Adviezen

RvA no. RA/24-24-LV: Initiatiefontwerplandsverordening houdende regels inzake de vrijstelling van loonbelasting en sociale lasten op het loon van young professionals en tot wijziging van de Landsverordening op de Loonbelasting, de Landsverordening op de inkomstenbelasting en de Landsverordening op de Winstbelasting (Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals)

Ontvangstdatum: 26/06/2024
Publicatie datum: 18/10/2024

(Zittingsjaar 2020-2021-184)

Initiatiefontwerplandsverordening houdende regels inzake de vrijstelling van loonbelasting en sociale lasten op het loon van young professionals en wijziging van de Landsverordening op de Loonbelasting, de Landsverordening op de inkomstenbelasting en de Landsverordening op de Winstbelasting (Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals) (Zittingsjaar 2020-2021-184)

 

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 24 juni 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 30 september 2024, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemeen

1. Het doel van het ontwerp

De onderhavige initiatiefontwerplandsverordening bevordering arbeids-participatie young professionals (hierna: het initiatiefontwerp) strekt volgens de considerans ertoe de arbeidsparticipatie van ‘young professionals’ te bevorderen. Daartoe wordt in het initiatiefontwerp voorgesteld om:

(1) de werkgever onder bepaalde voorwaarden vrij te stellen van de heffing van loonbelasting en premies over het loon van de werknemer;

(2) de belasting- en premieheffing over het overwerkloon te harmoniseren; en

(3) de Landsverordening ter bevordering van de werkgelegenheid voor jeugdige werkzoekenden, de zogenaamde Lei di Bion, in te trekken.

 

2. Het doorlopen traject

Op verzoek van de Voorzitter van de Staten gebaseerd op artikel 2, tweede lid, van de Landsverordening Sociaal-Economische Raad heeft de Sociaal-Economische Raad (hierna: de SER) op 31 maart 2021 advies uitgebracht over het initiatiefontwerp.[1] In dat advies heeft de SER een aantal cruciale aspecten aangehaald waarmee bij het opstellen van ontwerpen van wet- en regelgeving rekening moet worden gehouden. Deze aspecten zijn door de SER in zijn advies zeer uitgebreid besproken en dienen primair ter waarborging van de deugdelijkheid van wet- en regelgeving daaronder mede begrepen de effectiviteit, de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid daarvan. De SER constateert in zijn advies dat de initiatiefnemers bij het opstellen van het initiatiefontwerp bij lange na geen acht hebben geslagen op deze aspecten. Eén van de initiatiefnemers heeft in zijn brief van 20 juni 2024 de Staten geïnformeerd – na kennis te hebben genomen van het advies van de SER — geen wijzigingen te willen aanbrengen in het in 2021 ter advisering aan de SER voorgelegde initiatiefontwerp. Hij heeft de Voorzitter van de Staten daarop verzocht het initiatiefontwerp ter advisering door te geleiden naar de Raad van Advies.

Het één en ander houdt in dat zowel het initiatiefontwerp als de daarbij behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) ongewijzigd aan de Raad is voorgelegd, terwijl in een memorie van toelichting de regering of – bij initiatiefontwerpen – de initiatiefnemer conform de eisen van deugdelijke wetgeving inhoudelijk behoort te reageren op de adviezen van de geconsulteerde adviesinstanties. De Raad heeft zich over deze ongewenste gang van zaken reeds kritisch uitgesproken in een aan de Staten gerichte brief van 2 augustus 2024 (met kenmerk RvA no. OV/19-24) en vraagt ook in dit verband de bijzondere aandacht van de indiener van het initiatiefontwerp daarvoor.

Het is voor de Raad immers onbegrijpelijk waarom de SER gehoord wordt als met zijn opmerkingen toch op geen enkele wijze rekening wordt gehouden. De Raad benadrukt nogmaals dat ondanks de vele uitdagingen in de wetgevingsfunctie alle betrokkenen bij de voorbereiding van wetgeving, dus ook de initiatiefnemers, de nodige zorgvuldigheid in acht moeten nemen. De Raad verwijst in dit verband weer naar zijn beleidsregels met betrekking tot de advisering over initiatiefontwerpen. Deze beleidsregels heeft de Raad bij brief d.d. 30 oktober 2017 met kenmerk RvA no. OV/46-17 en bij laatstgenoemde brief van 2 augustus 2024 aan de Staten toegestuurd.[2]

 

II. De procedure voor het tot stand komen van wettelijke regelingen

1. Inleiding

De aanwijzingen die door de regering gebruikt worden bij het opstellen van ontwerpregelgeving, de zogenaamde ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ dienen ter verhoging van de kwaliteit van wet- en regelgeving. Ze zijn evenwel niet tot de Staten gericht. Echter, in het belang van het bevorderen van de kwaliteit van wet- en regelgeving verdient het aanbeveling dat ook de initiatiefnemers bij het opstellen van initiatiefontwerpen rekening houden met deze aanwijzingen. Ze vergemakkelijken namelijk de procedure van de totstandkoming van wettelijke regelingen en bevatten leidraden voor de opbouw van een regeling en vaste modellen voor diverse standaardelementen van een regeling.  Zonder dat dit met zoveel woorden in het eerder aangehaalde advies van de SER werd genoemd, kunnen de meest kritische kanttekeningen van de SER herleid worden tot bedoelde leidraden en standaardelementen waarop de Aanwijzingen voor de regelgeving betrekking heeft. Deze worden door de Raad onderschreven en komen ook in dit advies in grote lijnen aan de orde.

 

2. De probleemstelling en de noodzaak van overheidsinterventie

 a. Relevante feiten en omstandigheden

Kennis van de relevante feiten en omstandigheden is noodzakelijk voor het formuleren van een duidelijke probleemstelling en de mogelijke oplossingen (doelstelling) daarvoor. Verandering in deze feiten en omstandigheden moet bovendien gedurende het gehele voorbereidingsproces van een wettelijke regeling in de gaten worden gehouden, omdat deze veranderingen tot gevolg kunnen hebben dat een ontwerp van een regeling of de uitgangspunten daarvan, moeten worden geactualiseerd.

Met het voorgestelde in het initiatiefontwerp proberen de initiatiefnemers het voor de werkgevers aantrekkelijker te maken om young professionals in dienst te nemen. Met het initiatiefontwerp willen de initiatiefnemers namelijk voorkomen dat young professionals langdurig werkloos blijven. Ze vinden het daarom van groot belang om in de crisistijd die het gevolg was van de Covid-19 pandemie snel met extra maatregelen te komen ter bevordering van de arbeidsparticipatie van young professionals.

Ten aanzien van de verzwakte positie van de young professionals op de arbeidsmarkt halen de initiatiefnemers onder andere de volgende feiten aan:

–     Het CBS verwacht dat de werkloosheid in het bijzonder onder young professionals in 2020 en 2021 sterk zal oplopen (pagina 2, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting);

–     Volgens het Arbeidskrachtenonderzoek (AKO) van het CBS is het jeugdwerkloosheidspercentage in 2019 toegenomen tot 41,7%. Dit is een toename van 12,4% ten opzichte van 2018 (29,3%) (pagina 3, eerste tekstblok, van de memorie van toelichting) en volgens het Internationaal Monetair Fonds zal de werkgelegenheid in 2020-2021 in totaal met 10% dalen (pagina 3, vierde tekstblok, van de memorie van toelichting).

–     Voornoemde situatie is veroorzaakt dan wel ernstig verslechterd door de COVID-19 pandemie.

 

De Raad beaamt dat de vooruitzichten op de arbeidsmarkt gedurende de Covid-crisis aanzienlijk verslechterd waren en dat op dat moment maatregelen noodzakelijk waren ter stimulering van de werkgelegenheid. Echter, zoals de initiatiefnemers zelf aangeven, had een daarop gerichte maatregel snel – en volgens de Raad met name op het juiste moment – geïmplementeerd moeten worden.

De Raad constateert dat de Covid-crisis volledig achter de rug is, de economie de laatste jaren aantrekt en de arbeidsmarkt omgeslagen is in een krappe arbeidsmarkt. Hierdoor is de situatie waarop het uit 2021 daterende initiatiefontwerp eerder afgestemd was totaal niet meer aan de orde.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het ontwerp aan te geven wat thans de aanleiding vormt voor dit voorstel. 

 

Daarnaast kan uit de bij het adviesverzoek overgelegde stukken ook niet worden opgemaakt of het initiatiefontwerp door de initiatiefnemers is geplaatst tegen de achtergrond van het landspakket[3], voor zover het betreft het realiseren van een flexibele arbeidsmarkt en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat alsmede met het voornemen tot het herinrichten van een robuust belastingstelsel met een brede grondslag dat bijdraagt aan een eerlijke(re) inkomensverdeling.

Van de opsteller van een ontwerpregeling wordt verwacht dat hij de memorie van toelichting zoveel mogelijk actualiseert met relevante informatie voordat de Raad van Advies voor advies daarover wordt gevraagd. Dit geldt des te meer wanneer de te actualiseren feiten en omstandigheden de noodzaak van de ontwerpregeling weergeeft. In dit geval zou bijvoorbeeld ten minste moeten worden nagegaan of de noodzaak voor het initiatiefontwerp in gelijke mate is blijven bestaan na de COVID-19 pandemie en of de (verwachte) middelen die moeten worden gebruikt om het eerder geconstateerde probleem op te lossen, wellicht moeten worden aangepast.

Daarnaast dient te worden nagegaan of het initiatiefontwerp past binnen de afspraken die ter zake zijn gemaakt in het kader van de uitvoering van het landspakket.

De Raad adviseert de initiatiefnemers met het voorgaande rekening te houden en de informatie ter zake in de memorie van toelichting te actualiseren. Zie in dit verband ook aanwijzing 5, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 

b. De vraag of overheidsinterventie het juiste middel is

Bij het zoeken naar mogelijke oplossingen moet de vraag worden beantwoord in hoeverre overheidsinterventie nodig is en moet worden afgewogen welke mogelijkheden tot overheidsinterventie in het concrete geval zullen worden toegepast. Overheidsinterventie hoeft immers niet per se plaats te vinden door middel van nieuwe regelgeving. De overheid kan bijvoorbeeld ook interveniëren door feitelijk op te treden of door het verstrekken van subsidies. Aan de andere kant kan ook blijken dat de overheid de betrokken doelstellingen niet kan realiseren. Overheidsinterventie heeft in dat geval geen enkele zin. Zie aanwijzingen 4 tot en met 6 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 

c. Overheidsinterventie door middel van wetgeving om de arbeidsparticipatie van jongeren en jongvolwassenen te bevorderen

Uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat het probleem dat de initiatiefnemers wensen op te lossen te maken heeft met een groeiende werkloosheid in 2020 en 2021 als gevolg van de COVID-19 pandemie en waarmee ‘young professionals’ te maken kregen vanwege hun kwetsbare positie – minder werkervaring – op een al krappe arbeidsmarkt.

De kansen op de arbeidsmarkt voor werkzoekenden van 18 tot 30 jaar op het verkrijgen van een duurzame arbeidsplaats met de daaraan gekoppelde rechtspositie zullen volgens het gestelde in de memorie van toelichting verbeteren als de loonkosten voor de werkgever worden verlaagd. Zie pagina’s 1, laatste tekstblok, en 2, eerste en derde tekstblok.

In het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om deze loonkosten te verlagen met toepassing van een fiscaal beleidsinstrument dat ‘vrij vertaald’ volgens de memorie van toelichting erop neerkomt dat aan de werkgever onder voorwaarden vrijstelling wordt verleend van de verplichting tot het betalen van zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel van de sociale premies en de loonbelasting.

