Adviezen

RvA no. RA/19-25-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Burgerlijk Wetboek 7A (P.B. 2012, no. 24), de Landsverordening van de 24ste april 1969 houdende regelingen van de afspraken van de ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (P.B. 1969, no. 44) en de Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) Landsverordening vaderschapsverlof

Ontvangstdatum: 14/11/2025
Publicatie datum: 04/02/2026

(Zittingsjaar 2025-2026-212)

Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Burgerlijk Wetboek 7A (P.B. 2012, no. 24), de Landsverordening van de 24ste april 1969 houdende regelingen van de afspraken van de ambtenaren in dienst van de Nederlandse Antillen en van de vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren (P.B. 1969, no. 44) en de Landsverordening Ziekteverzekering (P.B. 1966, no. 15) (Landsverordening Vaderschapsverlof) (Zittingsjaar 2025-2026-212)

 

Advies:  Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 13 november 2025 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 26 januari 2026, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Inleiding

Aan de Raad is ter advisering voorgelegd een initiatiefontwerplandsverordening Vaderschapsverlof (hierna: het initiatiefontwerp) die in de kern beoogt het betaald vaderschapsverlof van tien werkdagen in te voeren voor werknemers in de zin van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) en voor ambtenaren dat verlof uit te breiden van twee naar tien werkdagen. Daarmee zou volgens de considerans van het initiatiefontwerp het welzijn van gezinnen en de rol van vaders in de zorg voor hun kinderen worden bevorderd, de gelijkheid tussen man en vrouw worden ondersteund en de arbeidsparticipatie van de vrouw worden vergroot.

 

II. Algemene opmerkingen

1. Concordantie

Uit de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp (hierna: de memorie van toelichting) (pagina 3) blijkt dat de initiatiefnemer een rechtsvergelijkend onderzoek heeft verricht inzake de regeling van het vaderschapsverlof in de landen van het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Koninkrijk). Met uitzondering van Sint Maarten is de korte verwijzing in de memorie van toelichting naar de regelingen ter zake in die landen over het algemeen juist. De Raad haalt hierna in het kort en voor zover relevant voor dit onderdeel van dit advies de regelingen ter zake in de landen van het Koninkrijk aan.

In Nederland heeft de werknemer na de bevalling van de partner, echtgenote of persoon met wie de werknemer samenwoont of van degene van wie de werknemer het kind erkent, recht op betaald geboorteverlof van eenmaal de arbeidsduur per week. Daarnaast bestaat aldaar de mogelijkheid van aanvullend geboorteverlof zonder behoud van loon. De werknemer kan in dat laatste geval aanspraak maken op een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.[1]

In Aruba heeft de mannelijke werknemer overeenkomstig artikel 629b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba na de bevalling van zijn echtgenote of vrouw met wie hij duurzaam samenleeft als ware hij gehuwd, recht op verlof met behoud van loon voor twee dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten.

In Sint Maarten is het vaderschapsverlof met behoud van loon opgenomen in artikel 629b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten. Dit verlof met een duur van zeven dagen kan worden opgenomen vanaf twee weken vóór de vermoedelijke bevaldatum tot zeven weken na de feitelijke bevaldatum van de echtgenote van de werknemer, of van de moeder van de ongeboren vrucht die de werknemer heeft erkend of van de moeder van het kind dat de werknemer heeft erkend.

In Curaçao is het vaderschapsverlof alleen geregeld voor degene op wie de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren van toepassing is.

Het voorgestelde in het initiatiefontwerp kan aldus onder verwijzing naar artikel 39, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden worden beschouwd als een ingrijpende wijziging van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao.  Ter voldoening aan de concordantieverplichting dienen de andere landen van het Koninkrijk, conform laatstgenoemd artikellid, in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze te doen blijken omtrent de voorgestelde wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao.[2]

De Raad vraagt aandacht hiervoor.

 

2. Aansluiting van de memorie van toelichting bij de tekst van het initiatiefontwerp

Het valt de Raad op dat de memorie van toelichting niet op alle punten goed aansluit bij de tekst van het initiatiefontwerp. Het initiatiefontwerp gaat bijvoorbeeld uit van tien werkdagen betaald vaderschapsverlof dat binnen een tijdvak van zes weken na de bevalling kan worden opgenomen[3], terwijl in de memorie van toelichting wordt uitgegaan van vijf dagen betaald vaderschapsverlof[4] dat binnen vier weken[5] na de geboorte van het kind kan worden opgenomen.

 

3. De term ‘vaderschapsverlof’

De Raad wijst erop dat de werknemer van wie de echtgenote of samenwonende partner van een kind bevalt, niet per definitie van het mannelijk geslacht hoeft te zijn.[6] De term ‘vaderschapsverlof’ die in het initiatiefontwerp wordt gebruikt om het verlof van bedoelde werknemer te classificeren kan om die reden onder omstandigheden misleidend zijn.

De Raad vraagt bijzondere aandacht voor het voorgaande.

 

4. De noodzaak van wetgevingsondersteuning

De Raad beschouwt het als een positieve ontwikkeling dat leden van de Staten steeds vaker met initiatieven komen om wetgeving tot stand te brengen. Daarmee wordt ook de medewetgevende taak van de Staten en het recht van initiatief verankerd in artikel 77 van de Staatsregeling benadrukt. Dit vereist echter dat maatregelen worden genomen die de kwaliteit van initiatiefontwerplandsverordeningen en de daarbij behorende memories van toelichting kunnen helpen verbeteren. De Raad wijst in dit geval nogmaals[7] op de noodzaak om Statenleden gedegen wetgevingsondersteuning te bieden bij onder meer het formuleren van initiatiefontwerpen en een gedegen memorie van toelichting. In dit kader zouden de Staten bijvoorbeeld in overweging kunnen nemen om enkele ervaren wetgevingsjuristen aan te trekken die alle fracties binnen de Staten kunnen bijstaan bij het opstellen van initiatiefontwerpen.

