Adviezen

RvA no. RA/23-22-LV: Ontwerplandsverordening houdende regels met betrekking tot het speciaal funderend onderwijs (Landsverordening speciaal funderend onderwijs)

Ontvangstdatum: 26/08/2022
Publicatie datum: 29/04/2024

(zaaknummer 2019/44039)

Ontwerplandsverordening houdende regels met betrekking tot het speciaal funderend onderwijs (Landsverordening speciaal funderend onderwijs)

(zaaknummer 2019/44039)

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 23 augustus 2022 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 7 november 2022, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemeen

1. De totstandkoming van de onderhavige ontwerplandsverordening met als uitgangspunt de Landsverordening funderend onderwijs

a. Het concipiëren van de onderhavige ontwerplandsverordening

In de bij de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: ontwerp) behorende memorie van toeliching (hierna: memorie van toelichting) is aangegeven dat met de invulling van het Speciaal Funderend Onderwijs (hierna: SFO) in dit ontwerp, het mogelijk gemaakt wordt dat alle kinderen en jongeren met een beperking optimaal en op gelijke basis kunnen participeren in het onderwijs. Met het ontwerp wordt benadrukt dat het van belang is voor het Speciaal Onderwijs (hierna: SO) een ‘eigen’ landsverordening vast te stellen. Voor het opstellen van het ontwerp heeft de Landsverordening funderend onderwijs (LvFO) model gestaan, omdat het destijds geschreven beleidsplan[1] uitgaat van een basis van inclusiviteit; het doorverwijzen van leerlingen naar het SFO gebeurt alleen wanneer het nodig is.[2]

 

b. De LvFO als model voor het ontwerp

1°. Bestuursorganen van het toenmalige land Nederlandse Antillen en het toenmalige eilandgebied Curaçao

De LvFO die model heeft gestaan voor het ontwerp is in werking getreden vóór de ontmanteling van het land Nederlandse Antillen per 10 oktober 2010, toen er sprake was van een gedecentraliseerd staatsverband met twee bestuurslagen.

Bestuursorganen van het land Nederlandse Antillen en het eilandgebied Curaçao kwamen naast elkaar voor, bijvoorbeeld ‘de Minister’, te weten de minister belast met onderwijs, en ‘het bestuurscollege’, namelijk het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao. De ‘minister’ komt in de LvFO onder meer voor in de artikelen 4, tweede lid, 5, 6, 7, eerste en zesde lid, 8, vijfde lid, 46, eerste lid, 70, eerste lid, en het ‘bestuurscollege’ in onder meer de artikelen 6, eerste en tweede lid, 7, eerste en vijfde lid, 8, vijfde lid, 9, zevende lid, 20, derde lid, 21, derde lid.

Het bestuurscollege is in de LvFO tevens het ‘bevoegd gezag’ voor wat betreft de openbare scholen.[3] Het ‘bevoegd gezag’ van een bijzondere school is het schoolbestuur. De term ‘bevoegd gezag’ komt in de LvFO onder meer voor in de artikelen 8, 11, vijfde lid, 15, 18, eerste en tweede lid, 20, eerste en vijfde lid, 27, tweede lid, en 29. Het bestuurscollege als zijnde het ‘bevoegd gezag’ van openbare scholen moet in de LvFO onderscheiden worden van het bestuurscollege als ‘bestuursorgaan’ van het toenmalige eilandgebied Curaçao in de zin van artikel 3 van de destijds geldende Eilandenregeling Nederlandse Antillen (hierna: ERNA)[4].

Met de ontmanteling van het land Nederlandse Antillen werd Curaçao een autonoom land binnen het Koninkrijk met slechts één bestuurslaag. Op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Algemene overgangsregeling wetgeving en bestuur (hierna: Overgangsregeling) is de minister die het onderwerp in zijn portefeuille heeft, de rechtsopvolger van het ‘bestuurscollege’ in het land Curaçao. Dit is bevestigd in een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Gemeenschappelijk Hof).[5] Overigens is geconstateerd dat de – terminologie in de – LvFO, na 10 oktober 2010 niet is aangepast aan de nieuwe staatkundige structuur. Met andere woorden, van de LvFO is geen geconsolideerde tekst in de zin van artikel 7A van de Overgangsregeling vastgesteld en gepubliceerd.

2°. Het model staan van de LvFO voor het opstellen van het ontwerp

Het model staan van de LvFO voor het ontwerp, zonder over een geconsolideerde tekst van de LvFO te beschikken, brengt met zich mee dat nagegaan moet worden of de juiste verhoudingen tussen de bestuursorganen zijn overgenomen in het ontwerp, waaronder de bestuursorganen ‘minister’, ‘bestuurscollege’ en ‘bevoegd gezag’. Artikel 1, aanhef en onderdeel a, van het ontwerp bepaalt bijvoorbeeld dat het ‘bevoegd gezag’ van een openbare school de ‘minister’ is, wat in de LvFO niet het geval was omdat er twee bestuurslagen waren. In de LvFO was het bestuurscollege het ‘bevoegd gezag’ en de ‘minister’ het bestuursorgaan dat in zijn algemeenheid belast was met onderwijs. Dit geldt ook voor andere in de LvFO genoemde organen die gebaseerd zijn op de toenmalige ERNA, waaronder bijvoorbeeld de ‘eilandsraad’ in artikel 45, eerste lid, van de LvFO.

 

Voorbeelden van bepalingen in het ontwerp die om bovengenoemde redenen onderzocht zouden kunnen worden, zijn de volgende.

  • Aangifteverplichting gewelds- en zedendelict (artikel 8, vijfde lid, van het ontwerp) Artikel 8,

vijfde lid, van de LvFO bepaalt dat indien een personeelslid van mening is dat het bevoegd gezag de verplichtingen ingevolge genoemd artikel 8 onvoldoende heeft nageleefd, dit personeelslid het bestuurscollege (in de hoedanigheid van bestuursorgaan van het toenmalige eilandgebied Curaçao) daarvan onverwijld gemotiveerd in kennis moet stellen. Als het een openbare school betrof en het bevoegd gezag van die school ‘het bestuurscollege’ was, dan moest niet het bestuurscollege als bestuursorgaan, maar de minister daarvan in kennis worden gesteld. Deze afwijking van de hoofdregel in de LvFO is niet in artikel 8, vijfde lid, van het ontwerp overgenomen. Dus als het bevoegd gezag van een openbare school, in dit geval de minister, tekort schiet, dan moet dezelfde minister, maar dan als ‘bestuursorgaan’ van het land Curaçao (dus in een andere hoedanigheid), daar onverwijld en gemotiveerd van in kennis worden gesteld.  

  • Bekostigingsvoorwaarden (artikel 46 van het ontwerp)

De toenmalige eilandsraad was bevoegd te besluiten op een aanvraag van het bevoegd gezag van een school om bekostiging (dus ook op een aanvraag van het toemalige bestuurscollege als het een openbare school betrof). Daarnaast kon de eilandsraad de aanspraak op bekostiging vervroegen (artikel 45, eerste lid, van de LvFO).