 

3. De toetsingsgronden

 a. De Lei di Bion: doel en middel

In de jaren 80 van de vorige eeuw kreeg de problematiek van de jeugdwerkloosheid al bijzondere aandacht. Om de toen heersende jeugdwerkloosheid, met name in het toenmalige eilandgebied Curaçao, te bestrijden werd in 1989 de Lei di Bion tot stand gebracht.[4]

Volgens de memorie van toelichting (pagina’s 1 en 2) behorende bij de Lei di Bion waren aanvullende maatregelen nodig om de werkloosheid onder jongeren en jongvolwassenen tussen 18 en 30 jaar terug te dringen. Het doel van de Lei di Bion was daarom om werkzoekenden in deze leeftijdscategorie die langer dan een jaar ononderbroken stonden ingeschreven in het register van werkzoekenden meer kans te bieden op het verkrijgen van een duurzame arbeidsplaats met de daaraan gekoppelde gebruikelijke rechtspositie. Om dat te realiseren wordt in de Lei di Bion aan particuliere werkgevers die een werkzoekende van 18 tot 30 jaar in dienst neemt, (1) vrijstelling verleend van het werkgeversdeel van de sociale lasten en (2) een ‘subsidie’ verstrekt in de vorm van het niet hoeven afdragen van ingehouden loonbelasting. Deze tegemoetkomingen betekenen voor de werkgever een verlaging van de loonkosten.

 

b. Het initiatiefontwerp

1°. Middelen om het doel te bereiken en de doelmatigheidstoets

Uit het hiervoor gestelde kan worden geconcludeerd dat het doel van het initiatiefontwerp en van de Lei di Bion gelijk zijn, terwijl ook de middelen die in het initiatiefontwerp en in de Lei di Bion worden aangewend om dat doel te bereiken in essentie met elkaar overeenkomen.

Uit de memorie van toelichting (of anderszins) blijkt niet of naast het fiscaal beleidsinstrument dat hier aan de orde is ook andere instrumenten zijn meegewogen als mogelijk middel om het nagestreefde doel te bereiken en welke deze andere instrumenten zijn.[5] Het is ook niet duidelijk of de voor- en nadelen van het gekozen instrument door de initiatiefnemers tegen elkaar zijn afgewogen en wat het resultaat van deze afweging is geweest.[6] Dit laatste mede als onderdeel van de doelmatigheidstoets die vooraf had moeten gaan aan het concipiëren van het initiatiefontwerp.[7]

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op de boven aangehaalde aspecten, die immers de kwaliteit van deugdelijke wetgeving bevorderen en bij het opstellen van wet- en regelgeving steeds in acht moeten worden genomen.

 

2°. Onderzoek naar de effectiviteit

 – De noodzaak van evaluatie

In de memorie van toelichting – die in 2021 is opgesteld en in 2024 niet is gewijzigd – wordt ruim negen jaar na de inwerkingtreding van de Lei di Bion nog steeds gewezen op de zorgelijke situatie van de jeugdwerkloosheid in Curaçao. Men zou aan de hand daarvan kunnen concluderen dat de Lei di Bion kennelijk geen of onvoldoende resultaat heeft opgeleverd.

Een dergelijke conclusie kan evenwel pas met zekerheid worden getrokken na evaluatie van de Lei di Bion. Uit een dergelijke evaluatie zal immers moeten blijken welke resultaten met de Lei di Bion zijn bereikt en wat de knelpunten waren bij de uitvoering van de Lei di Bion.  Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld welke uitgangspunten van de Lei di Bion al dan niet moeten worden aangepast en of wellicht een andere vorm van overheidsinterventie meer op zijn plaats is.

Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of een dergelijke evaluatie heeft plaatsgevonden. Of de verlaging van de loonkosten het voor de werkgevers aantrekkelijker heeft gemaakt om werkzoekenden van 18 tot 30 jaar in dienst te nemen, is dus niet vast komen te staan.

 

– Belangrijkste verschillen met de Lei di Bion

Toch wordt in het initiatiefontwerp, zonder nadere motivering, weer gegrepen naar het in de fiscale sfeer (nog verder) verlagen van loonkosten als middel om de werkeloosheid onder dezelfde categorie werkzoekenden aan te pakken. Dit fiscaal beleidsinstrument is door de initiatiefnemers gekozen terwijl de oorzaak van het probleem wellicht niet of niet alleen moet worden gezocht in de hoge loonkosten. Er kunnen namelijk ook andere aspecten een rol spelen waarmee een werkgever rekening houdt bij het in dienst nemen van werknemers. Deze aspecten worden in de memorie van toelichting niet belicht.

Onder de werking van de Lei di Bion had de potentiële werknemer voorts een actieve rol. Hij diende zelf de voor de vrijstelling benodigde verklaring bij de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn aan te vragen. Deze verklaring diende hij aan zijn werkgever over te leggen.

In het initiatiefontwerp daarentegen krijgt de werkgever een actievere rol. Hij moet zelf bij de Inspecteur der Belastingen (hierna: de Inspecteur) een verzoek om bovenbedoelde vrijstelling indienen. Indien de Inspecteur niet binnen twee weken na indiening van bedoeld verzoek beslist, wordt het verzoek van de werkgever geacht te zijn toegewezen.

In de memorie van toelichting wordt echter niet ingegaan op de overwegingen die een rol hebben gespeeld bij het wijzigen van de te doorlopen procedure (in vergelijking met de Lei di Bion) om in aanmerking te komen voor de in het initiatiefontwerp opgenomen vrijstelling.

In het initiatiefontwerp worden bovendien vergeleken met de Lei di Bion meer voorwaarden gesteld waaraan de werkgever moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor bedoelde vrijstelling. Ook hierop wordt in de memorie van toelichting niet ingegaan.

Voor de Raad is om bovengenoemde redenen niet duidelijk aan de hand waarvan de initiatiefnemers tot de conclusie zijn gekomen dat het (nog verder) verlagen van de loonkosten, de nieuwe procedure en extra voorwaarden, zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, de arbeidsmarkt voor werkzoekenden van 18 tot 30 jaar meer zal stimuleren dan de Lei di Bion. Immers, met de Lei di Bion werd voor dezelfde categorie werkzoekenden ook met lagere loonkosten en een vrijwel eenvoudige procedure ingespeeld op de arbeidsmarkt.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op de verschillen tussen het voorliggende initiatiefontwerp en de Lei di Bion die volgens de initiatiefnemers ertoe zullen leiden dat bij toepassing van het in het initiatiefontwerp voorgestelde de arbeidsmarkt voor werkzoekenden van 18 tot 30 jaar beter zal zijn gediend dan met de Lei di Bion. Daarmee zal ook de effectiviteit van het initiatiefontwerp worden aangetoond.

 

3°. Uitvoerbaarheid, controleerbaarheid en handhaafbaarheid

– De bij de uitvoering betrokkenen

De uitvoering van de Lei di Bion was volgens de daarbij behorende memorie van toelichting voor zowel de overheid als voor de werkgevers zeer eenvoudig (pagina 3, tweede en derde tekstblok). In min of meer dezelfde bewoordingen wordt ook in de memorie van toelichting behorende bij het onderhavige initiatiefontwerp gewezen op de gemeende eenvoud van de uitvoering van het voorgestelde in het initiatiefontwerp voor zowel de Inspectie der Belastingen en de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) als voor de werkgevers (pagina 2, tweede tekstblok), terwijl geconstateerd kan worden dat in elk geval de Inspecteur een actievere rol – en daarmee ook een toename van de werkdruk, vanwege een zeer korte beslistermijn – krijgt in het initiatiefontwerp. Zie in dit verband artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp.

De effectiviteit van een regeling hangt mede af van de mate van uitvoerbaar-, controleerbaar- en handhaafbaarheid van de regeling. Bij het onderhavige adviesverzoek zijn geen documenten gevoegd waaruit blijkt dat de Inspectie der Belastingen zich over zijn nieuwe rol bij de uitvoering van het initiatiefontwerp heeft uitgelaten. Ook het standpunt van de SVB waar het gaat over de te derven premieopbrengsten inzake sociale zekerheidsverzekeringen blijkt niet uit de stukken die bij het adviesverzoek zijn gevoegd. In de memorie van toelichting wordt daarop ook niet ingegaan. Voor de Raad is daarom niet duidelijk of de initiatiefnemers bij het opstellen van het initiatiefontwerp rekening hebben gehouden met eventuele knelpunten waarmee de betrokkenen bij de uitvoering van het initiatiefontwerp in de praktijk zullen worden geconfronteerd.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op het voorgaande.

 

– Toezicht en handhaving

Volgens de memorie van toelichting is de Inspectie der Belastingen belast met de controle op de naleving van de bepalingen opgenomen in het initiatiefontwerp (pagina 2, tweede tekstblok). In het initiatiefontwerp is echter geen toezichtbepaling opgenomen met als gevolg dat uit de tekst van het initiatiefontwerp niet blijkt wie met het toezicht op de naleving van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals is belast en welke bevoegdheden deze toezichthouder bij de uitoefening van zijn taak heeft.

Het kan zijn dat de algemene verwijzing in artikel 4 van het initiatiefontwerp volgens de bedoeling van de initiatiefnemers mede het toezicht op en de handhaving van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals op het oog heeft. Echter, de in dat artikel opgenomen verwijzing naar formele verplichtingen en sancties, is naar het oordeel van de Raad daarvoor niet voldoende. Immers, het omvat – uitgezonderd de verwijzing naar de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) – in eerste instantie alleen de formele verplichtingen en sancties met betrekking tot het inhouden en de afdracht van de loonbelasting en sociale premies en niet tevens het toezicht.

Daarnaast is de verwijzing in artikel 4 van het initiatiefontwerp naar de formele verplichtingen en sancties, bedoeld in de ALL weliswaar ruimer, maar de betreffende toezichtbepalingen in de ALL zullen door deze verwijzing niet als zodanig kunnen worden uitgelegd dat ook het toezicht op de naleving van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals daaronder kan worden gebracht.

Op grond van artikel 40, eerste lid, van de ALL bijvoorbeeld is eenieder gehouden om op verzoek van de Inspecteur gegevens, inlichtingen en gegevensdragers of de inhoud daarvan te verstrekken die voor de belastingheffing ten aanzien van hem van belang kunnen zijn. Het verstrekken van gegevens en dergelijke die noodzakelijk zijn in verband met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals en die niet direct van belang zijn voor de belastingheffing op zich, valt naar het oordeel van de Raad buiten de reikwijdte van artikel 40 van de ALL.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp aan te vullen met een toezicht- bepaling en de memorie van toelichting met inachtneming van het voorgaande aan te vullen.

 

4. Duidelijkheid over de reikwijdte van het initiatiefontwerp

Een van de vereisten om in aanmerking te komen voor de in het initiatiefontwerp bedoelde vrijstelling is dat de werknemer in elk geval bij het begin van de arbeidsovereenkomst de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, maar nog niet de leeftijd van 30 jaar. Zie de definitie van het begrip ‘werknemer’ in artikel 1 van het initiatiefontwerp in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp.

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat bedoelde vrijstelling aanvangt op het moment dat de werkzoekende bij de werkgever in dienst treedt en blijft doorlopen zolang de dienstbetrekking duurt (pagina 2, eerste tekstblok, laatste zin).

In artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp waarin bedoelde vrijstelling wordt geregeld wordt verwezen naar de ‘werknemer’ waarvoor deze vrijstelling geldt.  In de definitie van het begrip ‘werknemer wordt de leeftijdscategorie aangegeven waartoe betrokkene moet behoren om als ‘werknemer’ in de zin van het initiatiefontwerp te kunnen worden aangemerkt. Toepassing van laatstgenoemd artikellid impliceert daarom strikt genomen dat bedoelde vrijstelling vervalt wanneer de betrokkene de leeftijd van 30 jaar bereikt.

In artikel 2, achtste lid, van het initiatiefontwerp waarin de duur van de vrijstelling wordt geregeld en in artikel 3 van het initiatiefontwerp welke het verval van de vrijstelling regelt, wordt het bereiken van de leeftijd van 30 jaar evenwel niet als grond genoemd voor verval van bedoelde vrijstelling.

De Raad adviseert de initiatiefnemers naar aanleiding van het voorgaande om de reikwijdte van het initiatiefontwerp en daarmee ook de daaraan verbonden financiële implicaties ondubbelzinnig in het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting op te nemen. De Raad adviseert in dat verband om – indien dat de bedoeling is – in het initiatiefontwerp en in de memorie van toelichting expliciet op te nemen dat bedoeld leeftijdsvereiste alleen geldt voor het verkrijgen van de vrijstelling en dus niet vervalt bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaar lopende de termijn waarvoor de vrijstelling is verleend. Indien dit laatste niet het geval is dan dient in de artikelen 2 en 3 van het initiatiefontwerp het bereiken van de leeftijd van 30 jaar als grond voor verval van de vrijstelling te worden opgenomen

 

5. Tussenconclusie

De keuze van beleidsinstrumenten is niet alleen afhankelijk van een goede definitie van de maatschappelijke uitdaging, maar na een goede analyse ook van de vertaling daarvan in een beleidsuitdaging. Uit de memorie van toelichting blijkt niet of van een dergelijke analyse en vertaling sprake is geweest.

