Adviezen
RvA no. RA/21-23-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van het Eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen van de 23ste september 1986 ter uitvoering van artikel 3bis, lid 4 van de “Loterijverordening 1909” (P.B. 1965, no. 85) zoals gewijzigd
Ontvangstdatum: 29/08/2023
Publicatie datum: 01/07/2024
(zaaknummer 2022/002684)
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van het Eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen van de 23ste september 1986 ter uitvoering van artikel 3 bis, lid 4 van de “Loterijverordening 1909” (P.B. 1965, no. 85) zoals gewijzigd
(zaaknummer 2022/002684)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 25 augustus 2023 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 30 oktober 2023, bericht de Raad u als volgt.
Bovengenoemd adviesverzoek heeft betrekking op zowel het onderhavige ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen (hierna: het ontwerp), als het volgende ontwerp:
het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van het Eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 23ste september 1986 ter uitvoering van artikel 3 bis, lid 2 van de “Loterijverordening 1909” (P.B. 1965, no. 85) (RvA no. RA/21a-23-LB; zaaknummer 2022/002684).
I. Inhoudelijke opmerkingen
1. Algemeen
a. Mutual Evaluation en het spoedeisend belang totstandbrenging van het ontwerp
Het ontwerp is door de Raad van Ministers bij besluit van 23 augustus 2023 (zaaknummer 2022/002684) aan de Raad van Advies, door tussenkomst van de Gouverneur, voor spoedadvies aangeboden.
Volgens de Raad van Ministers ligt het spoedeisende belang in het feit dat de ‘Mutual Evaluation’ door Caribbean Financial Action Task Force (hierna: CFATF) in het jaar 2024 zal plaatsvinden. In het kader van deze evaluatie zal Curaçao moeten kunnen aantonen dat er maatregelen worden getroffen opdat het risicoprofiel van de loterijsector op Curaçao naar een acceptabel niveau[1] wordt teruggebracht. Dit laatste volgt onder andere uit een tweetal schrijvens van de Minister van Financiën van 21 augustus 2023 en 23 augustus 2023. Uit de aan de Raad bij het adviesverzoek overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt of de regering beleid ten aanzien van risicobeoordeling en -beheersing ter beoordeling van het ‘acceptabel niveau’ heeft vastgesteld. Uit de onderliggende stukken dienen de keuzes en consequenties van dit beleid te blijken.
De Raad adviseert de regering bovengenoemd beleid met voortvarendheid vast te stellen voor zover dat nog niet is geschied.
b. De gevolgde wetgevingsprocedure
Volgens het door de Minister van Financiën getekende aanbiedingsformulier voor stukken van de Raad van Ministers van 21 augustus 2023 (hierna: aanbiedingsformulier) heeft Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: WJZ) op 1 juni 2022 geadviseerd het ontwerp – na toetsing door de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer – aan de Raad van Advies ter toetsing aan te bieden. Besloten is om – gelet op een mogelijke maatschappelijke impact en als extra waarborg – het ontwerp aan de Sociaal Economische Raad (hierna: SER) voor te leggen.
In het schrijven van de Minister van Financiën van 23 augustus 2023 (met zaaknummers 2022/010938 en 2022/002684) aan de Ondervoorzitter van de Raad van Advies is onder andere verzocht spoedadvies uit te brengen over de besluiten met betrekking tot Wega di Number Korsou – waaronder het onderhavige ontwerp – opdat een aantal voorgestelde wijzigingen zo snel mogelijk in werking kan treden. De SER heeft op 20 september 2022 advies (referentienummer 119/2022-SER) over het ontwerp uitgebracht. In het aanbiedingsformulier stelt genoemde minister dat WJZ een eerste aanzet heeft gemaakt voor beantwoording en verwerking van de vragen en het advies van de SER. Vervolgens heeft het Ministerie van Financiën deze schriftelijke aanzet opgepakt en afgerond.[2] Er vanuit gaande dat WJZ reeds akkoord was gegaan met het voorleggen van de ontwerpen, waaronder het onderhavige ontwerp, aan de Raad van Advies en gelet op het feit dat WJZ tevens deel heeft genomen aan de beantwoording van de vragen van de SER, zijn de ontwerpen volgens de minister – na de behandeling ervan door de SER – niet meer voor een finale toetsing aan WJZ aangeboden.
WJZ dient als regievoerder in het proces van totstandbrenging van wet- en regelgeving, ontwerpen van wettelijke regelingen aan een laatste kwaliteitstoets te onderwerpen. Gezien de deskundigheid en ervaring van WJZ op het gebied van wetgeving, moet deze rol van WJZ onverminderd gehandhaafd blijven. De regering zal erop toe moeten zien dat de voorbereiding van een wetsvoorstel nauwkeurig plaatsvindt. In dit verband verwijst de Raad volledigheidshalve naar onderdeel ‘1. Achtergrond’ van zijn ‘Beleidsregels met betrekking tot het ontbreken van adviezen van derden ten aanzien van regeringsontwerpen[3]’. Uit genoemd onderdeel van de beleidsregels kan worden opgemaakt waarmee rekening moet worden gehouden voordat een adviesverzoek over een ontwerp van een wettelijke regeling bij de Raad wordt aanhangig gemaakt.
