Adviezen
RvA no. RA/21-24-LV: Ontwerplandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (aanscherping bestrijding terrorisme en enige andere noodzakelijke aanpassingen)
Ontvangstdatum: 21/06/2024
Publicatie datum: 07/04/2025
(zaaknummer 2024/000971)
Ontwerplandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (aanscherping bestrijding terrorisme en enige andere noodzakelijke aanpassingen)
(zaaknummer 2024/000971)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 14 juni 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 17 september 2024, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. De medegelding van verdragen
In de tweede overweging van de onderhavige ontwerplandsverordening tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het ontwerp) en uit de vierde zin van de toelichting op onderdeel B van artikel I van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1:6, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: het WvSr)) volgt dat Curaçao medegelding wenst aan het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (hierna: het Aanvullend Protocol).
Uit de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de memorie van toelichting) is niet gebleken of de procedure om medegelding voor Curaçao van het Aanvullend Protocol aan te vragen reeds in gang is gezet. Het één en ander geldt ook ten aanzien van de andere verdragen die in het ontwerp worden genoemd. Een voorbeeld hiervan is het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal dat een belangrijke rol speelt in de in artikel I, onderdeel T van het ontwerp voorgestelde artikelen 2:124a en 2:124b van het WvSr.[1]
De Raad is van oordeel dat door de regering in de memorie van toelichting uiteengezet moet worden wat de stand van zaken is met betrekking tot de medegelding voor Curaçao van het Aanvullend Protocol, het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal en andere relevante verdragen die van belang zijn voor het ontwerp.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting aan te vullen.
2. Adviezen van derden
Met het onderhavige ontwerp wordt in hoofdzaak beoogd om de strafwetgeving van Curaçao aan te scherpen voor wat betreft het bestrijden van terrorisme.[2] Volgens de regering moeten bepaalde strafbare gedragingen begaan met een terroristisch oogmerk meer expliciet in de strafwetgeving worden vermeld. Daarnaast is tevens gebruik gemaakt van de gelegenheid om een aantal andere aanpassingen in het WvSr aan te brengen.
De Raad merkt op dat uit de memorie van toelichting en de bij het adviesverzoek gevoegde stukken niet blijkt of het advies van de Commissie inzake de voorkoming en bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van massavernietigingswapens is ingewonnen. Het inwinnen van advies van deze commissie is volgens de Raad noodzakelijk gezien het doel van het ontwerp. Volgens de regering coördineert genoemde commissie ten behoeve van Curaçao de werkzaamheden ter voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en proliferatie van massavernietigingswapens met de andere delen van het Koninkrijk, andere belanghebbende landen, de Financial Action Taskforce, de Caribbean Financial Action Taskforce en andere internationale organisaties, alsmede met de betrokken instellingen, instanties en/of personen in Curaçao.[3]
De Raad adviseert de regering de adviezen van de bovengenoemde commissie over het ontwerp in te winnen en vervolgens in de memorie daarop in te gaan.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. De dubbele strafbaarheid (artikel I, onderdeel B)
In onderdeel B van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 1:6 van het WvSr te wijzigen. Artikel 1:6 van het WvSr gaat over het vestigen van rechtsmacht ten aanzien van gepleegde misdrijven en in onderdeel c van het eerste lid wordt de eis van de dubbele strafbaarheid geregeld. Het houdt in dat de strafwet van Curaçao van toepassing is op de Nederlander of vreemdeling die in Curaçao een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die zich buiten Curaçao schuldig maakt aan een feit dat door de strafwet van Curaçao als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is straf is gesteld.
In de tweede zin van de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (pagina 3 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat aan de uitoefening van de rechtsmacht niet de voorwaarde mag worden gesteld dat op het desbetreffende strafbare feit ook straf is gesteld in het land waar het begaan is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 1:6, eerste lid, onder c, van het WvSr.
Volgens de Raad is er sprake van een discrepantie tussen artikel 1:6 van het WvSr en de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het ontwerp voor wat betreft de eis van de dubbele strafbaarheid. Met andere woorden, het WvSr regelt de dubbele strafbaarheid terwijl uit de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het ontwerp volgt dat deze eis uitgesloten moet worden. De Raad is van oordeel dat het een en ander verhelderd moet worden. Volgens aanwijzing 158 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr) dient de toelichting niet gebruikt te worden voor het stellen van nadere regels. Indien de regering van mening is dat de eis van dubbele strafbaarheid niet moet gelden, dan dient deze uitzondering, in het licht van aanwijzing 158 van de Awr, duidelijk uit het WvSr te blijken en niet uit de toelichting op een wijziging daarvan.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
b. Elektronisch toezicht (artikel I, onderdeel D)
1º. De zekerheidsstelling
In onderdeel D van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 1:32, derde lid, laatste zin, van het WvSr te wijzigen waardoor aan een bijzondere voorwaarde voor het verlenen van vervroegde invrijheidsstelling de maatregel van elektronisch toezicht kan worden verbonden samen met de nieuw voorgestelde maatregel van zekerheidsstelling. Uit de laatste zin van de toelichting op onderdeel D van het ontwerp (pagina 4 van de memorie van toelichting) volgt dat deze zekerheidsstelling in de vorm van een geldbedrag zal zijn.
De Raad mist in het voorgestelde artikel 1:32 van het WvSr een bepaling waarin onder meer bij of krachtens het WvSr de hoogte van de zekerheidsstelling, de wijze van berekening ervan, de betalingswijze en eventuele teruggave, de eventuele jaarlijkse indexering ervan en de rechtssubjecten die als geldschieters tot zekerheid mogen dienen worden geregeld. Het één en ander onder verwijzing naar met name het eerste lid, onderdelen a en h van aanwijzing 17 van de Awr waarin wordt bepaald wanneer onderwerpen en zaken in een landsverordening zelf moeten worden geregeld en niet overgelaten mogen worden aan lagere uitvoeringswetgeving als bedoeld in bijvoorbeeld het zevende lid van artikel 1:32 van het WvSr.
De Raad adviseert de regering om onderdeel D van het ontwerp aan te passen.
2º. Discrepantie tussen het ontwerp en de memorie van toelichting
Uit het voorgestelde derde lid van artikel 1:32 van het WvSr volgt dat ‘de maatregel van elektronisch toezicht en een zekerheidsstelling’ kunnen worden opgelegd. Deze cumulatieve formulering is in tegenspraak met de eerste zin van de toelichting van dit artikel (pagina 4 van de memorie van toelichting) waar aangegeven wordt dat ‘de maatregel van elektronisch toezicht en/of een zekerheid’ kan worden gesteld.
De Raad adviseert de regering om deze discrepantie op te heffen door de memorie van toelichting in overeenstemming te brengen met het voorgestelde derde lid van artikel 1:32 van het WvSr.
3º. De wettelijke basis voor het elektronisch toezicht
Aan gedetineerden of aan verdachten die zich in voorlopige hechtenis bevinden kan door de Minister van Justitie de mogelijkheid worden geboden om een gedeelte van hun straf of hechtenis buiten de gevangenis door te brengen indien zij daarvoor een enkelband dragen. Dit elektronisch toezicht kan worden verleend op grond van de Beschikking Elektronisch Toezicht.[4] In de laatste overweging van deze ministeriële beschikking met algemene werking wordt aangegeven dat het project elektronisch toezicht voor de duur van één jaar zal worden opgezet, waarbij na een gunstige evaluatie, nadere vastlegging in een wettelijke regeling zal volgen.
Volgens de Raad is het aannemelijk dat het project elektronisch toezicht succesvol is gebleken aangezien er, zeker tot het jaar 2021, beschikkingen door de Minister van Justitie zijn genomen tot het opleggen van deze maatregel aan gedetineerden of verdachten in voorlopige hechtenis.[5] De Raad is van oordeel dat de tijd rijp is om de toezegging van de regering in de laatste overweging van de Beschikking Elektronisch Toezicht na te komen door een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, als bedoeld in het zevende lid van artikel 1:32 van het WvSr vast te stellen.
De Raad vraagt hiervoor aandacht van de regering.