In het ontwerp wordt op een aanvraag van het bevoegd gezag om in aanmerking te komen voor bekostiging, bij landsbesluit, dus door de regering, beslist (artikel 46, eerste lid, van het ontwerp). Het bevoegd gezag in deze kan de minister zélf zijn (artikel 1, onderdeel a, onder 1° sub 1, van het ontwerp). Het is in het ontwerp tevens de minister, maar dan als ‘bestuursorgaan’, die de aanspraak op de bekostiging van de minister als ‘bevoegd gezag’ kan vervroegen. Het besluiten door de minister over een situatie die – het ambt van – de minister zélf betreft, maar dan in een andere hoedanigheid, doet zich ook voor bij de beëindiging van de bekostiging in artikel 48 van het ontwerp. Hiervoor heeft artikel 47 van de LvFO model gestaan. De artikelen 46 en 48 van het ontwerp zijn niet toegelicht in de memorie van toelichting.

Om die hierboven geschetste problematiek te voorkomen is de Raad van oordeel dat van de LvFO eerst een geconsolideerde tekst moet worden vastgesteld en gepubliceerd voordat het model kan staan voor het opstellen van het ontwerp.

3°. Advies

De Raad adviseert de regering om tegen de achtergrond van de nieuwe staatkundige structuur per 10 oktober 2010 een geconsolideerde tekst van de LvFO vast te stellen en te publiceren, welke tekst dan als model kan dienen voor het opstellen van het  ontwerp.

 

c. Een afzonderlijke landsverordening voor het SFO

Op pagina 3 van de memorie van toelichting, onderdeel ‘1.2 De keuze voor een afzonderlijke landsverordening’ staat in de eerste zin dat het SFO, het FO is voor speciale leerlingen. In dat onderdeel is tevens aangegeven dat het van belang geacht wordt voor de leerlingen van het speciaal onderwijs een ‘eigen’ landsverordening vast te stellen. Er is dus gekozen voor twee aparte landsverordeningen voor wat betreft de regeling van het (speciaal) funderend onderwijs.

In onderdeel ‘1.1 De koers van het SFO’ is in de vijfde en zesde zin vermeld, dat bij het opstellen van het ontwerp is uitgegaan van de LvFO omdat het beleidsplan ter zake is geschreven vanuit een basis van inclusiviteit. Het doorverwijzen van leerlingen naar het SFO geschiedt dan ook alleen wannneer het nodig is en het curriculum dat wordt aangeboden in het SFO is zoveel mogelijk afgeleid van het onderwijs dat in het FO wordt aangeboden, aangepast aan de behoeften van de individuele leerling in het SFO (memorie van toelichting, pagina 3, laatste twee zinnen in onderdeel ‘1.1 De koers van het SFO’.)

Omdat een groot deel van de in de LvFO gestelde eisen tevens geldt in het SFO, is de Raad van mening dat onderzocht zou moeten worden of de regeling voor het SFO in een apart onderdeel in de LvFO kan worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

 

2. Het zelfstandig bestuursorgaan

a. Het eventueel in te stellen zelfstandig bestuursorgaan (artikel 1)

Artikel 1, aanhef en onderdeel a, onder 1°, van het ontwerp, maakt het mogelijk om een zelfstandig bestuursorgaan (hierna: ZBO) in te stellen, gebaseerd op artikel 36 van het ontwerp.[6] Artikel 111 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: Staatsregeling) geeft de mogelijkheid hiervoor. Volgens artikel 36 van het ontwerp mag dit ZBO alleen worden opgericht met het doel één of meer openbare scholen voor het SFO op Curaçao in stand te houden. Dit kan al dan niet samen met openbare scholen als bedoeld in de LvFO en de Landsverordening voortgezet onderwijs (hierna: LvVO) of met openbare instellingen als bedoeld in de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie (hierna: LvSBE). De memorie van toelichting geeft als motivering voor het mogelijk maken om een ZBO in te stellen, dat dan het bestuur van een openbare instelling overgedragen kan worden aan het ZBO waardoor de minister zijn handen vrij heeft om zich volledig te richten op het landelijk onderwijsbeleid. Hiermee kan het openbaar onderwijs op afstand worden geplaatst, maar blijft de minister de eindverantwoordelijke. Mocht worden gekozen voor de verzelfstandiging van het openbaar onderwijs met gebruikmaking van een ZBO, dan moet aan een aantal eisen worden voldaan. Een daarvan is dat er een overheersende invloed van de regering in het bestuur verzekerd moet zijn. Dit omdat uit artikel 21 van de Staatsregeling volgt dat het overheidskarakter en de algemene toegankelijkheid van het openbaar onderwijs moet zijn gewaarborgd.[7]

Een ZBO is een bestuursorgaan dat juridisch zelfstandig functioneert ten opzichte van het betrokken politiek verantwoordelijke orgaan, in dit geval de minister. Dit betekent dat de minister niet bevoegd is aan het ZBO aanwijzingen te geven in individuele gevallen. Daarmee is de politieke verantwoordelijkheid voor de bevoegdheidsuitoefening van een ZBO niet volledig, en dus ook niet de democratische controle. Om die reden behoeft het instellen van ZBO’s een afzonderlijke zware motivering. Ook is voor de instelling van ZBO’s de medewerking nodig van het betrokken algemeen vertegenwoordigend orgaan, behoren zij in beginsel geen regelgevende bevoegdheid te bezitten, en zijn hun taken en bevoegdheden gelimiteerd tot de onderwerpen waartoe zij uitdrukkelijk zijn ingesteld (gesloten huishouding).[8] Belangrijke kenmerken van een ZBO zijn dat het taken op afstand van de minister uitvoert en niet hiërarchisch ondergeschikt is aan een minister hoewel deze op hoofdlijnen wel politiek verantwoordelijk is voor een goede taakuitoefening door het ZBO (zie de toelichting op aanwijzing 98 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr).

De Raad wijst op artikel 21, eerste lid, van de Staatsregeling dat een zorgplicht voor de overheid in het leven roept, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de overheid zelf onderwijsvoorzieningen instelt. Voorts bevat het sociale grondrecht van artikel 21, vierde lid, van de Staatsregeling de plicht van de overheid om voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs te geven. Dit moet in een genoegzaam aantal scholen, dus gespreid, worden gegeven.[9] Geconcludeerd wordt dat er een bijzondere plicht in deze rust op de overheid. De uitvoering van deze taak onder volledige ministeriële verantwoordelijkheid zou dan ook de norm moeten zijn. Er zijn onderwerpen en omstandigheden te bedenken ten aanzien waarvan de verantwoordelijkheid van een minister beperkt wordt, maar daar valt dit onderwerp niet onder.

Mocht het zover komen dat het overdragen van bevoegdheden aan het ZBO alle openbare SFO-scholen betreft, dan zou dat op gespannen voet kunnen komen te staan met artikel 21, vierde lid, van de Staatsregeling. De Raad is dan ook van oordeel dat de mogelijkheid om een ZBO te kunnen instellen, met het doel de overheid op afstand te zetten[10], niet voldoende is gemotiveerd.