Met het oog op het waarborgen van de kwaliteit van wet- en regelgeving adviseert de Raad de regering om erop toe te zien dat alleen ontwerpen van wettelijke regelingen waarop WJZ een laatste kwaliteitstoets heeft verricht voor advies aan de Raad worden aangeboden.
c. ‘National Risk Assessment (on) money laundering Curaçao 2020’
Uit pagina 10 van het ‘National Risk Assessment (on) money laundering Curaçao 2020’ (hierna: NRA-rapport) blijkt dat specifiek aan de kansspelsector is aanbevolen om een commissie in te stellen, bestaande uit onder meer vertegenwoordigers van het Team Inlichtingen & Opsporing, de Gaming Control Board (hierna: GCB), de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU) en WJZ. Deze commissie moet een voorstel tot herziening van de diverse wetten voor de kansspelsector doen. Uit het NRA-rapport blijkt dat de bestaande wetten achterhaald zijn. Wetshandhavingsinstanties en toezichthoudende autoriteiten worden hierdoor gehinderd. Als voorbeeld hiervoor werd gewezen op de Loterijverordening 1909. Een grondslag voor effectieve[4] toegangscontroles dient volgens de commissie in bedoelde wetten te worden opgenomen opdat autoriteiten voor een doeltreffende en doelmatige witwasbestrijding kunnen zorgdragen alsook voor een hoger niveau van naleving van de Anti Money Laundering (hierna: AML) vereisten. Volgens verrichte onderzoeken is het risico van witwassen in de kansspelsector hoog. In maart 2017 kreeg de toezichthoudende autoriteit, op dat moment GCB, de taak om vergunningen voor de loterij te verlenen, te wijzigen, in te trekken en op te schorten. Op 15 februari 2019 werd GCB officieel aangesteld als AML/Countering the Financing of Terrorism (AML/CFT) toezichthouder voor de kansspelsector. Daarvoor waren de AML/CFT-toezichtsverantwoordelijkheden van de GCB beperkt tot de Curaçaose casinosector. Deze aanstelling werkt terug tot en met 1 januari 2016.
Kosteneffectiviteit en proportionaliteit
Verwachte lasten voor burgers, bedrijven en instellingen
De Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer adviseert in haar brief van 27 juni 2022 aan de Minister van Financiën positief over het ontwerp onder de volgende twee voorwaarden:
– De additionele kosten van het eerste jaar moeten voor 100% worden gedekt door GCB.
– Indien de financiële implicaties na de evaluatie van de resultaten van het eerste jaar na de inwerkingtreding van het landsbesluit tot een negatief saldo leiden voor GCB moeten de kosten in rekening worden gebracht bij de vergunninghouders; net zoals bij de casinovergunninghouders.
In de financiële paragraaf van de nota van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: financiële paragraaf) is opgenomen dat de kosten verbonden aan het toezicht ter handhaving van het bepaalde in het landsbesluit ten laste van GCB zullen komen. Ook is aangegeven dat GCB op dit moment[5] geen toezicht- en handhavingsbevoegdheden uitoefent ten aanzien van de onderhavige sector, waardoor de financiële implicaties van de uitbreiding van deze bevoegdheden naar de loterijsector moeilijk in te schatten zijn.
In § 3 ‘Advies Sociaal-Economische Raad’ (pagina’s 7 en 9 van de nota van toelichting) is de regering ingegaan op de door de SER gestelde vraag of GCB over de benodigde additionele handhavingscapaciteit beschikt in termen van menskracht en geld om een effectieve handhaving te kunnen voeren. In antwoord op deze vraag stelt de regering dat GCB gebruik zal maken van reeds beschikbare fte’s om de toezicht- en handhavingsbevoegdheden uit te oefenen. Naar verwachting zal volgens de regering dit thans NAf 180.000,00 per jaar aan extra kosten met zich meebrengen voor GCB. De extra kosten zullen door GCB gedekt worden met de financiële middelen die GCB tot haar beschikking heeft.
Volgens aanwijzingen 6, onderdeel c, en 157, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) moeten de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen in de toelichting op een regeling aan de orde komen. Bovengenoemde verwachte financiële gevolgen voor CGB komen niet terug in de financiële paragraaf.
De Raad adviseert de regering in de financiële paragraaf in te gaan op de jaarlijks verwachte extra kosten voor GCB en op termijn voor CGA.
d. Ontbreken van een evaluatiebepaling
Volgens de financiële paragraaf kan een schatting van de financiële gevolgen verbonden aan de uitbreiding van de toezicht- en handhavingsbevoegdheden van GCB ten aanzien van de kansspelsector pas gemaakt worden na evaluatie van de resultaten van het eerste jaar na de inwerkingtreding van het landsbesluit. (Zie pagina 3, eerste tekstblok, laatste zin van de nota van toelichting). In het ontwerp is geen evaluatiebepaling opgenomen. De Raad is van oordeel dat in het ontwerp, met inachtneming van aanwijzing 123 van de Awr, een evaluatiebepaling moet worden opgenomen, waaruit in ieder geval moet blijken door wie en binnen welke termijn voor de evaluatie zal worden zorggedragen
De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen.
2. Het ontwerp
a. Algemeen
In de onderdelen e tot en met h van het voorgestelde artikel 2, eerste lid, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 van de 23ste september 1986 ter uitvoering van artikel 3 bis, lid 4 van de “Loterijverordening 1909” (hierna: Eilandsbesluit van 23 september 1986) zijn anderen dan de aanvrager onderworpen aan dit artikel. Daarentegen zijn de voorgestelde onderdelen a tot en met d en i tot en met k van artikel 2, eerste lid, van laatstgenoemde regeling slechts van toepassing op de aanvrager van een vergunning zoals in het ontwerp wordt bedoeld. De Raad is van oordeel dat het duidelijkheidshalve gewenst is om in voornoemd artikel onderscheid te maken tussen voorwaarden die alleen op de aanvrager betrekking hebben en de voorwaarden die van toepassing zijn op anderen dan de aanvrager.
De Raad adviseert de regering het ontwerp op dit punt aan te passen.
b. Artikel 2, eerste lid, ‘de kan-bepaling’
1°. Omvang van de beoordelingsvrijheid van de vergunningverlener
Het eerste lid van artikel 2 van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 wordt in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp dusdanig gewijzigd dat de voorwaarden waaraan een aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 3 bis, eerste lid, van de Loterijverordening 1909 (hierna: vergunning) moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor die vergunning, limitatief en cumulatief zijn opgenomen. De voorgestelde bepaling is aldus anders geformuleerd dan in het huidige besluit, dat een meer imperatieve formulering omvat.
