Adviezen

RvA no. RA/29-19-LV: Ontwerplandsverordening luchtvaart 2019

Ontvangstdatum: 22/08/2019
Publicatie datum: 04/09/2026
Advies Uitgebracht: 04/12/2019

Ontwerplandsverordening tot vaststelling van nieuwe regels voor de luchtvaart (Landsverordening luchtvaart 2019)

(zaaknummer 2019/018948)

 

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 19 augustus 2019 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 2 december 2019, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemeen

1. De onderhavige ontwerplandsverordening in samenhang met andere ontwerpen op het gebied van luchtvaart

Op het gebied van luchtvaart zijn thans verschillende ontwerpregelingen in voorbereiding die met elkaar samenhangen. Het is de verantwoordelijkheid van de regering om bij de voorbereiding van die ontwerpen nauwkeurig te kijken naar de (noodzaak van) samenhang tussen die ontwerpen en tussen de verwijzingen over en weer in die ontwerpen.

Voor zo’n verwijzing in de onderhavige ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) wordt bijvoorbeeld gewezen op artikel 16.4.

De Raad vraagt de bijzondere aandacht van de regering voor het bovenstaande.

 

2. Overleg met stakeholders

In de bij het ontwerp behorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) is niet aangegeven met welke stakeholders de regering overleg heeft gevoerd over het ontwerp. De Raad vindt dit belangrijk aangezien het ontwerp onderwerpen van diverse aard bevat, bijvoorbeeld op het gebied van  de exploitatie van de luchthaven, eisen die aan luchtvaartmaatschappijen worden gesteld, de opsporings- en reddingsinstanties, zoals de Kustwacht en de rampenbestrijding bij calamiteiten waarin de rampencoördinator een belangrijke rol vervult.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande.

 

3. De bij de onderhavige ontwerplandsverordening behorende memorie van toelichting

a. Algemeen

De Raad stelt vast dat de memorie van toelichting in diverse opzichten tekortschiet. Er is namelijk niet altijd een zelfstandig leesbare toelichting voorhanden en de toelichting heeft in een aantal gevallen geen betrekking heeft op het toegelichte artikel(onderdeel). Ook komt het voor dat artikelen en artikelonderdelen in het geheel niet of te summier zijn toegelicht hoewel een toelichting voor een goed begrip van het betreffende artikel(onderdeel) noodzakelijk dan wel zeer wenselijk is. De Raad licht een en ander hieronder toe.

 

b. Geen zelfstandig leesbare toelichting in een aantal gevallen

Op diverse plaatsen in de toelichting op de artikelen van het ontwerp is vermeld dat de betreffende artikelen thans al in de geldende wet- en regelgeving over luchtvaart staan, zonder dat deze artikelen verder worden toegelicht in de memorie van toelichting. Blijkbaar wordt ervan uitgegaan dat een toelichting niet nodig is omdat deze al bestaat. De Raad geeft daar enkele voorbeelden van, te weten de toelichting op:

  • de artikelen 3.1 tot en met 3.6 in de memorie van toelichting, pagina 12, eerste tekstblok;
  • de artikelen 3.8 tot en met 3.19 in de memorie van toelichting, pagina 12, derde tekstblok;
  • artikel 4.7 in de memorie van toelichting, pagina 13, derde tekstblok;
  • de afdelingen 1 tot en met 6 van hoofdstuk VI (Luchtvervoer en andere activiteiten in de lucht) in de memorie van toelichting op pagina 16, voorlaatste tekstblok;
  • artikel 6.18 in de memorie van toelichting op pagina 17, tweede tekstblok;
  • artikel 6.22 in memorie van toelichting pagina 17, vierde tekstblok;
  • artikel 7.8 in de memorie van toelichting, pagina 19, laatste tekstblok;
  • de artikelen 14.1 – 14.10 in de memorie van toelichting, pagina 29, tweede tekstblok.

De Raad is van mening dat een toelichting zelfstandig leesbaar moet zijn om de gebruiker in staat te stellen direct kennis te kunnen nemen van de toelichting op artikelen, zonder te moeten zoeken in oudere parlementaire stukken. Ook voor de toetsing van het ontwerp is het van belang dat de toelichting zelfstandig leesbaar is.

Volgens de Raad dienen de artikelen waarvan in de toelichting wordt verwezen naar de huidige wet- en regelgeving over luchtvaart van een zelfstandig leesbare toelichting te worden voorzien.

