LBP en adviseert de regering het bepaalde in laatstgenoemd artikel in de nota van toelichting uit te schrijven.
c. De voorgenomen wijziging van de ALL
In het eerste tekstblok van pagina 9 van de nota van toelichting wordt melding gedaan van een voorgenomen wijziging van de ALL onder andere om ook de Gaming Control Board toegang te verlenen tot het UBO-register.
De Raad merkt op dat bedoelde wijziging inmiddels heeft plaatsgevonden in P.B. 2024, no. 40.
De Raad wijst er voorts op dat bij de inwerkingtreding van de Landsverordening op de kansspelen (Zittingsjaar 2023-2024-215) die bij de Staten in behandeling is, de ‘Curaçao Gaming Authority’ de plaats van de ‘Gaming Control Board’ zal innemen.
d. Verwijderen van onjuiste registratie en de maximale inzagetermijn
Indien iemand aantoont dat hij ten onrechte als uiteindelijk gerechtigde bij één of meerdere lichamen in het UBO-register is opgenomen, dient de registratie onmiddellijk te worden verwijderd. Volgens de nota van toelichting geldt in die gevallen dan ook niet de maximale inzagetermijn van tien jaren, genoemd in artikel 6, zesde lid, van het ontwerp (pagina 12, eerste tekstblok).
Dit laatste is naar het oordeel van de Raad juist voor zover betrokkene nimmer als uiteindelijk gerechtigde geregistreerd had moeten zijn. Voor iemand die weliswaar geen uiteindelijk gerechtigde is, maar dat wel is geweest, en die als zodanig nog steeds is geregistreerd, zou de maximale inzagetermijn moeten gelden vanaf het moment dat hij niet meer als uiteindelijk gerechtigde geregistreerd had moeten zijn.
De Raad adviseert de regering de nota van toelichting op dit punt aan te passen.
e. Beleid ten aanzien van de op te leggen strafsanctie
Op pagina 13 van de nota van toelichting wordt in het eerste tekstblok gesteld dat ten aanzien van de strafsancties genoemd in artikel 50 van de ALL (bij overtreding van de geheimhoudingsplicht), indien nodig krachtens artikel 11, derde lid, van het ontwerp beleid kan worden vastgesteld middels een ministeriële regeling met algemene werking.
De Raad merkt hierover vooreerst op dat artikel 11, derde lid, van het ontwerp alleen betrekking heeft op de administratieve boete die met inachtneming van artikel 28a van de ALL kan worden opgelegd. Daarnaast is het de vraag welk type beleid de regering op het oog heeft bij het toepassen van strafsancties die buiten de administratieve kolom vallen. Het kan zijn dat gedoeld wordt op richtlijnen om te bepalen in welke gevallen een overtreding van artikel 50 van de ALL wel of niet bij het Openbaar Ministerie zal worden gemeld.
De Raad adviseert de regering het eerst tekstblok van pagina 13 van de nota van toelichting te schrappen.
f. Rechtsbescherming
Het ontwerp bevat geen eigen bepalingen omtrent een bezwaar- en beroepsprocedure. In de nota van toelichting wordt ook geen aandacht besteed aan bijvoorbeeld het karakter van de weigeringen, bedoeld in artikel 5 van het ontwerp.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het voorgaande in te gaan en te verwijzen naar de toepassing van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de LAR). De Raad vraagt ook uw bijzondere aandacht voor de vereiste van schriftelijkheid (artikel 3) in de LAR voor appellabele beschikkingen.
3. De financiële gevolgen van het ontwerp
a. De Kamer
1°. Financiële gevolgen voor de bevoegde instanties
Volgens paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting worden de éénmalige kapitaaluitgaven voor de Kamer met betrekking tot de opzet van het UBO-register, inclusief servers en andere apparatuur geraamd op NAf 657.000. De grootste uitgaven betreft de UBO-registratie software welke geraamd wordt op NAf 500.000.