4º. Het voldoen van de zekerheidsstelling door geldschieters
Uit de laatste zin van de toelichting op onderdeel D van artikel I van het ontwerp (pagina 4 van de memorie van toelichting) volgt dat de zekerheidsstelling in de vorm van een geldbedrag (eventueel) door geldschieters kan worden voldaan. Aan gedetineerden en onveroordeelden (verdachten in voorlopige hechtenis) wordt op grond van artikel 26 van de Landsverordening beginselen gevangeniswezen een arbeidsloon toegekend. Dit arbeidsloon wordt op grond van artikel 26 van voornoemde landsverordening en artikel 19 van de Gevangenismaatregel 1999 onderverdeeld in ‘Eigen geld’, ‘Zakgeld’ en ‘Uitgaanskas’. Door het bepaalde in deze bepalingen maar ook in het Huishoudelijk reglement penitentiaire inrichtingen 1999 is het voor de Raad niet duidelijk om welke reden er sprake moet zijn van geldschieters voor het voldoen van de zekerheidsstelling. Volgens de Raad moet met andere woorden in de memorie van toelichting gemotiveerd worden waarom (een deel van) het arbeidsloon niet gebruikt kan worden ter dekking van de zekerheidsstelling. Te meer gezien de regering een adviesverzoek over het ontwerplandsbesluit tot verhoging van het zakgeld van gedetineerden heeft ingediend, waarover de Raad op 19 maart 2024 het advies met kenmerk RvA no. RA/04-24-LB heeft uitgebracht.[6] Het gebruiken van het arbeidsloon van de gedetineerde of onveroordeelde zelf zal immers eraan bijdragen dat deze personen bij hun (definitieve) vrijlating geen nieuwe ongewenste (geld)schulden zullen opbouwen.
De Raad geeft de regering in overweging om te laten nagaan of de zekerheidsstelling ten aanzien van een enkelband van het arbeidsloon van de gedetineerde of onveroordeelde zelf kan worden voldaan.
c. Het oproepen en horen van de Minister van Justitie of diens vertegenwoordiger (artikel I, onderdeel E)
In onderdeel E van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 1:40, tweede lid, van het WvSr te wijzigen. Door deze wijziging dient de Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger te worden opgeroepen en gehoord over het bezwaar van de gedetineerde tegen de beslissingen genomen in verband met de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Volgens de toelichting op het voorgestelde artikel 1:40, tweede lid, van het WvSr (pagina 4 van de memorie van toelichting) wordt op deze wijze de administratieve procedure verbeterd.
De Raad mist in artikel 1:40 van het WvSr een bepaling waarin onder meer wordt geregeld binnen welke termijn de Minister van Justitie moet worden opgeroepen en gehoord, welke instantie (het Openbaar Ministerie of de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao) de oproeping moet doen, welke instantie (het Openbaar Ministerie of het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao) de desbetreffende minister of zijn vertegenwoordiger moet horen en of er een proces-verbaal van het horen moet worden opgemaakt. Het één en ander onder verwijzing naar het eerste lid, onderdelen a en h van aanwijzing 17, van de Awr waarin wordt bepaald welke onderwerpen in een landsverordening zelf moeten worden geregeld.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen.
d. De hoogte van de geldboete (artikel I, onderdeel F)
1º. De jaaromzet van de rechtspersoon in het voorafgaande boekjaar
In onderdeel F van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om het zevende lid van artikel 1:54 van het WvSr te wijzigen. Als gevolg van die wijziging kan de hoogte van de geldboete voor rechtspersonen, ook wanneer zij een terroristisch misdrijf plegen, worden opgelegd tot ten hoogste tien procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan de uitspraak. In de toelichting op het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 1:54 van het WvSr (pagina’s 4 en 5 van de memorie van toelichting) wordt bepaald wat onder de term ‘omzet’ moet worden begrepen.
De Raad is van oordeel dat de term ‘omzet’, in navolging van aanwijzing 158 van de Awr, niet in de memorie van toelichting uitgelegd dient te worden maar in het WvSr zelf.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen.
2º. De term ‘uitspraak’
Op grond van het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 1:54 van het WvSr wordt de geldboete bepaald aan de hand van de jaaromzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaande aan de uitspraak. Het is niet duidelijk welke ‘uitspraak’ hier bedoeld wordt en of het hier om een onherroepelijke uitspraak gaat.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen.
3º. De berekening van de geldboete indien de jaaromzet niet bekend is
Het is niet duidelijk op welke wijze de geldboete bedoeld in het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 1:54 van het WvSr berekend moet worden indien de jaaromzet van de rechtpersoon in het boekjaar voorafgaande aan de uitspraak niet bekend is. De rechtspersoon kan immers gedurende dat jaar ontbonden of failliet worden verklaard.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen.
4º. Het bepalen van de jaaromzet van buitenlandse rechtspersonen
Op grond van het WvSr kan een buitenlandse rechtspersoon in Curaçao worden vervolgd voor het overtreden van de strafwetgeving. Uit de toelichting op het nieuw voorgestelde zevende lid van artikel 1:54 van het WvSr volgt niet op welke wijze de jaaromzet van deze buitenlandse rechtspersoon bepaald moet worden.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
e. De term ‘vitale infrastructuur’ (artikel I, onderdeel Q)
In onderdeel Q van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:70 van het WvSr te wijzigen. In dit artikel wordt het belemmeren van de toegang tot of van het gebruik van geautomatiseerde werken strafbaar gesteld. In het nieuw voorgestelde derde lid van artikel 2:70 wordt de term ‘vitale infrastructuur’ gebruikt. Het is niet duidelijk wat onder deze term verstaan moet worden en of het hierbij gaat om de infrastructuur van een land of een bedrijf of organisatie.
De Raad is van oordeel dat de term ‘vitale infrastructuur’ in het ontwerp nader gedefinieerd moet worden en adviseert de regering om het ontwerp hiervoor aan te passen.
f. De ontzetting van alle rechten ten aanzien van misdrijven tegen de openbare orde (artikel I, onderdeel R)
In onderdeel R van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:78 van het WvSr te wijzigen. In het nieuwe tweede lid van artikel 2:78 van het WvSr wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een van de in de artikelen 2:70, vierde en vijfde lid, omschreven terroristische misdrijven, de ontzetting van alle rechten vermeld in artikel 1:64 van het Wvsr kan worden uitgesproken.[7]
Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt hoe dit nieuwe tweede lid van artikel 2:78 van het WvSr zich verhoudt tot het tweede lid van artikel 1:64 van het WVSr. In laatstgenoemd artikellid wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting van alle rechten kan worden uitgesproken, het één en ander onverminderd het bestaan van bijzondere bepalingen. Volgens de Raad bestaat er met andere woorden geen directe noodzaak om het in het ontwerp bedoelde tweede lid in artikel 2:78 van het WvSr op te nemen. In de toelichting op het tweede lid van artikel 1:64 wordt aangegeven dat voor de constructie van het opnemen van dit tweede lid is gekozen om te voorkomen dat in elk geval (lees: in elk artikel over een terroristisch misdrijf) apart moet worden aangegeven dat ontzetting van alle rechten genoemd in het eerste lid kan worden uitgesproken en omdat in artikel 1:202 van het WvSr duidelijk wordt aangegeven welke de terroristische misdrijven zijn.
Voor de volledigheid merkt de Raad op dat door de regering in artikel I, onderdeel J, van het ontwerp het voorstel wordt gedaan om artikel 1:202 van het WvSr te wijzigen. Deze wijziging zal als gevolg hebben dat er in de toekomst een algemene formulering is voor datgene wat onder een terroristisch misdrijf moet worden verstaan in plaats van al deze misdrijven één voor één in dat artikel te gaan opsommen. De voorgestelde wijziging van artikel 1:202 van het WvSr zal niet afdoen aan de bovengenoemde motivering van de wetgever.
De Raad adviseert de regering om het in het ontwerp nieuw voorgestelde tweede lid in artikel 2:78 van het WvSr te schrappen. Mocht de regering het desbetreffende tweede lid in artikel 2:78 van het WvSr willen handhaven, dan dient deze keuze in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
g. Het veroorzaken van gevaar voor het luchtverkeer (artikel I, onderdeel S)
1º. Samenspanning
In onderdeel S van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om de artikelen 2:111a en 2:111b in het WvSr op te nemen. In beide artikelen gaat het om het veroorzaken van gevaar voor het luchtverkeer. In artikel 2:127 van het WvSr wordt de samenspanning[8] geregeld tot het begaan van de strafbare feiten opgenomen in titel VI van het Tweede Boek van het WvSr.