 

III. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a. Artikel I

 1º. Kort verzuim

Het voorgestelde artikel 1614cb, tweede lid, van Boek 7A van het BW heeft betrekking op het verlof van de werknemer bij de bevalling van zijn echtgenote, de vrouw met wie hij duurzaam samenleeft als ware hij gehuwd, of degene van wie de werknemer het kind erkent.

In artikel 1614c, derde lid, van Boek 7A van het BW in samenhang met het vierde lid van laatstgenoemd artikel is dit recht op verlof reeds geregeld voor de werknemer van wie de echtgenote bevalt van een kind.

De Raad adviseert in het licht van het vorenstaande het voorgestelde artikel 1614cb, tweede lid, van Boek 7A van het BW uit het initiatiefontwerp te schrappen en de daarin opgenomen aanvullende elementen die in het bestaande artikel 1614c, vierde lid, van Boek 7A van het BW ontbreken aan laatstgenoemd artikellid toe te voegen.

 

2°. Samenleven als ware gehuwd

Ook de werknemer die niet getrouwd is met de moeder van het kind, maar met haar duurzaam samenleeft alsof zij getrouwd zijn, zal op grond van het voorgestelde in het initiatiefontwerp aanspraak maken op betaald vaderschapsverlof.

In het initiatiefontwerp wordt het ‘duurzaam samenleven als ware zij gehuwd’ echter niet gedefinieerd. Ook is niet duidelijk op welke wijze bedoelde duurzame samenleving als ware gehuwd in de praktijk moet of kan worden gecontroleerd. Het begrip ‘duurzaam samenleven als ware gehuwd’ wordt in het BW (voor andere gevallen) bovendien ook niet toegepast en is daarom ook niet reeds in het BW gedefinieerd.

De Raad adviseert het voorgestelde artikel 1614cb van Boek 7A van het BW op bovenbedoeld punt aan te vullen. De Raad geeft als voorbeeld (waaruit voor dit geval relevante elementen kunnen worden geput) artikel 1A van de Successiebelastingverordening 1908 waarin de (vergelijkbare) term ‘levenspartner’ wordt gedefinieerd. 

 

3º. Het vaderschapsverlof en de nieuwe werkgever

De werknemer die het vaderschapsverlof bedoeld in het voorgestelde artikel 1614cb, eerste lid, van Boek 7A van het BW nog niet volledig heeft genoten, heeft op grond van het (tot tweede lid vernummerde)[8] derde lid van genoemd artikel bij de nieuwe werkgever aanspraak op het nog niet opgenomen vaderschapsverlof.

De Raad adviseert in dat verband na artikel 1614cc een nieuw artikel in te voegen dat in woorden van de volgende strekking luidt:

 

‘Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 1614cb, tweede lid, is artikel 1614cc van overeenkomstige toepassing.’

 

4º. De publiekrechtelijke aanstelling

Artikel I van het initiatiefontwerp heeft tot doel Boek 7A van het BW, in het bijzonder de derde afdeling[9] daarvan die op de arbeidsovereenkomst betrekking heeft, te wijzigen. Bedoelde wijziging betreft de toevoeging van bepalingen in het arbeidsovereenkomstenrecht die aanspraak geven op het zogenoemde vaderschapsverlof. In het voorgestelde artikel 1614cb, derde en vierde lid, van Boek 7A van het BW, wordt echter naast de werknemer in de arbeidsrechtelijke sfeer ook de werknemer met een zogenoemde publiekrechtelijke aanstelling betrokken.

Een publiekrechtelijke aanstelling is een formele benoeming van een persoon gebaseerd op het publiekrecht) in plaats van een arbeidsovereenkomst (Boek 7A van het BW). Voor de rechtspositie van deze groep werknemers (ambtenaren en daaraan gelijkgestelden) zijn andere regels dan die van Boek 7A van het BW van toepassing.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande de verwijzing naar ‘de publiekrechtelijke aanstelling’ in het voorgestelde artikel 1614cb, derde en vierde lid, van Boek 7A van het BW te schrappen.

 

5º. Melding en informatie

– Periode van opname van het vaderschapsverlof

Overeenkomstig het voorgestelde artikel 1614cc van Boek 7A van het BW dient de werknemer zijn voornemen om het vaderschapsverlof op te nemen zo spoedig mogelijk te melden aan de werkgever. Het gaat volgens de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp om een ongeclausuleerd recht waarvan de werknemer naar eigen inzicht gebruik kan maken. Dat neemt naar het oordeel van de Raad echter niet weg dat de werknemer in het algemeen verplicht is al datgene te doen en na te laten, wat een goed arbeider in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten. Zie in dat verband artikel 1615d van Boek 7A van het BW (goed werknemerschap). Er moet aldus niet alleen met het belang van de betrokken werknemer rekening worden gehouden, maar ook met het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming.

In het licht van het voorgaande adviseert de Raad bij de aanpassing van het initiatiefontwerp rekening te houden met het voorgaande ten einde een zo optimaal mogelijke vaderschapsverlof-regeling in te voeren en in het voorgestelde artikel 1614cc van Boek 7A van het BW na ‘werkgever’ in te voegen ‘onder opgave van de periode waarvoor hij verlof opneemt en de spreiding daarvan over het overeengekomen tijdvak’.

 

– Een redelijke termijn

De werkgever moet zich voorts kunnen voorbereiden op de afwezigheid van de werknemer (door tijdig vervanging voor die periode te kunnen regelen). Dit zal in elk geval van zeer groot belang zijn wanneer de werknemer het vaderschapsverlof aaneensluitend wil opnemen of bijvoorbeeld bij kleine of gespecialiseerde ondernemingen waar de vervanging van de deskundige werknemer de nodige voorbereiding en aanpassingen vergt.

De Raad adviseert in het verlengde van het voorgaande in het initiatiefontwerp een redelijke termijn op te nemen waarbinnen eerder bedoelde melding aan de werkgever uiterlijk moet worden gedaan. De Raad wijst ook in dit verband volledigheidshalve naar eerder genoemd artikel 1615d van Boek 7A van het BW. 