Voorts worden de jaarlijkse kosten voor het in standhouden van het UBO-register geraamd op circa NAf 920.000. Daarvan is naar schatting NAf 100.000 benodigd voor leaselines ten behoeve van de bevoegde instanties die toegang moeten krijgen tot het UBO-register. Deze kosten dienen voor rekening van deze instanties te komen zodat per saldo de jaarlijkse kosten van het UBO-register ten laste van de Begroting voor het dienstjaar 2024 (hierna: Begroting 2024) en de meerjarenbegroting naar verwachting zullen uitkomen op NAf 820.000, – welke als volgt kunnen worden gespecificeerd:
– personeelskosten NAf 567.000
– huisvestingskosten NAf 63.000
– kantoorkosten NAf 15.000
– automatiseringskosten NAf 120.000
– overige kosten NAf 55.000
totaal NAf 820.000
De Raad adviseert de regering, voor zover dit nog niet is gebeurd, de bevoegde instanties die toegang krijgen tot het UBO-register en die de kosten van de leaselines ad NAf 100.000 zullen dragen, hiervan op de hoogte te stellen zodat zij tijdig rekening kunnen houden met deze nieuwe kosten.
2°. Jaarlijkse kosten vs investeringen
Bij de bovenstaande specificatie van de jaarlijkse kosten, ook wel aan te duiden als structurele kosten, zijn kostensoorten opgenomen waarbij voor een aantal geldt dat zonder nadere toelichting de vraag kan worden gesteld of het jaarlijkse kosten zijn of wellicht als investeringen aan te merken zijn. Dit geldt met name voor de huisvestingskosten en de automatiseringskosten.
In het licht van het vorenstaande adviseert de Raad de regering om de huisvestingskosten en de automatiseringskosten nader toe te lichten in de nota van toelichting.
3°. De financiële relatie tussen de overheid en de Kamer
Uit paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting blijkt dat er in de Begroting 2024 en de meerjarenbegroting voldoende middelen beschikbaar zijn ter dekking van de kosten verbonden met het opzetten en in stand houden van het UBO-register. Voor de hierbij betrokken instanties waarvan de eigen begroting deel uitmaakt van de landsbegroting – zoals de Inspectie der Belastingen – is het begrijpelijk dat de door hun te maken extra kosten via hun eigen begroting uiteindelijk in de landsbegroting worden opgenomen. Aangezien de Kamer geen deel uitmaakt van de landsbegroting is volgens de Raad vooralsnog onduidelijk op welke wijze de Kamer de benodigde financiële middelen zal ontvangen en of over de ontvangen middelen achteraf verantwoording afgelegd dient te worden.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting aan te geven op welke manier invulling gegeven zal worden aan de financiële relatie tussen de overheid en de Kamer in dit verband.
b. De Inspectie der Belastingen
Volgens paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting zal voor de uitvoering van het UBO-register capaciteit bij de Inspectie der Belastingen moeten worden vrijgemaakt. Er zal een Inspecteur belast moeten worden met de uitvoering ervan, alsmede een aanslagregelend ambtenaar. De kosten daarvan worden begroot op NAf 110.000, bestaande uit 50% van het salaris van een Inspecteur in schaal 14 alsmede het salaris van een aanslagregelaar in schaal 11.
Uit genoemde paragraaf van de nota van toelichting kan de Raad niet opmaken of de benodigde 50% van de capaciteit van een Inspecteur (0,5 fte) beschikbaar is dan wel beschikbaar gesteld kan worden bij de Inspectie der Belastingen. Indien de 0,5 fte van een Inspecteur niet beschikbaar is binnen de huidige capaciteit bij de Inspectie der Belastingen, dient in dat geval volgens de Raad speciaal voor deze specifieke taak een Inspecteur (1 fte) te worden aangetrokken. In dit laatste geval zullen de kosten hoger uitvallen dan nu verondersteld wordt. De Raad adviseert de regering hier rekening mee te houden en in paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting hierop in te gaan.
c. Training
Gelet op het feit dat de opzet en het beheer/de exploitatie van het UBO-register enerzijds een vrij nieuw en tevens complex werkterrein is voor de betrokken instanties en anderzijds het een essentiële taak is, waarbij accuraatheid hoog in het vaandel gehouden dient te worden, geeft de Raad de regering in overweging bij de betrokken instanties na te gaan of wellicht behoefte bestaat aan relevante trainingen zodat van meet af aan het vereiste kwaliteitsniveau wordt voldaan.