Het is de Raad opgevallen dat de regering niet een voorstel in onderdeel V van artikel I van het ontwerp heeft gedaan om het eerste lid van het nieuwe artikel 2:111a van het WvSr in de opsomming van artikel 2:127 van het WvSr op te nemen. Volgens de Raad moet strafbaarstelling van samenspanning tot het opzettelijk gevaar veroorzaken voor het luchtverkeer wel mogelijk zijn in ons strafrechtssyteem.[9]
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen. Indien deze aanpassing volgens de regering niet noodzakelijk is, dan dient dit in de memorie van toelichting gemotiveerd te worden.
2º. De gevallen van ‘gevaar’
In het eerste lid van de nieuw voorgestelde artikelen 2:111a en 2:111b van het WvSr wordt telkens het begrip ‘gevaar’ gebruikt. Aangezien de toelichting op deze artikelleden (pagina 7 van de memorie van toelichting) zeer summier is, is niet duidelijk om welke gevallen van gevaarzetting het gaat. Het een en ander kan verduidelijkt worden door in de memorie van toelichting voorbeelden te noemen.
De Raad adviseert de regering om in de toelichting op onderdeel S van artikel I van het ontwerp in te gaan op het bovenstaande.
3º. Gevaarzetting voor de luchtvaart maar ook voor de scheepvaart
Het is de Raad opgevallen dat in het ontwerp geen bepaling is opgenomen over het veroorzaken van gevaar voor de scheepvaart.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen. Indien de regering van mening is dat gevaarzetting voor de scheepvaart niet hoeft te worden geregeld, dan dient dit in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
h. Kernmateriaal (artikel I, onderdeel T)
In onderdeel T van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om de nieuwe artikelen 2:124a en 2:124b in het WvSr op te nemen. In deze twee nieuwe artikelen worden, kort gezegd, de strafbare feiten rondom kernmateriaal geregeld.
In het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 2:124b van het WvSr wordt van het in strijd handelen met een vergunning gesproken. In de toelichting op dit artikel (pagina 7 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat ons land geen aparte Kernenergiewet kent. Curaçao is nog niet aangesloten bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal zoals genoemd in het voorgestelde artikel 2:124b van het WvSr. Het is daarom niet duidelijk welke vergunningen bedoeld worden in dat artikel. De Raad is van oordeel dat in verband met de rechtszekerheid, het legaliteitsbeginsel en de grondrechten zoals het recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) duidelijk gemaakt dient te worden om welke vergunningen precies het mag gaan en welk bevoegde gezag deze kan uitgeven.
De Raad adviseert de regering om onderdeel T van artikel I van het ontwerp en de toelichting daarop aan te passen.
i. Mensenhandel (artikel I, onderdeel X)
1º. De wisseling of overdracht van de controle
In onderdeel X van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:239 van het WvSr, waar mensensmokkel strafbaar wordt gesteld, te wijzigen. In onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 2:239 van het WvSr wordt de zinsnede ‘met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander’ ingevoegd. De Raad mist een nadere motivering hiervan in de toelichting op het desbetreffende artikel.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
2º. De ontzetting van alle rechten wegens mensenhandel
In de toelichting op het voorgestelde artikel 2:239 van het WvSr (pagina 9 van de memorie van toelichting) wordt verwezen naar artikel 2:258 van dat wetboek waar de ontzetting van rechten wordt geregeld.
Op grond van het eerste lid van artikel 2:258 van het WvSr kan ten aanzien van de veroordeelde wegens mensenhandel de ontzetting worden uitgesproken van de rechten, bedoeld in artikel 1:64 van het WvSr in:
- onderdeel a, het bekleden van bepaalde ambten;
- onderdeel b, het uitoefenen van bepaalde beroepen; of
- onderdeel d, het in- en uitreisverbod voor de landen of openbare lichamen van het Koninkrijk.
Voor mensenhandel kan de veroordeelde niet worden ontzet van het recht om zich vrijelijk te bevinden in alle delen van Curaçao (onderdeel e) omdat artikel 2:239 niet in het tweede lid van artikel 2:258 van het WvSr wordt genoemd. Uit de toelichting op artikel 1:64 van het WvSr volgt dat het gebiedsverbod in onderdeel e van het eerste lid juist ook bedoeld is voor mensenhandel.[10] De Raad is van oordeel dat bij een veroordeling wegens mensenhandel ook de ontzetting van het recht om zich vrijelijk in alle delen van Curaçao te bevinden moet kunnen worden uitgesproken c.q. opgelegd.
De Raad adviseert de regering om artikel I, onderdeel AA, van het ontwerp zodanig aan te passen dat het (nieuwe) artikel 2:239 in de opsomming van het tweede lid van artikel 2:258 van het WvSr wordt opgenomen. Indien de regering van mening is dat deze aanpassing niet noodzakelijk is, dan dient dit in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
j. De ontzetting van alle rechten ten aanzien van misdrijven tegen het leven gericht (artikel I, onderdeel AB)
In onderdeel AB van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:269 van het WvSr te wijzigen. Artikel 2:269 gaat over de ontzetting van de rechten genoemd in de onderdelen a en b van het eerste lid van artikel 1:64 van het WvSr. In het nieuwe tweede lid van artikel 2:269 van het WvSr wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een van de in dat artikel omschreven misdrijven, begaan met een terroristisch oogmerk, de ontzetting van één of meer van de in artikel 1:164 vermelde rechten kan worden uitgesproken.
Het is voor de Raad niet duidelijk hoe dit nieuwe artikellid zich verhoudt tot het tweede lid van artikel 1:64 van het WVSr. Daarin wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting van alle rechten kan worden uitgesproken, het één en ander onverminderd het bestaan van bijzondere bepalingen. Volgens de Raad bestaat er met andere woorden geen directe noodzaak om de in onderdeel AB van artikel I van het ontwerp bedoelde tweede lid in artikel 2:269 van het WvSr op te nemen.
De Raad adviseert de regering om het nieuw voorgestelde tweede lid in artikel 2:269 van het WvSr te schrappen. Mocht de regering het desbetreffende tweede lid in artikel 2:269 willen handhaven, dan dient deze keuze in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
k. De ontzetting van alle rechten ten aanzien van mishandeling (artikel I, onderdeel AC)
1º. Verhouding met artikel 1:64, tweede lid, van het WvSr
In het nieuw voorgestelde artikel 2:281 van het WvSr (artikel I, onderdeel AC, van het ontwerp) wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een van de in de artikelen 2:274 tot en met 2:280 omschreven misdrijven, de ontzetting van één van de in het eerste lid van artikel 1:64 genoemde rechten kan worden uitgesproken.
Het is voor de Raad niet duidelijk hoe dit nieuwe artikellid zich verhoudt tot het tweede lid van artikel 1:64 van het WVSr. Daarin wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting uit alle rechten kan worden uitgesproken, het één en ander onverminderd het bestaan van bijzondere bepalingen. Ter illustratie wordt verwezen naar de toelichting op het huidige artikel 2:281 van het WvSr, waarin de wetgever duidelijk aangeeft dat voor de terroristische misdrijven omschreven in de artikelen 2:278 en 2:279 van het WvSr het aparte regime van het tweede lid van artikel 1:64 geldend is.[11] Volgens de Raad bestaat er met andere woorden geen directe noodzaak om de in onderdeel AC van artikel I van het ontwerp bedoelde wijziging van artikel 2:281 van het WvSr op te nemen.