 

6°. De duur van het vaderschapsverlof

De duur van het vaderschapsverlof wordt in het initiatiefontwerp uitgedrukt in werkdagen (in casu in totaal ‘tien werkdagen’). Er wordt dus geen rekening gehouden met de wekelijkse arbeidsduur van de werknemer. Hierdoor zal de werknemer met een korte werkweek ten opzichte van de werknemer die voltijd werkt, onevenredig meer voordeel genieten van het voorgestelde vaderschapsverlof. Aangezien sprake zal zijn van betaald vaderschapsverlof, kan dit voordeel naar het oordeel van de Raad ook worden beschouwd als financieel onevenredig meer voordeel voor de werknemer met een korte werkweek.  De Raad maakt dit met het volgende voorbeeld duidelijk.

Een werknemer die korter dan vijf dagen per week werkt – bijvoorbeeld twee dagen in de week – zal op grond van de formulering van het voorgestelde artikel 1614cb van Boek 7A van het BW gedurende vijf weken (‘tien werkdagen’) betaald ‘thuis kunnen blijven’ bij het kind.[10] Voor de werknemer met een zesdaagse werkweek aan de andere kant, duurt de periode van betaald ‘thuisblijven’ weliswaar ook in totaal ‘tien werkdagen’, maar deze leveren uitgedrukt in weken ‘thuis blijven’ bij het kind iets meer op dan anderhalve week. De werknemer met een tweedaagse werkweek geniet in dit voorbeeld ten opzichte van de werknemer die zich zes dagen per week voor de werkgever inzet, onevenredig meer voordeel aangezien hij langer bij het kind thuis kan blijven maar ook (als het ware) wordt beloond met een gelijk aantal dagen betaald verlof als degene die zes dagen per week voor dezelfde werkgever werkt.

Gelet op het bovenstaande adviseert de Raad de duur van het vaderschapsverlof te verbinden aan de wekelijkse arbeidsduur of uit te drukken in een veelvoud daarvan. Zie voor een mogelijke meer passende formulering bijvoorbeeld artikel 4:2 van de Nederlandse Wet arbeid en zorg.[11]

 

7°. Adoptie- en pleegzorgverlof

In Curaçao hebben adoptie- of pleegouders in verband met de adoptie van een kind of het opnemen van een pleegkind in het gezin geen recht op adoptie- of pleegzorgverlof. Het initiatiefontwerp voert dat verlof ook niet in. Met een dergelijk verlof (hechtingsverlof) kan echter een goede gewenning van het kind in het gezin worden ondersteund. Het aantal jaarlijkse adopties en opnames van pleegkinderen in gezinnen in Curaçao is voor de Raad niet bekend.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande bij wijze van volledigheid de eventuele noodzaak voor de invoering van het adoptie- en pleegzorgverlof in Curaçao te onderzoeken en het initiatiefontwerp naar aanleiding van het resultaat van dat onderzoek indien nodig aan te passen. De Raad verwijst bij wijze van voorbeeld naar artikel 3:2 van de Nederlandse Wet arbeid en zorg en de daarmee samenhangende bepalingen.

 

b. Artikel II

De ambtenaren

Conform artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (hierna: de LGOA) dient in het Centraal Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (hierna: de CGOA) overleg te worden gevoerd over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. Het overleg in het CGOA wordt gevoerd tussen de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening en de Centrale Commissie van Vakbonden (artikel 5, eerste lid, van de LGOA).

Het voorgestelde in artikel II van het initiatiefontwerp betreft een aangelegenheid van algemeen belang als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de LGOA waarover overleg in het CGOA moet worden gevoerd. Dat overleg, met de daarbij te volgen procedure conform de LGOA, heeft voor zover de Raad heeft kunnen nagaan niet plaatsgevonden.

De Raad adviseert om bovengenoemde reden artikel II uit het initiatiefontwerp te schrappen en bij de regering erop aan te dringen, na het vereiste overleg in CGOA-verband, te overwegen een met het voorgestelde in het initiatiefontwerp vergelijkbare regeling voor ambtenaren in het leven te roepen.

De Raad wijst erop dat de regering bij dat wettelijke traject ook het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor de vrouwelijke ambtenaar kan betrekken, dat thans nog steeds bij wijze van beleid wordt toegepast.  

 

c. Artikel IV

1°. Flexibel opneembaar vaderschapsverlof

Op grond van artikel IV van het initiatiefontwerp zal binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de Landsverordening Vaderschapsverlof een evaluatie moeten plaatsvinden over de effectiviteit en het gebruik van het vaderschapsverlof. Naar aanleiding van het resultaat van die evaluatie zou op grond van het eerste lid van laatstgenoemd artikel onder andere kunnen worden overwogen om het flexibel opneembare vaderschapsverlof in te voeren. De Raad wijst erop dat de formulering van het voorgestelde artikel 1614cb, eerste lid, van Boek 7A van het BW de mogelijkheid niet uitsluit om het vaderschapsverlof flexibel op te nemen. Deze lezing van het voorgestelde artikel door de Raad wordt bevestigd door het gestelde op pagina 5, voorlaatste tekstblok, vijfde en zesde zin, van de memorie van toelichting.[12]  De Raad gaat er overigens van uit dat de voorgeschreven evaluaties in de praktijk ook daadwerkelijk plaatsvinden.

De Raad adviseert ‘de invoering van flexibel opneembare vaderschapsverlof’ bedoeld in artikel IV, eerste lid, van het initiatiefontwerp in de memorie van toelichting toe te lichten.

 

2°. Effectiviteit en gebruik van het vaderschapsverlof

Bij het beoordelen van de effectiviteit van een wettelijke regeling wordt gekeken naar de mate waarin die regeling het doel verwezenlijkt (de doeltreffendheid). Daarbij wordt onder meer de uitvoerbaarheid en de mate van naleving ervan betrokken.