Op basis van het gestelde in het algemene deel van dit advies kan worden geconcludeerd dat het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting onvoldragen zijn, omdat de onderbouwing van het initiatiefontwerp door de onvolledige motivering en de tekortkomingen in de voorbereidingsfase summier en gebrekkig is. Een belangrijke factor daarbij is zeker ook het feit dat de initiatiefnemers niet zijn ingegaan op het advies van de SER van 31 maart 2021, terwijl in dit geval zeker aanleiding daartoe bestond.

De Raad gaat hierna desalniettemin in op een aantal inhoudelijke aspecten van het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting.

 

III. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het initiatiefontwerp

a. Het toepassingsbereik van het initiatiefontwerp

1º. Het begrip ‘young professionals’

Zoals eerder opgemerkt strekt het initiatiefontwerp ertoe de arbeidsparticipatie van ‘young professionals’ te bevorderen. Ook in het opschrift en de citeertitel van het initiatiefontwerp en in de memorie van toelichting wordt het begrip ‘young professionals’ meermaals gebruikt.

Als men het over ‘young professionals’ heeft, heeft men het strikt genomen over hoogopgeleide jongeren en jongvolwassenen met een startkwalificatie van minimaal middelbaar beroepsonderwijs niveau 2.  Het initiatiefontwerp heeft echter niet per se betrekking op deze categorie.

De ‘young professional’ is volgens het initiatiefontwerp (1) een ingezetene van Curaçao die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, maar nog niet de leeftijd van 30 jaar (2) voor wie het belastbaar inkomen in 2024 minder bedraagt dan NAf 37.168, -. Zie de definitie van ‘werknemer’ in artikel 1 van het initiatiefontwerp en artikel 2, vierde lid, onderdeel e, van het initiatiefontwerp.

De Raad adviseert de initiatiefnemers om bovengenoemde reden af te zien van het gebruik van het begrip ‘young professionals’ in het initiatiefontwerp.

 

2º. Leeftijdscategorie bij jeugdwerkloosheid

In de memorie van toelichting komt de jeugdwerkloosheid naar voren als aanleiding voor het initiatiefontwerp. Daarbij worden jeugdwerkloosheidscijfers aangehaald die door het CBS zijn bepaald. Bij het bepalen van jeugdwerkloosheid neemt het CBS de groep jongeren tussen de 15 en 24 jaar in beschouwing. Het initiatiefontwerp ziet evenwel op jongeren en jongvolwassenen tussen 18 en 29 jaar.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het werkloosheidspercentage dat betrekking heeft op jongeren en jongvolwassenen tussen 18 en 29 jaar in de memorie van toelichting op te nemen. De Raad adviseert de initiatiefnemers voorts de begrenzing van de leeftijdsgroep waarop het initiatiefontwerp betrekking heeft in de memorie van toelichting te motiveren.

 

3°. De begrippen ‘werkgever’, ‘arbeidsovereenkomst’ en ‘werknemer’

In artikel 1 van de Lei di Bion worden de begrippen ‘werkgever’ en ‘arbeidsovereenkomst’ gedefinieerd. In de definitie van het begrip ‘werkgever’ wordt verwezen naar artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek welk artikel de arbeidsovereenkomst in het algemeen omschrijft. Deze algemene omschrijving wordt voor de toepassing van de Lei di Bion in de definitie van het begrip ‘arbeidsovereenkomst’ begrensd.

In artikel 1 van het initiatiefontwerp wordt de werkgever gedefinieerd als de inhoudingsplichtige bedoeld in artikel 4, onderdelen a tot en met c alsmede f, g en i van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 (hierna: de LLb 1976).[8]

De Raad constateert echter dat de aangehaalde artikelonderdelen geen betrekking hebben op de ‘normale arbeidsovereenkomst’ die voor de in het initiatiefontwerp bedoelde doelgroep relevant is.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting aan te geven wat de reden is om het begrip ‘werkgever’ in het initiatiefontwerp anders te definiëren dan in de Lei di Bion. Daarbij zal moeten blijken welke andere gevolgen of reikwijdte de initiatiefnemers willen bereiken, die door de definitie van het begrip ‘werkgever’ in de Lei di Bion, niet kunnen worden bereikt.  

In het initiatiefontwerp komt in de definitie van het begrip ‘werknemer’ ook geen verwijzing voor naar het bestaan van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. Elke ingezetene van Curaçao, die binnen de leeftijdscategorie 18 tot en met 29 jaar valt, is volgens de definitie van het begrip ‘werknemer’ een ‘werknemer’ in de zin van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals ongeacht het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De definitie van het begrip ‘werknemer’ lijkt daarmee meer te duiden op een ‘werkzoekende’ die tot de doelgroep van het initiatiefontwerp behoort.

De Raad adviseert de initiatiefnemers de definitie van het begrip ‘werknemer’ met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

 

b. Vrijstelling van loonbelasting en sociale premies

Onder de Lei di Bion was de werkgever vrijgesteld van (1) het betalen van (het werkgeversdeel) van de sociale lasten en (2) het afdragen van de loonbelasting die hij bij de werknemer had ingehouden. Het bij de werknemer geheven deel van de verschuldigde sociale premies dat door de werkgever werd ingehouden, diende wel afgedragen te worden.

Het is volgens de memorie van toelichting de bedoeling dat de werkgever op grond van het voorgestelde in het initiatiefontwerp naast de ingehouden loonbelasting ook het ingehouden werknemersdeel van de sociale premies niet zal hoeven af te dragen. Zie pagina 2, tweede tekstblok van de memorie van toelichting.

Dit volgt echter niet uit de tekst van artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp. Dat artikellid bepaalt immers dat de heffing van loonbelasting en premies over het loon van een werknemer achterwege kan blijven. Wanneer het loon van de werknemer door toepassing van artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp niet wordt belast, kan de werkgever ook geen belasting op het loon van de werknemer inhouden. Ditzelfde geldt voor het werknemersdeel van de sociale premies dat door toepassing van genoemd artikellid niet bij de werknemer wordt geheven.

Vergeleken met de Lei di Bion heeft de werkgever op grond van het voorgestelde in artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp dus slechts één voordeel, namelijk het niet hoeven betalen van het werkgeversdeel van de sociale lasten. Het doel van de initiatiefnemers wordt met de formulering van artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp aldus niet bereikt.

De Raad adviseert de initiatiefnemers de tekst van het voorgestelde artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp in overeenstemming te brengen met de memorie van toelichting.

 

c. Prikkels voor werknemers bij hoge werkloosheid

Mocht het echter – anders dan de Raad hiervoor heeft geconcludeerd – de bedoeling zijn om niet alleen de werkgever, maar ook de werknemer fiscaal te ontlasten door bij hem geen loonbelasting en sociale premies (werknemersdeel) te heffen,[9] dan heeft de Raad daarover het volgende op te merken. De Raad kan zich voorstellen dat bij hoge werkloosheid de werkgevers met financiële prikkels gestimuleerd kunnen worden om werknemers in dienst te nemen. Echter, de vraag is waarom bij een – volgens de initiatiefnemers – situatie van ruime arbeidsmarkt met hoge werkloosheid prikkels voor de werknemers c.q. werkzoekenden zouden moeten bestaan. Bij een ruime arbeidsmarkt zouden werknemers c.q. werkzoekenden immers juist al tevreden moeten zijn in geval zij in het arbeidsproces worden ingezet. In lijn met het vorenstaande is het meer voor de hand liggend dat bij hoge werkloosheid de incentives alleen voor de werkgever moeten gelden.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting, mocht dat inderdaad de bedoeling van de initiatiefnemers zijn, toe te lichten waarom in het initiatiefontwerp ook uitgegaan wordt van loonbelastingvrijstelling voor werknemers terwijl een hoge werkloosheid onder de leeftijdsgroep tussen 18 en 29 jaar de aanleiding is volgens de initiatiefnemers voor het onderhavige initiatiefontwerp.    

 

d. Het stellen van voorwaarden en aanwijzingen

1°. Delegatie van regelgevende bevoegdheid

Artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp bepaalt dat voorwaarden en aanwijzingen gesteld kunnen worden aan het verlenen van vrijstelling van het heffen van loonbelasting en premies over het loon van een werknemer.

Naast het vereiste van ingezetenschap en de voorwaarde dat de werknemer een bepaalde leeftijd moet hebben (zie artikel 1), worden in artikel 2, vierde lid, van het initiatiefontwerp een aantal aanvullende voorwaarden gesteld voor het verkrijgen van bedoelde vrijstelling. In het derde lid van artikel 2 van het ontwerp worden voorts een aantal eisen gesteld waaraan een verzoek tot eerdergenoemde vrijstelling moet voldoen.

Artikel 2, zesde lid, van het initiatiefontwerp bepaalt voorts dat bij ministeriële regeling met algemene werking nadere voorwaarden kunnen worden gesteld ten aanzien van eerder bedoelde vrijstelling.

Delegatie aan een minister van de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften – zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 2, zesde lid – dient beperkt te worden tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls moeten worden aangepast, voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld of indien het gaat om de verwerking in Curaçaose wetgeving van internationale regelingen die geen ruimte laten voor het maken van beleidsinhoudelijke keuzen. Zie aanwijzing 19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Nadere voorwaarden met een karakter vergelijkbaar met dat van de vereisten genoemd in artikel 2, derde lid, van het initiatiefontwerp zouden uitgaande daarvan in een ministeriële regeling met algemene werking kunnen worden vastgesteld. Zij dragen immers een min of meer administratief karakter. Voor nadere voorwaarden met een karakter vergelijkbaar met dat van de voorwaarden bedoeld in artikel 2, vierde lid, of met het vereiste van ingezetenschap en de leeftijdsvoorwaarde daarentegen dient regeling plaats te vinden in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

Voor de Raad is niet duidelijk welke nadere voorwaarden de initiatiefnemers op het oog hebben. Bovendien is vanwege het ontbreken van een definitie van het begrip ‘minister’ ook niet duidelijk welke minister bevoegd zou zijn om de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van het initiatiefontwerp vast te stellen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het licht van het voorgaande om in het initiatiefontwerp op te nemen dat bedoelde nadere voorwaarden ‘bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen’, worden vastgesteld.

 

2°. De aanwijzingen bij het verlenen van vrijstelling

Uit artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp blijkt niet wat bedoeld wordt met ‘aanwijzingen’ bij het verlenen van de vrijstelling bedoeld in het initiatiefontwerp.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp op dit punt aan te vullen en in de memorie van toelichting op bedoelde ‘aanwijzingen’ in te gaan.

 

e. De bevoegde instantie

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp beslist de Inspecteur op een verzoek ter verkrijging van vrijstelling als bedoeld in het initiatiefontwerp. De vrijstelling betreft zoals eerder aangegeven zowel de loonbelasting als de premies ter zake van de kosten verbonden aan de uitvoering van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering, de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten, de Landsverordening basisverzekering ziektekosten, de Landsverordening Ongevallenverzekering, de Landsverordening Ziekteverzekering en de Cessantia-landsverordening. De bevoegde autoriteit bij de uitvoering van deze landsverordeningen is echter niet de Inspecteur, maar de SVB.

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de initiatiefnemers voor het voorgaande en adviseert om in het initiatiefontwerp ter zake een voorziening op te nemen.

 

f. De positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen

1°. Inleiding

In artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp wordt bepaald dat de Inspecteur binnen twee weken moet beslissen op het verzoek van de werkgever ter verkrijging van vrijstelling als bedoeld in het initiatiefontwerp. Wanneer de Inspecteur geen beslissing neemt binnen de gestelde termijn, wordt het verzoek geacht te zijn toegewezen. Er wordt dan namelijk automatisch een positieve beschikking afgegeven.  Zie artikel 2, tweede lid, tweede en derde zin van het initiatiefontwerp. Een dergelijke beschikking wordt ook wel aangeduid als de positieve fictieve beschikking.