 

c. Gevallen waarin de memorie van toelichting en het ontwerp van elkaar afwijken dan wel de toelichting op een artikel(onderdeel) geen betrekking heeft op dat artikel(onderdeel)

De Raad constateert dat de toelichting op de artikelen van het ontwerp in een aantal gevallen niet van toepassing is op het betreffende artikel. Ook komt het voor dat de memorie van toelichting en het ontwerp niet geheel op elkaar aansluiten. Dit is verwarrend en hierdoor kan geen samenhangend beeld verkregen worden van het ontwerp en de memorie van toelichting.  Voorbeelden daarvan zijn de volgende.

  • In artikel 1.1, derde lid, van het ontwerp staat dat wijziging van de coördinaten bij landsverordening gebeurt, hoewel in de toelichting op het artikel staat dat bedoelde wijziging bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, plaatsvindt.[1]
  • In de toelichting op artikel 1.1 van het ontwerp wordt een en ander ten aanzien van het onderdeel pp toegelicht.[2] Volgens de Raad heeft die toelichting geen betrekking op artikel 1.1, onder pp, van het ontwerp.
  • In de toelichting op artikel 1.2 van het ontwerp staat dat in het ontwerp uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de houders van een door Curaçao afgegeven Air Operator Certificate (hierna: de AOC).[3] Volgens de Raad staat dit niet in artikel 1.2 van het ontwerp.
  • Op pagina 9 van de memorie van toelichting wordt in de eerste volzin onder het opschrift “Artikelen 1.11–1.12” verwezen naar het hoofdstuk “Financiële bepalingen”. In het ontwerp komt er geen hoofdstuk met die benaming voor.
  • In artikel 4.1, tweede lid, van het ontwerp staat dat de AOC wordt afgegeven als wordt voldaan aan de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen te stellen eisen, terwijl in de toelichting op het artikel staat dat deze eisen worden gesteld bij ministeriële regeling met algemene werking.[4]
  • In artikel 5.11 van het ontwerp staan de gronden waarop de minister kan overgaan tot intrekking van een certificaat voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten. In de toelichting daarop staat, dat als zodanig Dutch Caribbean Air Navigation Service Provider N.V. is aangewezen.[5] Volgens de Raad heeft deze toelichting geen betrekking op artikel 5.11.
  • De toelichting op artikel 5.16 van het ontwerp is in de memorie van toelichting ten onrechte ook opgenomen als de toelichting op artikel 5.15 van het ontwerp. Aangezien de toelichting op artikel 5.15[6] dus niet correct is, dient dit artikel van een nieuwe toelichting te worden voorzien.
  • De toelichting op de artikelen 6.7 tot en met 6.16 op pagina 16, laatste tekstblok e.v., van de memorie van toelichting blijkt ten onrechte dezelfde te zijn als de toelichting op de artikelen 6.19 tot en met 6.21 op pagina 17, derde tekstblok, van de memorie van toelichting.
  • In de memorie van toelichting staat op pagina 18, eerste tekstblok, dat in de artikelen 7.1, 7.6 en 7.7 een procedure is neergelegd voor de aanwijzing van een gebied als luchtvaartterrein, een latere wijziging van een aanwijzing en de intrekking van een aanwijzing. Deze toelichting heeft geen betrekking op de artikelen 7.1, 7.6 en 7.7 van het ontwerp.

Verder staat in deze toelichting dat artikel 7.2 verbodsbepalingen bevat voor het in strijd handelen met het luchthavenbesluit. Opgemerkt wordt dat dit niet in artikel 7.2 van het ontwerp staat. In artikel 7.2, tweede lid, van het ontwerp staat slechts dat het verboden is een luchthaven in bedrijf te hebben indien voor deze luchthaven geen luchthavenbesluit geldt.