Indien trainingen noodzakelijk worden geacht, adviseert de Raad de regering in dat geval in de Begroting 2024 rekening te houden met de hieraan verbonden kosten en paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting op dit punt aan te vullen.
d. Communicatie en evaluatie
In artikel 49, eerste lid, onderdeel l en tweede lid, van de ALL is het niet of onjuist melden van uiteindelijk gerechtigden strafbaar gesteld. Op grond van artikel 28a van de ALL kan een administratieve boete worden opgelegd tot een maximum van NAf 25.000. Succes bij de met de UBO-registratie nagestreefde doelen hangt voornamelijk af van de algehele organisatie bij de overheid in dit verband – met een effectieve communicatie vanuit de overheid als een verbindende factor tussen de overheid c.q. de beheerder van de UBO-registratie en de lichamen, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van het ontwerp – en de bereidwilligheid voor registratie bij bedoelde lichamen. In paragraaf ‘1.8 Voorlichting aan het publiek’ is aangegeven dat het wenselijk is om uitgebreid voorlichting te geven aan de betrokken lichamen en aan het brede publiek. Adequate communicatie acht de Raad in dit verband imperatief. Immers hiermee wordt de noodzaak om sancties c.q. administratieve boetes aan lichamen, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van het ontwerp op te leggen geminimaliseerd en wordt tevens de doeltreffendheid van de UBO-registratie bevorderd.
Teneinde hogerbedoelde lichamen afdoende te informeren over de ontwikkelingen met betrekking tot de UBO-registratie opdat deze lichamen op correcte wijze gevolg geven aan de instructies van de beheerder van het UBO-register adviseert de Raad de regering een intensief communicatieplan uit te voeren. Ook wordt geadviseerd om na een jaar de functionering van de UBO-registratie te evalueren. Uiteraard dienen de kosten verbonden aan de eventuele uitvoering van een communicatieplan en de dekking ervan in paragraaf ‘2. Financiële gevolgen’ van de nota van toelichting te worden opgenomen.
4. Registratieheffingen
a. Inleiding
Uit de brief – opgenomen als onderliggend stuk bij het onderhavige adviesverzoek – van het Ministerie van Financiën d.d. 24 november 2023, gericht aan de Minister van Financiën, wordt op pagina 2 melding gemaakt van eerste en jaarlijkse registratieheffingen.
In geval de regering inderdaad voornemens is registratieheffingen in rekening te brengen aan de uiteindelijke gerechtigden dient hiervoor bij landsverordening de mogelijkheid te worden gecreërd om bij of krachtens die landsverordening bedoelde registratieheffingen in rekening te brengen. Afhankelijk van de soort heffing en het bepaalde in laatstbedoelde landsverordening zullen regels daarover wel of niet in het ontwerp zelf kunnen worden opgenomen. De Raad gaat hieronder daarop in.
b. Belastingen, bestemmingsheffingen en retributies
– Inleiding
Heffingen bestaan uit belastingen, bestemmingsheffingen en retributies. Belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid als zodanig, waar geen rechtstreekse individuele contraprestatie van de overheid tegenover staat en die krachtens algemene regelen worden geheven. Belastingen kunnen echter ook aan specifieke doelgroepen gebonden zijn, zoals de kentekenhouder van een auto (motorrijtuigenbelasting). Ook als een belasting aan specifieke doelgroepen gebonden is, zijn de belastingopbrengsten in principe vrij besteedbaar.