Volgens artikel IV, eerste lid, van het initiatiefontwerp moet de effectiviteit en het gebruik van het te zijner tijd ingevoerde vaderschapsverlof worden geëvalueerd.

Voor de Raad is niet duidelijk welke andere aspecten – naast ‘het gebruik’ van het vaderschapsverlof – aan bedoelde evaluatie onderhevig moeten zijn. Het kan de bedoeling van

de initiatiefnemer zijn om bijvoorbeeld te laten evalueren in welke mate de Landsverordening Vaderschapsverlof tegemoetkomt of daadwerkelijk bijdraagt aan de voordelen die opgesomd en uitgewerkt worden onder ‘1. Voordelen van het vaderschapsverlof’, van het algemene deel van de memorie van toelichting.

De Raad adviseert in de memorie van toelichting specifieker op te nemen welke aspecten van het vaderschapsverlof bij bedoelde evaluatie moeten worden betrokken en hoe een dergelijke evaluatie moet worden uitgevoerd.

 

3º. Toepassing en werking van het vaderschapsverlof

Volgens artikel IV, tweede lid, van het initiatiefontwerp moet de toepassing en werking van het te zijner tijd ingevoerde vaderschapsverlof door of namens de minister worden geëvalueerd. Het verschil tussen de evaluatieopdrachten opgenomen in het eerste en tweede lid van artikel IV van het initiatiefontwerp is niet duidelijk.

De Raad adviseert na te gaan of de evaluatieopdrachten in het eerste en tweede lid van artikel IV van het initiatiefontwerp naast elkaar moeten blijven bestaan en zo ja om in de memorie van toelichting in elk geval aan te geven wat het verschil is tussen ‘het gebruik van het vaderschapsverlof’ (eerste lid) en ‘de toepassing van het vaderschapsverlof’ (tweede lid) enerzijds en anderzijds ‘de effectiviteit van het vaderschapsverlof’ (eerste lid) en ‘de werking van het vaderschapsverlof’ (tweede lid).

 

4º. Door of namens de minister

Uit artikel IV, tweede lid, van het initiatiefontwerp blijkt niet welke minister belast is met de evaluatie van de invoering van het vaderschapsverlof, in casu een wijziging van een onderdeel van Boek 7A van het BW. Zie in dit verband ook onderdeel III. 1.’e. Ondertekening verantwoordelijke minister’ van dit advies.

De Raad adviseert artikel IV, tweede lid, van het initiatiefontwerp in bovenbedoelde zin aan te vullen. Indien artikel IV, eerste lid, van het initiatiefontwerp naast het tweede lid van dat artikel moet blijven bestaan, adviseert de Raad ook in dat eerste lid op te nemen door wie bedoelde evaluatie moet worden uitgevoerd.

 

d. Artikel V

 1°. Gelijktijdige invoering van vaderschapsverlof in private en publieke sector

In verband met de mogelijkheid van een separate regeling van het vaderschapsverlof voor ambtenaren, zoals door de Raad in onderdeel III. 1. ‘b. Artikel II’ van dit advies is geadviseerd, verdient het aanbeveling om gelijktijdige inwerkingtreding van het vaderschapsverlof in de private sector en publieke sector na te streven.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande de inwerkingtredingsdatum van het initiatiefontwerp op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip te bepalen en artikel V van het initiatiefontwerp daartoe aan te passen.

 

2°. Informatiecampagne

De Landsverordening Vaderschapsverlof zou volgens artikel V van het initiatiefontwerp meteen (met ingang van de dag na de datum van bekendmaking) in werking moeten treden.

De Raad meent echter dat zowel werkgevers als werknemers ruim vóór de inwerkingtreding van de Landsverordening Vaderschapsverlof moeten worden geïnformeerd over de invoering van het vaderschapsverlof en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen jegens elkaar. Het ligt in de rede dat het ministerie, waarmee de eerstverantwoordelijke minister voor de invoering van het vaderschapsverlof is belast, voor een informatiecampagne met dat doel zorgdraagt.  De uitvoering van deze campagne zal al dan niet in samenwerking met de SVB als uitvoerder van de Landsverordening Ziekteverzekering kunnen plaatsvinden.

De Raad adviseert in het verlengde van het voorgaande via een informatiecampagne betrokkenen tijdig – en wel ruim vóór de inwerkingtreding van de Landsverordening Vaderschapsverlof – van hun rechten en plichten op de hoogte te brengen.

 

e. Ondertekening verantwoordelijke minister

Het initiatiefontwerp beoogt Boek 7A van het BW en de Landsverordening Ziekteverzekering te wijzigen.

Artikel 6, aanhef, onderdeel a, van de Landsverordening ambtelijk bestuurlijke organisatie bepaalt dat het Ministerie van Justitie, voor zover niet behorende tot de specifieke zorg van een ander ministerie, belast is met de ontwikkeling, codificatie en wijziging van het burgerlijk recht.

Artikel 10 van de Landsverordening ambtelijk bestuurlijke organisatie bepaalt dat het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn, voor zover niet behorende tot de specifieke zorg van een ander ministerie, moet zorgen voor het sociaal ontwikkelingsbeleid waaronder het bevorderen van de werkgelegenheid en arbeidsrelaties en voor de sociale verzekeringen.

In het onderhavige geval wordt slechts de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn als ondertekenaar van de Landsverordening Vaderschapsverlof in het initiatiefontwerp vermeld.

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande om naast de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn ook de Minister van Justitie als ondertekenaar van de Landsverordening Vaderschapsverlof op te nemen. 

 

2. De memorie van toelichting

a. De invulling van het vaderschapsverlof

Het vaderschapsverlof kan op verschillende manieren worden ingevuld. Deze verschillen hebben veelal betrekking op de duur van het verlof, de financiering van het verlof (door de werkgever, werknemer, verzekering of een combinatie), of het verlof flexibel opneembaar moet zijn of niet, de periode waarin het verlof kan worden opgenomen en dergelijke.