Volgens de huidige bepaling dient de aanvrager juist aan de in dat artikel opgenomen minimale (niet-limitatieve) voorwaarden te voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een vergunning. Volgens de nota van toelichting (‘§1. Algemeen’, pagina 1) is het onder meer noodzakelijk criminele participatie in het loterijbedrijf te weren. Hiertoe dienen de voorwaarden waaraan de aanvrager van een vergunning ten minste dient te voldoen om in aanmerking te komen voor een vergunning te worden verruimd. Uit artikel I, onderdeel A, van het ontwerp volgt echter niet dat er sprake is van een limitatieve opsomming van vereisten waaraan de aanvrager dient te voldoen. Het is voor de Raad niet duidelijk wat de regering met het gebruik van het woord ‘kan’ wil bereiken. Door het woord ‘kan’ in het ontwerp op te nemen, kan worden verondersteld dat aan de vergunningverlener juist een grote mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Hij mag zelf bepalen aan welke van de in de onderdelen a tot en met k opgenomen voorwaarden de vergunningaanvrager moet kunnen voldoen. Deze facultatieve formulering geeft aan de vergunningverlener de mogelijkheid te bepalen in welke gevallen (één, meerdere of alle voorwaarden, genoemd in onderdelen a tot en met k) een vergunning verleend zal worden. De Raad oordeelt dat de ruimte die hierdoor in het ontwerp wordt gecreëerd voor onduidelijkheden kan zorgen – zowel bij de aanvrager als bij de vergunningverlener – die tot praktische problemen kunnen leiden.
Ook is de Raad van oordeel dat de subonderdelen d en k van de opsomming in het voorgestelde eerste lid van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 los van elkaar moeten worden gekoppeld en in het ontwerp in afzonderlijke artikelleden moeten worden opgenomen. In subonderdeel d is het volgende als voorwaarde gesteld: “de aanvrager in aanmerking komt voor de hem nog op grond van enige andere wettelijke bepaling vereiste vergunning of toestemming om zijn loterijbedrijf uit te kunnen oefenen”. Een geval omschreven in subonderdeel d doet zich niet altijd voor. Op grond van subonderdeel k moet het gaan om een aanvrager die “in het meldsysteem goAML, bedoeld in het Landsbesluit goAML meldportaal is geregistreerd”. Deze registratieverplichting kan pas worden opgelegd aan de aanvrager waaraan een vergunning is verleend. Dus alleen een vergunninghouder kan meldingsplichtig zijn.
2°. Implementatie maatregelen ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering
Volgens de nota van toelichting (pagina 6) is het tot stand brengen van het onderhavige landsbesluit noodzakelijk voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. De maatregelen in het ontwerp moeten zoals aangegeven in de brief d.d. 23 augustus 2023 van de Minister van Financiën zijn getroffen zodat Curaçao in verband met de Mutual Evaluation in 2024 kan aantonen dat er maatregelen worden getroffen om het risicoprofiel van de loterijsector op Curaçao naar een acceptabel niveau terug te brengen. De vraag rijst hoe de beoordelingsvrijheid van de vergunningverlener, bedoeld in het vorige onderdeel, zich verhoudt tot voornoemde doelstellingen. Onduidelijk is of in de praktijk deze nagestreefde doelen daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd nu het voorgestelde artikel 2 van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 niet voldoende lijkt te waarborgen dat de vergunningverlener per geval niet al te selectief gaat beslissen aan welke voorwaarden een vergunningaanvrager moet voldoen.
3°. Advies
De Raad adviseert de regering de formulering van het voorgestelde artikel 2 van het Eilandsbesluit van 23 september 1986, in het bijzonder de aanhef daarvan en het gestelde bovengenoemde subonderdelen d en k, te wijzigen. Ook wordt geadviseerd in de nota van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
c. Het vereiste van handlichting in de oorspronkelijke bepaling
In het oorspronkelijke artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 wordt van de vergunningaanvrager vereist dat hij meerderjarig is of dat aan hem door de rechter handlichting[6] is verleend. In artikel I, onderdeel A, van het ontwerp ontbreekt dit laatste alternatief en de toelichting op dit artikel gaat niet daarop in. De reden waarom de regering ervoor heeft gekozen om de handlichting niet meer als alternatief voor meerderjarigheid op te nemen voor het in aanmerking kunnen komen voor een vergunning is voor de Raad vooralsnog niet duidelijk. Een minderjarige die over een handlichting beschikt, is hier te lande bijvoorbeeld bevoegd zijn eenmanszaak in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid Curaçao in te schrijven.[7] Terwijl een eenmanszaak ook in nummerverkoop kan handelen.[8] Uit de nota van toelichting wordt bepaald dat onder het loterijbedrijf[9], ‘zowel de vergunninghouder alsook eventuele natuurlijke- en rechtspersonen vallen, die betrokken zijn bij de exploitatie van de nummerloterij (…)’. De Loterijverordening 1909 spreekt in artikel 3 bis, eerste lid, daarnaast van een vergunning verleend aan personen woonachtig in het eilandgebied Curaçao.
Een door de regering gegeven reden voor de onderhavige wijziging ontbreekt. Indien de regering niet langer het alternatief van handlichting wil stellen, dan dient zij de gemaakte keuze objectief in de nota van toelichting te onderbouwen.
De Raad adviseert de regering de nota van toelichting op dit punt aan te passen.
d. Artikel 2, eerste lid, onderdeel b, ‘de termen ‘betrouwbaarheid’ en ‘loterijbedrijf’’
1°. Het betrouwbaarheidscriterium
In het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 wordt als voorwaarde gesteld dat de betrouwbaarheid moet komen vast te staan van de in dat artikelonderdeel genoemde personen die betrokken zullen zijn bij de exploitatie van het loterijbedrijf van de vergunningaanvrager. In gevallen waarbij een wettelijk betrouwbaarheidscriterium wordt opgelegd, wordt door de Raad verwacht dat de desbetreffende toezichthouder dan ook reeds hiervoor vastgestelde (adequate) beleidsregels heeft geformuleerd. Door het vaststellen van deze beleidsregels zal de toetsing van de beoogde betrouwbaarheid in alle redelijkheid kunnen worden verantwoord. De Raad is van oordeel dat nader gedefinieerd moet worden wat onder ‘betrouwbaarheid’ van betrokken personen bij het loterijbedrijf moet worden verstaan alsook de wijze waarop het al dan niet voldaan aan de strengere voorwaarde van betrouwbaarheid moet worden vastgesteld.