  • In de memorie van toelichting wordt op pagina 18, tweede tekstblok, een toelichting gegeven op artikel 7.1, vierde, zevende tot en met negende lid, hoewel artikel 7.1 niet onderverdeeld is in leden.
  • Het laatste tekstblok op pagina 18 van de memorie van toelichting heeft als opschrift “Artikel 7.2”. De betreffende toelichting heeft geen betrekking op artikel 7.2 van het ontwerp.
  • In de memorie van toelichting, pagina 21, worden de artikelen 8.1 tot en met 8.3 (hoofdstuk VIII) toegelicht. In de laatste volzin van het vierde tekstblok staat dat het hier gaat om de aanwijzing van luchtvaartterreingebieden en er wordt verwezen naar hoofdstuk VII, artikel 7.1 van het ontwerp. In artikel 7.1 van het ontwerp zijn slechts de begrippen “extern-veiligheidsrisico” en “zienswijze” gedefinieerd.
  • Artikel 7.2 van het ontwerp en de toelichting daarop op pagina 18, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting, hebben geen betrekking op elkaar.
  • In de toelichting op artikel 9.17, op pagina 23, zesde tekstblok, van de memorie van toelichting staat dat nadere voorschriften bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen plaatsvinden. In artikel 9.17 van het ontwerp is bepaald dat dit bij ministeriële regeling met algemene werking moet gebeuren.
  • In de toelichting op artikel 10.3 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 10.3, derde en vijfde lid.[7] Artikel 10.3 is echter niet onderverdeeld in leden.
  • De toelichting op artikel 12.7 van het ontwerp op pagina 27, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting heeft geen betrekking op artikel 12.7 van het ontwerp. In het laatste tekstblok van pagina 27 van de memorie van toelichting is een toelichting op artikel 12.7 opgenomen.
  • De artikelen 14.11 tot en met 14.20 staan in het ontwerp in hoofdstuk XIV, Afdeling 2 -Opsporing, onder het opschrift “Strafrechtelijke maatregelen” en handelen onder meer over de opsporing, de opsporingsambtenaren en het meewerken aan door de officier van justitie bevolen bloedonderzoek. De toelichting op voornoemde artikelen[8] gaat over de bestuursrechtelijke handhaving, waaronder de bestuursdwang, de dwangsom en ook de bestuurlijke boete die alle geen strafrechtelijke maatregelen betreffen. De bestuursrechtelijke handhaving begint in het ontwerp met artikel 14.28.
  • De toelichting met betrekking tot artikel 16.4 van het ontwerp op pagina 36, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting [9] heeft geen betrekking op artikel 16.4.
  • In de memorie van toelichting staat op pagina 17, laatste tekstblok, laatste twee zinnen e.v., dat de bestaande aanwijzing van het gebied van aeropuerto Hato als luchtvaartterrein wordt gehandhaafd en dat de daartoe strekkende bepaling van overgangsrecht in hoofdstuk 16 van het ontwerp is opgenomen. Hoofdstuk 16 bevat geen overgangsrecht en bevat evenmin de bedoelde bepaling.

De Raad is van mening dat het ontwerp en de memorie van toelichting op elkaar dienen te worden afgestemd in de gevallen waarin zij niet met elkaar in overeenstemming zijn.

 

d. Gevallen waarin een toelichting ontbreekt dan wel te summier is

Soms is enige uitleg over een artikel(onderdeel) noodzakelijk dan wel zeer wenselijk vanwege de complexiteit daarvan of de onbekendheid met de materie. In diverse gevallen blijkt er echter geen toelichting te zijn op het betreffende artikel(onderdeel) of is de toelichting daarop te summier. De Raad geeft enkele voorbeelden daarvan.

  • Artikel 1.1, vierde lid: hoewel dit artikellid van essentieel belang is voor de vraag wie dan wel welke functionaris in welke gevallen bevoegd is, ontbreekt een toelichting op dit artikellid.
  • Artikel 7.5, tweede lid: de reden voor het vooraf overleggen van het ontwerp, bedoeld in genoemd artikel aan de Staten van Curaçao en de daarbij behorende procedure.
  • Artikel 7.8 derde lid: de reden waarom artikel 7.7. van overeenkomstige toepassing is, is onbekend.
  • Artikelen 7.10 tot en met 7.17: rekening houdende met de complexiteit van de onderwerpen, onder andere vanwege de verwevenheid met de ruimtelijke ordeningsregelgeving en de Bouw- en Woningverordening Curaçao, schiet de toelichting op de betreffende artikelen in ernstige mate tekort.
  • Artikelen 7.21 tot en met 7.27: voor een (toekomstige) luchthavenexploitant en ook voor gebruikers van een luchthaven is een nadere toelichting wenselijk, bijvoorbeeld aan welke voorzieningen wordt in artikel 7.25 gedacht.
  • In de toelichting op artikel 12.4 staat enkel dat dit artikel een specifieke aansprakelijkheidsbepaling is.[10] De Raad vindt de toelichting op dit artikel te summier.
  • De artikelen 14.21 tot en met 14.42, dus ongeveer twintig artikelen uit hoofdstuk XIV “Toezicht en handhaving“ zijn niet toegelicht in de memorie van toelichting.