De Raad onderkent dat het niet naleven van beslistermijnen door bestuursorganen een aanhoudend probleem is. Overschrijdingen van beslistermijnen kunnen onder omstandigheden leiden tot rechtsonzekerheid en financiële consequenties voor betrokkenen. Het is daarom zeer belangrijk om tijdige besluitvorming te bevorderen. Dat kan bijvoorbeeld door het wegnemen van organisatorische belemmeringen die tijdige besluitvorming verhinderen.

Daarnaast kan ook het instrument van de positieve fictieve beschikking een middel zijn om dergelijke overschrijdingen te vermijden. Dit instrument komt vaker voor in de belastingwetgeving van Curaçao, maar is niet algemeen verankerd in de Curaçaose wetgeving. De Raad vindt het belangrijk dat er wordt onderzocht of het gebruik van dit instrument in het algemeen inpasbaar is binnen het Curaçaose wettelijke stelsel. Wanneer de mogelijkheid daartoe blijkt, zullen ter zake richtlijnen moeten worden vastgesteld. In deze richtlijnen zal moeten worden bepaald in welke gevallen een positieve fictieve beschikking wel tot de mogelijkheden behoort en in welke gevallen absoluut niet.

In de gevallen waarin expliciete besluitvorming van groot belang is, omdat aan het besluit voorschriften moeten worden verbonden ter bescherming van de betrokken algemene belangen of de bescherming van de belangen van derden, ligt toepassing van de positieve fictieve beschikking naar het oordeel van de Raad niet voor de hand.

De Raad wijst in dit verband volledigheidshalve ook op het bepaalde in artikel 89, tweede lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) waarin aan de wetgever – sinds 10 oktober 2010 – wordt opgedragen om algemene regels van bestuursrecht vast te stellen.[10] In deze algemene regels kan – na een behoorlijke afweging van alle belangen – overwogen worden om het instrument van de positieve fictieve beschikking op te nemen.

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de initiatiefnemers voor het voorgaande.

 

2°. De beslistermijn van twee weken

De positieve fictieve beschikking dient als stimulans voor een tijdige besluitvorming en komt daarmee de dienstverlening aan de burger en het bedrijfsleven ten goede. Het uitgangspunt daarbij moet echter zijn dat er gewoon op tijd antwoord wordt gegeven op een verzoek voor bijvoorbeeld een vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van het initiatiefontwerp. Het opnemen in het initiatiefontwerp van de figuur van de positieve fictieve beschikking mag volgens de Raad er ook niet toe leiden dat de beslissende instantie laks wordt en niet reageert op verzoeken die toch wel gehonoreerd worden.

De Raad benadrukt evenwel dat bij dergelijke positieve fictieve beschikkingen de gestelde beslistermijnen realistisch moeten zijn, dat wil zeggen haalbaar voor een overheidsorganisatie die zijn werkprocessen goed op orde heeft.

De Raad vraagt in het verlengde daarvan of de initiatiefnemers bij de Inspecteur zijn nagegaan of een beslistermijn van twee weken in dit geval over het algemeen haalbaar is en welke instrumenten de Inspecteur eventueel nodig denkt te hebben om genoemde termijn in principe te kunnen halen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers de memorie van toelichting met dit aspect aan te vullen.

 

3°. Het karakter van de positieve fictieve beschikking

– Een beschikking met een reëel karakter

Het is denkbaar dat een beschikking van rechtswege – de positieve fictieve beschikking – een stelsel van dwingend geformuleerde weigeringsgronden doorkruist. Het enkele feit dat bijvoorbeeld een vrijstelling in strijd zal zijn met deze weigeringsgronden staat er niet aan in de weg dat de beschikking van rechtswege ontstaat indien het bestuursorgaan niet tijdig een beslissing op het verzoek van de betrokkene heeft genomen.

 

– De rechtsbescherming

De rechtsbescherming bij beschikkingen die bij het niet tijdig beslissen van rechtswege worden verleend, is hetzelfde als bij reële besluiten. Dit houdt in dat zolang daarover niets anders is bepaald, een bestuursorgaan niet uit eigen beweging mag overgaan tot het herroepen van een positieve fictieve beschikking.

In de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt in artikel 4:20f, eerste lid uitdrukkelijk bepaald dat het bestuursorgaan aan de beschikking van rechtswege alsnog voorschriften kan verbinden of de beschikking kan intrekken voor zover dit nodig is om ernstige gevolgen voor het algemeen belang te voorkomen. Zie ook artikel 4:20e Awb.

In Curaçao is daar niets over geregeld. Ook niet in het onderhavige initiatiefontwerp. Hetgeen tot gevolg heeft dat wanneer een vrijstelling met toepassing van artikel 2, tweede lid, derde zin, van het initiatiefontwerp van rechtswege is verleend, deze ook niet uit eigen beweging door de Inspecteur kan worden ingetrokken. Ook niet indien achteraf blijkt dat de betrokken werkgever – op het moment dat hij het verzoek bedoeld in het tweede lid van laatstgenoemd artikel heeft ingediend – niet voldeed aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van het initiatiefontwerp.

De redenering dat de verleende vrijstelling in een dergelijk geval wellicht met toepassing van artikel 5, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, onderdeel b, van het initiatiefontwerp geacht kan worden nooit te zijn verleend, druist naar het oordeel van de Raad in tegen de rechtszekerheid. De van rechtswege verleende vrijstelling blijft geldig totdat (1) de geldigheidtermijn met toepassing van artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp verloopt of (2) met toepassing van artikel 3, eerste lid, van het initiatiefontwerp met terugwerkende kracht komt te vervallen.

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de initiatiefnemers voor het voorgaande en adviseert om het instrument van de positieve fictieve beschikking in dit geval te heroverwegen. Indien na bedoelde heroverweging toch ervoor gekozen wordt om het initiatiefontwerp op dat punt niet te wijzigen, adviseert de Raad de initiatiefnemers om in het initiatiefontwerp te bepalen dat aan de van rechtswege verleende beschikking voorwaarden kunnen worden verbonden en een voorziening op te nemen om ernstige gevolgen voor het algemeen belang als hiervoor aangehaald te voorkomen. Het vorenstaande geldt ook voor artikel 6, onderdeel B, onder punt 2, van het initiatiefontwerp.

 

– De rechtszekerheid en bewijsvoering

De beslistermijn van de Inspecteur vangt aan na ontvangst van het volledige verzoek (zie artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp). Theoretisch zou dan geen positieve fictieve beschikking tot stand kunnen komen, zolang het ingediende verzoek niet volledig is. De aanvrager blijft al die tijd in onzekerheid of hij wel of geen (positieve fictieve) vrijstelling heeft gekregen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen

 

Artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp maakt voorts geen onderscheid tussen de beschikking die binnen de termijn van twee weken actief door de Inspecteur is gegeven en de positieve fictieve beschikking die met toepassing van artikel 2, tweede lid, derde zin, van het initiatiefontwerp wordt gegeven. In beide gevallen is de geldigheidsduur ten hoogste twee jaar. De werkgever die een positieve fictieve beschikking heeft gekregen, krijgt echter geen schriftelijke beschikking van de Inspecteur waarin onder andere de duur van de verleende vrijstelling is opgenomen en welke als bewijs kan dienen dat aan de SVB geen sociale premies moeten worden afgedragen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het belang van de rechtszekerheid en ten dienste van de bewijsvoering richting de SVB in het initiatiefontwerp op te nemen dat de Inspecteur binnen twee weken nadat de (positieve fictieve) beschikking van rechtswege ontstaat schriftelijk melding maakt aan de werkgever dat een beschikking van rechtswege is verleend die niet inhoudelijk is beoordeeld met daarbij de vermelding van de duur van de vrijstelling.

 

g. Gegevens betreffende de werknemer

1°. De relevantie van de gegevens

Bij het verzoek dat door de werkgever moet worden ingediend, moet op grond van artikel 2, derde lid, onderdelen b en c van het initiatiefontwerp ook het curriculum vitae en afschriften van relevante diploma’s, cijferlijsten en getuigschriften van de werknemer worden gevoegd.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting aan te geven wat in het kader van hetgeen in het initiatiefontwerp wordt geregeld de relevantie is van het opvragen van bedoelde (privacygevoelige) persoonlijke gegevens van de werknemer. Uit het initiatiefontwerp blijkt namelijk niet dat de vrijstelling slechts geldt voor werknemers met een bepaalde opleidingsgraad of werkervaring of juist bij het ontbreken daarvan.

 

2°. Het opleidingsplan

De werkgever dient bij zijn verzoek om vrijstelling tevens het opleidingsplan voor de werknemer te voegen (artikel 2, derde lid, onderdeel d, van het initiatiefontwerp) en dient overeenkomstig het vierde lid, onderdeel c, van dat artikel een bijdrage te leveren aan de opleidingskosten van de werknemer.

In het initiatiefontwerp wordt echter niet als voorwaarde gesteld dat het om een externe opleiding moet gaan.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op het voorgaande.

 

3°. Het vereiste van ingezetenschap

Ingezetenschap van de werknemer is één van de vereisten om in aanmerking te kunnen komen voor de in het initiatiefontwerp opgenomen vrijstelling. Zie de definitie van het begrip ‘werknemer’ in artikel 1 van het initiatiefontwerp.

Bij het verzoek dat door de werkgever moet worden ingediend, moet een afschrift van het geldige paspoort, rijbewijs dan wel geldige identiteitskaart van de werknemer worden gevoegd.

De Raad wijst erop dat in het paspoort van de Europese Unie voor de burgers van het Koninkrijk der Nederlanden bijvoorbeeld alleen de geboorteplaats van de drager van het paspoort is opgenomen en in principe niet tevens het ingezetenschap. Dit is anders voor Nederlanders die van rechtswege zijn toegelaten in Curaçao en vreemdelingen die zich in Curaçao hebben gevestigd (ingeschreven). De betrokkenen krijgen bij hun inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens in hun paspoort een stempel van de afdeling Publieke Zaken van het Ministerie van Bestuur, Planning en Dienstverlening waaruit blijkt dat zij zich in Curaçao hebben ingeschreven. 

Bovendien zijn ook internationale rijbewijzen geldig in Curaçao, zodat ook daarmee niet per definitie het ingezetenschap van betrokkene in Curaçao blijkt.

De Raad is in het verlengde van het voorgaande van oordeel dat een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van Curaçao (van de afdeling Publieke Zaken) het beste middel is om het ingezetenschap (actueel) aan te tonen.

 

h. Gegevens betreffende de werkgever

De Raad constateert dat niet voor alle gestelde voorwaarden een verificatie-middel in het initiatiefontwerp is opgenomen. In de memorie van toelichting wordt daarop ook niet ingegaan. Zie artikel 2, vierde lid, onderdelen a en e, van het initiatiefontwerp. Bovendien valt op dat weliswaar het cribnummer van de werknemer bij het verzoek moet worden vermeld, maar niet het cribnummer van de werkgever.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het initiatiefontwerp op te nemen met welke middelen de werkgever moet bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 2, vierde lid, onderdelen a en e, van het initiatiefontwerp en voorts te bepalen dat ook het cribnummer van de werkgever moet worden vermeld.

 

i. De ondernemer

Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor vrijstelling is dat de ‘ondernemer’ gedurende de laatste twee jaren geen vergrijpboete is opgelegd als bedoeld in artikel 2, vierde lid, aanhef, en onderdeel f, van het initiatiefontwerp. In onderdeel b van hetzelfde vierde lid is een vergelijkbare voorwaarde opgenomen voor de ‘werkgever’ die in aanmerking wil komen voor bedoelde vrijstelling.

In artikel 1 van het initiatiefontwerp wordt het begrip ‘ondernemer’ niet gedefinieerd. Bovendien is degene die op grond van artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp een verzoek tot vrijstelling bij de Inspecteur kan indienen de ‘werkgever’ en niet de ‘ondernemer’.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op de noodzaak om in genoemd onderdeel f specifiek voor de ‘ondernemer’ een bepaling op te nemen die voor het overige inhoudelijk gelijk is met onderdeel b die van toepassing is op de werkgever. Indien het begrip ‘ondernemer’ in het initiatiefontwerp wordt gehandhaafd adviseert de Raad de initiatiefnemers dat begrip in het initiatiefontwerp te definiëren.