  • Advies

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting een gedegen motivering te geven voor het opnemen in het ontwerp van de mogelijkheid tot het instellen van een ZBO gebaseerd op artikel 36 van het ontwerp en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

b. Instellingscriteria voor ZBO’s

De Raad heeft er eerder bij de regering op aangedrongen om beleid vast te stellen voor de instelling, inrichting en aansturing van ZBO’s.[11] Het beleid moet eenduidig zijn en moet vanuit een centraal punt worden geïmplementeerd om ongewilde verschillen in nog in te stellen ZBO’s te voorkomen.

De Raad adviseert de regering een (wettelijk) kader vast te stellen dat dient als toetsingskader voor de instelling, inrichting en aansturing van ZBO’s.

 

3. Uitvoeringsregelingen

Het ontwerp bevat vele bepalingen die uitvoeringsregelingen verplicht stellen bijvoorbeeld de artikelen 9, zevende en achtste lid, 11, derde lid, 20, tweede lid, 22, tweede lid, 28, eerste lid, 47, vierde en vijfde lid, 48, eerste lid.

De Raad adviseert de regering de onderhavige landsverordening niet eerder in werking te doen treden dan nadat alle verplicht gestelde uitvoeringsregelingen zijn vastgesteld.

 

4. Financiële paragraaf

a. Klachtencommissie

Artikel 18 van het ontwerp handelt over een klachtenregeling. Krachtens het tweede lid, onderdeel a, moet bij deze klachtenregeling in ieder geval een klachtencommissie worden ingesteld.

Indien met het in het leven roepen van een klachtencommissie kosten gemoeid zijn, adviseert de Raad de regering in dat geval in de memorie van toelichting daarop in te gaan en voorzover deze kosten ten laste van het Land komen deze kosten te kwantificeren en de structurele dekking ervan aan te geven.

 

b. Verwijzingscommissie

Volgens artikel 20, eerste lid, van het ontwerp vindt toelating van leerlingen tot een school slechts plaats na verwijzing op grond van een onderzoek door een bij landsbesluit in te stellen verwijzingscommissie.

Indien met het in het leven roepen van een verwijzingscommissie kosten gemoeid zijn adviseert de Raad de regering in dat geval in de memorie van toelichting hierop in te gaan en voor zover deze kosten ten laste van het Land komen deze te kwantificeren en de structurele dekking ervan aan te geven.

 

c. Een ZBO voor het beheer van openbare scholen

Artikel 36 van het ontwerp voorziet in de mogelijkheid om het bestuur van één of meerdere  openbare scholen over te dragen aan een bij landsverordening ingesteld ZBO in de zin van artikel 111 van de Staatsregeling van Curaçao, waardoor de minister zich volledig kan richten op het landelijk onderwijsbeleid. Hiermee kan het openbaar onderwijs op afstand worden geplaatst, maar nog steeds onder de eindverantwoordelijkheid van de minister blijven. In de memorie van toelichting (pagina 21) worden eisen genoemd die in acht genomen moeten worden indien gekozen wordt voor verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een ZBO.

Uit de memorie van toelichting kan de Raad niet opmaken of, en zo ja, binnen welke termijn overgegaan zal worden tot de oprichting van een dergelijk orgaan. Vaststaat volgens de Raad dat de oprichting van een ZBO kosten met zich mee zal brengen en het is de vraag welke meerwaarde dit orgaan zal hebben voor het openbaar onderwijs.

Gelet op de relevantie van een orgaan als bedoeld in artikel 36 van het ontwerp wordt de regering gevraagd – voor zover al voorzienbaar, in de memorie van toelichting aan te geven wanneer over gegaan zal worden tot oprichting van het orgaan met een schatting van mogelijke daarmee gemoeide kosten.

 

d. Onderdeel ’3. Financiële gevolgen voor het Land’ van de memorie van toelichting

  • De financiële gevolgen voor het Land

Hieronder wordt ingegaan op enkele van de in onderdeel ’3. Financiële gevolgen voor het Land’ van de memorie van toelichting aan de orde gestelde trajecten.

 

1°. Diploma leerkracht FO aangevuld met diploma SO

Volgens onderdeel ’3. Financiële gevolgen voor het Land’ is de opleiding tot leerkracht FO een initiële bacheloropleiding die door de University of Curaçao (hierna: UoC) wordt aangeboden. Deze opleiding tot leerkracht FO wordt uitgebreid met een specialisatie voor leerkracht SO die binnen een studiejaar te behalen is. De UoC wordt van overheidswege bekostigd en de studenten betalen collegegeld, boekengeld en examengeld. Volgens de regering zijn er in deze geen extra kosten voor de overheid.

Volgens aanwijzingen 6, onderdeel c, en 157, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving moet in de memorie van toelichting worden ingegaan op de lasten voor de overheid en de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen. Uit het bovenstaande kan de Raad niet opmaken of de door UoC aan te bieden specialisatie voor leerkracht SO extra kosten voor UoC met zich mee zal brengen. Uit de memorie van toelichting kan ook niet worden opgemaakt of de regering overleg hierover met UoC heeft gevoerd.

Indien verwacht wordt dat het aanbieden van een specialisatie voor leerkracht SO extra kosten voor UoC met zich mee zal brengen, moet dit naar het oordeel van de Raad in onderdeel “3. Financiële gevolgen voor het Land” van de memorie van toelichting worden gekwantificeerd. Ook moet uit de memorie van toelichting in algemene zin worden opgemaakt hoe UoC met deze kosten zal omgaan.

De Raad adviseert de regering uitdrukkelijk in de memorie van toelichting aan te geven of extra kosten verbonden zijn aan het aanbieden van een specialisatie voor leerkracht SO en zo ja, deze te kwantificeren. Indien ervan uit kan worden gegaan dat er geen extra kosten voor de overheid zullen zijn, adviseert de Raad voor zover dit nog niet is gebeurd, bedoelde financiële consequenties met de UoC te bespreken en heldere afspraken te maken over de dekking van de eventuele extra lasten opdat de continuïteit van de opleiding niet in het gedrang komt als gevolg van obstakels op financieel gebied.

 

2°. Diploma applicatiecursus SFO en clusters 1 en 4

Ten aanzien van de applicatiecursus wordt in onderdeel ’3. Financiële gevolgen voor het Land’ van de memorie van toelichting vermeld dat er 150 personen geïdentificeerd zijn, dat de kosten per persoon NAf 1.000 bedragen en de totale kosten op NAf 150.000 neerkomen. Voorts wordt vermeld dat deze kosten als prioriteit worden aangemerkt in de ministeriële beschikking van de Stichting Nascholing Onderwijsgevend en Onderwijsondersteunend personeel Curaçao en wordt verwezen naar de begrotingspost (subsidie): 164903.4683.

Wat cluster 1 en cluster 4 scholen betreft zijn de kosten geraamd op NAf 750.000. Deze kosten worden opgevangen binnen de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport door de daarvoor bestemde begrotingsposten jaarlijks op te voeren.