Bestemmingsheffingen zijn belastingen die dienen ter bestrijding van specifieke kosten. Deze heffingen mogen niet meer dan kostendekkend zijn.
Retributies daarentegen zijn betalingen die de overheid krachtens algemene regels vordert ter zake van een concrete door haar individueel bewezen dienst. Bij een retributie is daarom een direct aanwijsbare contraprestatie van de overheid van belang. Deze contraprestatie kan bestaan uit een product of dienst. Leges voor vergunningen zijn voorbeelden van retributies.
– Artikel 84 van de Staatsregeling
Artikel 84 van de Staatsregeling bepaalt dat het opleggen van ‘belastingen’ en ‘andere heffingen’ bij landsverordening wordt vastgesteld. In dit artikel wordt zeker gesteld dat deze ‘belastingen’ en ‘andere heffingen’ uitsluitend bij landsverordening (en niet bij lagere regelgeving) opgelegd kunnen worden.
– De term ‘belastingen’
De Raad is in zijn advies over de ontwerplandsverordening belastingherzieningen 2018[3], ingegaan op de strijdigheid van onderdeel G van artikel I van die ontwerplandsverordening met artikel 84 van de Staatsregeling. Op grond van die ontwerplandsverordening zouden alle administratieplichtigen die een beroep zouden doen op artikel 3b van de ALL of artikel 1A, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 een zeker bedrag moeten betalen. De Raad constateerde in dat geval dat sprake was van verboden delegatie. De heffing die voorgesteld werd in het eerstgenoemde artikel zou immers opgelegd worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, in plaats van bij landsverordening. De essentialia van de heffing, zoals de kring van heffingsplichtigen, het belastbare feit en de tariefstructuur, waren niet of in onvoldoende mate in voornoemde ontwerplandsverordening geregeld.
– De term ‘andere heffingen’
Artikel 84 van de Staatsregeling betreft de ‘belastingen’ en ‘andere heffingen’. Uit de memorie van toelichting en uit de literatuur volgt dat dit soort ‘andere heffingen’ steeds een fiscaal karakter heeft.[4] Daarvoor geldt dus ook het vereiste dat de essentialia van de heffing (de kring van heffingsplichtigen, het belastbare feit en de tariefstructuur) in voldoende mate in een landsverordening zelf geregeld dienen te worden.
– De term ‘retributies’
De Raad heeft in zijn advies over de ontwerplandsverordening productie medicinaal Cannabis[5] de regering gewezen op het feit dat behalve belastingen en andere heffingen ook retributies kunnen worden geheven.[6] Om een vergoeding als een retributie aan te kunnen merken dient er steeds sprake te zijn van (1) verplichte betalingen voor de verleende dienst, (2) een bepaalde mate van individualiseerbaarheid van de verleende dienst of voorziening en (3) een relatie tussen de kosten daarvan en het in rekening gebrachte bedrag.
De wetgever moet zich dus steeds afvragen of er in een specifiek geval sprake is van een retributie of van een fiscale heffing. Voldoet een heffing niet aan genoemde drie criteria om aangemerkt te kunnen worden als een retributie, dan is er sprake van een fiscale heffing (belasting).
– Het belang van het onderscheid
Het onderscheid tussen belastingen, andere heffingen en retributies is op de eerste plaats van belang bij de beantwoording van de vraag of delegatie is toegestaan. Ten aanzien van retributies geldt in principe niet de strenge eis dat de essentialia van de heffing, dus de kring van heffingsplichtigen, het belastbare feit en de tariefstructuur, verplicht in de landsverordening zelf geregeld dienen te worden. Regeling bij lagere wetgeving is in dat geval in zekere mate toegestaan. Dit is daarentegen niet het geval indien er sprake is van belastingen of andere heffingen.