De Raad adviseert de regering om het nieuw voorgestelde artikel 2:281 van het WvSr te schrappen. Mocht de regering het desbetreffende artikel I, onderdeel AC, van het ontwerp willen handhaven, dan dient deze keuze in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
2º. Geen ontzetting van rechten bij (eenvoudige) mishandeling
In het huidige artikel 2:281 van het WvSr wordt bepaald dat de ontzetting van de in onderdelen a, b en e van artikel 1:64 van dit wetboek vermelde rechten kan worden uitgesproken bij een veroordeling wegens een van de in titel XX ‘Mishandeling’ omschreven misdrijven. In de desbetreffende titel XX komt ook het misdrijf (eenvoudige) mishandeling voor, opgenomen in artikel 2:273 van het WvSr. Door in het nieuw voorgestelde artikel 2:281 van het WvSr te bepalen dat de ontzetting van rechten alleen ten aanzien van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:274 tot en met 2:280 van het WvSr kan worden uitgesproken, zal geen ontzetting van rechten meer voor (eenvoudige) mishandeling (artikel 2:273) mogen worden uitgesproken. In de toelichting op het voorgestelde artikel 2:281 (pagina 10 van de memorie van toelichting) ontbreekt hiervoor een motivering. De Raad is van oordeel dat gemotiveerd dient te worden om welke reden de regering de keuze heeft gemaakt om de mogelijkheid voor ontzetting van rechten voor (eenvoudige) mishandeling te schrappen.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting, en indien nodig het ontwerp, aan te passen.
3º. De beperking tot de ontzetting van één recht
De formulering ‘kan de ontzetting van één van de in artikel 1:64 vermelde rechten worden uitgesproken’ in het nieuw voorgestelde artikel 2:281 van het WvSr legt volgens de Raad aan de rechter een beperking op in de keuze van welke rechten de ontzetting mag worden uitgesproken. Over de noodzaak van deze wettelijke beperking wordt in de memorie van toelichting geen motivering gegeven. De Raad is van oordeel dat ten aanzien van een veroordeelde de ontzetting van meerdere rechten, opgenomen in de onderdelen a tot en met e van artikel 1:64 van het WvSr, mogelijk moet blijven.
De Raad adviseert de regering om onderdeel AC van artikel I van het ontwerp aan te passen. Mocht de regering het desbetreffende artikel I, onderdeel AC, van het ontwerp willen handhaven, dan dient deze keuze in de memorie van toelichting te worden gemotiveerd.
l. Diefstal van toeristen (artikel I, onderdeel AD)
1º. Inleiding
In onderdeel AD van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:289 van het WvSr te wijzigen door daarin een nieuw onderdeel e op te nemen. In dat onderdeel e wordt diefstal van toeristen onder verzwarende omstandigheden geregeld. Op 27 februari 2024 heeft de Raad van Advies een adviesverzoek van de Staten ontvangen over de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Wetboek van Strafrecht (Zittingsjaar 2023-2024-220).[12] Over dat adviesverzoek heeft de Raad op 9 april 2024 het advies met kenmerk RvA no. RA/08-24-LV uitgebracht. In deze initiatiefontwerplandsverordening is voorgesteld om drie nieuwe onderdelen in artikel 2:289 van het WvSr op te nemen waarin de strafverzwarende omstandigheid ten aanzien van diefstal van toeristen die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig zijn (onderdeel e), diefstal van vee (onderdeel f) en diefstal van motorvoertuigen (onderdeel g) worden geregeld.
De Raad verwijst in deze naar zijn bovengenoemd advies en adviseert de regering om in onderdeel AD van artikel I van het ontwerp en de toelichting daarop rekening te houden met de volgende aspecten.
2º. De effectiviteit van de voorgestelde wijziging
Uit onderdeel a van aanwijzing 6 van de Awr volgt dat bij overheidsinterventie rekening moet worden gehouden met de mate waarin verwacht mag worden dat de voorgestelde wijziging van artikel 2:289 het beoogde doel (namelijk een daling van de daarin opgenomen soort criminaliteit) zal helpen verwezenlijken.
Door de voorgestelde wijziging van het WvSr wordt het strafmaximum ten aanzien van diefstal van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is zes jaren. Aangenomen kan worden dat dit een schrikeffect teweeg zal brengen bij mogelijke daders. In dit verband wordt verwezen naar overweging 3.4.7 van de uitspraak van 15 augustus 2013 van het Constitutioneel Hof van Sint Maarten[13] (hierna: het Constitutioneel Hof). Daarin heeft het Constitutioneel Hof zich uitgelaten over het opnemen van diefstal van een toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is als een strafverzwarende omstandigheid in artikel 2:289 van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten. Het Constitutioneel Hof heeft erop gewezen dat het alleen gaat om het mogelijk maken van een hoger strafmaximum, zonder dat daaruit voortvloeit dat diefstal van recreatieve toeristen in alle gevallen zwaarder zal worden gestraft dan diefstal op anderen. Volgens het Constitutioneel Hof blijkt uit de memorie van toelichting van de desbetreffende wijziging van het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten dat het hogere strafmaximum aanleiding zal kunnen vormen voor een hogere strafeis van het Openbaar Ministerie en, onder omstandigheden, het opleggen van een hogere straf door de strafrechter. Maar of en in hoeverre de rechter bij de straftoemeting van die mogelijkheid gebruik zal maken, valt volgens het Constitutioneel Hof echter niet te voorzien.
Het opnemen in het Wetboek van Strafrecht van strafverhogende omstandigheden zoals voorgesteld in onderdeel AD van artikel I van het ontwerp, geeft de strafrechter de ruimte om hogere straffen op te leggen. Er is echter geen garantie dat de strafrechter in de praktijk ook een hogere straf zal opleggen. Dit heeft te maken met de straftoemetingsvrijheid van de rechter. De strafrechter houdt op grond van artikel 1:14 van het WvSr bij het opleggen van een straf steeds rekening met een viertal sanctiefactoren.[14] De strafrechter zal bij het opleggen van straffen dus ook rekening moeten houden dat het strafbare feit tegen een toerist is gepleegd. De Raad heeft geen indicatie dat rechters bij het opleggen van straffen geen of te weinig acht slaan op het bepaalde in artikel 1:14 van het WvSr als het gaat om toeristen. Om deze reden geeft de Raad de regering in overweging het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) te verzoeken om aan te geven hoe in de praktijk hiermee omgegaan wordt.
De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting ingegaan moet worden op het vorenstaande.
3º. Het maken van ongeoorloofd onderscheid tussen toeristen
In de toelichting op het voorgestelde onderdeel e van artikel 2:289 van het WvSr wordt aangegeven dat onder de term ‘toerist die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’ niet moet worden verstaan de persoon die uit zakelijke overwegingen ons land bezoekt.[15] Volgens de Raad wordt daarmee in strijd met artikel 14 en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 3 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) ongeoorloofd onderscheid gemaakt tussen de soorten toeristen onderling. Toeristen die voor zakelijke doeleinden Curaçao bezoeken mogen zich immers in hun vrije tijd recreëren, althans dit wordt niet door de wet verboden. Uit de memorie van toelichting blijkt verder niet wat de beweegredenen zijn om dit onderscheid te maken. De Raad is van oordeel dat de bescherming die de recreatieve toeristen als gevolg van het ontwerp zullen genieten zich dient uit te strekken tot alle toeristen die ons land bezoeken. Daarom moet in het voorgestelde nieuwe onderdeel e van artikel 2:289 van het WvSr het bestanddeel ‘die voor recreatieve doeleinden in het Land aanwezig is’ geschrapt worden.
De Raad adviseert de regering om onderdeel AC van artikel I van het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen. In de memorie van toelichting moet in ieder geval een motivering worden opgenomen indien de regering van mening is dat het gemaakte onderscheid tussen toeristen binnen de grenzen van onder meer artikel 14 en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 3 van de Staatsregeling valt.