 

j. De geldigheidsduur van de beschikking

1°. De toewijzende en afwijzende beschikking

Overeenkomstig artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp is de beschikking, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp geldig voor een periode van ten hoogste twee jaar.

De beschikking, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp kan zowel afwijzend als toewijzend (al dan niet fictief) zijn. Uit de context van het initiatiefontwerp zou kunnen worden geconcludeerd dat artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp alleen betrekking heeft op de toewijzende beschikking.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het zesde lid van artikel 2 van het initiatiefontwerp uitdrukkelijk te beperken tot de beschikking waarin een verzoek om vrijstelling als bedoeld in het initiatiefontwerp wordt toegewezen.

 

2°. De duur van de vrijstelling

Bij toewijzing van een verzoek tot vrijstelling wordt volgens de memorie van toelichting twee jaar lang geen loonbelasting en sociale lasten geheven over het loon van de desbetreffende werknemer (pagina 3, laatste tekstblok). Uit het initiatiefontwerp blijkt echter niet dat de vrijstelling steeds voor twee jaar dient te worden verleend. Immers, artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp hanteert een maximale termijn van twee jaar. Hetgeen inhoudt dat ook voor kortere tijd vrijstelling kan worden verleend.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.

 

3°. Het einde van de vrijstelling

Indien de vrijstelling wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst – bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst voor een jaar – dan zal de verleende vrijstelling van rechtswege tot een einde komen op het moment dat de arbeidsovereenkomst na verloop van de overeengekomen termijn van een jaar eindigt. In andere gevallen – dit is als de vrijstellingsbeschikking steeds automatisch voor twee jaar wordt verleend – dient in het initiatiefontwerp te worden opgenomen dat de verleende vrijstelling vervalt op het moment dat de arbeidsovereenkomst na verloop van de overeengekomen duur eindigt.

Anders dan de memorie van toelichting (pagina 4, derde tekstblok) suggereert, voorziet het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van het initiatiefontwerp niet daarin. In dat artikellid is immers slechts bepaald dat de werkgever het einde van de arbeidsovereenkomst aan de Inspectie moet melden. Ditzelfde geldt bij een tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst die niet valt onder de gevallen genoemd in artikel 3, eerste lid, van het initiatiefontwerp. Bijvoorbeeld indien de arbeidsovereenkomst na langer dan zes maanden al dan niet door de schuld van de werknemer eindigt.

De Raad adviseert de initiatiefnemers rekening te houden met het voorgaande en het initiatiefontwerp aan te passen. Daarbij zouden artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 4 van de Lei di Bion als voorbeeld kunnen dienen.

 

k. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst kenbaar maken

Artikel 3, tweede lid, van het initiatiefontwerp bepaalt dat de werkgever de beëindiging van de dienstbetrekking aan de Inspecteur kenbaar moet maken.

Het woord ‘beëindigen’ in genoemd artikellid duidt in principe op ‘ontslag op staande voet’, de ‘opzegging’ of ‘ontbinding’ van een arbeidsovereenkomst, terwijl de arbeidsovereenkomst ook na verloop van de overeengekomen termijn of het intreden van een ontbindende voorwaarde tot een einde kan komen.

Uit de tekst van het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of de Inspecteur van het einde van elke arbeidsovereenkomst, waarop de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals van toepassing is, op de hoogte moet worden gebracht.

De Raad vraagt de aandacht van de initiatiefnemers voor het voorgaande en adviseert de tekst van artikel 3, tweede lid, van het initiatiefontwerp afhankelijk van hetgeen de initiatiefnemers voor ogen hebben aan te passen.

 

Door het opnemen van de verplichting tot het kenbaar maken van bovenbedoelde beëindiging in het tweede lid kan bovendien de indruk ontstaan dat deze verplichting alleen geldt voor het in het eerste lid van artikel 3 van het initiatiefontwerp genoemde geval.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het bepaalde in het tweede lid, eventueel aangepast naar aanleiding van het voorgaande, na vernummering van het eerste lid tot tweede lid, in het eerste lid op te nemen.

 

l. Bescherming van duurdere oudere werknemers

Een werkgever zal bij het aantrekken van werknemers op basis van het voorgestelde in het initiatiefontwerp enige lastenverlichting van de loonkosten krijgen. Bij het vervallen van de verleende vrijstelling stijgen – bij continuering van het dienstverband met de betrokken werknemers – de loonkosten voor de werkgever. Om gebruik te kunnen (blijven) maken van bedoelde vrijstelling wordt het voor de werkgever aantrekkelijker om de werknemer die vijf jaren in dienst is geweest – en op wie geen vrijstelling meer van toepassing is – te vervangen door een nieuwe werknemer die voldoet aan de criteria van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals. Uiteraard zou de werkgever in dit geval kunnen afwegen tussen behoud van een ervaren werknemer (met hogere loonkosten) versus het aantrekken van een onervaren werknemer (voor wie de vrijstelling geldt). In ieder geval wordt er een prikkel gecreëerd voor de werkgevers om een werknemer voor wie de vrijstellingsperiode vervalt niet langer in dienst te behouden, maar deze te vervangen door een nieuwe werknemer op wie de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals wel van toepassing is. Om maximale voordeel te halen uit het in het initiatiefontwerp bepaalde zou een werkgever theoretisch dus zijn oudere en duurdere werknemers steeds kunnen vervangen door jonge goedkope werknemers.

Anders dan in de Lei di Bion (artikel 5, eerste lid, onderdeel a) is in het initiatiefontwerp geen enkele voorziening opgenomen om vervanging van duurdere oudere werknemers door jonge goedkope werknemers tegen te gaan.

De Raad adviseert de initiatiefnemers een voorziening ter zake in het initiatiefontwerp op te nemen en in de memorie van toelichting aan te geven hoe de (mogelijke) averechtse effecten van de prikkels in het initiatiefontwerp bestreden zullen worden om eventuele ongewenste situaties gerelateerd aan de invoering van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals te voorkomen danwel te mitigeren.

 

m. Duidelijke formulering en rechtszekerheid

Artikel 4 van het initiatiefontwerp verwijst in algemene termen naar de formele verplichtingen en sancties ingevolge de LLb 1976, de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering, de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering, de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten, de Landsverordening basisverzekering ziektekosten, de Landsverordening Ongevallenverzekering, de Landsverordening Ziekteverzekering en de Cessantia-landsverordening met betrekking tot het inhouden en de afdracht van de loonbelasting en premies en de formele verplichtingen en sancties, bedoeld in de ALL die na de uitvoering van het voorgestelde in het initiatiefontwerp onverkort blijven gelden.

De formulering van artikel 4 van het initiatiefontwerp is vaag. Voor degene die bedoelde ‘formele verplichtingen’ uit de hiervoor aangehaalde landsverordeningen moet naleven, moet duidelijk zijn wat deze verplichtingen inhouden. Dit geldt des te meer nu niet-naleving daarvan gesanctioneerd wordt.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het initiatiefontwerp uitdrukkelijk te verwijzen naar de artikelen van de aangehaalde landsverordeningen die onverminderd van toepassing blijven op de in het initiatiefontwerp bedoelde vrijstelling.

 

n. Sancties bij overtreding

 

1º. Het verplicht opleggen van de maximale boete

In de gevallen genoemd in onderdelen a tot en met c van artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp moet steeds de maximale boete, bedoeld in artikel 21 van de ALL worden opgelegd.

Onderdeel a van genoemd artikellid behelst de gevallen waarin verplichtingen of voorwaarden gesteld bij de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals geheel of gedeeltelijk niet worden nageleefd. Er wordt aldus bij het opleggen van de boete geen onderscheid gemaakt tussen de ernst van de verschillende overtredingen, de mate van verwijtbaar handelen van de overtreder en de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op het voorgaande.

 

2º. De boete bedoeld in artikel 21 van de ALL

Door de formulering van artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp kan de indruk ontstaan dat in dat artikellid de hoogte van de op te leggen boete wordt vastgesteld voor de gevallen bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de ALL.

In samenhang met de toelichting op artikel 5 van het initiatiefontwerp kan echter worden geconcludeerd dat laatstgenoemd artikel ziet op de sanctionering van de gedragingen bedoeld in onderdelen a tot en met c van genoemd artikel 5, eerste lid, ongeacht of verder ook aan het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de ALL wordt voldaan. Indien deze stellingname van de Raad juist is, zouden de beide artikelen – betreffende verschillende overtredingen – ook naast elkaar gebruikt kunnen worden.

Het lijkt er daarom sterk op dat de koppeling die in artikel 5, eerste lid, aanhef, van het initiatiefontwerp wordt gemaakt met artikel 21 van de ALL alleen dient om de hoogte van de boete bedoeld in het initiatiefontwerp vast te stellen, terwijl verder geen noodzakelijk verband met het bepaalde in artikel 21 van de ALL bestaat.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in artikel 5 van het initiatiefontwerp een zelfstandige boetebepaling op te nemen waarbij niet naar artikel 21 van de ALL wordt verwezen. Daarbij zouden de aspecten die in artikel 21 van de ALL zijn opgenomen en die ook voor de boetebepaling in artikel 5 van het initiatiefontwerp relevant zijn, kunnen worden overgenomen.

 

3º. Overtreding van gedelegeerde regelgeving

In artikel 2, zesde lid, van het initiatiefontwerp wordt het stellen van nadere voorwaarden gedelegeerd aan de lagere regelgever. Overtreding van deze lagere regelgeving wordt in artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp niet gesanctioneerd. Daarvoor zou in onderdeel a van genoemd eerste lid ‘bij deze landsverordening’ vervangen moeten worden door ‘bij of krachtens deze landsverordening’.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.

  

4º. Geen vergrijpboete opgelegd de laatste twee jaren

In artikel 2, vierde lid, onderdeel b, van het initiatiefontwerp wordt als voorwaarde voor het verkrijgen van vrijstelling gesteld dat aan de werkgever gedurende de laatste twee jaren geen vergrijpboete of administratieve sanctie als bedoeld in hoofdstuk III van de ALL respectievelijk artikel 28a van de ALL moet zijn opgelegd in de in dat artikelonderdeel genoemde gevallen.[11] Deze voorwaarde is zodanig geformuleerd dat het alleen ziet op de verkrijging van de verzochte vrijstelling. De woorden ‘gedurende de laatste twee jaren’ dienen in het licht daarvan gelezen te worden als ‘gedurende de laatste twee jaren voorafgaande aan de indiening van het verzoek bedoeld in het tweede lid’.

Indien een vergrijpboete of administratieve sanctie als hiervoor bedoeld wordt opgelegd nadat de vrijstelling al is verleend, levert dit geen grond op om de reeds verleende vrijstelling in te trekken dan wel een boete op te leggen met toepassing van artikel 5 van het initiatiefontwerp.

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de initiatiefnemers voor het voorgaande.

 

5º. Het verschaffen van inlichtingen

– De geadresseerde

Degene die nalaat inlichtingen te verschaffen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals wordt op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van het initiatiefontwerp gesanctioneerd met een boete. Genoemd artikelonderdeel gaat dus uit van een inlichtingenplicht.

Voor de Raad is echter niet duidelijk of naast de werkgever ook de werknemer een inlichtingenplicht heeft in bovenbedoelde zin. Door het gebruik van het woord ‘degene’ is dat in elk geval niet uitgesloten.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het initiatiefontwerp op te nemen op wie de inlichtingenplicht rust.

 

– De toezichthouder

De Raad adviseert voorts in onderdeel c van artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp op te nemen aan wie bedoelde inlichtingen verschaft moeten worden en of zulks spontaan of op verzoek moet plaatsvinden.

 

6º. De vrijstelling wordt geacht nooit te zijn verleend

Indien één van de ongeregeldheden bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp zich voordoet wordt de vrijstelling op grond van het tweede lid van dat artikel geacht nooit te zijn verleend en dient alsnog loonbelasting en sociale premies over de voorbije periode te worden afgedragen.