Uit de memorie van toelichting blijkt in elk geval niet dat de initiatiefnemer door raadpleging van de stakeholders, waaronder ondernemingsverenigingen en werknemersverenigingen (lokaal) onderzoek heeft gedaan naar de behoeften, de lokaal meest inpasbare vorm en de uitvoerbaarheid van het vaderschapsverlof. Daar komt bij dat het raadplegen van stakeholders ook van belang is om draagvlak voor het initiatiefontwerp te creëren.

Door het ontbreken van informatie ter zake in de memorie van toelichting is het voor de Raad niet duidelijk aan de hand van welke (lokale) gegevens de initiatiefnemer in dit geval invulling heeft gegeven aan het vaderschapsverlof. Met andere woorden wat concreet ertoe geleid heeft dat uit de veelheid van mogelijkheden uiteindelijk is gekozen voor het voorstel zoals verwoord in het initiatiefontwerp. Opvallend is bijvoorbeeld dat de initiatiefnemer uiteindelijk gekozen heeft voor een vaderschapsverlof van tien werkdagen in plaats van vijf werkdagen zoals oorspronkelijk was opgenomen in de versie van het initiatiefontwerp die aan de Sociaal Economische Raad (hierna: de SER) ter advisering was aangeboden, terwijl de SER in zijn advies over het initiatiefontwerp[13] voor het beginstadium (waar Curaçao zich op het gebied van het vaderschapsverlof bevindt) niet per se negatief stond tegenover het kortere vijf werkdagen termijn vaderschapsverlof.

De Raad adviseert de relevante stakeholders te raadplegen voor zover dat nog niet heeft plaatsgevonden en in de memorie van toelichting een verantwoording te geven hoe de initiatiefnemer met de ontvangen reacties van de stakeholders is omgegaan.

 

b. De financiering van het initiatiefontwerp

1°. Het gelijkheidsbeginsel

Op pagina 5 van de memorie van toelichting, eerste tekstblok, wordt gewezen op het gelijkheidsbeginsel om de kosten voor het vaderschapsverlof net als (gelijk) de kosten van het zwangerschaps- en bevallingsverlof voor 80% voor rekening te laten komen van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) als uitvoerder van de Landsverordening Ziekteverzekering en voor 20% voor rekening van de werkgever.

Het gelijkheidsbeginsel, dat vastgelegd is in artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao, wordt naar het oordeel van de Raad in dit geval onterecht aangehaald. Het gelijkheidsbeginsel is in zoverre slechts relevant bij het beantwoorden van de vraag (1) of vaders, net als moeders recht zouden moeten hebben op verlof gerelateerd aan de geboorte van het kind en (2) eventueel ook bij het bepalen van de duur en vorm van dat verlof vergeleken met de duur en de vorm van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Indien ervoor wordt gekozen om de kosten van het vaderschapsverlof niet op dezelfde wijze te dekken als het zwangerschaps- en bevallingsverlof, dan impliceert dat niet dat tegenover de vader in strijd wordt gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en aldus sprake zou zijn van enige vorm van discriminatie. Het gelijkheidsbeginsel speelt in zoverre geen rol bij de financieringsvorm van het vaderschapsverlof.

De Raad adviseert de memorie van toelichting op dit punt aan te passen.

 

2°. Met het vaderschapsverlof gemoeide kosten en de bereidheid van de SVB

Volgens de memorie van toelichting zou de SVB hebben aangegeven dat de uitvoering van het vaderschapsverlof tussen Cg 300.000,- en Cg 400.000,- per jaar zal kosten. Volgens de memorie van toelichting[14] heeft de SVB ‘in haar reactie te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitvoering en financiering’ van de Landsverordening Vaderschapsverlof.

Bij het adviesverzoek heeft de Raad bedoelde reactie van de SVB niet aangetroffen, zodat de met de uitvoering gemoeide kosten en de berekening (onderbouwing) daarvan alsook de bereidheid van de SVB om bedoelde kosten te dragen niet door de Raad konden worden nagegaan.

De Raad adviseert om in de memorie van toelichting een onderbouwing van de kosten, die met de uitvoering van het initiatiefontwerp gemoeid zijn, op te nemen. Immers, uit het initiatiefontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting kan niet worden afgeleid dat ter dekking van deze extra kosten voor het Ziektefonds, bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Landsverordening Ziekteverzekering, additionele inkomsten uit premies zullen worden gegenereerd. Daarbij wijst de Raad erop dat een eventueel tekort in het Ziektefonds, ingeval dat niet door het Schommelfonds Sociale Verzekeringen afgedekt kan worden, ten laste zal komen van de begroting van het land Curaçao (zie artikel 14 in samenhang met artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank).

De Raad vraagt in het verlengde van het voorgaande bovendien welke versie van het initiatiefontwerp aan de SVB in verband met de bekostiging van het vaderschapsverlof ter beoordeling is voorgelegd. Immers, de oorspronkelijke versie van het initiatiefontwerp ging uit van een betaald vaderschapsverlof van vijf werkdagen, terwijl de aan de Raad voorgelegde versie van het initiatiefontwerp uitgaat van tien werkdagen betaald vaderschapsverlof. Dit impliceert een verdubbeling van de oorspronkelijk met het initiatiefontwerp gemoeide kosten, zowel voor het bedoelde ziektefonds als voor de werkgever.

 

3°. Alternatieve financieringsmethode

– Inleiding

Nog daargelaten de bereidheid van de SVB om de directe kosten gemoeid met de uitvoering van het vaderschapsverlof, zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, voor rekening te nemen van het eerde bedoelde ziektefonds en de financiële haalbaarheid daarvan vraagt de Raad bijzondere aandacht voor het volgende.

Zoals eerder opgemerkt in dit advies blijkt uit de memorie van toelichting niet dat de initiatiefnemer werkgevers- c.q. ondernemingsverenigingen (stakeholders) heeft betrokken bij het opstellen van het initiatiefontwerp.