4º. Het begrip ‘toerist’
Als gevolg van het schrappen van het bestanddeel ‘voor recreatieve doeleinden in het land aanwezig is’ moet volgens de Raad in het WvSr in elk geval een bepaling worden opgenomen waarin de term ‘toerist’ wordt gedefinieerd. Bij het definiëren van het begrip ‘toerist’ kan het tweede lid van artikel 8 van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) als leidraad dienen.[16] Daarbij dient echter de zinsnede ‘en die tijdens zijn verblijf geen werkzaamheden tegen beloning verricht’ buiten beschouwing te worden gelaten en dient geen onderscheid te worden gemaakt in het doel van het verblijf en de termijn van het tijdelijk verblijf als toerist in Curaçao.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
m. Vernieling of beschadiging van geautomatiseerde werken (artikel I, onderdelen AE en AF)
1º. Het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
In onderdeel AE van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om het tweede lid van artikel 2:336 van het WvSr te wijzigen. Dit voorstel houdt in dat het nieuwe artikel 2:70, tweede en derde lid, van het WvSr (zoals voorgesteld in onderdeel Q van artikel I van het ontwerp) van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Volgens de toelichting op onderdeel AE van artikel I van het ontwerp (pagina’s 10 en 11 van de memorie van toelichting) is de voorgestelde verandering overeenkomstig de huidige tekst van artikel 350a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.
In het tweede lid van artikel 350a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht worden het tweede en derde lid van artikel 138b van dat wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Het tweede lid van artikel 138b van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht komt echter voor wat betreft het onderdeel b niet overeen met het tweede lid van het nieuwe artikel 2:70 van het WvSr. In onderdeel b van het tweede lid van artikel 138b wordt namelijk een extra bestanddeel opgenomen waarin wordt bepaald dat het feit wordt gepleegd met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt waarom niet gekozen is om dit bestanddeel in het tweede lid van het nieuw voorgestelde artikel 2:70 van het WvSr op te nemen en die vervolgens van overeenkomstige toepassing te verklaren in het voorgestelde artikel 2:336 van het WvSr (en ook in artikel 2:336a van het WvSr, voorgesteld in onderdeel AF van artikel I van het ontwerp). Het één en ander onder verwijzing naar het tweede lid van aanwijzing 64 van de Awr[17] en om misverstanden te voorkomen ten aanzien van de van toepassing verklaring van het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel 2:70 van het WvSr.
De Raad adviseert de regering om duidelijkheid te creëren door het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
2º. Het ontvangen, zich verschaffen en uitvoeren van technische hulpmiddelen
In onderdeel AF van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 2:336b in het WvSr op te nemen. In de toelichting op onderdeel AF (pagina 11 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om onder meer dit nieuwe strafbare feit met betrekking tot het misbruik van computers in te voeren overeenkomstig de Nederlandse bepalingen. In onderdeel a van het desbetreffende artikel 350d van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht worden ook het ontvangen, het zich verschaffen van en het uitvoeren van een technisch hulpmiddel strafbaar gesteld. Het is de Raad echter opgevallen dat dit niet het geval is in onderdeel a van het voorgestelde artikel 2:336b van het Wvsr.
De Raad adviseert de regering om duidelijkheid te creëren door het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
3º. Voorlopige hechtenis voor misdrijven omschreven in de artikelen 2:336a en 336b van het WvSr
Het is niet duidelijk of het in de bedoeling van de regering ligt om voorlopige hechtenis toe te staan ten aanzien van de misdrijven omschreven in de nieuw voorgestelde artikelen 2:336a en 2:336b van het WvSr. Indien de regering van mening is dat voorlopige hechtenis mogelijk zou moeten zijn, dan dient artikel 100 van het Wetboek van Strafvordering aangepast te worden.[18]
De Raad vraagt de aandacht van de regering hiervoor.
n. Strafverhogende omstandigheden (artikel I, onderdeel AG)
1º. Strafverhoging voor opzetmisdrijven
In onderdeel AG van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:342 van het WvSr te wijzigen. In artikel 2:342 van het WvSr wordt de strafverzwarende omstandigheid geregeld ten aanzien van de misdrijven opgenomen in titel XXVII van dat wetboek met betrekking tot het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van een en ander. In het huidige artikel 2:342 van het WvSr wordt een opsomming gegeven van de strafbare feiten waarvoor bij het plegen ervan de op die feiten gestelde straf zal worden verhoogd. In het nieuw voorgestelde artikel 2:342 van het WvSr wordt geen opsomming gegeven van de strafbare feiten maar wordt een strafverhoging gesteld ten aanzien van alle in titel XXVII voorkomende misdrijven.
In de toelichting op het huidige artikel 2:342 van het WvSr wordt aangegeven dat strafverhoging beperkt wordt tot alleen de opzetmisdrijven in titel XXVII.[19] Het is niet duidelijk om welke reden de strafverhogende omstandigheden ook uitgebreid zouden moeten worden tot schuldmisdrijven zoals die omschreven in de artikelen 2:335, 2:337, 2:339 en 2:341 van het WvSr.
De Raad adviseert de regering om duidelijkheid te creëren door het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
2º. De facultatieve strafverhoging
Uit het nieuw voorgestelde artikel 2:342 van het WvSr volgt dat een strafverhoging facultatief is doordat er hierbij sprake is van een ‘kan-formule’. In het huidige artikel 2:342 van het WvSr en ook in artikel 2:342 van het Arubaanse Wetboek van van Strafrecht is deze bepaling imperatief geformuleerd door het opnemen van het woord ‘wordt’. Het is niet duidelijk waarom de regering ervoor gekozen heeft om de mogelijkheid van strafverhoging facultatief te stellen.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen. Indien de regering van mening is dat de voorgestelde aanpassing niet noodzakelijk is, dan dient de gemaakte keuze gemotiveerd te worden in de memorie van toelichting.
3º. Arglistigheid
In het voorgestelde artikel 2:342 van het WvSr wordt de strafverhoging geregeld voor het arglistig plegen van strafbare feiten. Bij het introduceren van ons nieuwe Wetboek van Strafrecht in het jaar 2011 heeft de wetgever ervoor gekozen om de arglistige vernieling niet in artikel 2:342 van het WvSr op te nemen omdat dit teveel discussie in de rechtszaal kan opleveren.[20] Bovendien houdt de strafrechter bij het bepalen van de concrete strafmaat altijd al rekening met de manier waarop of de omstandigheden waaronder delicten worden begaan. De Raad mist in de memorie van toelichting een onderbouwing waarom de regering van mening is dat de bovengenoemde argumenten van de wetgever niet meer toepasselijk zijn en dat arglistige vernieling onder het toepassingsbereik van het voorgestelde artikel 2:342 van het WvSr moet vallen.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen. Indien de regering van mening blijft dat arglistige vernieling in het voorgestelde artikel 2:342 van het WvSr opgenomen moet worden, dan dient in het WvS een definitie te worden gegeven van arglistigheid.
4º. Samenspanning
Uit de toelichting op het huidige artikel 2:342 van het WvSr volgt dat door de wetgever bewust ervoor gekozen is om de strafverhogende omstandigheden voor het in vereniging plegen van de strafbare feiten omschreven in titel XXVII van het Wvsr niet op te nemen.[21] De reden hiervoor is niet gegeven.
Aangezien met het ontwerp wordt beoogd om het WvSr aan te scherpen in verband met de bestrijding van terrorisme, geeft de Raad de regering in overweging om de samenspanning ten aanzien van de strafbare feiten omschreven in titel XXVII die begaan worden met een terroristisch oogmerk, wel te regelen.
o. Ontzetting van rechten ten aanzien van vernieling en beschadiging (artikel I, onderdeel AI)
In onderdeel AI van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw artikel 2:343a van het WvSr, waarin de ontzetting van rechten wordt geregeld, op te nemen. Het is de Raad opgevallen dat de wetgever in 2011 gekozen heeft om geen ontzetting van rechten mogelijk te maken voor de strafbare feiten omschreven in titel XXVII van het WvSr. De reden hiervoor is niet duidelijk. Niettemin is de Raad van oordeel dat ontzetting van rechten ten aanzien van de desbetreffende strafbare feiten met het oog op de bestrijding van terrorisme mogelijk moet kunnen zijn.
In het voorgestelde artikel 2:343a van het WvSr wordt echter de ontzetting van rechten geregeld ten aanzien van een aantal misdrijven die begaan worden met een terroristisch oogmerk. Het is niet duidelijk hoe dit nieuwe artikel zich verhoudt tot het tweede lid van artikel 1:64 van het WVSr. Daarin wordt bepaald dat bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf de ontzetting uit alle rechten kan worden uitgesproken, het één en ander onverminderd het bestaan van bijzondere bepalingen. Volgens de Raad bestaat er met andere woorden geen directe noodzaak om het nieuwe artikel 2:343a, zoals voorgesteld in onderdeel AI van artikel I van het ontwerp, in het WvSr op te nemen.