De Raad adviseert de regering het ontwerp op dit punt aan te passen.
2°. De term ‘loterijbedrijf’
In het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 is als voorwaarde opgenomen dat de betrokkenheid van de personen, benoemd in de daaropvolgende onderdelen van het voorgestelde artikelonderdeel, bij de exploitatie van het loterijbedrijf van de vergunningaanvrager is komen vast te staan. Het woord ‘loterijbedrijf’ wordt in deze bepaling in het ontwerp voor het eerst genoemd. In de nota van toelichting gaat de regering op pagina 1, derde alinea, in op de betekenis van dit woord in de zin van het ontwerp. In de Loterijverordening 1909 komt het woord ‘loterijbedrijf’ niet voor. De Loterijverordening 1909 spreekt van de ‘rechtspersoonlijkheid bezittende instelling’. Alhoewel het woord ‘loterijbedrijf’ (internationaal en nationaal) zeer gangbaar is[10], is de Raad van oordeel dat in navolging van aanwijzing 42 van de Awr aansluiting moet worden gezocht bij de terminologie zoals gebruikt in de Loterijverordening 1909. In de nota van toelichting kan niet worden opgemaakt om welke reden de term ‘loterijbedrijf’ in een uitvoeringsbesluit is ingevoerd. Indien de term ‘loterijbedrijf’ in het Eilandsbesluit van 23 september 1986 moet worden opgenomen, moet deze term in het ontwerp worden gedefinieerd en moet de noodzaak voor introductie van deze term in de nota van toelichting worden opgenomen.
De Raad is van oordeel dat op termijn moet worden bezien of de gebruikte terminologie in de Loterijverordening 1909 aanpassing behoeft. Bij deze exercitie moet worden overwogen of de term ‘loterijbedrijf’ in de Loterijverordening 1909 zelf moet worden opgenomen, en zo ja waar nodig de uitvoeringsbesluiten aan te passen.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp op dit punt aan te passen.
e. Artikel 2, eerste lid, onderdeel d (bij Eilandsverordening gewijzigde term ‘toestemming’ in ‘vergunning’)
Bij Eilandsverordening tot wijziging van de Loterijverordening 1909[11] is artikel 2 van de Loterijverordening gewijzigd. Met deze wijziging is onder andere beoogd om het woord ‘toestemming’ door het woord ‘vergunning’ te vervangen. Of aan de term ‘toestemming’[12] in principe steeds dezelfde betekenis als ‘vergunning’ in de zin van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 moet worden toegekend, volgt niet uit de bij het adviesverzoek overgelegde stukken. Het is voor de Raad niet duidelijk of het woord ‘toestemming’ destijds per abuis in het Eilandsbesluit van 23 september 1986[13] – aldus na de wijziging van artikel 2 – is opgenomen. Mocht dit laatste wel het geval zijn, dan is de Raad van oordeel dat de regering de nodige wijzigingen in het ontwerp moet doorvoeren, teneinde te trachten uniformiteit te bereiken in het geheel van deze specifieke wet- en regelgeving.
De Raad adviseert de regering met de vorenstaande rekening te houden.
f. Artikel 2, eerste lid, onderdeel e
1° ‘De eis betreffende de herkomst van de gelden waarmee de exploitatie van het loterijbedrijf wordt gefinancierd is ‘in voldoende mate’ vast komen te staan
Volgens het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 komt een aanvrager voor een vergunning in aanmerking als:
- de herkomst van de gelden waarmee de exploitatie van het loterijbedrijf wordt gefinancierd in voldoende mate is vast komen te staan[14]; en
- niet direct of indirect te herleiden is tot criminele activiteiten.
Er is dus sprake van een dubbele eis. Voor de Raad is het niet duidelijk op welk moment hierop door de vergunningverlener getoetst zal worden en hoe de regering het vereiste ‘met voldoende mate van zekerheid’ – ter bepaling van het legale karakter van de herkomst van de gelden –, in de praktijk objectief (middels (vooraf) vastgestelde procedures ter vaststelling van de herkomst van de gelden) gaat toepassen.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op dit punt in te gaan.
2° De eis betreffende de herkomst van de gelden waarmee de exploitatie van het loterijbedrijf wordt gefinancierd is niet direct of indirect te herleiden tot criminele activiteiten
Daarnaast geldt voor de tweede eis opgenomen in het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel e van het Eilandsbesluit van 23 september 1986, dat de herkomst van de gelden waarmee de exploitatie van het loterijbedrijf wordt gefinancierd ‘niet direct of indirect te herleiden is tot criminele activiteiten’, wat in beginsel moeilijk toetsbaar is.[15] Volgens de nota van toelichting (pagina 1, vijfde alinea) dient de herkomst van de gelden waarmee de exploitatie wordt gefinancierd vast te staan teneinde infiltratie door en participatie van criminele invloeden te voorkomen.[16] Alhoewel begrijpelijk, dient hier tevens rekening te worden gehouden met bewijsvermoeden (redelijk vermoeden) dat de desbetreffende persoon als verdachte van witwassen wordt gezien. Van deze persoon wordt dan verwacht dat hij een (aannemelijke en verifieerbare) verklaring omtrent de (legale) herkomst van bezittingen aan de autoriteiten afgeeft; het zogenaamde ‘begin van tegenbewijs’. In zo’n geval bevinden betrokkenen zich al gauw in de opsporingsonderzoeksfase[17]. Het gaat hier om een bewijsvermoeden waaraan de Hoge Raad (hierna: HR) in het arrest HR 13 juli 2010[18] de regel heeft vastgesteld dat het bewijsmateriaal waaruit kan worden afgeleid dat bepaalde gelden een criminele herkomst hebben door het openbaar ministerie moet worden verzameld en dat de omstandigheid dat sprake is van een bewijsvermoeden ten nadele van de verdachte niet zonder meer meebrengt dat de verdachte aannemelijk dient te maken dat deze gelden niet van misdrijf afkomstig zijn.[19] Daarnaast moet worden gewaakt dat de bescherming tegen zelfincriminatie niet geschaad wordt.
