Adviezen

RvA no. RA/24-25-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag door erkenning

Ontvangstdatum: 04/12/2025
Publicatie datum: 05/03/2026

(Zittingsjaar 2025-2026-250)

Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag bij erkenning (Zittingsjaar 2025-2026-250)

 

Advies:  Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 3 december 2025 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 23 februari 2026, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemene opmerking

Concordantie

De voorliggende Initiatiefontwerplandsverordening (hierna: het initiatiefontwerp) beoogt door wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te bewerkstelligen dat bij erkenning van een minderjarig kind van rechtswege gezamenlijk gezag van de ouders over dat kind ontstaat. In Nederland[1] en Aruba[2] is zulks reeds in hun respectieve Burgerlijke Wetboeken geregeld. Voor Sint Maarten is dat niet het geval.

Het voorgestelde in het initiatiefontwerp kan naar het oordeel van de Raad en onder verwijzing naar artikel 39, tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) worden beschouwd als een ingrijpende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao.  Ter voldoening aan de concordantieverplichting dienen de andere landen van het Koninkrijk, conform laatstgenoemd artikellid, in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijze te doen blijken omtrent de voorgestelde wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao.[3] Overigens is het de Raad niet bekend of Nederland en Aruba ten tijde

van de wijziging van hun respectieve Burgerlijke Wetboeken op dit gebied, overeenkomstig laatstgenoemd artikel van het Statuut, de andere landen binnen het Koninkrijk in de gelegenheid hebben gesteld om hun zienswijze ter zake te doen blijken.

 

II. Slotopmerking

Bestudering van het onderhavige initiatiefontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting alsmede de overige bij het adviesverzoek gevoegde stukken geeft de Raad geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

 

Voor wetstechnische en redactionele opmerkingen verwijst de Raad naar de bij dit advies behorende bijlage die integraal onderdeel hiervan uitmaakt.

 

De Raad van Advies heeft geen opmerkingen bij het initiatiefontwerp en adviseert om het te behandelen.

 

Willemstad, 24 februari 2026

 

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/24-25-LV

Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

 

1. Het initiatiefontwerp

 a. Artikel I, onderdeel A

Voorgesteld wordt in de aanhef van het nieuwe artikel 1: 251b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek ‘uit’ vóór ‘akte’ in te voegen.

 

b. Artikel II

Voorgesteld wordt in artikel II van het initiatiefontwerp ‘de inwerkingtreding’ te vervangen door ‘het tijdstip van inwerkingtreding’.

 

2. De memorie van toelichting

 

a. Pagina 1

In het eerste tekstblok, eerste zin, wordt gesteld dat de ‘ongehuwde man’ die zijn kind erkent, niet automatisch het gezag verkrijgt over zijn kind. Aangezien ook de gehuwde man een (buitenechtelijk) kind kan erkennen, wordt voorgesteld om het woord ‘ongehuwde’ te schrappen.

 

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin, de tweede ‘past’ te schrappen.

 

Aangezien de ouders van het kind bij de erkenning niet per se een affectieve relatie met elkaar hoeven te hebben, wordt voorgesteld in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘partners’ te vervangen door ‘personen’. Zie ook het laatste tekstblok, eerste zin.

 

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin, de inwerkingtredingsdatum te vermelden van het Nederlandse wetsvoorstel waarnaar wordt verwezen.

 

b. Pagina 3

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, vierde zin, ‘onjuiste’ te vervangen door ‘onterechte’.

 

c. Pagina 4

In het laatste tekstblok, wordt in de voorlaatste zin gesteld dat het van rechtswege ontstaan van gezamenlijk gezag bij erkenning, zoals voorgesteld in de onderhavige initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan zal sluiten bij de wensen en verwachtingen van het merendeel van de ongehuwde juridische ouders. De Raad begrijpt deze stellingname van de initiatiefnemer. Echter, in de memorie van toelichting van een landsverordening zou ook moeten blijken waarop een dergelijke stelling – dat een bepaalde meerderheid iets wenst of verwacht – is gebaseerd.

De Raad stelt daarom voor om bedoelde zin te schrappen en in plaats daarvan te verwijzen naar de vele problemen die met het voorgestelde in het initiatiefontwerp zullen worden opgelost.

 

d. Pagina 7

Voorgesteld wordt in de laatste zin ‘die’ telkens te vervangen door ‘dat’.

 

e. Pagina 9

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, derde zin van onderaan ‘overeenkomstige’ te schrappen.

 

f. Pagina 10

De Raad begrijpt uit de laatste zin dat de voorgestelde wijziging van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek volgens de initiatiefnemer financiële gevolgen heeft, zij het beperkt. De Raad stelt in het verlengde daarvan voor ‘geen’ te vervangen door ‘alleen’ en ‘met uitzondering van’ door ‘voor wat betreft’ en de komma te schrappen.

__________________________

[1] Artikel 1:251b van het Burgerlijk Wetboek van Nederland.

[2] Artikel 1:251b van het Burgerlijk Wetboek van Aruba

[3] Artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt als volgt:

  1. Het burgerlijk en handelsrecht, de burgerlijke rechtsvordering, het strafrecht, de strafvordering, het auteursrecht, de industriële eigendom, het notarisambt, zomede bepalingen omtrent maten en gewichten worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld.
  2. Een voorstel tot ingrijpende wijziging van de bestaande wetgeving op dit stuk wordt niet bij het vertegenwoordigende lichaam ingediend – dan wel door het vertegenwoordigende lichaam in behandeling genomen – alvorens de regeringen in de andere landen in de gelegenheid zijn gesteld van haar zienswijze hieromtrent te doen blijken.