Volgens de Raad zal de financiering van de diverse trajecten – gegeven de zwakke overheidsfinancien – een uitdaging vormen voor de regering. Echter is volgens de Raad evident dat het beleid, waarmee getracht wordt middels verbeterde en op de doelgroep toegespitste onderwijssytemen de kans aan relatief achtergestelde groepen in de gemeenschap te bieden zich te ontwikkelen middels educatie teneinde (in hogere mate) de regie over het eigen leven te kunnen krijgen, ongetwijfeld van groot belang is.

In het licht van het vorenstaande adviseert de Raad de regering aan de onderhavige voornemens prioriteit te geven opdat de uitvoering zo min mogelijk dan wel geen vertraging oploopt met name als gevolg van financiële tekortkomingen.

 

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a. Eisen betreffende de bevoegdheid om speciaal funderend onderwijs te geven (artikel 3).

1°. De verklaring omtrent het gedrag (eerste lid, onderdeel a)

Artikel 3, eerste lid, van het ontwerp stelt eisen aan personen die in het SFO onderwijs (willen) geven. Een van de eisen is dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag  (hierna: VOG) die is afgegeven volgens de Landsverordening op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: LvJD). Zie ook artikel 27, eerste lid, van het ontwerp. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de LvJD wordt een strafblad uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren. Het is mogelijk dat er strafvorderlijke gegevens zijn die uit het strafregister zijn verwijderd maar die hun relevantie niet verliezen voor de beoordeling of een persoon in het onderwijs, dus ook in het SFO, les mag geven.[12] Om die reden zou het enkel eisen van de VOG te beperkt kunnen zijn.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 2°. Het vereiste van een geneeskundige verklaring (eerste lid, onderdeel c)

In onderdeel c van artikel 3, eerste lid, van het ontwerp wordt een geneeskundige verklaring geëist die niet ouder is dan zes maanden. Zie ook een verwijzing naar dit artikelonderdeel in de artikelen 24, eerste lid, laatste volzin en 27, derde lid, van het ontwerp.

Uit onderdeel c van artikel 3, eerste lid, van het ontwerp is niet op te maken met welk doel de geneeskundige verklaring vereist is. Dit moet alsnog in het ontwerp worden opgenomen. Voor een voorbeeld wijst de Raad op atikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (hierna: LMA). In dat artikelonderdeel wordt voor de aanstelling tot ambtenaar de uitslag van een geneeskundig onderzoek geëist, met het doel aan te tonen dat betrokkene geschikt is verklaard voor de vervulling van het desbetreffende ambt.

De Raad adviseert de regering artikel 3, eerste lid, onderdeel c, aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

b. Benoemingsvoorwaarden directeur (artikel 5)

Op grond van artikel 5, aanhef en eerste lid, onderdelen a en b, van het ontwerp kunnen degenen die in het bezit zijn van de diploma’s die in deze artikelonderdelen genoemd zijn, tot directeur worden benoemd. Het is een vereiste dat de diploma’s zijn verkregen aan een opleidingsinstituut dat door de minister is aangewezen en afgegeven volgens een door de minister goedgekeurd diplomamodel (artikel 5, tweede lid, van het ontwerp). In artikel 4, tweede lid, van het ontwerp, wordt nog een aanvullende eis gesteld aan deze diploma’s, namelijk dat ze verkregen zijn op het niveau van bachelor. Deze laatste eis wordt niet gesteld aan de directeur in artikel 5, tweede lid, van het ontwerp.

Voorts is geconstateerd dat artikel 5, tweede lid, van de LvFO een bijzondere eis stelt aan een directeur, namelijk dat deze een door de minister aangewezen opleiding betreffende school- en onderwijsmanagement met goed gevolg heeft afgerond. Deze bijzondere eis wordt in het ontwerp niet als benoemingsvoorwaarde aan de directeur gesteld.

De Raad adviseert de regering na te gaan of genoemde aanvullende eis van artikel 4, tweede lid, van het ontwerp ook in artikel 5, tweede lid, van het ontwerp moet worden opgenomen. Tevens wordt geadviseerd artikel 5 van het ontwerp aan te passen indien een directeur moet voldoen aan een opleiding op het terrein van school- en onderwijsmanagement, zoals vereist in artikel 5, tweede lid, van de LvFO.

 

c. Onderwijstoezicht (artikel 6)

De onderwijsinspectie moet het onderwijsverslag, bedoeld in artikel 6, derde lid, van het ontwerp, aan de Staten van Curaçao (hierna: Staten) aanbieden. Op grond van artikel 6, derde lid, van de LvFO diende dit onderwijsverslag behalve aan de toenmalige Staten van de Nederlandse Antillen ook te worden aangeboden aan de Minister van Onderwijs en Cultuur. Op grond van artikel 8, onderdeel a, van de Landsverordening ambtelijk bestuurlijke organsiatie valt de zorg voor het onderwijs en de wetenschap alsmede het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit van het onderwijs onder het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport. De Raad is van oordeel dat voor een effectieve vervulling van de ministeriële verantwoordelijkheid door genoemde minister ook hij een exemplaar van bedoeld onderwijsverslag moet ontvangen.

De Raad adviseert de regering artkel 6, derde lid, van het ontwerp op dit punt aan te passen.

 

d. Onderwijsraad (artikel 7)

Artikel 7 van het ontwerp bepaalt dat er een onderwijsraad is voor het SFO waarin diverse organisaties en organen zijn vertegenwoordigd. In artikel 7, eerste lid, laatste zin, van het ontwerp staat dat aan deze organisaties en organen de gelegenheid tot vertegenwoordiging wordt verleend indien zij naar het oordeel van de minister ‘voldoende representatief’ zijn. Volgens de Raad ontbreken objectieve criteria om te beoordelen of een organisatie dan wel orgaan ‘voldoende representatief’ is. Voor het vaststellen van zulke objectieve criteria dient een grondslag in het ontwerp te worden opgenomen. Daarbij kan worden gedacht aan criteria ten aanzien van de statutaire doelstelling van een organisatie. Voor een voorbeeld van een dergelijke wettelijke grondslag verwijst de Raad naar artikel 2, derde lid, van de Landsverordening Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken.

De Raad geeft de regering in overweging in artikel 7 van het ontwerp een dergelijke grondslag op te nemen voor het vaststellen van criteria bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, om te kunnen beoordelen wanneer er sprake is van het ‘voldoende representatief’ zijn in de zin van artikel 7, eerste lid, laatste zin, van het ontwerp.

 

e. Educatiegebieden (artikel 11)

Het SFO kent in artikel 11, eerste lid, onderdeel i, van het ontwerp het ‘educatiegebied overstijgend’ dat niet in de LvFO voorkomt en niet in de memorie van toelichting is toegelicht.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting voorbeelden te geven van het onderdeel ‘educatiegebied overstijgend’ dat voorkomt in artikel 11, eerste lid, van het ontwerp.

 

f. Verwijzingscommissie (artikel 20)

1°. De instelling van de verwijzingscommissie en de benoeming van de commissieleden

De Raad adviseert de regering artikel 20 van het ontwerp aan te passen, in die zin dat de instelling, taak, samenstelling en werkwijze van de verwijzingscommissie bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt vastgesteld en dat de leden van de verwijzingscommissie bij landsbesluit worden benoemd.