Een ander belangrijk punt is dat bij het bestrijden van criminele activiteiten zoals met dit landsbesluit onder andere wordt beoogd[20], er sprake dient te zijn van gedragingen die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de (werkelijke) criminele herkomst van het voorwerp.
De voorgestelde bepaling dient klaarblijkelijk ter implementatie van de uitwerkingen van de preventieve maatregelen van de standaarden van Financial Action Task Force; wat maakt dat door de vastlegging ervan de aanvrager aan deze voorwaarde gebonden is. Duidelijk moet zijn hoe met de wijzigingen van dit landsbesluit het bovenstaande zal worden bewerkstelligd om de risico’s te kunnen matigen, zonder op voorhand sanctionerend op te treden en de rechterlijke toetsing over te nemen. Het vorenstaande niet tegenstaande het feit dat hierbij ook rekening dient te worden gehouden met deugdelijke wetgeving en de eigen verantwoordelijkheid van de wetgever.
De Raad adviseert de regering dan ook om in de nota van toelichting op de bovengenoemde punten in te gaan en de noodzaak van het voorgestelde toetsingskader aan te scherpen en te verduidelijken zodat misverstanden voorkomen worden.
g. Artikel 2, eerste lid, onderdeel f
Een vergunning kan volgens het voorgestelde onderdeel f van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp worden afgegeven indien noch de aanvrager noch de bij de exploitatie van zijn loterijbedrijf betrokken personen binnen een periode van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag van de vergunning zijn veroordeeld, al dan niet onherroepelijk, voor enig misdrijf dat gepleegd is ter verkrijging van wederrechtelijk voordeel, waaronder, doch niet beperkt tot diefstal, afpersing, heling, verduistering, bedrog, benadeling van schuldeisers, witwassen, of financiering van terrorisme en proliferatie van massavernietigingswapens[21]. Het is niet duidelijk om welke reden voor een termijn van tien jaren is gekozen nu de Landsverordening van de 18de december 1968 houdende bepalingen betreffende de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag van een kortere periode uitgaat.
De Raad adviseert de regering de gekozen termijn van tien jaar te motiveren in de nota van toelichting.
h. Artikel 2, eerste lid, onderdeel g
Volgens het voorgestelde onderdeel g van het eerste lid van artikel 2 van het Eilandsbesluit 23 september 1986 mag geen sprake zijn van overtreding van de artikelen 2, 6 en 8 van de Loterijverordening 1909. Daarnaast wordt onderdeel g van het eerste lid van artikel 2 in de nota van toelichting als het ware uitgebreid. Op pagina 1, vierde alinea van de nota van toelichting is aangegeven dat de betreffende beleidsbepalers en belanghebbenden vervolgens onderworpen worden aan een screening. Indien uit de screening volgt dat één of meerdere van deze personen binnen een periode van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag van de vergunning al dan niet onherroepelijk is/zijn veroordeeld voor een misdrijf of overtreding van de artikelen 2, 6 en 8 van de verordening, – hier volgt de uitbreiding – dan wel een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust, zal de vergunning worden geweigerd.
1°. De beoogde screening
De regering gaat in de nota niet verder in op de beoogde screening(technieken), waardoor het niet duidelijk is wie de onderhavige screening zal uitvoeren. Worden er wetenschappelijke technieken gebruikt ter bestrijding van de onderhavige financieel-economische criminaliteit? Wie zal de algoritme(s)/de uit te voeren taak of taken bepalen, om zo de eerdergenoemde risico’s te kunnen mitigeren? Welke zijn deze taken (mocht de regering op meer punten willen screenen dan de beleidsbepalers en de belanghebbenden enkel te screenen op een onherroepelijke veroordeling)? Wie is bevoegd toezicht te houden op de uitgevoerde screenings?
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op de invulling van de onderhavige screening.
2°. Overtreding van de artikelen 2, 6 en 8 van de Loterijverordening 1909 en verruiming van de mogelijkheden van overtreding
De artikelen 2 en 6 van de Loterijverordening 1909 bevatten verbodsbepalingen. Artikel 8 van genoemde landsverordening geeft daarentegen aan, de straftoemaat, de verbeurdverklaring en een grondslag voor de vernietiging van in beslag genomen aandelen in de loterij of van andere geschriften waarmede het strafbaar feit is gepleegd, welke vernietiging in een vonnis kan worden gelast. Het spreken van een overtreding van dit artikel lijkt daarom incorrect.
De bewoordingen ‘dan wel een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust’ – zoals in de nota van toelichting opgenomen – komen voorts niet in het voorgestelde onderdeel g van het eerste lid van artikel 2 van het Eilandsbesluit 23 september 1986 voor. Op grond van aanwijzing 159 van de Awr wordt de toelichting niet gebruikt voor het stellen van nadere regels.