Dit artikellid is absoluut geformuleerd en laat geen ruimte om afhankelijk van het geval enige nuancering aan te brengen. De toepassing van het voorgestelde in artikel 5, eerste lid, van het initiatiefontwerp kan daarom naar het oordeel van de Raad in bepaalde gevallen onredelijk zijn.

De Raad geeft het volgende voorbeeld ter illustratie.

Een werkgever voldoet gedurende twee jaar 100% aan de verplichtingen en voorwaarden die bij (of krachtens) de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals zijn gesteld. Met toepassing van artikel 2, vijfde lid, van het initiatiefontwerp wordt de termijn van de vrijstelling verlengd met drie jaar. Tegen het einde van het vijfde jaar, voldoet hij niet meer 100% aan bedoelde verplichtingen en voorwaarden.

De vrijstelling die deze werkgever bijna vijf jaar geleden heeft gekregen, wordt op grond van het tweede lid van artikel 5 van het initiatiefontwerp geacht nooit te zijn verleend. Deze werkgever dient ten aanzien van de desbetreffende werknemer alsnog de ingehouden loonbelasting en totale sociale premies over de afgelopen vijf jaar af te dragen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers rekening houdende met het voorgaande te overwegen om bij toepassing van artikel 5, tweede lid, van het initiatiefontwerp onderscheid te maken tussen gevallen waarin de werkgever met opzet heeft gehandeld om voordeel te halen uit de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals en andere gevallen. 

 

o. Het uitsluiten van overwerk

Het voorgestelde in artikel 6, onderdeel C, van het initiatiefontwerp sluit alle overwerk uit, terwijl wellicht bij collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst kan zijn overeengekomen dat ook voor inkomens hoger dan de arbeidsgrens, bedoeld in artikel 3 van de Arbeidsregeling, overwerk wordt vergoed.

In het verlengde van het voorgaande adviseert de Raad de initiatiefnemers om in plaats van het schrappen van het woord ‘overwerk’ uit het vierde lid van artikel 8 van de LLb 1976, juist na het begrip ‘overwerkloon’ in te voegen ‘, anders dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel v, van artikel 6F’.

 

p. Het fictief rendement

Artikel 5, vierde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 is in het leven geroepen om uitstel van belastingheffing door uitstel van dividenduitkering tegen te gaan. Deze bepaling geldt voor beleggingsvennootschappen. Met het daarin genoemde fictieve percentage wordt getracht het werkelijke rendement van de betreffende vennootschap te benaderen. Door het percentage te stellen op 10% zoals in het initiatiefontwerp wordt voorgesteld in artikel 7, onderdeel A, wordt gesuggereerd dat een werkelijk rendement van 10% van het belegd vermogen wordt gerealiseerd. Dat percentage is zonder nadere onderbouwing niet te rechtvaardigen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het voorgestelde percentage van 10% in de memorie van toelichting te onderbouwen.

 

q. De betekenis van de vrijstelling

De loonbelasting is de belasting die wordt geheven van de werknemers. Zie artikel 1 van de LLb 1976. De werkgever zelf is dus geen loonbelasting verschuldigd. Deze belasting wordt geheven door inhouding op het loon van de werknemer door de werkgever, die inhoudingsplichtige is. De inhoudingsplichtige is verplicht de ingehouden belasting op aangifte af te dragen. Zie artikel 11 van de LLb 1976.

Ondanks de formulering van artikel 2, eerste lid, van het initiatiefontwerp, is de bedoeling van het initiatiefontwerp volgens de Raad dat de werkgever wordt vrijgesteld van het afdragen van de ingehouden loonbelasting. Dit geldt ook voor de van de werknemer ingehouden verschuldigde sociale lasten, het zogenaamde werknemersdeel van de sociale premies. In beide gevallen gaat het om de vrijstelling van de afdracht van de door de werknemer verschuldigde bedragen.

Aan de andere kant is de werkgever volgens de bedoeling van de initiatiefnemers vrijgesteld van de door hem verschuldigde deel van de sociale lasten, het zogenaamde werkgeversdeel.

In het licht van het voorgaande adviseert de Raad de initiatiefnemers de voorgestelde teksten in de artikelen 7, onderdeel B en 8 van het initiatiefontwerp in woorden van de volgende strekking te laten luiden:

  –  het voordeel, verkregen uit de vrijstelling van de verschuldigde sociale lasten en de verplichting tot afdracht van ingehouden loonbelasting en sociale lasten, bedoeld in artikel 2 van de       Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals.

 

r. Hardheidsclausule

1°. Evaluatie en motivering

In een regeling wordt geen hardheidsclausule opgenomen, tenzij er aanleiding is om te verwachten dat, gelet op het doel en de strekking van de regeling, de toepassing van de regeling kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard in niet precies te voorziene gevallen of groepen van gevallen. Zie aanwijzing 105 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Indien toepassing van een hardheidsclausule afwijking van een landsverordening betreft, betekent dit een inbreuk op het primaat van de wetgever. Voor de realisering van het primaat van de wetgever en uit het oogpunt van duidelijkheid en rechtszekerheid dient bestendig beleid uiteindelijk in wetgeving te worden opgenomen. In het licht daarvan is het belangrijk om de toepassing van hardheidsclausules te evalueren. Zie aanwijzing 107 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

In artikel 7 van de Lei di Bion is een hardheidsclausule opgenomen. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt of bij de uitvoering van de Lei di Bion aanleiding is geweest om laatstgenoemd artikel toe te passen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op de toepassing van de hardheidsclausule opgenomen in artikel 7 van de Lei di Bion. Daarbij zal moeten blijken of door toepassing van genoemd artikel van de Lei di Bion beleid is ontwikkeld welke in het onderhavige initiatiefontwerp is overgenomen dan wel tot aanscherping van artikelen van de Lei di Bion (in het initiatiefontwerp) heeft geleid.

De Raad adviseert de initiatiefnemers voorts een toereikende motivering in de memorie van toelichting op te nemen voor de in artikel 9 van het initiatiefontwerp geformuleerde hardheidsclausule. Zie de toelichting op aanwijzing 105, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 

2°. Voor zoveel nodig in overeenstemming

Artikel 9 van het initiatiefontwerp bepaalt dat de Minister van Financiën ‘voor zoveel mogelijk’ in overeenstemming met de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn handelt.

Aan de Minister van Financiën wordt aldus overgelaten te bepalen in welke gevallen voor zijn handelen voorafgaande overeenstemming met de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn nodig is. De Raad acht een dergelijke open formulering ongewenst gezien het belang dat de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals beoogt te dienen.

De Raad adviseert de initiatiefnemers de woorden ‘voor zoveel mogelijk’ in artikel 9 van het initiatiefontwerp te schrappen.

 

s. Overgangsbepaling

 Termijn om een verzoek voor vrijstelling in te dienen

In het initiatiefontwerp ontbreekt – naast het voorgestelde in artikel 10, derde lid, van het initiatiefontwerp – een bepaling om werkgevers die al langer een jeugdige werknemer in dienst hebben, de mogelijkheid te bieden om alsnog een verzoek als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het initiatiefontwerp in te dienen in afwijking van de termijn genoemd in het derde lid, eerste zin van de aanhef van dat artikel. Het niet opnemen van de mogelijkheid daartoe in het initiatiefontwerp zou naar het oordeel van de Raad zonder deugdelijke motivering mogelijk tot ongelijke situaties kunnen leiden die niet te rechtvaardigen zijn.

De Raad adviseert de initiatiefnemers het initiatiefontwerp in bovenbedoelde zin aan te vullen.

 

t. Evaluatiebepaling

In het onderhavige initiatiefontwerp wordt de Lei di Bion ingetrokken en wordt een daarmee vergelijkbare regeling ingevoerd. Met zowel de Lei di Bion als de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals wordt hetzelfde doel nagestreefd, namelijk het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jeugdigen en jongvolwassenen. Het is voor de Raad niet duidelijk of en in welke mate de Lei di Bion heeft bijgedragen aan de arbeidsparticipatie van genoemde doelgroep, omdat niet bekend is of de Lei di Bion grondig is geëvalueerd. Door het uitblijven van een deugdelijke evaluatie is het mogelijk dat eventuele tekortkomingen uit de Lei di Bion in het onderhavige initiatiefontwerp niet worden gecorrigeerd.

De Raad is van oordeel dat ook ten aanzien van het initiatiefontwerp rekeninghoudende met aanwijzing 123 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in ieder geval onderzocht moet worden in welke mate sprake is van verwerkelijking van de doelstellingen van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het initiatiefontwerp op te nemen dat de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals na verloop van een zekere termijn (en daarna periodiek) wordt geëvalueerd en dat over de uitvoering daarvan verslag wordt gedaan aan de Staten.

 

u. De inwerkingtredingsbepaling in samenhang met de invoeringstermijn

Volgens artikel 10, tweede lid, van het initiatiefontwerp treedt de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals in werking met ingang van de datum van bekendmaking. De Raad is van oordeel dat bij het bepalen van de termijn tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van een regeling rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid voor uitvoeringsorganen en andere bij de regeling betrokkenen om zich tijdig op de regeling in te stellen. Het is in dit geval van belang dat enerzijds de daarbij betrokken burgers, bedrijven en uitvoeringsinstanties, zoals de Inspectie der Belastingen, redelijkerwijs in staat zijn de gestelde bepalingen in genoemde landsverordening na te komen en uit te voeren. Een goede voorlichting zijdens de regering kan hierbij een belangrijk hulpmiddel zijn. De beleidsverantwoordelijke minister moet voorts in de gelegenheid worden gesteld om indien nodig een ministeriële regeling met algemene werking als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van het initiatiefontwerp vast te stellen.

De Raad geeft de initiatiefnemers in overweging de inwerkingtredingsbepaling van het initiatiefontwerp zodanig aan te passen dat de inwerkingtredingsdatum van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals bij landsbesluit wordt vastgesteld.

 

v. De ondertekenaars

Het aantal ondertekenaars van een regeling dient zoveel mogelijk te worden beperkt. In het verlengde daarvan dient een regeling slechts ondertekend te worden door de minister of ministers die belast is of zijn met de behartiging van een belang dat de betrokken regeling beoogt te dienen. Indien meerdere ministers een regeling ondertekenen, dient de minister die in het bijzonder belast is met het beleidsonderwerp de regeling als eerste te ondertekenen. Zie aanwijzingen 153 en 155 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Aangezien – zoals aangegeven in de considerans van het initiatiefontwerp – het bevorderen van de arbeidsparticipatie voor jongeren en jongvolwassenen tussen de leeftijd van 18 en 29 jaar de (hoofd)doelstelling van het initiatiefontwerp is, adviseert de Raad de initiatiefnemers de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn als eerste ondertekenaar in het initiatiefontwerp te vermelden en de Minister van Financiën als tweede. Daar het initiatiefontwerp niet primair een onderwerp betreft die direct het belang van het Ministerie van Economische Ontwikkeling dient, adviseert de Raad voorts om de Minister van Economische Ontwikkeling niet als ondertekenaar in het initiatiefontwerp op te nemen.

 

2. De memorie van toelichting

a. De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp

 1°. De financiële voordelen volgens de initiatiefnemers

Met de onderbouwing op pagina’s 7 en 8 van de memorie van toelichting komen de initiatiefnemers op pagina 8 tot de conclusie dat de invoering van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals per saldo een bate van NAf 7.416.364 voor de schatkist zal opleveren. Niet vermeld wordt of dit saldo op maand- dan wel jaarbasis is. Gelet op de grootte van het bedrag gaat de Raad voor zijn analyse ervan uit dat het voordelig saldo op jaarbasis is.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting te verduidelijken of het vorenvermelde bedrag – welke als bate voor de schatkist wordt verwacht – op maand- danwel op jaarbasis is.

 

Onderstaand gaat de Raad in op – de aannemelijkheid van – het door de initiatiefnemers gekwantificeerde voordelig saldo.