 

2°.Te stellen kwaliteitseisen aan de benodigde informatie

Voor de toelating van een leerling tot het SFO is een doorverwijzing nodig van de verwijzingscommissie zoals opgenomen in artikel 20 van het ontwerp. Deze commissie wordt bij landsbesluit ingesteld. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wordt een indicatie- en verwijsprocedure vastgelegd  (artikel 20, tweede lid, van het ontwerp). In de memorie van toelichting staat onder andere dat aan de benodigde informatie, waaronder psychodiagnostische rapporten, kwaliteitseisen zullen worden gesteld (memorie van toelichting, pagina 17, derde tekstblok, vierde zin van onderaf). Dat er kwaliteitseisen kunnen worden gesteld is echter niet in artikel 20, tweede lid, van het ontwerp opgenomen. Er is dan ook geen wettelijke grondslag voor het stellen van zulke eisen.

De Raad adviseert de regering in artikel 20, tweede lid, van het ontwerp op te nemen dat ook kwaliteitseisen aan de benodigde informatie worden gesteld.

 

g. Toelating, schorsing en verwijdering (artikel 21) 

In artikel 21, tweede lid, van het ontwerp staan gronden, van godsdienstige – of levensbeschouwelijke aard, aan de hand waarvan geweigerd kan worden een leerling toe te laten tot een school voor bijzonder onderwijs. Daarbij is het voorbehoud gemaakt dat ook het derde lid van artikel 21 van het ontwerp een reden kan zijn voor weigering tot toelating. Zie daartoe de formulering ‘onverminderd het derde lid’. De Raad constateert dat de verwijzing naar het ‘derde lid’ is overgenomen van artikel 20, tweede lid, van de LvFO. Dit is niet correct omdat de desbetreffende bepaling in artikel 20, derde lid, van het LvFO in het ontwerp is opgenomen in artikel 20, eerste lid. Om die reden moet in artikel 21, tweede lid, van het ontwerp ‘Onverminderd het derde lid’ vervangen worden door ‘Onverminderd artikel 20, eerste lid’.

De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

h. Het onderwijskundig rapport (artikel 22)

Op grond van het vierde lid van artikel 22 van het ontwerp stelt de minister de vorm van het onderwijskundig rapport vast.

De Raad adviseert de regering in artikel 22, derde lid, van het ontwerp op te nemen dat de vorm van het onderwijskundig rapport bij ministeriele regeling met algemene werking, dus bij algemeen verbindend voorschrift, wordt vastgesteld. Tevens wordt geadviseerd om bij de herformulering van genoemd artikellid aanwijzing 22 van de Awr in acht te nemen.

 

i. Ondersteuning door ouders en andere vrijwilligers (artikel 24)

De Raad adviseert in artikel 24, eerste en tweede lid, van het ontwerp tevens te vermelden aan welke persoon, instantie of bestuursorgaan, de vereiste verklaringen en de vereiste specifieke vaardigheid overgelegd moeten worden.

 

j. Schoolpersoneel (artikel 25)

Op grond van artikel 25, eerste en tweede lid, van het ontwerp zijn aan elke school één directeur  en één of meer leerkrachten verbonden. In het vergelijkbare artikel 24 van de LvFO is in het tweede lid, tweede zin, bepaald dat één van de leerkrachten tevens tot adjunct-directeur wordt benoemd. In artikel 25 van het ontwerp wordt er geen melding gemaakt van de benoeming van een adjunct-directeur.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting toe te lichten om welke redenen er geen benoeming van een adjunct-directeur plaatsvindt, en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

k. Directiestatuut (artikel 26)

Op grond van artikel 26, eerste lid, van het ontwerp moet het bevoegd gezag een directiestatuut vaststellen.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp op te nemen wanneer, dus op wel tijdstip, het directiestatuut moet zijn vastgesteld.

 

l. Salaris en personeelsformatie (artikel 28)

1°.De omvang van de personeelsformatie (eerste lid)

De Raad adviseert de regering artikel 28, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerp, toe te lichten in de memorie van toelichting.

 

2°. Het verzoek van het bevoegd gezag aan de minister om lagere gemiddelden voor een school vast te stellen (tweede lid)

Op grond van artikel 28, tweede lid, van het ontwerp kan de minister op verzoek van het bevoegd gezag, voor wat betreft het aantal leerlingen voor een school, lagere gemiddelden vaststellen dan de gemiddelden die zijn genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van dat artikel. De Raad is van oordeel dat het verzoek van het bevoegd gezag schriftelijk en gemotiveerd moet worden ingediend bij de minister.

Voorts moeten er weigeringsgronden in algemene zin worden opgenomen in artikel 28 van het ontwerp alsook een termijn waarbinnen de minister op een verzoek ter zake beslist, bijvoorbeeld vier maanden na ontvangst van het verzoek en/of uiterlijk zes maanden voorafgaand aan de aanvang van het nieuwe schooljaar.

De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

m. Verval van onderwijsbevoegdheid (artikel 31)

De bevoegdheid van een leerkracht tot het geven van onderwijs kan van rechtswege vervallen of kan een leerkracht worden ontnomen (artikel 31, eerste en derde lid, respectievelijk het tweede lid, van het ontwerp). Hierdoor is de leerkracht van rechtswege ontslagen ingaande de dag waarop de beslissing onherroepelijk is geworden (artikel 31, vierde lid, van het ontwerp). Volgens de Raad ontbreken in artikel 31 – procedurele – rechtswaarborgen voor de betrokken leerkracht, bijvoorbeeld het recht van hoor en wederhoor. Ook mist de Raad een degelijke toelichting op artikel 31.

De Raad adviseert de regering in artikel 31 rechtswaarborgen ten behoeve van de betrokken leerkracht op te nemen en dit artikel in de memorie van toelichting toe te lichten.

 

n. Nascholingsplan (artikel 32)

In artikel 32 van het ontwerp wordt het nascholingsplan van het personeel geregeld. Artikel 3, zesde lid, van het ontwerp verplicht slechts ‘leerkrachten’ tot het volgen van nascholing. Om die reden is het niet duidelijk of met ‘personeel’ slechts ‘onderwijzend personeel’ wordt bedoeld.

De Raad adviseert de regering op artikel 32 van het ontwerp in de memorie van toelichting in te gaan met inachtneming van het bovenstaande, en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

o. Gezondheid en veiligheid (artikel 34)

In artikel 34, eerste lid, van het ontwerp staat dat het gezondheidstoezicht op scholen zich uitstrekt over ‘gebouwen en terreinen’ waarin funderend onderwijs wordt gegeven en over het personeel en de leerlingen van de scholen. In de overige leden van artikel 34 worden de gevolgen genoemd in het geval gebouwen en terreinen niet aan de geldende bouwvoorschriften voldoen. De gevolgen in het geval het personeel dan wel leerlingen niet voldoen aan het gezondheidstoezicht van het eerste lid, zijn echter niet opgenomen in het ontwerp.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat wordt verstaan onder gezondheidstoezicht, en indien nodig het ontwerp aan te passen. Tevens adviseert de Raad om in het ontwerp op te nemen wat de gevolgen zijn in het geval ‘personeel en leerlingen’ niet voldoen aan het gezondheidstoezicht van artikel 34, eerste lid, van het ontwerp.