Het onderscheid is overigens ook van belang bij het bepalen welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van beroepschriften ten aanzien van een bepaalde heffing. Indien de heffing een belasting of andere heffing is, dan is de belastingrechter bevoegd om beroepschriften in behandeling te nemen. Is er sprake van een retributie dan is de administratieve rechter bevoegd.[7]
IV. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpen adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 23 mei 2024
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/12-24-LB
Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. De considerans
Voorgesteld wordt ‘op Curaçao’ te vervangen door ‘in Curaçao’.
b. Artikel 1
Voorgesteld wordt in onderdeel f de woorden ‘waarin de uiteindelijk gerechtigden worden ingeschreven’ te plaatsen na ‘van de landsverordening’ en na ‘landsverordening’ een komma te plaatsen.
Voorgesteld wordt in onderdeel h ‘genoemd’ te vervangen door ‘bedoeld’. Zie aanwijzing 63, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
c. Artikel 2
Onder verwijzing naar de definitie van ‘Secretaris’ in artikel 1, onderdeel e, van het ontwerp, wordt voorgesteld de woorden ‘dan wel … van de Kamer’ te schrappen.
d. Artikel 4
Voorgesteld wordt in het derde lid, na ‘twee weken’ in te voegen ‘na het verlijden van de akte’.
e. Artikel 5
Indien de opgave ter registratie in het UBO-register volgens de Secretaris niet juist is, geeft hij de ‘belanghebbende’ in overweging om deze te wijzigen of in te trekken (artikel 5, vierde lid, van het ontwerp).
Onder verwijzing naar artikel 4 van het ontwerp stelt de Raad voor Raad om ‘belanghebbende’ te vervangen door ‘het bestuur van het lichaam, respectievelijk degene die de opgave heeft gedaan’.
Voorgesteld wordt in het zesde lid, onderdeel b, ‘strijdig’ te vervangen door ‘tegenstrijdig’.
Voorgesteld wordt in het achtste lid, eerste zin, de tweede ‘indien’ te vervangen door ‘de opgave’.
Voorgesteld wordt in het achtste lid, tweede zin, na ‘wordt’ in te voegen ‘door de Secretaris’.
f. Artikel 6
Voorgesteld wordt in de aanhef van het eerste lid na ‘lichaam’ in te voegen ‘en’.
Voorgesteld wordt in het achtste lid ‘hun eigen gegevens’ te vervangen door ‘in de gegevens, bedoeld in het zevende lid’.
g. Artikel 7
Aangezien niet alle ‘lichamen’ in de zin van het Landsbesluit UBO-registratie rechtspersonen zijn, wordt voorgesteld in het eerste lid na ‘opgericht’ in te voegen ‘of ingesteld’ en na ‘oprichting’ in te voegen ‘of instelling’.
h. Artikel 11
Voorgesteld wordt bij de formulering van het tweede lid te verwijzen naar het betreffende boete-artikel in plaats van de woorden ‘een boete op te leggen als hiervoor genoemd’.
i. Artikel 13
Voorgesteld wordt in de eerste zin van het eerste lid ‘er voor’ te vervangen door ‘ervoor’.
Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘zijn de bepalingen van’ te vervangen door ‘is’.
j. De Inspecteur en de Inspectie der Belastingen
In een aantal artikelen wordt de ‘Inspectie der Belastingen’ aangehaald, terwijl in andere artikelen de ‘Inspecteur’ wordt aangehaald. De Raad gaat ervan uit dat dit op een vergissing berust. In het ontwerp wordt de ‘Inspecteur’ immers gedefinieerd als de Inspecteur der Belastingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de ALL. Ook in de nota van toelichting wordt steeds de Inspectie der Belastingen genoemd, daar waar men een verwijzing naar de ‘Inspecteur’ zou verwachten.
2. De nota van toelichting
Pagina 7
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede zin, ‘dat artikellid’ te vervangen door ‘genoemd vijftiende lid’.
Pagina 8
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, de tweede ‘Financial Action Task Force’ te vervangen door ‘FATF’.