De Raad adviseert de regering de verwijzingen in het ontwerp naar de artikelen 2, 6 en 8 van de Loterijverordening 1909 nader te bezien en zo nodig aan te passen. Ook wordt geadviseerd het ontwerp en de nota van toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen voor zover het betreft de eis dat de betreffende beleidsbepalers en belanghebbenden onderworpen worden aan een screening.
i. Artikel 2, eerste lid, onderdeel i
Een vergunning kan volgens het voorgestelde onderdeel i van het eerste lid van artikel 2 van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 worden afgegeven indien een vergunning van de aanvrager niet binnen een periode van tien jaren voorafgaand aan de aanvraag van de vergunning is ingetrokken krachtens het bepaalde in artikel 6 bis van de Loterijverordening 1909. In het huidige artikel 2, aanhef, en onderdeel e, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 wordt bepaald dat de aanvrager een vergunning niet heeft verloren binnen de laatste vijf jaar en krachtens het bepaalde in artikel 6 bis van de Loterijverordening 1909. Uit de nota van toelichting blijkt niet waarom de regering van een termijn van tien jaar uitgaat en aldus niet meer van een termijn van vijf jaar. De Raad acht het van belang dat de regering de in dezen langer gekozen termijn in de nota van toelichting motiveert. Het betrokken artikelonderdeel in het ontwerp is, in vergelijking tot het vigerende landsbesluit, belastend voor de vergunningaanvrager. Dit laatste ondanks de beoogde beslisruimte van de vergunningverlener die door het ontwerp mogelijk wordt gemaakt.
De Raad adviseert de regering de keuze voor een langere termijn in de nota van toelichting te motiveren.
j. Artikel 2, eerste lid, onderdeel j
Een vergunning kan aan de aanvrager worden gegeven op grond van het voorgestelde onderdeel j van het eerste lid van artikel 2 van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 indien de aanvrager en diens loterijbedrijf jegens de Ontvanger geen onherroepelijke belastingschuld hebben, waarvoor uitstel van betaling is verleend en de aanvrager geen openstaande schuld heeft inzake het vergunningsrecht, bedoeld in artikel 44 van de Loterijverordening 1909 of inzake de afdrachten, krachtens artikel 11 bis, eerste lid, onder b, van genoemde verordening. Volgens de nota van toelichting (pagina 1, zesde alinea) mag de aanvrager, noch diens loterijbedrijf een onherroepelijke belastingschuld hebben waarvoor geen uitstel van betaling is verleend of een openstaande schuld inzake het op grond van artikel 4 van de verordening verschuldigde vergunningsrecht dan wel inzake de op grond van artikel 11 bis, eerste lid, onder b, verschuldigde afdrachten hebben.
De Raad adviseert de regering het ontwerp en de nota in overeenstemming met elkaar te brengen.
k. Artikel 2, eerste lid, onderdeel k
De aanvrager kan ingevolge het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel k, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 in aanmerking komen voor een vergunning als deze in het meldsysteem goAML is geregistreerd. Volgens artikel 1, eerste lid, van het Landsbesluit goAML meldportaal, krijgt de melder toegang alleen dan nadat zijn registratie door FIU is gevalideerd. Het is voor de Raad niet duidelijk of de aanvrager moet kunnen volstaan met enkel aan te tonen dat hij de gedane registratie heeft verricht (middels FIU’s elektronische bevestiging[22]) of dat de regering met deze bepaling ook het hebben van een toegang tot het systeem – aldus na validatie door FIU – bedoelt. In hoeverre de regering rekening heeft gehouden met mogelijke vertragingen in de praktijk van de bovengenoemde procedure en het binnen een redelijke termijn kunnen toetsen en (eventueel) afgeven van de gevraagde vergunning is voor de Raad niet duidelijk. Een toelichting ten aanzien van het vorenstaande ontbreekt in de nota van toelichting. Opgemerkt dient te worden dat de aanvrager pas toegang tot het goAML-systeem krijgt als deze meldingsplichtig is. Aldus, als hij reeds over een vergunning beschikt.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
l. Artikel II
Op grond van artikel II van het ontwerp is het onderhavige landsbesluit niet van toepassing op de aanvrager die voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van het landsbesluit reeds een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend.
De Raad is van oordeel dat de overgangsbepaling in artikel II van het ontwerp in de nota van toelichting moet worden toegelicht. In de toelichting op genoemd artikel moet tot uitdrukking komen dat vanwege de in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijke regelgeving, waaronder het vertrouwensbeginsel, de regering gehouden is om de nieuwe gewijzigde voorwaarden niet van toepassing te verklaren op bestaande vergunninghouders en op de aanvragers die de aanvragen vóór de inwerkingtreding van het onderhavige landsbesluit hebben ingediend (in dit verband wordt verwezen naar aanwijzing 128 van de Awr). Vragen over de overgang naar het nieuwe regime en hoe mogelijke risico’s ondervangen zullen worden – risico’s die het ontwerp juist beoogt te vermijden –, zijn terechte vragen die bij deze formulering kunnen ontstaan en waarvoor de nota geen toelichting biedt.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting hierop in te gaan.
3. De nota van toelichting
Het inzagerecht
1°. Begrenzing van het inzagerecht
Volgens de nota van toelichting (pagina 1, derde alinea) brengen de onderhavige wijzigingen – voor zover hier van belang – mee dat volledige bekendheid dient te bestaan met de bij de exploitatie van het loterijbedrijf betrokken beleidsbepalers en belanghebbenden. Op grond van het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Eilandsbesluit van 23 september 1986 – zoals al eerder aangemerkt – kan de vergunning worden geweigerd als degenen die het beleid van het loterijbedrijf bepalen of mede bepalen, of degenen met een rechtstreeks of middellijk belang in het geplaatste aandelenkapitaal of een daarmee vergelijkbaar belang in het loterijbedrijf, of de uiteindelijke belanghebbende(n), niet kenbaar zijn. Ten behoeve van deze controle dient de aanvrager volgens de nota van toelichting (pagina 1, derde alinea, laatste zin) volledige inzage te geven in de betrokkenheid van de betreffende beleidsbepalers en belanghebbenden.
Onduidelijk is hoever dit ruime inzagerecht in de betrokkenheid van de onderhavige beleidsbepalers en belanghebbenden reikt. De Raad oordeelt dat het inzagerecht in het ontwerp dient te worden ingekaderd en kan aldus niet als absoluut worden geformuleerd.