 

p. ZBO voor beheer openbare scholen (artikel 36)

1°. Rechtspersoonlijkheid

Artikel 35, derde lid, van de LvFO, kent rechtspersoonlijkheid toe aan het ‘openbaar orgaan dat tot doel heeft een of meer openbare scholen voor funderend onderwijs in stand te houden’.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven om welke redenen aan het ZBO geen rechtspersoonlijkheid wordt verleend en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

2°. De ontbindingsbevoegdheid van de minister

Op grond van artikel 36, achtste lid, van het ontwerp, is de minister in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur van het ZBO of functioneren in strijd met de wet- en regelgeving, bevoegd om zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig het ZBO te ontbinden. De Raad vindt dat deze instrumenten alleen gebruikt mogen worden in uitzonderlijke, thans niet voorzienbare omstandigheden, dus als ‘ultimum remedium’. Voorts is de Raad van mening dat de minister in die gevallen het bestuur van het ZBO een termijn moet geven waarbinnen het ZBO de gelegenheid krijgt haar taak alsnog naar behoren uit te voeren, behoudens spoedgevallen. Mocht de taakuitoefening wederom niet naar behoren gebeuren dan zou de minister de noodzakelijke voorzieningen kunnen treffen. De Raad denkt hierbij aan het (tijdelijk) doen uitvoeren door de minister van een of meer taken of onderdelen van taken van het ZBO.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

3°. Rechtspositionele gevolgen voor het personeel

In de memorie van toelichting wordt voor de rechtspositionele gevolgen voor het personeel bij de invoering van een ZBO verwezen naar de toelichting op artikel 66 van het ontwerp.[13]Daarin staat onder meer dat het personeel van een school of instelling die in stand gehouden wordt door een ZBO een ambtelijke aanstelling kan krijgen en behouden. Omdat het ZBO als bevoegd gezag gaat functioneren is via artikel 66 van het ontwerp een wijziging aangebracht in artikel 4 van de LMA.[14] De Raad is van mening dat in de memorie van toelichting uitdrukkelijk aan de orde moet komen of het personeel, en ook welk personeel, in geval van het instellen van een ZBO, in dienst van de overheid blijft dan wel in dienst van het ZBO komt. In het laatste geval dienen de rechtspositionele voorwaarden niet gewijzigd te worden. De Raad is van oordeel dat dit onderwerp niet alleen in de memorie van toelichting nader moet worden toegelicht, maar dat daar in het ontwerp uitsluitsel over wordt gegeven.

De Raad adviseert de regering op het bovenstaande in de memorie van toelichting in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

q. Instandhouding bijzondere school (artikel 41 )

Artikel 41 van het ontwerp is opgenomen in hoofdstuk I, titel 2, afdeling 3 van het ontwerp dat het volgende opschrift heeft: ’Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kas van het bijzonder onderwijs.’ Gezien dit opschrift betreft deze afdeling alleen het bijzonder onderwijs dat uit de openbare kas bekostigd wordt. In de toelichting op artikel 41 van het ontwerp staat dat dit artikel, in tegenstelling tot artikel 1 van het ontwerp, slechts betrekking heeft op bekostigd onderwijs. De Raad merkt op dat uit artikel 41 van het ontwerp niet is op te maken dat het om een uit de openbare kas bekostigde bijzondere school gaat.

De Raad adviseert de regering in artikel 41 van het ontwerp op te nemen dat het om een bijzondere school gaat die bekostigd wordt uit de openbare kas.

 

r. Bekostigingsvoorwaarden (artikel 46)

Aangezien het vergoeden van de kosten van een school aangemerkt zou kunnen worden als een subsidie vindt de Raad dat nagegaan moet worden of er in het Landsbesluit subsidie bepalingen voorkomen die ook in het ontwerp zouden kunnen worden opgenomen. Een voorbeeld is het artikel bevattende de weigeringsgronden van subsidie (artikel 15 van het Landsbesluit subsidie). Extra eisen van economische en financiële aard, alsook eisen ten aanzien van de aanvrager van de vergoeding, zouden bijvoorbeeld gesteld kunnen worden aan het bevoegd gezag van een bijzondere school of aan een ZBO in het geval dit bestuursorgaan het bevoegd gezag van een openbare school is. Voorbeelden van over te nemen bepalingen zijn de bepalingen van de artikelen 7 (economische en financiele voorwaarden) en artikel 22 (gegevens aanvraag subsidie instellingen).

De Raad adviseert de regering na te gaan of het met betrekking tot de bekostiging van scholen gewenst dan wel noodzakelijk is bepalingen uit het Landsbesluit subsidie over te nemen in het ontwerp.

 

s. Te vergoeden kosten (artikel 47)

1°. Heffingen (eerste lid)

Op grond van artikel 47, eerste lid, onderdelen g en n, van het ontwerp heeft de vergoeding van de kosten van scholen ook betrekking op ‘heffingen’ respectievelijk ‘additionele kosten’.

De Raad adviseert de regering in artikel 47, eerste lid, in onderdeel g, van het ontwerp op te nemen welke heffingen de te vergoeden heffingen betreffen, bijvoorbeeld ‘heffingen van overheidswege’ dan wel in de memorie van toelichting hierop in te gaan. De Raad adviseert tevens in de memorie van toelichting voorbeelden te geven van kosten die behoren tot ‘additionele kosten’ in de zin van artikel 47, eerste lid, onderdeel n, van het ontwerp.

 

2°. Wijziging bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen (vijfde lid)

Artikel 47, vijfde lid, van het ontwerp maakt het mogelijk om vooruitlopend op een wijziging van het eerste lid (te vergoeden kosten), bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kostensoorten aan te wijzen die voor vergoeding in aanmerking komen.

De Raad adviseert de regering in artikel 47, vijfde lid, van het ontwerp op te nemen dat de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nieuw aangewezen kostensoorten vervallen indien de onderhavige landsverordening daartoe niet gewijzigd is binnen een bepaalde termijn, bijvoorbeeld binnen een jaar.

 

t. Informatieplicht (artikel 49)

In het eerste lid van artikel 49 van het ontwerp wordt het bevoegd gezag van een bijzondere school verplicht om de minister alle inlichtingen te verstrekken die hij nodig acht voor de toepassing van titel 3 van hoofdstuk I van het ontwerp (‘Aanvraag wijze en beëindiging van bekostiging’). Het tweede lid verplicht het bevoegd gezag van zowel openbare als bijzondere scholen de minister informatie te verschaffen ten behoeve van een goede uitvoering van de onderhavige landsverordening. Volgens de Raad overlappen het eerste en tweede lid elkaar voor wat betreft de verplichte informatieverschaffing die bijzondere scholen hebben.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting de verhouding tussen het eerste en tweede lid van artikel 49 van het ontwerp toe te lichten en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

u. Akte van aanstelling en benoeming (artikel 55)

Het tweede lid van artikel 55 van het ontwerp verplicht het bevoegd gezag om geldige akten van aanstelling en benoeming aan het personeel uit te reiken binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven of de onderwijsinspectie dan wel een andere instantie hierop zal toezien.