Pagina 9
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, tweede zin, tussen ‘is’ en ‘het’ in te voegen ‘dat’.
Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok, tweede zin, ‘de entiteit’ te vervangen door ‘het lichaam’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin, na ‘waarop’ in te voegen ‘het’.
Pagina 10
Voorgesteld wordt de eerste zin in het tweede tekstblok, tweede alinea, te herformuleren.
Pagina 11
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘een ieder’ te vervangen door ‘eenieder’.
Pagina 13
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, derde alinea, tweede zin, ‘Zou Curaçao’ te vervangen door ‘Curaçao zou’ en ‘bescherming’ door ‘beschermen’.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, derde alinea, derde zin, ‘zak’ te vervangen door ‘zal’.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin, ‘voor’ te vervangen door ‘over’, ‘hun familie, hun kinderen’ door ‘hun kinderen en overige familie’ en ‘een ieder’ door ‘eenieder’.
Pagina 16
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin ‘inzage van’ te vervangen door ‘inzage in’.
Pagina 18
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok ‘NAf 28.000’ te vervangen door ‘NAf 25.000’.
Pagina 20
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin, ‘plaats vindt’ te vervangen door ‘plaatsvindt’ en in de vierde zin van onderaf ‘gewijzigd’ te vervangen door ‘geweigerd’.
Pagina 21
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde alinea, eerste zin, ‘een ieder’ te vervangen door ‘eenieder’.
Pagina 22
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, voorlaatste zin, ‘die deze bevoegde instanties’ te vervangen door ‘waar deze bevoegde instanties’.
Pagina 23
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin, ‘of hier gevestigde lichamen’ te schrappen. Deze ‘toevoeging’ komt immers niet voor in de tekst van artikel 7 van het ontwerp.
__________________________
[1] Zie onder meer Guide on Article 8 – Right to respect for private and family life: Guide_Art_8_ENG.pdf – ECHR – ECHR / CEDH (coe.int), ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, ECLI:NL:HR:2020:1942 en lokaal ECLI:NL:OGHACMB:2016:135 en ECLI:NL:OGHACMB:2021:167.
[2] Besluit van de Raad van Ministers van 8 mei 2024, zaaknummer 2023/044869.
[3] Advies van 10 december 2018, met kenmerk RvA no. RA/42-18-LV over de ontwerplandsverordening tot wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening op de winstbelasting 1940, de Landsverordening economische zones 2000, de Landsverordening omzetbelasting 1999, de Successiebelastingverordening 1908 en de Landsverordening reparatie preferentiële belastingregimes (Landsverordening belastingherzieningen 2018) (Zittingsjaar 2018-2019-135) (zaaknummer 2018/037042), paragraaf I.2. van het advies.
[4] Prof. dr. A. van Rijn, “Handboek Caribisch Staatsrecht”, Boom Juridisch, Den Haag 2019, hoofdstuk 12, nummer 335, p. 613 en 614.
[5] Advies van 16 juli 2019 met kenmerk RvA no. RA/18-19-LV over de ontwerplandsverordening tot wijziging van de Opiumlandsverordening 1960 (Landsverordening productie medicinaal Cannabis).
[6] Zie voor de definitie van “retributies” onder meer artikel 1, onderdeel c, van de Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies Curaçao 1992 (A.B. 1992, no. 20), Prof. dr. A. van Rijn, “Handboek Caribisch Staatsrecht”, Boom Juridisch, Den Haag 2019, hoofdstuk 12, nummer 335, p. 614 of Prof. mr. R.J.N. Schlössels en Prof. mr. S.E. Zijlstra, “Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat”, Kluwer, Deventer 2010, hoofdstuk 17, nummer 12, p. 807.
[7] Zie voor meer over dit onderwerp het advies van de Raad van 21 november 2023 met kenmerk RvA no. RA/15-23-LV, pagina’s 9 tot en met 12.