De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen.
2°. Rechtsbescherming
Ten aanzien van de wijze van de verwerking en – indien hiervan sprake is – het houden van de ontvangen informatie, moet onder andere de Landsverordening bescherming persoonsgegevens in acht worden genomen. Gelet op de geldende behoorlijkheidsnormen, gaat de Raad ervan uit dat de regering in de praktijk zich bij het in het vorige onderdeel bedoelde wettelijke inzagerecht zal houden aan het beginsel van hoor en wederhoor; welk onderdeel de schakel tussen het recht om informatie te verschaffen en het recht om informatie te ontvangen inhoudt.
De Raad adviseert de regering om in de nota van toelichting aan te geven hoe de desbetreffende rechtsbescherming ten aanzien van het wettelijke inzagerecht door de regering zal worden bewerkstelligd.
II. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Voor wetstechnische en redactionele opmerkingen verwijst de Raad naar de bij dit advies behorende bijlage die integraal onderdeel hiervan uitmaakt.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 31 oktober 2023
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/21-23-LB
Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Algemeen
Voorgesteld ‘zoals gewijzigd’ in het opschrift van het ontwerp en van de nota van toelichting alsook in de aanhef van artikel I van het ontwerp te schrappen.
2. Het ontwerp
a. Artikel A
Voorgesteld wordt om:
- het woord ‘verordeeld’ in onderdeel g te vervangen door ‘veroordeeld’;
- onderdeel h te herschrijven;
- in onderdeel i de komma-teken tussen ‘6’ en ‘bis’ te schrappen;
- in onderdeel k een komma-teken tussen ‘meldportaal’ en ‘is’ op te nemen;
b. Artikel II
Voorgesteld wordt om ‘tijstip’ te vervangen door ‘tijdstip’.
3. De nota van toelichting
a. Algemeen
Conform aanwijzing 46 van de Awr worden afkortingen alleen gebruikt indien dit redelijkerwijs niet te vermijden is.
In de tekst van de nota van toelichting komen veel afkortingen voor, zonder dat deze eerst voluit zijn geschreven. Als voorbeeld dienen de volgende afkortingen: NvT, GCB, FIU, GMN. Voorgesteld wordt om de afkortingen eenmalig voluit te schrijven en de afkortingen tussen haakjes achter de desbetreffende woorden te plaatsen. Daarenboven wordt voorgesteld om de uitlijning consequent toe te passen.
Tevens wordt aanbevolen om bij de beantwoording van de vragen van – in dit geval – de SER in de nota van toelichting, heldere en bondige taal te gebruiken. Als eerste voorbeeld wordt hier aangehaald de reactie van de regering op pagina 10, onder punt 11, van de nota van toelichting op een gestelde vraag. De regering merkt op dat de World Lottery Association security control standard als uitgangspunt ‘zou’ kunnen dienen voor het ontwikkelen van lokale minimum technische vereisten voor het geautomatiseerd systeem. Uit de reactie van de regering volgt niet – vooral gezien de termijn van invoering en het spoedeisend karakter van
het ontwerp – welk systeem definitief door de regering zal worden gebruikt. Een ander voorbeeld is de reactie van de regering op pagina 11, punt 15, van de nota van toelichting. De regering geeft aan dat er een plan van aanpak is, maar gaat verder niet in op bijvoorbeeld de vaststellingsdatum, om welk (tastbare) plan van aanpak het gaat, etc.
Daarnaast worden antwoorden steeds herhaald, wat de leesbaarheid van de nota van toelichting niet ten goede komt. Voorgesteld wordt om de samenhangende vragen van de SER te compileren om vervolgens een duidelijk, volledig en verantwoord antwoord daarop te geven.
b. Pagina 5
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste en tweede zin van de derde alinea ‘warden’ te vervangen door ‘worden’.
- In de tweede zin van de vierde alinea ‘minister van Financiën’ ter vervangen door ‘Minister van Financiën’.
c. Pagina 6
Voorgesteld wordt om:
- in de laatste zin van de eerste alinea ‘artikel 7.1., onderdeel e, van de ministeriële regeling formeel belastingrecht’ te vervangen door ‘artikel 7.1, eerste lid, onderdeel e van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht’;
- een voetnoot in te voegen achter het laatste voorgestelde woord bij het hierboven opgenomen eerste gedachtestreepje, dat luidt: ‘P.B. 2013, no. 63, zoals gewijzigd bij P.B. 2014, no. 81.’
- In de derde zin van de tweede alinea ‘allen’ te vervangen in ‘alleen’.
d. Pagina 7
Voorgesteld wordt om:
- in de voorlaatste zin van het derde tekstbblok ‘Naf. 180,000.00’ te vervangen door ‘NAf 180.000,00’;
- onder punt 5 een meer recente tabel op te nemen om de schatting van de kosten weer te kunnen geven;
- in de laatste zin van de laatste alinea ‘Algemene landsverordening Landsbeslating’ te vervangen door ‘Algemene landsverordening Landsbelastingen’ en ‘arikel 43’ te vervangen door ‘artikel 43’.
e. Pagina 9
Voorgesteld wordt om:
- in de laatste zin van het eerste tekstblok onder de tabel ‘Algemene landsverordening Landsbeslating’ te vervangen door ‘Algemene landsverordening Landsbelastingen’ en ‘arikel 43’ te vervangen door ‘artikel 43’;
- in de tweede zin van het volgende tekstblok ‘Naf. 180,000.00’ te vervangen door ‘NAf 180.000,00’
f. Pagina 10
Voorgesteld wordt om in de laatste zin van het voorlaatste tekstblok ‘bet’ te vervangen door ‘het’.
g. Pagina 11
Voorgesteld wordt om:
- in de laatste zin bij punt 13 ‘bet’ te vervangen in ‘het’;
- in de eerste zin van de derde alinea de correcte aanwijzing op te nemen en ‘at’ te vervangen in ‘af’;
- in de voorlaatste alinea ‘waaonder’ te vervangen in ‘waaronder’;
- in de de laatste alinea ‘warden’ te vervangen in ‘worden’.