De complexe artikel(onderdelen) van het ontwerp dienen in ieder geval van een gedegen toelichting te worden voorzien.

 

e. Advies van de Raad

De Raad adviseert de regering zorg te dragen voor een adequate toelichting op de artikelen van het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande.

 

4. Delegatie van regelgevende bevoegdheid

a. Algemeen

Het ontwerp bevat veel grondslagen voor delegatie van regelgevende bevoegdheid. Deze betreffen onderwerpen van uiteenlopende aard. In de memorie van toelichting staat hierover dat de International Civil Aviation Organization (Internationale Burgerluchtvaartorganisatie) (hierna: ICAO) eist dat internationale, veelal technische standaarden, binnen een kort tijdsbestek worden vertaald in nationale- wet en regelgeving en ook nog worden geïmplementeerd binnen de gestelde termijn. In de memorie van toelichting staat voorts dat voor een effectieve implementatie een analyse is uitgevoerd naar de onderwerpen en bevoegdheden, aangaande wetgeving, die aan deze onderwerpen gerelateerd zijn en die zouden kunnen worden gedelegeerd. Tot slot staat in de memorie van toelichting dat de wijzigingen van dit soort voorschriften snel in Curaçaose wetgeving kunnen worden overgenomen waardoor de Curaçose wetgeving up-to-date blijft. [11]

 

b. De richtlijnen voor de beoordeling van delegatie van regelgevende bevoegdheid

Bij de beoordeling of delegatie van regelgevende bevoegdheid correct gebeurt dient, zoals in de memorie van toelichting staat, rekening te worden gehouden met de Aanwijzingen voor de regelgeving van Curaçao (hierna: de Awr)[12] De van belang zijnde aanwijzingen ter zake zijn:

  • aanwijzing 15: bij de verdeling van elementen van een regeling over de landsverordening en lagere regelgeving moet de landsverordening ten minste de hoofdelementen bevatten. Nagegaan moet worden welke elementen van een regeling zo gewichtig zijn dat het parlement rechtstreeks bij de vaststelling moet worden betrokken;
  • aanwijzing 17: de hoofdelementen betreffen in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen van een regeling;
  • aanwijzing 18: elke delegatie van regelgevende bevoegdheid moet zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden begrensd in de delegerende regeling;
  • aanwijzing 19: delegatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven of voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. Een keuze voor delegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking moet tevens nadrukkelijk worden gemotiveerd in de bijbehorende memorie van toelichting (aanwijzing 19, onder a).

Voorts is deze delegatie aan een minister ook toegestaan als het gaat om het verwerken in de Curaçaose wetgeving van internationale regelingen die de wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard (aanwijzing 19, onder b);

  • aanwijzing 25: in een hogere regeling wordt het niet toegestaan dat deze bij lagere regeling wordt gewijzigd. Voor zover relevant is dit niet van toepassing wanneer het aanpassingen betreft van bedragen, tarieven en percentages volgens een vaste systematiek.

 

c. Het ontwerp en (sub)delegatie naar lagere regelgeving

De delegatiebepalingen in het ontwerp bevatten veelal de mogelijkheid tot subdelegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking. In de memorie van toelichting staat hierover dat zeer veel voorschriften in de bijlagen van het Verdrag van Chicago een technisch of operationeel karakter hebben en vaak gewijzigd worden, waardoor zij zich lenen om in overeenstemming met de Awr op het niveau van een ministeriële regeling met algemene werking te worden geïmplementeerd. [13] In het ontwerp zijn de kaders daartoe opgenomen.[14]

Gelet op het grote aantal (sub)delegatiebepalingen in het ontwerp die de implementatie betreffen van internationale regelingen (bijlagen van het Verdrag van Chicago) in de Curaçaose wetgeving, zal de Raad daar op deze plaats niet inhoudelijk op ingaan. De Raad gaat hieronder, in onderdeel d, wel in op het niveau van de regeling voor het vaststellen van vergoedingen.