Bovendien ging de oorspronkelijke versie van het initiatiefontwerp, waarover de SER advies heeft uitgebracht, uit van een betaald vaderschapsverlof van veel kortere duur vergeleken met het initiatiefontwerp dat uiteindelijk aan de Raad is voorgelegd. Over het oorspronkelijke vijf werkdagen betaald vaderschapsverlof heeft de SER in zijn advies gesteld zich te kunnen voorstellen dat de financiering van eenmaal het aantal werkuren per week aan geboorteverlof (vaderschapsverlof) volledig zou kunnen plaatsvinden vanuit het ziektefonds.

 

– Financieringsmethode

De werkgever neemt conform het initiatiefontwerp 20% van de kosten van het vaderschapsverlof van de SVB-verzekerde werknemer voor zijn rekening, terwijl 80% vanuit het Ziektefonds wordt vergoed.[15] Daarnaast zal het vaderschapsverlof echter ook kunnen leiden tot extra kosten voor de werkgever gerelateerd aan het inzetten van extra personeel of overwerk als gevolg van het (extra) vaderschapsverlof.

Vermeldenswaard in dit verband is ook dat niet iedere werknemer, tevens werknemer is in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering. Immers, genoemde landsverordening hanteert een loongrens waarboven betrokkene – met een werkweek van vijf of zes dagen –  voor het eerder bedoelde ziektefonds niet als werknemer wordt aangemerkt.[16] Daartegenover staat dat het voorgestelde artikel 1614cb van Boek 7A van het BW de werkgever verplicht om het loon van de werknemer gedurende het vaderschapsverlof door te betalen ongeacht of dit loon (mede) vergoed wordt door een verzekeraar, zoals bijvoorbeeld de SVB.

Volgens aanwijzing 157, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving moet in de memorie van toelichting onder andere de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen worden opgenomen. Uit de memorie van toelichting blijkt niet in hoeverre de initiatiefnemer (naast de kosten voor de SVB) ook rekening heeft gehouden met de kosten die het initiatiefontwerp voor werkgevers en – indien verzekerbaar – voor particuliere verzekeraars met zich mee zal brengen.

Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting niet of de initiatiefnemer, met name in verband met de uitbreiding van het voorgenomen aantal verlofdagen van vijf naar tien werkdagen, ook andere financieringsmethoden voor het initiatiefontwerp heeft overwogen.

In Nederland bijvoorbeeld wordt het geboorteverlof[17] – van eenmaal de wekelijkse arbeidsduur met loondoorbetaling – volledig door de werkgever betaald. Tijdens het aanvullend geboorteverlof (dat volgt na het geboorteverlof) heeft de werknemer geen recht op loondoorbetaling, maar slechts recht op een uitkering uit het Algemeen arbeidsongeschiktheidsfonds van 70% van het maximum dagloon voor ten hoogste vijf weken.[18]

De Raad haalt de financiering van het Nederlandse geboorteverlof in dit kader aan om te wijzen op mogelijke financieringsvarianten van het vaderschapsverlof en suggereert geenszins dat per se de Nederlandse variant hier te lande moet worden toegepast. 

De Raad adviseert in het licht van het voorgaande – met name vanwege het uitbreiden van het aantal verlofdagen in vergelijking met het voorgestelde in het oorspronkelijke initiatiefontwerp – om ook de haalbaarheid van andere financieringsmogelijkheden van het initiatiefontwerp te onderzoeken en daarbij de lokale situatie te betrekken, waaronder de mogelijkheid of en in hoeverre ook de werknemers kunnen bijdragen aan de kosten van (een deel van) het vaderschapsverlof.

 

c. Voordelen van het vaderschapsverlof

– Realistische onderbouwing

De Raad is van oordeel dat de introductie van het betaald vaderschapsverlof van beperkte duur, zoals in het geval van het initiatiefontwerp, gezien kan worden als een stap vooruit en een stimulans voor een betere participatie van de partners bij de zorg en opvoeding van hun kind. Omdat er echter een vrij groot verschil blijft zitten in de duur van verlof voor beide ouders, meent de Raad dat nog niet de conclusie kan worden getrokken dat het vaderschapsverlof zoals voorgesteld de voordelen genoemd in de memorie van toelichting substantieel zal (helpen) verwezenlijken. Het voorgestelde in het initiatiefontwerp lijkt daarmee, zonder een uitgebreidere motivering, ontoereikend om de doelen te bereiken die in de considerans van het initiatiefontwerp en op pagina’s 2 en 3 van de memorie van toelichting onder ‘1. Voordelen van het vaderschapsverlof’ worden genoemd.

De Raad meent voorts dat eerder bedoelde voordelen in de memorie van toelichting zeer summier worden onderbouwd. Het valt bovendien op dat de resultaten van onderzoeken die in de memorie van toelichting worden vermeld uitsluitend betrekking hebben op internationale situaties.

De Raad adviseert de voordelen van het vaderschapsverlof die in feite als argumenten voor de invoering van het vaderschapsverlof worden aangedragen, in de memorie van toelichting (uitgebreider en met meer diepgang) te substantiëren.

De Raad adviseert voorts onderzoek te doen naar aanvullende maatregelen die nodig mochten zijn om de haalbaarheid te bevorderen van de in de memorie van toelichting genoemde voordelen van het vaderschapsverlof in Curaçao.

 

d. Persoonlijk aangenomen werk

Volgens de memorie van toelichting wordt met werknemer bedoeld eenieder die voor een werkgever in dienstverband of persoonlijk in aangenomen werk arbeid verricht.[19] Het valt op dat deze definitie van het begrip ‘werknemer’ overeenkomt met de definitie van ‘werknemer’ in artikel 1 van de Landsverordening Ziekteverzekering. Daarnaar wordt ook verwezen in voetnoot 5 op pagina 5 van de memorie van toelichting.