De Raad adviseert de regering om het ontwerp aan te passen. Indien de regering van mening is dat het voorgestelde artikel 2:343a van het WvSr ongewijzigd gehandhaafd moet worden in het ontwerp dan dient dit in de memorie van toelichting gemotiveerd te worden.
p. Ontzetting van rechten ten aanzien van scheepvaart- en luchtvaartmisdrijven (artikel I, onderdeel AJ)
In onderdeel AJ van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om artikel 2:396 van het WvSr te wijzigen. Artikel 2:396 van het WvSr gaat over de ontzetting van rechten ten aanzien van misdrijven tegen de scheepvaart en luchtvaart. Volgens de formulering van het huidige artikel 2:396 van het WvSr kan de ontzetting van rechten worden uitgesproken bij veroordeling wegens artikel 2:392, eerste lid, van het WvSr (het door de schipper laten ontsnappen van een veroordeelde) en wegens de misdrijven in titel XXIX waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of meer is gesteld. In het nieuw voorgestelde artikel 2:396 van het WvSr wordt de ontzetting van rechten beperkt tot de misdrijven omschreven in de artikelen 2:370 tot en met 2:373 die begaan worden met een terroristisch oogmerk en de misdrijven omschreven in artikel 2:395 van het WvSr.
Door de voorgestelde wijziging van artikel 2:396 van het WvSr kan met andere woorden geen ontzetting van rechten meer worden uitgesproken ten aanzien van de misdrijf omschreven in artikel 2:392, eerste lid, van het WvSr en andere misdrijven in titel XXIX waarop een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of meer is gesteld.
Over de beweegreden van de regering om in artikel 2:396 van het WvSr hogerbedoelde beperking op te nemen wordt in de memorie van toelichting geen motivering gegeven. De Raad is van oordeel dat er geen directe noodzaak is om de in onderdeel AJ van artikel I van het ontwerp bedoelde wijziging van artikel 2:396 van het WvSr op te nemen. Het één en ander gezien het bepaalde in het tweede lid van artikel 1:64 van het WvSr. Volgens dit artikellid kan bij veroordeling van elk terroristisch misdrijf de ontzetting van rechten worden uitgesproken.
De Raad adviseert de regering om het voorgestelde artikel 2:396 van het WvSr uit het ontwerp te schrappen. Indien de regering van mening is dat laatstgenoemd artikel ongewijzigd gehandhaafd moet worden in het ontwerp dan dient dit in de memorie van toelichting gemotiveerd te worden.
q. Financieren van terrorisme (artikel I, onderdeel AM)
1º. De hoogte van de gevangenisstraf
In onderdeel AM van artikel I van het ontwerp wordt voorgesteld om een nieuw titel XXXII over het financieren van terrorisme in het WvSr op te nemen. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 2:410 wordt een gevangenisstraf voorgesteld van ten hoogste achttien jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Het is opgevallen dat de hoogte van de gevangenisstraf ten aanzien van het voorgestelde artikel 2:410 van het WvSr aanzienlijk hoger is dan de straf gesteld voor een soortgelijk strafbaar feit in Nederland, Aruba en Sint Maarten. Volgens artikel 421 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kan een gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren worden opgelegd en in Aruba bedraagt de gevangenisstraf ten hoogste negen jaren op grond van artikel 2:410 van het Arubaanse Wetboek van Strafrecht. In Sint Maarten kan op grond van artikel 2:55 van het Wetboek van Strafrecht een maximale gevangenisstraf van acht jaren worden opgelegd.[22] In de toelichting op het voorgestelde artikel 2:410 van het WvSr (pagina’s 11 en 12 van de memorie van toelichting) ontbreekt een motivering waarom een aanzienlijk hogere gevangenisstraf opgelegd zou moeten kunnen worden.
De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting de gemaakte keuze ten aanzien van de strafmaat te motiveren, en indien nodig het ontwerp, aan te passen.
2º. De ontzetting van rechten ten aanzien van het financieren van terrorisme
In het nieuw voorgestelde artikel 2:411 van het WvSr wordt de ontzetting van rechten wegens de misdrijven omschreven in het nieuw voorgestelde artikel 2:410 van het WvSr geregeld. De Raad is van oordeel dat er geen directe noodzaak is om het misdrijf omschreven in het nieuw voorgestelde artikel 2:410 van het WvSr in artikel 2:411 van het WvSr op te nemen. Het één en ander gezien het bepaalde in het tweede lid van artikel 1:64 van het WvSr. Volgens dit artikellid kan bij veroordeling van elk terroristisch misdrijf de ontzetting van rechten worden uitgesproken.
De Raad adviseert de regering om het voorgestelde artikel 2:411 van het WvSr uit het ontwerp te schrappen. Indien de regering van mening is dat laatstgenoemd artikel ongewijzigd gehandhaafd moet worden in het ontwerp dan dient dit in de memorie van toelichting gemotiveerd te worden.
2. De memorie van toelichting
a. Recidive
Uit het eerste tekstblok van het onderdeel ‘Algemeen’ van de memorie van toelichting (pagina 1) wordt, kortgezegd, aangegeven dat het bestrijden van terrorisme steeds meer eisen gaat stellen aan de strafwetgeving om daarin strafbare gedragingen begaan met een terroristisch oogmerk meer expliciet op te nemen. Het onderhavige ontwerp beoogt onder meer om het bestrijden van terrorisme in de strafwetgeving aan te scherpen. Vanuit deze optiek is bij de Raad de vraag gerezen of met name de voorgestelde nieuw te introduceren artikelen in het WvSr niet opgenomen dienen te worden in de algemene recidive-bepaling in artikel 1:118 van het WvSr. Te meer daar in het vierde tekstblok van het onderdeel ‘Algemeen’ van de memorie van toelichting ook wordt aangegeven dat van de terrorismewetgeving een preventieve werking moet uitgaan, al heeft Curaçao nog niet te maken gehad met terrorisme. Bovendien heeft de regering reeds gekozen voor aanpassing van de algemene recidive-bepaling in de op 3 juni 2024 bij de Staten ingediende ontwerplandsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering (Zittingsjaar 2023-2024-227), die over het strafbaar stellen van eenvoudige witwassen en beroepswitwassen gaat. De Raad heeft op 8 mei 2024 de regering hierover geadviseerd.[23] Het opnemen van strafbare feiten in de algemene recidive-bepaling betekent dat voor het plegen van deze strafbare feiten door een recidivist een zwaardere straf kan worden opgelegd.
De Raad geeft de regering in overweging om, na het verrichten van de noodzakelijke analyses, het daarheen te leiden dat de algemene recidive-bepaling in artikel 1:118 van het WvSr wordt aangepast.
b. De eis van internationale organisaties in verband met het begrip ‘middelen’
In de toelichting op onderdeel M van artikel I van het ontwerp (pagina 6 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat internationale organisaties vragen om het begrip ‘middelen’ te verduidelijken in het WvSr. Het is niet duidelijk welke internationale organisaties hiermee worden bedoeld.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
c. De toename in grooming-gevallen
In de laatste zin van het eerste tekstblok van de toelichting op onderdeel Vbis van artikel I van het ontwerp (pagina 8 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat grooming de laatste tijd is toegenomen. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt uit welke cijfers gebleken is dat grooming de laatste tijd in Curaçao is toegenomen.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
d. Internationale kritiek
In de eerste zin van de toelichting op onderdelen AK en AL van artikel I van het ontwerp (pagina 11 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat de voorgestelde strafverhoging in de artikelen 2:404 en 2:406 van het WvSr het gevolg is van internationale kritiek die werd geuit op het thans geldende maximum. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt welke personen of organisaties deze kritiek hebben uitgesproken.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
3. Overig
De ontzetting van rechten bij witwassen
In het huidige artikel 2:407 van het WvSr wordt de ontzetting van rechten voor het plegen van witwassen geregeld. In onderdeel II.3 van het advies d.d. 8 mei 2024 (met kenmerk RvA no. RA/09-24-LV) van de Raad over de ontwerplandsverordening tot het regelen van eenvoudige en beroepswitwassen heeft de Raad de regering geadviseerd om artikel 2:407 van het WvSr te wijzigen in verband met de ontzetting van veroordeelde daders van het recht om een beroep uit te oefenen. Concreet heeft de Raad voorgesteld om de verwijzing naar onderdeel b van het eerste lid van artikel 1:64 van het WvSr, opgenomen in artikel 2:407 van het WvSr, te vervangen door bijvoorbeeld de formulering ‘de ontzetting uit de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is begaan’.