Mocht een bepaling in het ontwerp daar echter aanleiding toe geven dan zal de Raad in onderdeel “II. Inhoudelijke opmerkingen” van dit advies daar een opmerking over maken.

De Raad adviseert de regering om na te gaan of de in onderdeel 3b van dit advies genoemde aanwijzingen in de Awr in voldoende mate in acht zijn genomen bij het opstellen van de (sub)delegatiebepalingen van het ontwerp.

 

d. Het niveau van regelgeving voor het vaststellen van de vergoeding van de kosten voor het in behandeling nemen van aanvragen

In het tweede lid van artikel 1.7 van het ontwerp staat dat de tarieven van de verschuldigde vergoeding voor de kosten, die samenhangen met de behandeling van een aanvraag, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, dan wel bij ministeriële regeling met algemene werking, worden vastgesteld.

De bevoegdheid tot het vaststellen van de betreffende vergoedingen wordt in het ontwerp naar verschillend niveau van regelgeving gedelegeerd. Het is de Raad niet bekend op grond waarvan een onderscheid wordt gemaakt naar het niveau van regelgeving, te weten een landsbesluit, houdende algemene maatregelen dan wel een ministeriële regeling met algemene werking. Bij de afweging naar welk niveau van regelgeving gedelegeerd wordt zijn in dit geval met name de aanwijzingen 15 en 19 van de Awr relevant. Daarbij is van belang dat de delegatiebepaling wordt begrensd in die zin dat het ontwerp de hoofdelementen bevat, conform aanwijzing 17 van de Awr.

  • Voorbeelden van delegatie naar een regeling bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, zijn de artikelen 3.19, aanhef en onder i, j en k, en 5.19, tweede lid;
  • Voorbeelden van delegatie naar een regeling bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen (dus met de mogelijkheid tot subdelegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking) zijn de artikelen 2.2, vijfde lid, onder g, 3.7, aanhef en onder c, 3.26, onder d, en 4.2, vijfde lid, onder b;
  • Voorbeelden van delegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking, zijn de artikelen 2.24, vierde lid, 6.16, zesde lid, aanhef en onder b, en 7.17, vijfde lid.
  • Een ander voorbeeld is artikel 6.19, vijfde lid, van het ontwerp. Uit de formulering van dit artikellid concludeert de Raad dat de vergoeding in dit geval bij ministerieel besluit wordt vastgesteld, dus niet zoals de aard daarvan vereist bij algemeen verbindend voorschrift (een naar buiten werkende algemene regel), hetgeen niet in overeenstemming is met artikel 1.7, tweede lid, van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering, met inachtneming van de Awr, in de memorie van toeliching aan te geven welke afwegingen zijn gemaakt met betrekking tot het delegeren naar lagere regelgeving voor het vaststellen van de vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, van het ontwerp, en indien nodig het ontwerp aan te passen. Tevens adviseert de Raad de regering artikel 6.19, vijfde lid, van het ontwerp in overeenstemming te brengen met artikel 1.7, tweede lid, van het ontwerp met inachtneming van de Awr.

 

5. De bevoegdheidsverdeling met betrekking tot ministers

a. Het ontwerp

In diverse artikelen in het ontwerp zijn bevoegdheden toebedeeld aan ministers die voor het bestuursrecht bestuursorgaan zijn.[15] Gelet op de systematiek van deze bevoegdhedentoedeling is het de verwachting dat er interpretatieproblemen zullen ontstaan. Uit het samenstel van bepalingen kan namelijk niet steeds eenduidig worden opgemaakt welke minister bevoegd is ten aanzien waarvan.

Niet alleen voor de betrokken burgers en bedrijven die rechten en plichten (kunnen) ontlenen aan de onderhavige landsverordening is het van belang dat het helder moet zijn welke minister ten aanzien waarvan bevoegd is, maar ook voor het (overheids)personeel dat werkzaamheden zal moeten verrichten op grond van de onderhavige landsverordening en tevens voor de Staten die duidelijkheid moeten hebben over de vraag welke minister verantwoording moet afleggen tegenover hen ingevolge artikel 28, derde lid, van de Staatsregeling van Curaçao.

De betreffende bepalingen van het ontwerp zijn hieronder vermeld.