h. Pagina 13
Voorgesteld wordt om:
- de eerste alinea te herformuleren. De beantwoording dient – rekening houdend met factoren in kwestie – duidelijk en gemotiveerd te expliciteren waarom de regering gekozen heeft voor de wettelijke vastlegging van de onderhavige eis zoals in het ontwerp verwoord, en niet volstaan met een antwoord zoals in dit onderdeel gegeven;
- in de eerste zin van de tweede alinea het getal ‘125’ in te voegen achter het woord ‘aanwijzing’.
i. Pagina 14
Voorgesteld wordt om:
- direct na de eerste alinea ‘Blz, 24’ te vervangen in ‘Blz. 24’;
- bij punt 22, derde zin, ‘do’ te vervangen door ‘de’;
- bij punt 22, vijfde en zesde zin, ‘hot’ te vervangen door ‘het’
- bij punt 22, vijfde zin, ‘overeenkomstig’ te vervangen door ‘overeenkomstige’.
__________________________
[1] Zie eerste alinea van pagina 4 van de nota van toelichting. Hierin definieert de regering wat onder een ‘acceptabel niveau’ in dit ontwerp wordt begrepen.
[2] Uit de apostilles op de omslag blijkt dat het versturen door WJZ van de schriftelijke aanzet plaats heeft gehad op 14 juni 2023, aldus bijna een jaar na het advies van de SER.
[3] De Raad heeft onder andere in de brief d.d. 11 augustus 2021 (met kenmerk RvA no. OV/23-21) aan de regering naar genoemde beleidsregels verwezen.
[4] Volgens de ‘International Standards on Combating Money Laundering and The Financing of Terrorism & Proliferation’ moeten de sancties voor niet-naleving effectief, evenredig en afschrikkend zijn.
[5] De Raad heeft op 22 augustus 2023 advies (met kenmerk RvA no. RA/12-23-LV) uitgebracht over de ontwerplandsverordening op de kansspelen (zaaknummer 2023/5974). Na inwerkingtreding van de Landsverordening op de kansspelen zal de Stichting Curaçao Gaming Authority (hierna: CGA) belast worden met het toezicht en de handhaving. De GCB zal dan als toezichthouder op de kansspelen worden voortgezet onder de (de nieuwe naam) CGA.
[6] Artikel 1:235 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:235, tweede lid, BW: “Bij het verlenen van handlichting bepaalt de rechter uitdrukkelijk welke bevoegdheden van een meerderjarige aan de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de gehele ontvangst van zijn inkomsten en de beschikking daarover, het sluiten van verhuringen, het in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen van een beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door handlichting niet bekwaam tot het beschikken over registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte vorderingen.”
[7] https://www.curacaochamberofcommerce.com/wp-content/uploads/2022/08/form_Model-A-2016.pdf.
[8] In de zaak van 18 september 2019 van het Gerecht in Eerste Aanleg Aruba, ECLI:NL:OGEAA:2019:604 is bijvoorbeeld ook gebleken dat een eenmanszaak ook in nummerverkoop kan handelen. De term ‘Loterijbedrijf’ kan aldus ruim worden opgevat, waardoor een minderjarige die over een handlichting beschikt ook in beginsel een loterijbedrijf zou kunnen oprichten.
[9] De Raad zal terzake de benaming ‘loterijbedrijf’ nog een opmerking maken die verder in de tekst te lezen zal zijn.
[10] Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van 1 april 2016, met kenmerknummer 500.00430/12 of de uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao van 10 april 2019, met kenmerknummer Cur2019201900469 en Cur201900470.
[11] A.B. 1986, no. 5.
[12] dat synoniem is van het woord ‘vergunning’ (synoniemen.net).
[13] A.B. 1986, no. 22.
[14] Wil de wetgever een dergelijke voorwaarde stellen aan de onderhavige vergunningverlening – indien men ervan uitgaat dat de loterijsector een verhoogd risico heeft in het kader van de AML –, dan dient de voorgestelde bepaling in het licht van het doel dat de wetgever met de Loterijverordening 1909 (de moeder wet) voor ogen heeft gehad, te worden uitgelegd. Daarnaast dient de bepaling overeen te stemmen met de beoogde doelverruiming, namelijk het matigen/de bestrijding van criminele activiteiten (met name gericht op het witwassen). Gezien het vorenstaande wordt verondersteld dat bij geen vermoeden het bestuursorgaan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand waarschijnlijke verklaring van de aanvrager mag verzoeken en dat de desbetreffende persoon of bedrijf deze verklaring afgeeft. Echter, een dergelijke toelichting ontbreekt in de nota.
[15] De herkomst kan in beginsel ook legaal zijn.
[16] Aldus wettig en overtuigend bewezen dat de gelden een legale herkomst hebben.
[17] Waarbij uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
[18] ECLI:NL:HR:2010:BM0787.
[19] Zie nader HR 5 september 2017 (Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:2531) r.o. 4.6: “De redenering van de Hoge Raad in dit arrest komt erop neer dat, indien in een bepaalde zaak sprake is van een bewijsvermoeden met betrekking tot de criminele herkomst van gelden, van de verdachte een begin van tegenbewijs (ook wel: een ‘concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst’) mag worden verlangd. Van belang is ook de mate waarin een door de verdachte aangedragen begin van tegenbewijs in de strafprocedure vervolgens nader is onderzocht.”
[20] Vooral gericht op de naleving van een hoger niveau van de AML-vereisten.
[21] De laatste drie opgenomen categorieën misdrijven zijn die waarop de Financial Action Task Force toeziet en waarvoor sanctielijsten zijn opgesteld.
[22] Nota van toelichting behorende bij het Landsbesluit goAML meldportaal, p. 6 (P.B. 2020, no. 157).