De regering heeft in eerste instantie het advies d.d. 8 mei 2024 ook opgevolgd en is in het bij de Staten ingediende ontwerplandsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering (Zittingsjaar 2023-2024-227) een onderdeel C in artikel I van die ontwerplandsverordening opgenomen. De regering heeft op 22 augustus 2024 een nota van wijziging bij de Staten ingediend waarbij onder meer onderdeel C van artikel I van de ontwerplandsverordening wordt geschrapt. Door de regering wordt als reden hiervoor gegeven ‘dat de door de Raad voorgestelde wijziging een beperking betreft van de mogelijkheid van bijkomende straf met betrekking tot het ambt op te leggen’.[24]
Het opleggen van de bijkomende straf ontzetting uit een ambt wordt geregeld in onderdeel a van het eerste lid van artikel 1:64 van het WvSr. In het advies van de Raad werd niet voorgesteld om onderdeel a van het eerste lid van artikel 1:64 van het WvSr, genoemd in artikel 2:407 van het WvSr, te vervangen maar onderdeel b waarin de ontzetting van het recht om beroepen uit te oefenen is opgenomen.
Volgens de Raad geeft de voorgestelde aanpassing van artikel 2:407 van het WvSr een zuivere strafoplegging, geënt op het delict beroepswitwassen. Bovendien kan naast de dader ook een deelnemer in de uitoefening van een beroep ontzet worden zodat een bredere groep schuldigen aangepakt, vervolgd en veroordeeld kunnen worden. De voorgestelde wijziging is meer in lijn met het proportionaliteitsbeginsel aangezien de beroepswitwasser ontzet zou kunnen worden van het beroep waarmee het witwasmisdrijf is gepleegd en niet van alle beroepen in het algemeen.
De Raad geeft de regering in overweging om artikel 2:407 van het WvSr aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient
Willemstad, 18 september 2024
de wnd. Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
Dr. J. Sybesma mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/21-24-LV
Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. De wet wijzigen ter uitvoering van verdragen die (nog) geen geldend recht zijn in Curaçao
In de tweede overweging van het ontwerp wordt aangegeven dat het noodzakelijk is de omvang van de werking van de strafwet uit te breiden ter uitvoering van het Aanvullend Protocol. Dit wordt ook aangegeven in het laatste tekstblok van paragraaf ‘Algemeen’ op pagina 2 van de memorie van toelichting.
Volgens de Raad dient niet gesproken te worden van ‘ter uitvoering van het Aanvullend Protocol’ maar over het treffen van de nodige voorbereidingen voor het verzoek om medegelding voor Curaçao van het Aanvullend Protocol.
De Raad adviseert de regering om de considerans van het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
b. Voetnoot 1
Voorgesteld wordt om ‘P.B. 2001, no 48’ te vervangen door ‘P.B. 2011, no. 48’.
c. Artikel I, onderdeel A
Voorgesteld wordt om in het voorgestelde onderdeel n van artikel 1:4 van het WvSr achter ‘(Trb. 2000, 12)’ de komma te vervangen door ‘en’. Het één en ander in navolging van artikel 1:4, onderdeel n, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba en het Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten.
d. Artikel I, onderdeel C
Voorgesteld wordt om in de aanhef ‘Na artikel 6’ te vervangen door ‘Na artikel 1:6’.
e. Artikel I, onderdelen D en E
Voorgesteld wordt om de aanhef in overeenstemming te brengen met aanwijzing 173 van de Awr door de zinsnede ‘als volgt’ te schrappen.
f. Artikel I, onderdeel F
Voorgesteld wordt om in het nieuw voorgestelde zevende lid de zinsnede ‘Bij veroordeling wegens terroristisch misdrijf’ te vervangen door ‘Bij veroordeling wegens een terroristisch misdrijf’.
g. Artikel I, onderdeel H
Voorgesteld wordt om het nieuw in te voegen artikel van het WvSr, in het ontwerp aangeduid als artikel 1:195a, niet direcct na het bestaande artikel 1:195 in te voegen maar na artikel 1:196 (het nieuwe artikel 1:196a). In verband met de concordantie wordt verwezen naar artikel 1:196a van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
h. Artikel I, onderdeel J
In overweging wordt gegeven om in het voorgestelde artikel 1:202 van het WvSr in plaats van het woord ‘wet’ de term ‘wettelijke regeling’ te gebruiken.
i. Artikel I, onderdeel K
Voorgesteld wordt om de zinsnede ‘2:154, zevende lid’ te vervangen door ‘2:154, zesde lid’. Deze aanpassing is nodig in verband met onderdeel f van onderdeel W van artikel I van het ontwerp waarin een nieuw zesde lid in artikel 2:154 van het WvSr wordt ingevoegd in plaats van een nieuw zevende lid.
Tevens wordt voorgesteld om de zinsnede ‘en “2:343” vervangen door: 2:343, eerste lid’ te vervangen door ‘en “2:343” vervangen door: , 2:343, eerste lid’.
j. Artikel I, onderdeel R
Voorgesteld wordt om in het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 2:78 van het WvSr de zinsnede ‘artikel 64’ te vervangen door ‘artikel 1:64’.
k. Artikel I, onderdeel S
Voorgesteld wordt om:
- in het tweede lid van het nieuw voorgestelde artikel 2:111b van het WvSr de zinsnede ‘gestraft van ten hoogste’ te vervangen door ‘gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste’;
- in het derde lid van het nieuw voorgestelde artikel 2:111b van het WvSr de zinsnede ‘de schuld bestaat uit’ te vervangen door ‘de schuld, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit’.
l. Artikel I, onderdeel U
Voorgesteld wordt om in het eerste en tweede lid van het voorgestelde artikel 2:125 van het WvSr ‘artikel 64’ te vervangen door ‘artikel 1:64’.
m. Artikel I, onderdeel W
Voorgesteld wordt om:
- de nummering a tot en met g, in navolging van het derde en vierde lid van aanwijzing 178, te vervangen door hoofdletters A tot en met G;
- in onderdeel e het woord ‘vierde’ te vervangen door ‘vijfde’.
n. Artikel I, onderdeel X
Het is de Raad opgevallen dat in de tekst van onderdeel b van het eerste lid van het huidige artikel 2:239 van het WvSr de term ‘werft’ wordt gebruikt. In onderdeel b van het eerste lid van het voorgestelde artikel 2:239 van het WvSr wordt echter de term ‘aanwerft’ gebruikt. Door de overige landen in het Koninkrijk wordt voor dat strafbare feit de term ‘werft’ gebruikt.
De Raad adviseert de regering om onderdeel X van artikel I van het ontwerp aan te passen.
o. Artikel I, onderdeel AB
Voorgesteld wordt om in het tweede lid van het voorgestelde artikel 2:269 van het WvSr de zinsnede ‘de artikelen 2:261 en 2:263, almede’ te vervangen door ‘de artikelen 2:261 en 2:263 omschreven misdrijven, alsmede’.
p. Artikel I, onderdeel AI
Voorgesteld wordt om in het voorgestelde artikel 2:343a van het WvSr het woord ‘is’ te vervangen door een komma.
q. Artikel I, onderdeel AJ
Voorgesteld wordt om in het voorgestelde artikel 2:396 van het WvSr de zinsnede ‘een der misdrijven in de artikelen’ te vervangen door ‘een der misdrijven omschreven in de artikelen’.