De Raad wijst er echter op dat conform de in het initiatiefontwerp voorgestelde wijzigingen van de derde afdeling van Boek 7A van het BW alleen de werknemer in loondienst recht heeft op betaald vaderschapsverlof, dat overeenkomstig het initiatiefontwerp betaald zal worden uit bedoeld ziektefonds.

De Raad adviseert de memorie van toelichting conform het voorgaande aan te passen.

 

IV. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

 Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het initiatiefontwerp en adviseert om daarmee rekening te houden voordat het in behandeling wordt genomen.

 

Willemstad, 27 januari 2026

de Ondervoorzitter,                                                                de Secretaris,

___________________________                                          _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                           mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/19-25-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

 

1. Het initiatiefontwerp

a. Het opschrift

De ‘Landsverordening Burgerlijk Wetboek 7A (P.B. 2012, no. 24)’ waarnaar in het opschrift wordt verwezen, is een (inmiddels uitgewerkte) wijziging van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek en niet het te wijzigen Boek 7A zelf.

De ‘Landsverordening van de 24ste april 1969 (…) ambtenaren (P.B. 1969, no. 44)’ waarnaar in het opschrift wordt verwezen, dient officieel conform artikel 38, eerste lid, van bedoelde regeling aangehaald te worden als de ‘Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren’. Op pagina 6, onderdeel ‘De ambtenaren’ van dit advies adviseert de Raad om de wijziging van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren buiten de reikwijdte van dit initiatiefontwerp te laten.

Conform de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt een citeertitel aan het slot van het opschrift tussen haakjes vermeld (aanwijzing 85) en wordt slechts het eerste woord van een citeertitel met een hoofdletter geschreven (aanwijzing 147, derde lid).

Voorgesteld wordt daarom het opschrift als volgt te laten luiden:

‘Landsverordening tot wijziging van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek en de Landsverordening Ziekteverzekering (Landsverordening vaderschapsverlof)’

Zie echter pagina 2, onderdeel ‘2. De term vaderschapsverlof’ van dit advies.

 

b. De aanhef

Voorgesteld wordt in de considerans ‘Dat’ te vervangen door ‘dat’, na ‘zorg’ in te voegen ‘voor hun kinderen’ en tevens kort aan te geven wat in het kader van dit initiatiefontwerp bedoeld wordt met ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’.

Voorgesteld wordt voorts ‘Sociaal Economische Raad (SER) en’ te schrappen. Zie daarvoor artikel 7 van de Bekendmakingsverordening.

 

c. Artikel I

– Aanhef

Voorgesteld wordt ‘toegevoegd, dat luiden’ te vervangen door ‘ingevoegd luidende’.

 

– Het voorgestelde artikel 1614cb

Voorgesteld wordt in het eerste lid ‘hij’ te vervangen door ‘de werknemer’, na ‘zes weken’ in te voegen ‘, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling,[20]’ en de laatste zin te schrappen.

Voorgesteld wordt voorts om – onder vernummering van de rest van de artikelleden – het tweede lid te schrappen. Zie voor de reden hiervoor pagina 3, onderdeel ‘1°. Kort verzuim’ van dit advies.

Voorgesteld wordt in het derde lid ‘verlof’ te vervangen door ‘vaderschapsverlof’[21] en ‘, met inachtneming van artikel 1614cb’ te schrappen.

 

– Het voorgestelde artikel 1614cc

Voorgesteld wordt in het eerste lid ‘het artikel 1614cb’ te vervangen door ‘artikel 1614cb’.

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘is’ te vervangen door ‘kan’.

 

d. Artikel II

Formulering en indeling van een wijziging

Op pagina 6, onderdeel ‘De ambtenaren’ van dit advies adviseert de Raad om artikel II uit het initiatiefontwerp te schrappen. De Raad wijst desondanks op aanwijzing 175 van de Aanwijzingen voor de regelgeving met het doel een bijdrage te leveren aan de verbetering van de kwaliteit van initiatiefontwerpen in het algemeen. Met toepassing van laatstgenoemde aanwijzing zou artikel II van het initiatiefontwerp zuiver wetstechnisch (niet inhoudelijk) als volgt vorm moeten worden gegeven:

 

Artikel II

Artikel 26, eerste lid, van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren wordt als volgt gewijzigd:

 

  1. In onderdeel I, onderdeel d, wordt (…).
  2. Na onderdeel III wordt een onderdeel IV toegevoegd luidende als volgt:(…).

 

– De duurzaam samenwonenden en erkenning

Bij de bevalling van de partner met wie de ambtenaar duurzaam samenleeft of van degene van wie de ambtenaar het kind erkent, heeft de ambtenaar op grond van de geldende tekst van artikel 26, eerste lid, van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren geen recht op verlof.

De voorgestelde wijziging van artikel 26, eerste lid, onderdeel l, onder d, van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren (artikel II, onderdeel A, van het initiatiefontwerp) ziet alleen op de verhoging van het aantal verlofdagen van de gehuwde ambtenaar en niet tevens op de uitbreiding van de kring van ambtenaren die recht hebben op het in het initiatiefontwerp zogenoemde vaderschapsverlof.

 

e. Artikel III

Voorgesteld wordt in onderdeel B, aanhef, na ‘eerste lid’ een komma te plaatsen en ‘de volgende’ te vervangen door ‘een’.

 

f. Artikel IV

Voorgesteld wordt in het eerste en tweede lid steeds de tweede zin te schrappen. In de memorie van toelichting kan eventueel worden vermeld dat de evaluatie mede bedoeld is om de nodige aanpassingen aan de regeling voor het vaderschapsverlof aan te brengen.

 2. De memorie van toelichting

a. Pagina 1

Voorgesteld wordt ‘NOTA VAN TOELICHTING’ te vervangen door ‘MEMORIE VAN TOELICHTING’. Zie daarvoor aanwijzing 156, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Volgens het tweede tekstblok, derde zin, hebben echtgenoten of partners geen recht op verlof naar aanleiding van de geboorte van het kind. Onder verwijzing naar artikel 1614c, derde lid, van Boek 7A van het BW in samenhang met het vierde lid van genoemd artikel wordt voorgesteld om het gestelde in bedoelde zin te nuanceren.