 

2°. De verwachte besparingen

De initiatiefnemers gaan ervan uit dat met het initiatiefontwerp, werkenden hun baan kunnen blijven behouden en werklozen tussen 18 en 29 jaar geholpen kunnen worden aan een baan. Hierdoor hoeven deze personen geen beroep te doen op de overheidsvoorzieningen en kan worden bespaard op kosten van onderstandsuitkering, voedselbon, subsidie van kosten verbonden aan het verbruik van water en stroom. Deze besparing komt volgens de initiatiefnemers neer op ca. NAf 4.756.175 per maand (zie pagina 7, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting). De initiatiefnemers gaan uit van de Covid-crisis en vermelden niet op hoeveel werknemers het bedrag van NAf 4.756.175 betrekking zou hebben.

Uitgaande van de door de initiatiefnemers genoemde besparing per maand komt volgens de Raad de jaarlijkse verwachte besparing uit op ca. NAf 57 miljoen, zijnde NAf 4.756.175 vermenigvuldigd met 12.

 

3°. Derving van belasting- en premieopbrengsten

De initiatiefnemers verwachten als gevolg van de volgens het initiatiefontwerp verleende vrijstelling een derving van belastingopbrengsten – bij werknemers – en van premieopbrengsten – bij werkgevers – van in totaal NAf 7.227.851 per maand (zie pagina 7, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting).

Op jaarbasis komt dit neer op een derving van ca. NAf 86,7 miljoen, zijnde NAf 7.227.851 vermenigvuldigd met 12.

Met betrekking tot de derving van opbrengsten uit loonbelasting en premies over overwerkloon gaan de initiatiefnemers uit van NAf 134.330 per maand; hetwelk op jaarbasis uitkomt op ca. NAf 1,6 miljoen.

Op basis van het bovenstaande komt de verwachte derving van opbrengsten uit belastingen en premies neer op ca. NAf 88,3 miljoen op jaarbasis (zijnde de som van NAf 86,7 en NAf 1,6 miljoen).

 

4°. Kostenbesparing vs derving

In het voorlaatste tekstblok op pagina 7 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat wetswijzigingen budgetneutraal dienen plaats te vinden. De initiatiefnemers komen in dat verband tot een verschil/nog te dekken bedrag van NAf 4.083.636 per jaar.

De Raad constateert dat een onderbouwing van voornoemd bedrag – ad NAf 4.083.636 – niet in de memorie van toelichting is opgenomen en wenst daarop als volgt in te gaan.

Volgens de Raad komt de derving op jaarbasis uit op NAf 88,3 miljoen. Dit bedrag betreft de som van NAf 86,7 miljoen (derving premies en belastingen bij normaal loon) en NAf 1,6 miljoen (derving premies en belastingen op overwerkloon).

De verwachte kostenbesparing op jaarbasis komt uit op NAf 57 miljoen.

De Raad komt uit op een verschil/nog te dekken bedrag van NAf 31,3 miljoen per jaar. Laatstgenoemd bedrag betreft het verschil tussen NAf 88,3 en NAf 57 miljoen per jaar (zie de toelichting van het genoemde bedrag van NAf 57 miljoen onder ‘2°. De verwachte besparingen’ van dit advies). De initiatiefnemers zijn echter tot een ander bedrag gekomen. In de memorie van toelichting (pagina 7, de voorlaatste alinea) is NAf 4.083.636 aan verschil/nog te dekken bedrag op jaarbasis aangegeven.

 

5°. Dekking van het verschil

De initiatiefnemers komen op een verschil/nog te dekken bedrag van NAf 4.083.636 en wijzen daarvoor een bedrag van NAf 11,5 miljoen aan inkomstenverhogingen aan. Het door de initiatiefnemers genoemde batig saldo van NAf 7.416.364 op pagina 8 van de memorie van toelichting is het verschil tussen NAf 11,5 miljoen (extra inkomsten) en NAf 4.083.363 (te dekken bedrag). Ten aanzien van de door de initiatiefnemers aangedragen inkomstenverhogingen kan worden opgemerkt dat die niet nader zijn onderbouwd en dus niet aannemelijk zijn gemaakt in de memorie van toelichting.

Uitgaande van het volgens de Raad beredeneerde verschil/nog te dekken bedrag van NAf 31,3 miljoen (zie onderdeel ‘d. Kostenbesparing vs derving’ hierboven) zou – rekening houdend met de door de initiatiefnemers aangedragen inkomstenverhogingen van NAf 11,5 miljoen, de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals per saldo een inkomstenderving van ca NAf 19,8 miljoen (zijnde het verschil tussen NAf 31,3 en NAf 11,5 miljoen) met zich meebrengen (en geen batig saldo van NAf 7,4 miljoen, zoals aangegeven in de memorie van toelichting). De inkomstenderving waarbij met name premies voor de sociale verzekeringen worden gederfd, zal ongetwijfeld directe gevolgen hebben voor de financiële positie van de diverse sociale fondsen en als resultante daarvan ook voor het Schommelfonds Sociale Verzekeringen (hierna: het Schommelfonds) dat reeds jaren onder financiële druk staat. Vermeldenswaard is in dit verband dat conform artikel 19 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank het Land garant staat voor tekorten bij het Schommelfonds en dat in dit verband het essentieel is dat wetswijzigingen – per saldo – niet negatief uitwerken op het Schommelfonds.

 

6°. Het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling geldt

Anders dan in de Lei di Bion (artikel 5, eerste lid, onderdeel b) strekt de vrijstelling zich tot alle sociale premies en geldt er geen enkele beperking voor wat betreft het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling van toepassing is. Het is daarom theoretisch mogelijk dat een werkgever voor alle laag betaalde banen binnen zijn onderneming in aanmerking komt voor een vrijstelling.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting op het voorgaande in te gaan en aan te geven wat de financiële risico’s daarvan voor het Land zijn en op welke wijze daarmee rekening is gehouden door de initiatiefnemers.

 

7°.De financiering van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals 

In artikel 6, onderdeel A, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om artikel 6D, vierde lid, van de LLb 1976 te laten vervallen. Het doel van deze wijziging is om middelen te genereren voor de financiering van de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals. Voor de Raad staat het echter niet vast dat bedoelde wijziging inderdaad meer opbrengsten zal genereren. De reden daartoe is dat de meeste van de lichamen die in het genoemde vierde lid worden genoemd, geen Curaçaose aanmerkelijkbelanghouders tevens werknemers hebben of mogen hebben. Een mogelijke uitzondering kan zijn een Curaçaose beleggingsvennootschap of een tot een economische zone toegelaten vennootschap.

Daarnaast zal, indien de genoemde vennootschappen die mogelijkerwijs Curaçaose aandeelhouders of werknemers hebben tot een groep behoren, het derde lid van artikel 6D van de LLb 1976 er reeds voor zorgen dat de betreffende aandeelhouder of werknemer onder de gebruikelijke loonregeling valt. Het schrappen van het vierde lid van artikel 6D van de LLb 1976 zal naar het oordeel van de Raad in zoverre geen effect sorteren.

De Raad adviseert de initiatiefnemers met het voorgaande rekening te houden.

 

8°. Pagina 7

Op pagina 7 van de memorie van toelichting wordt in het laatste tekstblok verwezen naar geregistreerde bedrijven die het verzekeringswezen uitoefenen en internationale registraties. De Raad merkt daarover op dat deze verzekeringsbedrijven doorgaans geen entiteiten zijn waarvan de aandeelhouders tevens werknemers zijn in de onderneming.

Daarnaast zullen bedoelde internationale registraties geen lokaal werkzame aandeelhouders hebben of mogen hebben. Voorwaarde voor de aanwijzing als buitengaatse onderneming is immers juist dat er geen lokale aandeelhouders of lokale participaties zijn.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in het licht van het voorgaande de memorie van toelichting aan te passen en bij de berekening van de te genereren middelen om de Landsverordening bevordering arbeidsparticipatie young professionals te financieren rekening te houden met het voorgaande.

 

9°.  Advies

Volgens artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 moet in de toelichting op een ontwerp van een landsverordening een afzonderlijk onderdeel worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. In dit kader wordt ook verwezen naar aanwijzingen 157, onderdelen e en h, en 159 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Refererend aan hetgeen de initiatiefnemers ook zelf benadrukken op pagina 7, de voorlaatste alinea van de memorie van toelichting, namelijk dat wetswijzigingen budgetneutraal dienen plaats te vinden, gaat de Raad ervan uit dat vanzelfsprekend hieraan voldaan moet worden bij dit initiatiefontwerp.

Indien de initiatiefnemers zich kunnen vinden in de redenering van de Raad opgenomen in de voorgaande onderdelen 1 tot en met 8 van dit advies adviseert de Raad de memorie van toelichting aan te passen en tevens aanvullende dekking aan te wijzen voor het restant bedrag van NAf 19,8 miljoen op jaarbasis.

 

b. Het profijt voor de werkgever

Volgens pagina 2, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting ontleent de werkgever aan de beschikking een vrijstelling van een aantal fiscale verplichtingen. Volgens de initiatiefnemers levert het vervallen van deze verplichtingen de werkgever een aanzienlijk financieel voordeel op. Volgens de initiatiefnemers dient de werkgever over het loon van een werknemer de volgende sociale premies af te dragen: “16% AOV/AWW, 2% AVBZ, 13,6% BVZ, 1,9% ZV en 0,5-5% OV”. Voorts dient de werkgever per werknemer NAf 40 per jaar aan cessantia af te dragen. Over een loon dat niet hoger is dan NAf 32.304[12] bedraagt de loonbelasting 9,75%.

Vervolgens komen de initiatiefnemers tot de conclusie dat een werkgever die een werkzoekende tussen 18 en 29 jaar in dienst neemt, maximaal vijf jaar profijt kan hebben van een lastenverlichting van de loonkosten die maximaal 48,25% van het loon kan bedragen.

 

Onderstaand wenst de Raad in te gaan op de door de initiatiefnemers vermelde lastenverlichting op de loonkosten van maximaal 48,25% voor de werkgevers.

Volgens de Raad is de in het initiatiefontwerp genoemde lastenverlichting van maximaal 48,25% voor een werkgever op de loonkosten de som van de volgende in het initiatiefontwerp genoemde percentages:

  • premies als bedoeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverkering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering: 16%;
  • premies als bedoeld in de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten: 2%;
  • premies als bedoeld in de Landsverordening basisverzekering ziektekosten:13,6%;
  • premies als bedoeld in de Landsverordening Ziekteverzekering: 1,9%;
  • premies als bedoeld in de Landsverordening Ongevallenverzekering: 0,5-5%; en
  • loonbelasting als bedoeld in de LLB 1976: 9,75%.

 

De Raad merkt op dat de genoemde percentages met betrekking tot de sociale premies de totale premies betreffen, welke uit een werkgevers- en een werknemersdeel bestaan.

De verdeling van de premies bij de eerdergenoemde sociale verzekeringen over werkgevers- en werknemersdeel ziet er volgens de Raad als volgt uit:

 

AOV/AWW AVBZ BVZ ZV OV Totaal
Totale premie: 16% 2% 13,6% 1,9% 0,5-5%*
-Werkgeversdeel 9,5% 0,5% 9,3% 1,9% 0,5-5% 21,7-26,2%
-Werknemersdeel 6,5% 1,5% 4,3% 0% 0% 12,3%
 
Loonbelasting ten laste van de werknemer 9,75%
Totaal 43,75-48,25%

*het percentage is sector afhankelijk waarbij elke sector gekoppeld is aan bepaalde gevarenklasse.

 

Anders dan de memorie van toelichting aangeeft (48,25%) komt de Raad tot een maximale lastenverlichting op de loonkosten voor werkgevers van 21,7-26,2%, omdat het werknemersdeel van de sociale premies en de loonbelasting zoals eerder in dit advies is aangegeven geen lastenpost zijn voor de werkgever, maar ten laste komen van het brutoloon van de werknemer.

In lijn met het vorenstaande adviseert de Raad de initiatiefnemers de betrokken passage op pagina 2, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting aan te passen.

 

c. Ontoereikende motivering

De voorgestelde wijziging in artikel 7, onderdeel A, van het initiatiefontwerp wordt in de memorie van toelichting niet toereikend gemotiveerd.

De Raad adviseert de initiatiefnemers in de memorie van toelichting in te gaan op het doel van bedoelde wijziging en tevens een onderbouwing van het voorgestelde percentage daarin op te nemen.