2. De memorie van toelichting
a. Pagina 1
Voorgesteld wordt om in voetnoot 1 de tekst ‘P.B. 2001, no 48’ te vervangen door ‘P.B. 2011, no. 48’.
b. Pagina 2
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het voorlaatste tekstblok ‘artikel 6 Sr’ te vervangen door ‘artikel 1:6 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)’
- in de tweede zin van het voorlaatste tekstblok ‘artikel 6a’ te vervangen door ‘artikel 1:6a’.
c. Pagina 3
Voorgesteld wordt om in de tweede zin van het laatste tekstblok ‘artikel 6’ te vervangen door ‘artikel 1:6’.
d. Pagina 4
Voorgesteld wordt om in het laatste tekstblok de zinsnede ‘kan de som van’ te vervangen door ‘kan worden verstaan de som van’.
e. Pagina 6
Voorgesteld wordt om in de toelichting op het voorgestelde artikel 1:204 van het WvSr de zinsnede ‘Zoals later blijkt zal’ te vervangen door ‘Zoals later in onderdeel AM van artikel I van het ontwerp zal blijken, zal’.
f. Pagina 7
Voorgesteld wordt om:
- in de tweede zin van de toelichting op het voorgestelde artikel 2:58 van het WvSr ‘artikel 1:57’ te vervangen door ‘artikel 2:57’.
- in de toelichting op de voorgestelde artikelen 2:111a en 2:111b van het WvSr de zinsnede ‘Bij de laatste grote wijziging’ te vervangen door ‘Bij de invoering’.
- in de toelichting op de artikelen 2:124a en 2:124b het opschrift ‘Artikelen 2:124a, 2:124b’ te vervangen door ‘Artikelen 2:124a en 2:124b’;
- de vindplaats van de Kernenergiewet, genoemd in de toelichting op de artikelen 2:124a en 2:124b, (in een voetnoot) op te nemen.
g. Pagina 9
Voorgesteld wordt om:
- in de tweede zin van de toelichting op het voorgestelde artikel 2:239 van het WvSr ‘ECLI:HR:2016:857’ te vervangen door ‘ECLI:NL:HR:2016:857’;
- in de eerste zin van de toelichting op het voorgestelde artikel 2:254a van het WvSr ‘Memorie van Toelichting’ met kleine letters te schrijven.
h. Pagina 11
Voorgesteld wordt om:
- in het opschrift van onderdeel AM van artikel I van het ontwerp ‘Titel XXXI’ te vervangen door ‘Titel XXXII’;
- in de eerste zin van de toelichting op onderdeel AM van artikel I van het ontwerp ‘31ste’ te vervangen door ‘32ste’.
i. Pagina 12
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het eerste tekstblok de zinsnede ‘gebaseerd op tekst’ te vervangen door ‘gebaseerd op de tekst’;
- in de derde zin van de toelichting op het voorgestelde artikel 3:23 van het WvSr de afkorting ‘OECD’ voluit te schrijven.
__________________________
[1] Het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal geldt sinds 2 december 2005 voor Aruba (zie https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/000616). De Raad zal in onderdeel II.1.h verder ingaan op de voorgestelde artikelen 2:124a en 2:124b van het WvSr.
[2] Zie het eerste tekstblok van onderdeel ‘Algemeen’ op pagina 1 van de memorie van toelichting.
[3] Zie onderdeel I.2 ‘Adviezen van derden’ van paragraaf 3 ‘Advies Raad van Advies’ op pagina’s 6 en 7 van de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening tot het vaststellen van een nieuwe Opiumlandsverordening 2024 (Opiumlandsverordening 2024) (Zittingsjaar 2023-2024-228) die op 4 juni 2024 bij de Staten is ingediend. Deze parlementaire stukken zijn te raadplegen op www.parlamento.cw
[4] Ministeriële beschikking met algemene werking van de 10de augustus 2005 houdende regels voor het toepassen van elektronisch toezicht (P.B. 2005, no. 76).
[5] Zie bijvoorbeeld de uitspraken ECLI:NL:OGHACMB:2020:323 en ECLI:NL:OGHACMB:2021:214.
[6] Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, strekkende tot wijziging van de Gevangenismaatregel 1999 (Landsbesluit verhoging zakgeld gedetineerden), met zaaknummers 2023/030502 en 2021/032794.
[7] De rechten waarvan de schuldige op grond van artikel 1:64, eerste lid, van het WvSr kan worden ontzet zijn, kortgezegd, het bekleden van (bepaalde) ambten (onderdeel a), de uitoefening van bepaalde beroepen (onderdeel b), het passief en het actief kiesrecht (onderdeel c), het in- of uitreisverbod voor de landen of openbare lichamen van het Koninkrijk (onderdeel d) en het recht om zich vrijelijk te bevinden in alle delen van Curaçao (onderdeel e).
[8] Samenspanning houdt volgens artikel 1:193 van het WvSr in dat twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.
[9] Verwezen wordt naar artikel 164, in samenhang gelezen met artikel 176b, van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarin de samenspanning tot het opzettelijk in gevaar brengen van het luchtverkeer wordt geregeld. Zie ook de toelichting op artikel 164 van de Nederlandse Wetboek van Strafrecht in: ‘Tekst & Commentaar Strafrecht’, C.P.M. Cleiren e.a., Wolters Kluwer Deventer 2016, elfde druk, p. 1166.
[10] Zie ‘Wetboek van Strafrecht Curaçao’, prof. mr. H. de Doelder e.a., Wolf Legal Publishing 2011, derde zin van de tweede alinea op pagina 329.
[11] Zie ‘Wetboek van Strafrecht Curaçao’, prof. mr. H. de Doelder e.a., Wolf Legal Publishing 2011, vierde zin van de toelichting op artikel 2:281, pagina 496.
[12] Deze initiatiefontwerplandsverordening is te vinden op www.parlamento.cw.
[13] ECLI:NL:OCHM:2013:2 – Constitutioneel Hof Sint Maarten 15 augustus 2013/2013/1, rechtsoverweging 3.4.7, voorlaatste tekstblok.
[14] Deze sanctiefactoren betreffen de persoon van de verdachte, de mate waarin de gedraging aan de verdachte is te wijten, de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.
[15] Zie de voorlaatste zin van de toelichting op onderdeel AD van artikel I van het ontwerp op pagina 10 van de memorie van toelichting.
[16] Toeristen zijn volgens het tweede lid van artikel 8 van de Ltu eenieder die niet langer dan drie maanden in Curaçao blijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakendoen en die tijdens zijn verblijf geen werkzaamheden tegen beloning verricht.
[17] In het tweede lid van aanwijzing 64 van de Awr wordt bepaald dat de uitdrukking ‘is van overeenkomstige toepassing’ wordt gebruikt indien de bepaling waarnaar verwezen wordt niet geheel letterlijk kan worden toegepast, maar misverstand over de toe te passen tekst uitgesloten is.
[18] Ten overvloede wordt verwezen naar de artikelen 350c en 350d van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, in samenhang gelezen met artikel 67 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering waarin voorlopige hechtenis ten aanzien van de desbetreffende misdrijven is toegelaten.
[19] Zie ‘Wetboek van Strafrecht Curaçao’, prof. mr. H. de Doelder e.a., Wolf Legal Publishing 2011, tweede zin van de toelichting op artikel 2:342, pagina 516.
[20] Zie ‘Wetboek van Strafrecht Curaçao’, prof. mr. H. de Doelder e.a., Wolf Legal Publishing 2011, vierde zin van de toelichting op artikel 2:342, pagina 516.
[21] Zie ‘Wetboek van Strafrecht Curaçao’, prof. mr. H. de Doelder e.a., Wolf Legal Publishing 2011, vijfde zin van de toelichting op artikel 2:342, pagina 516
[22] Zie A.B. 2013, no. 2 van Sint Maarten te raadplegen via: https://www.sintmaartengov.org/Documents/Official%20Publications/AB%2002%20Landsverordening%20vaststelling%20nieuw%20WvSr.pdf
[23] Zie artikel I, onderdeel A, van de ontwerplandsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering dat op 3 juni 2024 bij de Staten is ingediend en dat te vinden is op www.parlamento.cw. Over dit adviesverzoek heeft de Raad op 8 mei 2024 het advies met kenmerk RvA no. RA/09-24-LV uitgebracht.
[24] Zie de derde zin van het tweede tekstblok van de toelichting op de nota van wijziging op de ontwerplandsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering (Zittingsjaar 2023-2024-227).