 

v. Documentatie rechtspersoonlijkheid (artikel 57)

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven op welke wijze gewaarborgd wordt dat de statuten en reglementen van de daarvoor in aanmerking komende rechtspersonen binnen de gestelde termijn in overeenstemming met de onderhavige landsverordening zijn gebracht.

 

w. Voorschriften ten behoeve van invoering speciaal funderend onderwijs (artikel 60)

Conform artikel 60 van het ontwerp kunnen voorschriften worden vastgesteld bij ministeriële regeling met algemene werking ten behoeve van een goede invoering van de onderhavige landsverordening. Dit is mogelijk voor zover de onderhavige landsverordening daar niet in voorziet en ook als het nodig is om af te wijken van hetgeen bij of krachtens landsverordening is bepaald. De Raad merkt op dat artikel 60 niet is toegelicht in de memorie van toelichting en dat dit artikel niet in overeenstemming is met aanwijzing 18 van de Awr. Deze aanwijzing bepaalt dat elke delegatie van regelgevende bevoegdheid zo concreet mogelijk moet worden begrensd in de delegerende regeling.

Tevens wijst de Raad erop dat delegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking slechts mogelijk is als het gaat om voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of voorschriften waarvan te voorzien is dat ze mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld (aanwijzing 19 van de Awr).

De Raad adviseert de regering artikel 60 van het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

x. Wijziging van de LvFO (artikel 62)

1°. Onderdeel D

De Raad adviseert de regering onderdeel D zodanig aan te passen dat in artikel 9, zevende lid, van de LvFO in de tweede zin, tevens ‘het bestuurscollege’ vervangen wordt door ‘de minister’.

 

2°. Onderdeel I

Met betrekking tot het nieuw voorgestelde artikel 35 van de LvFO dat gaat over de mogelijkheid tot het instellen van een ZBO, verwijst de Raad de regering naar de in dit advies gemaakte opmerkingen en het gegeven advies van de Raad:

* in onderdeel ‘2. Het zelfstandig bestuursorgaan’ onder ‘I. Algemeen’, en

* over artikel 36 van het ontwerp (zie onderdeel p hierboven).

 

y. Wijziging van de LvVO (artikel 63)

Onderdeel D

Met betrekking tot het nieuw voorgestelde artikel 40a van de LvVO dat gaat over de mogelijkheid tot het instellen van een ZBO, verwijst de Raad de regering naar de in dit advies gemaakte opmerkingen en het gegeven advies van de Raad:

* in onderdeel ‘2. Het zelfstandig bestuursorgaan’ onder ‘I. Algemeen’, en

* over artikel 36 van het ontwerp (zie onderdeel p hierboven).

 

z. Wijziging van de LvSBE (artikel 64)

Onderdeel C

Met betrekking tot het nieuw voorgestelde artikel 44 van de LvSBE dat gaat over de mogelijkheid tot het instellen van een ZBO, verwijst de Raad de regering naar de in dit advies gemaakte opmerkingen en het gegeven advies van de Raad:

* in onderdeel ‘2. Het zelfstandig bestuursorgaan’ onder ‘I. Algemeen’, en

* over artikel 36 van het ontwerp (zie onderdeel p hierboven).

 

aa. Wijziging van de Leerplichtlandsverordening (artikel 65)

In artikel 65 van het ontwerp wordt de begripsbepaling in de Leerplichtslandsverordening (artikel 1) gewijzigd, met dien verstande dat het SFO daar nu ook in genoemd wordt. Aangezien de Leerplichtverordening Curaçao 2009 een uitvoeringsregeling is van de Leerplichtlandsverordening is het gewenst om ook de begripsbepaling in artikel 1 op dezelfde wijze aan te passen.

De Raad adviseert de regering artikel 1, onderdeel b, van de Leerplichtverordening Curaçao 2009, in gelijke zin als de Leerplichtlandsverordening aan te passen.

 

bb. Wijziging van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (artikel 66)

Het nieuw voorgestelde artikel 4, onderdeel c, van de LMA gaat ervan uit dat desbetreffende ZBO een rechtspersoon is, hoewel aan het ZBO geen rechtspersoonlijkheid is toegekend in het ontwerp. Zie ook de opmerking van de Raad in onderdeel II. 1. p op pagina 9 in dit advies

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

 

cc. Intrekking van de Landsverordening basisonderwijs (artikel 67)

In artikel 54, tweede lid, van de LvFO is bepaald dat de tot dan toe geldende Landsverordening basisonderwijs (hierna: LvBO) niet meer van toepassing is, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op het speciaal onderwijs en met dien verstande dat de bij en krachtens de LvBO vastgestelde bepalingen van toepassing blijven op het onderwijs waarvoor het FO nog niet ingevolge de stapsgewijze invoering, bedoeld in artikel 56 van de LvFO, in de plaats is getreden. De LvBO wordt thans ingetrokken (artikel 67 van het ontwerp).

De Raad adviseert de regering na te gaan of er uitvoeringsregelingen zijn die gehandhaafd moeten worden en waarvoor een voorziening moet worden getroffen in het ontwerp.

 

2. Overige

a. Pensioenlandsverordening overheidsdienaren

Op grond van artikel 4, aanhef en eerste lid, onderdeel e, van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (hierna: PLvo) wordt onder overheidsdienaren tevens verstaan het personeel van een uit openbare kas bekostigde bijzondere school als bedoeld in de LvFO, de LvVO en de LvSBE.

De Raad adviseert de regering na te gaan of ook de LvSFO in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de PLvo moet worden opgenomen.

 

b. Geheimhoudingsplicht en sanctie

De Raad adviseert in het ontwerp een geheimhoudingsplicht op te nemen en bij overtreding daarvan een sanctie in te stellen.

 

III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

 Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.

 

Willemstad, 9 november2022

de wnd. Ondervoorzitter,                                                       de Secretaris,

 

____________________                                                        _____________________

dr. L. M. Sybesma             mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/23-22-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het ontwerp

a. Considerans

Voorgesteld wordt in de overweging in de considerans het zinsdeel ‘ter vervanging van de regeling in de Landsverordening basisonderwijs” te vervangen door ‘ter vervanging van de regeling over het speciaal onderwijs in de Landsverordening basisonderwijs’.

 

b. Artikel 1

Onder verwijzing naar aanwijzing 96, eerste lid, van de Awr wordt voorgesteld aan tekst in de aanhef van artikel 1 toe te voegen ‘en de daarop berustende bepalingen’.

 

c. Artikel 7

Voorgesteld wordt in artikel 7, vierde lid, ‘wordt’ te vervangen door ‘worden’.

 

d. Artikel 8

Voorgesteld wordt in de eerste zin in het eerste lid ‘van dat Wetboek’ te vervangen door ‘van dat wetboek’.