 

b. Pagina 2

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok ‘wetsvoorstel’ te vervangen door ‘ontwerplandsverordening’ en in lijn met de tekst van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 1614cb, eerste lid) toe te voegen het onderdeel betreffende de werknemer die het kind erkent.

Voorgesteld wordt onder ‘1. Voordelen van het vaderschapsverlof’, derde en laatste tekstblok, ‘vroege stadium’ telkens te vervangen door ‘vroeg stadium’.

 

c. Pagina 3

Voorgesteld wordt in het tweede en derde tekstblok, eerste zin, na ‘partners’ telkens in te voegen ‘van de vrouw die een kind baart’.

Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok ‘SER’ te vervangen door ‘Sociaal Economische Raad’.

In het vierde tekstblok wordt voorts met betrekking tot de situatie in Sint Maarten opgemerkt dat niet bekend is of ‘het vaderschapsverlof inmiddels is aangenomen en in werking is getreden’. Voorgesteld wordt de stand van zaken betreffende Sint Maarten te achterhalen en de ontbrekende informatie aan de memorie van toelichting toe te voegen of anders de vergelijking met Sint Maarten achterwege te laten.

 

d. Pagina 4

Tweede tekstblok

Voorgesteld wordt in de eerste en tweede zin ‘het richtlijn’ respectievelijk ‘Dit richtlijn’ te vervangen door ‘de richtlijn’ respectievelijk ‘Deze richtlijn’.

Voorgesteld wordt in de tweede zin ‘gelijkere’ te vervangen door ‘gelijke’ of ‘vergelijkbare’.

Voorgesteld wordt in de voorlaatste zin ‘te bevorderen’ te vervangen door ‘zichzelf te ontwikkelen’.

 

e. Pagina’s 6 en 7

Voorgesteld wordt de toelichting op de artikelen V en VI van het initiatiefontwerp te schrappen.

De toelichting dient immers motivering en uitleg te geven van de voorgenomen regeling. Indien de tekst van een bepaling voldoende duidelijk is, hoeft deze niet extra te worden gemotiveerd en uitgelegd en zeker niet door de tekst van de bepaling nagenoeg woordelijk te herhalen in de toelichting.

__________________________

[1] Hoofdstuk 4 van de Nederlandse Wet arbeid en zorg.

[2] Artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt als volgt:

  1. Het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede bepalingen omtrent maten en gewichten worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld.
  2. Een voorstel tot ingrijpende wijziging van de bestaande wetgeving op dit stuk wordt niet bij het vertegenwoordigende lichaam ingediend – dan wel door het vertegenwoordigende lichaam in behandeling genomen – alvorens de regeringen in de andere landen in de gelegenheid zijn gesteld van haar zienswijze hieromtrent te doen blijken.

[3] Zie het voorgestelde nieuwe artikel 1614cb, van Boek 7A van het BW (artikel I van het initiatiefontwerp).

[4] Pagina 2, tweede tekstblok en pagina 5, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting.

[5] Pagina 5, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting.

[6] Zie in dat verband bijvoorbeeld HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:978 inzake de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in Curaçao.

[7] De Raad heeft eerder hierop gewezen in onder andere onderdeel I. ‘2. De kwaliteit van het initiatiefontwerp’ op pagina’s 2 en 3 van het advies van 20 november 2024 (RvA no. RA/25-24-LV) over de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten, de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering, de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, de Landsverordening op de loonbelasting 1976, het Landsbesluit vaststelling premie, premie- inkomensgrenzen, eigen bijdrage en toeslag basisverzekering ziektekosten en premie ziekteverzekering, de Landsverordening omzetbelasting 1999 (Zittingsjaar 2020-2021-181).

[8] Zie voor de reden van vernummering onderdeel ‘1°. Kort verzuim’, op pagina 2 van dit advies.

[9] Derde afdeling: Van de verplichtingen des werkgevers.

[10] Deze werknemer kan overigens ook meerdere werkgevers hebben.

[11] Artikel 4:2 eerste lid, van de Nederlandse Wet arbeid en zorg luidt als volgt: “Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont of degene van wie de werknemer het kind erkent, heeft de werknemer gedurende een tijdvak van vier weken, te rekenen vanaf de eerste dag na de bevalling, recht op geboorteverlof met behoud van loon van eenmaal de arbeidsduur per week”.

[12] “Het gaat hierbij om een ongeclausuleerd recht. Dit betekent dat de werknemer deze vijf dagen naar eigen inzicht kan opnemen binnen een periode van vier weken nadat het kind geboren is.”

[13] Advies van 15 april 2024, met kenmerk 023/2024-SER.

[14] Pagina 5, tweede en derde tekstblok.

[15] Artikel 5, tweede lid, in samenhang met het voorgestelde (nieuwe) artikel 5, eerste lid, laatste zin, van de Landsverordening Ziekteverzekering en het voorgestelde (nieuwe) artikel 1614cb, eerste lid, van Boek 7A van het BW.

[16] Zie artikel 1 van de Landsverordening Ziekteverzekering voor de definitie van werknemer.

[17] Vergelijkbaar met het vaderschapsverlof.

[18] Daarnaast hebben ouders in Nederland recht op 26 keer de wekelijkse werkuren onbetaald ouderschapsverlof tot het kind 8 jaar is, met de mogelijkheid van 9 weken betaald verlof (70% loon) binnen het eerste levensjaar, aangevraagd bij de werkgever en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

[19] Pagina 5, voorlaatste tekstblok, derde zin.

[20] Deze formulering wordt voorgesteld aangezien het kennelijk de bedoeling is van de initiatiefnemers om – niet het recht op vaderschapsverlof – maar het tijdvak van zes weken vanaf de eerste dag na de bevalling te laten aanvangen.

[21] Zie echter pagina 2, onderdeel ‘3. De term vaderschapsverlof’ van dit advies.