 

III.  Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

 Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

IV. Conclusie en (procedureel) advies

De Raad van Advies heeft een aantal bezwaren bij het initiatiefontwerp en adviseert om het niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast. Deze bezwaren hebben te maken met de onderbouwing van het initiatiefontwerp die door de onvolledige motivering en de tekortkomingen in de voorbereidingsfase zeer summier en gebrekkig is. Uit de memorie van toelichting blijkt bijvoorbeeld niet of door de initiatiefnemers onderzoek is gedaan naar de doelmatigheid, effectiviteit, uitvoerbaarheid, controleerbaarheid en handhaafbaarheid van het initiatiefontwerp. Eén en ander vooral omdat het hoofddoel van het initiatiefontwerp en van de Lei di Bion gelijk zijn, terwijl ook de middelen die in het initiatiefontwerp en in de Lei di Bion worden aangewend om dat doel te bereiken in essentie met elkaar overeenkomen.

Daarnaast is de formulering van de tekst van het initiatiefontwerp in bepaalde gevallen onduidelijk, waardoor de reikwijdte van het initiatiefontwerp niet exact kan worden aangegeven. Voor de rechtszekerheid is dit niet bevorderlijk, terwijl ook de financiële gevolgen van het initiatiefontwerp voor het Land daardoor niet zorgvuldig kunnen worden gecalculeerd.

De bezwaren van de Raad kunnen alleen worden ondervangen door een (ingrijpende) aanpassing c.q. herschrijving van het initiatiefontwerp.

 

Willemstad, 1 oktober 2024

de Ondervoorzitter,                                                                de Secretaris,

______________________                                                   _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                                           mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/24-24-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het initiatiefontwerp

a. De considerans

Voorgesteld wordt de tweede overweging te schrappen en als laatste overweging op te nemen dat het wenselijk is om de Landsverordening ter bevordering van de werkgelegenheid voor jeugdige werkzoekenden in te trekken.

 

Voorgesteld wordt in de derde overweging na ‘noodzakelijk’ in te voegen ‘is’.

 

b. Artikel 1

Voorgesteld wordt de aanhef in woorden van de volgende strekking te laten luiden: ‘Voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze landsverordening wordt verstaan onder:’.

 

Voorgesteld wordt in de definitie van het begrip ‘werkgever’ na ‘artikel 4,’ in te voegen ‘tweede lid,’.

 

Voorgesteld wordt in de definitie van ‘premies’ de benaming ‘Landsverzekering Ziekteverzekering’ te vervangen door ‘Landsverordening Ziekteverzekering’.

 

Voorgesteld wordt in de definitie van de begrippen ‘werkgever’, ‘premies’ en ‘Inspecteur’ steeds het woord ‘als’ te schrappen. Zie aanwijzing 63, tweede en derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

 

c. Artikel 2

Voorgesteld wordt in het eerste lid ‘die de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt’ te schrappen. Zie de definitie van het begrip ‘werknemer’ in artikel 1 van het initiatiefontwerp.

 

De verwijzing in het tweede lid, eerste zin, naar ‘de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid’ is niet juist. In het eerste lid wordt immers niet verwezen naar een ‘vrijstelling’. Voorgesteld wordt in het tweede lid, eerste zin, de woorden ‘de vrijstelling, bedoeld in’ te schrappen.

 

Uit het tweede lid, tweede zin, blijkt niet wat bedoeld wordt met ‘het volledige verzoek’. Het kan zijn dat bedoeld wordt dat het verzoek moet voldoen aan de vereisten genoemd in het derde lid. In dat geval wordt voorgesteld om in het tweede lid, tweede zin, te verwijzen naar ‘het verzoek dat voldoet aan het bepaalde in het derde lid’.

 

Voorgesteld wordt in het derde lid, aanhef, ‘bedoel’ te vervangen door ‘bedoeld’ en de verwijzing naar het eerste lid te vervangen door een verwijzing naar het tweede lid. Voorgesteld wordt voorts in het derde lid vóór de vereiste gegevens, bedoeld in onderdelen a tot en met e telkens het corresponderende lidwoord toe te voegen.

 

Voorgesteld wort in het vierde lid, onderdeel b, de tweede ‘dan’ te vervangen door ‘dan wel’.

 

Voorgesteld wordt in het vijfde lid, tweede zin, ‘aan’ te schrappen.

Voorgesteld wordt in het zesde lid ‘ministeriële beschikking met algemene werking’ te vervangen door ‘ministeriële regeling met algemene werking’. Zie artikel 2, onderdeel h, van de Staatsregeling. Ook wordt voorgesteld ‘in het’ te vervangen door ’toepassing van het’ en ‘genoemde vrijstelling’ te schrappen.

 

d. Artikel 3

De verwijzing in het eerste lid naar ‘de vrijstelling, als bedoeld in artikel 2, eerste lid’ is niet juist. In artikel 2, eerste lid, wordt immers niet verwezen naar een ‘vrijstelling’. Voorgesteld wordt ‘De vrijstelling (…) eerste lid’ te vervangen door ‘Artikel 2, eerste lid’. Voorgesteld wordt voorts ‘de werknemer’ te vervangen door ‘deze werknemer’ en ‘dienstbetrekking’ door ‘arbeidsovereenkomst’.

 

Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘de dienstbetrekking’ te vervangen door ‘de arbeidsovereenkomst met de desbetreffende werknemer’.

 

e. Artikel 4

Voorgesteld wordt om naast de expliciete verwijzing naar de artikelen van de aangehaalde landsverordeningen die van toepassing blijven aan de formulering van artikel 4 van het initiatiefontwerp woorden van de volgende strekking toe te voegen: ‘voor zover in deze landsverordening niet daarvan wordt afgeweken’.

 

Voorgesteld wordt ‘Landsverzekering Ziekteverzekering’ te vervangen door ‘Landsverordening Ziekteverzekering’.

 

f. Artikel 6

Voorgesteld wordt:

–     in de aanhef na ‘Loonbelasting’ in te voegen ‘1976’.

–     in onderdeel A ‘komt te vervallen’ te vervangen door ‘vervalt’.

–     in onderdeel B, onder punt 1 ‘indien en voor zover’ te vervangen door ‘voor zover’. Zie aanwijzing 48 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Voorgesteld wordt voorts ‘het verzoek’ te vervangen door ‘het verzoek daartoe’.

–     in onderdeel B, onder punt 2, aanhef de woorden ‘nieuwe leden ingevoegd’ vervangen door ‘een nieuw vijfde en zesde lid ingevoegd, luidende’.

–     in onderdeel B, onder punt 2, in het voorgestelde vijfde en zesde lid, ‘als’ te schrappen en in het voorgestelde zesde lid ook ‘bedoel’ te vervangen door ‘bedoeld’ en ‘het overwerk’ te vervangen door ‘de duur van het te verrichten overwerk’.

–     in onderdeel B, onder punt 2, is niet duidelijk wat in het voorgestelde vijfde lid wordt bedoeld met ‘het volledige verzoek’. Voorgesteld wordt het voorgestelde vijfde lid op dat punt aan te vullen.

–     in onderdeel B, onder punt 2, de volgorde van het voorgestelde vijfde en zesde lid om te wisselen.

 

g. Artikel 7

Voorgesteld wordt in de aanhef na ‘inkomstenbelasting’ het jaartal ‘1943’ in te voegen.

 

h. Artikel 10

– Algemeen

Voorgesteld wordt de leden van artikel 10 van het initiatiefontwerp in afzonderlijke artikelen op te nemen. De Raad stelt voor om de overgangsbepaling opgenomen in het derde lid van artikel 10 op te nemen in artikel 10 en het eerste respectievelijk tweede lid – na vernummering van artikel 11 tot artikel 13 – in artikel 11 respectievelijk 12.

 

Voorgesteld wordt voorts in het derde lid (het nieuwe artikel 10) na ‘Loonbelasting’ het jaartal ‘1976’ in te voegen en na ‘verzoek’ in te voegen ‘als bedoeld in artikel 6F, eerste lid, onderdeel v, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976’.

 

 2. De memorie van toelichting

a. Algemeen

De memorie van toelichting is gebaseerd op informatie die grotendeels achterhaald is. Voorgesteld wordt om de informatie in de memorie van toelichting te actualiseren.

 

b. Pagina 1

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin, na ‘tegemoetkomingen’ in te voegen ‘- namelijk de hiervoor bedoelde vrijstelling – ‘.

 

Voorgesteld wordt de laatste zin die begint op pagina 1 en eindigt op pagina 2 te schrappen.

 

c. Pagina 2

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, tweede zin ‘bestaat de werkzaamheden’ te vervangen door ‘bestaan de werkzaamheden’.

 

d. Pagina 3

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ’12,4%’ te vervangen door ’12,4 procentpunten’.

 

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, voorlaatste zin, vóór ‘3 jaar’ in te voegen ‘ten hoogste’. Zie artikel 2, achtste lid, tweede zin, laatste zinsnede.

 

e. Pagina 4

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin, ‘NAF 32.304’ te vervangen door ’Naf 37.168’ voor 2024.

 

f. Pagina 5

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, tweede zin, ‘NAf. 69.373,20’ te vervangen door ‘NAf 81.229’ voor 2024.

 

g. Pagina 7

Voorgesteld wordt in de voorlaatste alinea ‘dient plaats te vinden’ te wijzigen in ‘dienen plaats te vinden’.

________________________

[1] Advies met kenmerk 038/2021-SER.

[2] Relevant daarbij is onderdeel “II. De fase voorafgaande aan de goedkeuring van het initiatiefontwerp” waarin onder meer het volgende staat: “Een niet voldragen initiatiefontwerp met de bijbehorende memorie van toelichting kan door de Raad geretourneerd worden wanneer het advies van de SER of andere relevante adviezen ontbreken of indien de onderbouwing van het aan de Raad ter advisering voorgelegde initiatiefontwerp door het ontbreken van een deugdelijke memorie van toelichting – ook indien de Raad zelfstandig advies van derden zou hebben ingewonnen – dusdanig summier en gebrekkig is dat de Raad niet kan komen tot een deugdelijk en verantwoord inhoudelijk advies.”

[3] Het landspakket is tot stand gekomen op 2 november 2020 als onderlinge regeling op grond van artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden tussen Nederland en Curaçao.

[4] Deze is echter pas met ingang van 1 september 2014 in werking getreden. Zie P.B. 2014, no. 68 en is inmiddels uitgewerkt. Zie artikel 2, eerste lid, in samenhang met artikel 3, tweede lid, onderdeel a, en artikel 6, vierde lid, van de Lei di Bion.

[5] Zie aanwijzing 5 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

[6] Zie aanwijzingen 6, onderdeel c, en 10 tot en met 12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

[7] Doelmatigheid kan worden uitgelegd als de mate waarin de prestaties en effecten van beleid tegen de laagst mogelijke inzet van (financiële) middelen en ongewenste neveneffecten worden bewerkstelligd, dan wel de mate waarin met de inzet van een bepaalde hoeveelheid (financiële) middelen de maximale prestaties en effecten van beleid worden gerealiseerd tegen zo min mogelijk ongewenste neveneffecten.

[8] De Raad gaat ervan uit dat de verwijzing naar laatstgenoemde landsverordening betrekking heeft op het tweede lid van artikel 4.

[9] Zie immers de formulering van de toelichting op artikel 2 van het initiatiefontwerp op pagina 3, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting.

[10] Zie in dit verband onderdeel I. 1. b. 2 ‘Handhavingsmethoden’ van het advies van de Raad van 11 april 2023, met interne volgnummer RA/05-23-LV (pagina’s 2 en 3), onderdeel I. 3. a. ‘Handhavingsmethoden’ van het advies van de Raad van 15 mei 2024, met interne volgnummer RA/11-24-LV (pagina 3) en onderdeel I. 8. ‘Algemene regels van bestuursrecht ten aanzien van toezicht en handhaving’ van het advies van de Raad van 22 augustus 2023 met interne volgnummer RA/12-23-LV (pagina’s 12 en 13) waarin ook aandacht is gevraagd voor de uitvoering van artikel 89, tweede lid, van de Staatsregeling.

[11] Zie ook onderdeel f van artikel 2, vierde lid, van het initiatiefontwerp.

[12] Voor 2024 geldt een bedrag van NAf 37.168.