 

e. Artikelen 10 en 11

Voorgesteld wordt in artikel 10, derde lid, eerste zin, en artikel 11, vierde lid, eerste zin, het woord ‘tenminste’ te vervangen door ‘ten minste’.

 

f. Artikel 14

Onder verwijzing naar de voorbeelden genoemd in aanwijzing van de Awr, wordt voorgesteld in het eerste lid een komma te plaatsen tussen de woorden ‘onderwijscomponenten’ en ‘bedoeld’.

 

g. Artikel 20

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘worden voorschriften gegeven’ te vervangen door ‘worden regels vastgesteld’.

 

h. Artikel 21

Voorgesteld wordt in het derde lid na ‘de leerplichtambtenaar,’ in te voegen ‘, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Leerplichtverordening Curaçao 2009,’.[15]

 

i. Artikel 22

Voorgesteld wordt in het tweede lid de woorden ‘of krachtens’ te schrappen.

 

j. Artikel 24

Voorgesteld wordt de bepalingen in het eerste lid te verdelen over meer dan één artikellid.

 

k. Artikel 26

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘bij of krachtens wettelijk voorschrift’ te vervangen door ‘bij of krachtens landsverordening’.

Gelet op de begripsbepaling van ‘directeur’ in artikel 1, aanhef en onderdeel c, van het ontwerp, wordt tevens voorgesteld in het tweede lid, eerste zin, van artikel 26 van het ontwerp de woorden ‘van de school’ te schrappen.

 

l. Artikel 31

Voorgesteld wordt:

– in het eerste lid ‘Titel XIII van het Wetboek van Strafrecht’ te vervangen door ‘Titel XIII van het Tweede boek van het Wetboek van Strafrecht’;

– in het derde lid het cijfer ‘5’ te vervangen door ‘vijf’.

 

m. Artikel 46

Voorgesteld wordt:

– in het tweede lid, eerste zin, ‘voorschriften gegeven’ te vervangen door ‘regels vastgesteld’, en

– de tweede zin in het tweede lid in een apart (derde) lid op te nemen, onder vervanging van ‘deze voorschriften’ in ‘deze regels’.

 

n. Artikel 47

Voorgesteld wordt de aanhef in het eerste lid als volgt te doen luiden: ‘De vergoeding, bedoeld in artikel 45, heeft ten minste betrekking op de volgende kostensoorten:’.

 

o. Artikel 48

Voorgesteld wordt in het eerste lid, in de laatste zin, ‘naar mening van’ te vervangen door ‘naar de mening van’.

 

p. Artikelen 52

Voorgesteld wordt in:

–     het eerste lid ’de inwerkingtreding’ te vervangen door ‘het tijstip van inwerkingtreding’ en het zinsdeel ‘5 jaar’ te vervangen door ‘vijf jaar’;

–     het tweede lid, ‘5 jaar’ te vervangen door ‘vijf jaar’ en ‘de inwerkingtreding’ door ‘het tijdstip van inwerkingtreding’.

 

q. Artikel 53

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘5 jaar’ te vervangen door ‘vijf jaar’ en ‘niet’ in te voegen tussen ‘artikel 52,’ en ‘beschikt’.

 

r. Artikel 55

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘na inwerkingtreding’ te vervangen door ‘na het tijdstip van inwerkingtreding’.

 

s. Artikel 56

Voorgesteld wordt:

–     het zinsdeel ‘Op geschillen tussen personeel en bevoegd gezag’ te vervangen door “Op geschillen tussen het personeel en het bevoegd gezag’;

–     ‘de inwerkingtreding’ te vervangen door “het tijdstip van inwerkingtreding’; en

–     ‘voorschriften’te vervangen door ‘regelingen’.

 

t. Artikel 57

Voorgesteld wordt ‘voorschriften’ te vervangen door ‘regels’.

 

u. Artikel 58

Voorgesteld wordt ‘moment’ te vervangen door ‘tijdstip’.

 

v. Artikel 64

Voorgesteld wordt in onderdeel B cijfer ‘1’ te plaatsen vóór ’de minister, of’ en cijfer ‘2’ vóór ‘het zelfstandig bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44;’.

 

2. De memorie van toelichting

a. Pagina 3

Voorgesteld wordt in de vijfde zin van de tekst onder het opschrift ‘1.1 De koers voor het SFO’, de woorden ‘onderhavige Landsverordening’ te vervangen door ‘onderhavige ontwerplandsverordening’.

 

b. Pagina 11

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin, tussen ‘zijn,’ en ‘uiteengezet’ de woorden ‘te worden’ in te voegen.

 

c. Pagina 17

Voorgesteld wordt in de laatste zin het woord ‘dan’ in te voegen tussen ‘meedoen,’ en ‘dienen’.

 

d. Pagina 19

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘worden verkleind’ te vervangen door ‘wordt verkleind’.

 

e. Pagina 23

Voorgesteld wordt:

  • het opschrift ‘Artikel 51’ te vervangen door ‘Artikel 52’;
  • in de tekst onder het opschrift ‘Artikel 53’, in de laatste zin ‘52’ te vervangen door ‘53’;
  • in de tekst onder het opschrift ‘Artikel 54’, in de laatste zin ‘53’ te vervangen door ‘54’;
  • in het laatste tekstblok, eerste zin, het woord ‘is’ tussen ‘werkzaamheden,’ en ‘bepaald’ te verwijderen.

 

__________________________

[1] Beleidsplan voor de ontwikkeling, inrichting en ondersteuning van het Speciaal Onderwijs voor de Nederlandse Antillen (2010).

[2] Memorie van toelichting, pagina 3, onderdelen ‘1.1 De koers voor het SFO’ en ‘1.2 De keuze voor een afzonderlijke landsverordening’, vierde zin.

[3] Artikel 1, onderdelen a en f, aanhef en onder 1º sub 1, van de LvFO.

[4] P.B. 1951, no. 39.

[5] Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba d.d. 20 mei 2011 (ECLI:NL:OGHACMB:2011: BR5382).

[6] Artikel 36, derde lid, van het ontwerp luidt: ‘Het zelfstandig bestuursorgaan oefent met uitzondering van de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag.’

[7] Memorie van toelichting, pagina 21, eerste, tweede en derde (tweede tot en met vierde zin) tekstblok.

[8] S.E. Zijlstra c.s., Wetgeven, Handboek voor de centrale en decentrale overheid, Deventer 2012, p. 455-456.

[9] Memorie van toelichting bij de Staatsregeling, pagina’s 19, tweede en laatste tekstblok, 20, voorlaatste tekstblok, derde zin.

[10] Zie ook memorie van toelichting, pagina 21, tweede tekstblok, laatste zin.

[11] Bijvoorbeeld in het advies van de Raad over de ontwerplandsverordening concurrentie d.d. 25 maart 2015, RvA no. RA/21-14-LV (pagina 5 e.v.).

[12] Zie Gerecht in eerste Aanleg d.d. 7 februari 2022; ECLI:NL:OGEAC:2022:3.

[13] Memorie van toelichting, pagina 21, laatste zin.

[14] Memorie van toelichting, pagina 25.

[15] A.B. 2009, no. 63.