 

  • Artikel 1.1, eerste lid, onder nn

In de onderhavige landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder “minister” verstaan: de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning; met dien verstande dat onder minister wordt verstaan de Minister van Jusitie in die gevallen, waarin de te nemen beslissing tot de portefeuille van laatstgenoemde minister behoort: of een hiermee overeenkomstige formulering.

 

  • Artikel 1.1, vierde lid

Onder “bestuursorgaan” wordt bij of krachtens de onderhavige landsverordening verstaan:

  1. de Minister van Algemene Zaken voor zover het betreft de bestuursrechtelijke bevoegdheden toegekend in de hoofdstukken V en XIII;
  2. de Minister van Justitie, voor zover het betreft de bestuursrechtelijke bevoegdheden toegekend in hoofdstuk IX;
  3. de minister, voor zover het betreft de overige bestuursrechtelijke bevoegdheden en de daarbij behorende bevoegdheden in hoofdstuk XIV in deze landsverordening.

 

  • Artikel 14.28

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder “bestuursorgaan”: de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, onderscheidenlijk de Minister van Justitie al naar gelang een beslissing of op te leggen maatregel tot diens bevoegdheid behoort.

 

b. Opmerkingen van de Raad met betrekking tot voornoemde bepalingen

Ad Artikel 1.1, eerste lid, onder nn

In artikel 1.8, tweede lid, van het ontwerp staat dat een aanvraag moet worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen. De rechtszekerheid vereist dat het voor betrokkenen duidelijk moet zijn bij welk bestuursorgaan (in dit geval een minister) een aanvraag voor een bepaald(e) vergunning, erkenning, ontheffing, certificaat, bewijs van bevoegdheid en dergelijke, moet worden ingediend. In samenhang met artikel 1.1, onder nn, kan de Raad dit niet opmaken uit het ontwerp. Betrokkenen zullen zich namelijk steeds moeten afvragen of een bepaald onderwerp al dan niet tot de portefeuille van de Minister van Justitie behoort.

In aanwijzing 58 van de Awr staat dat een minister in een landsverordening aangeduid wordt met “de minister belast met ..…”. Uit een wettelijke regeling moet dan ook duidelijk blijken welke minister bevoegd is ten aanzien van een bepaald onderwerp. De Raad is van mening dat artikel 1.1, eerste lid, onder nn, daar niet aan voldoet en vindt ook dat het zinsdeel “: of een hiermee overeenkomstige formulering”, dit er niet beter op maakt. Dit wreekt zich bijvoorbeeld in artikel 9.1, tweede lid, van het ontwerp, omdat daar geen concrete invulling kan worden gegeven aan de formulering “onderwerpen waarvoor de Minister van Justitie mede bevoegd is”. De Raad vindt tevens dat nagegaan dient te worden of artikel 16.4, onder K, onderdelen 1 en 3, van het ontwerp in overeenstemming is met voornoemde aanwijzing 58.

 

Ad Artikel 1.1, vierde lid

 

  • Bestuursrechtelijke bevoegdheden

Het is niet bekend wat in dit artikellid begrepen moet worden onder “bestuursrechtelijke bevoegdheden”. Uit juridisch oogpunt worden met bestuursrechtelijke bevoegdheden in de regel bedoeld de bevoegdheden van de uitvoerende macht. Dat wil zeggen de macht die wetgeving uitvoert, die uitvoeringsbesluiten neemt in concrete gevallen, maar ook die beleid en plannen maakt, privaatrechtelijke handelingen verricht alsook regelgeving uitvaardigt. Ze brengen bestuursrechtelijke rechtsbetrekkingen, dat wil zeggen door het recht genormeerde relaties, tot stand tussen overheidsbestuur met de burgers en soms tussen overheden onderling.[16]

Kortom, wat verstaan moet worden onder “bestuursrechtelijke bevoegdheden” en “overige bestuursrechtelijke bevoegdheden” is niet op te maken uit het ontwerp dan wel de memorie van toelichting.

 

  • Uitleg van het begrip “minister” in onderdeel c

Hoe onderdeel c van het vierde lid, uitgelegd moet worden tegen de achtergrond van de definitie van “minister” in artikel 1.1, eerste lid, onder nn, volgt niet uit het ontwerp of de memorie van toelichting.

Uit het samenstel van bepalingen maakt de Raad op dat de minister, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder nn, in artikel 1.1, vierde lid, onder c, het bevoegde bestuursorgaan is voor zover het betreft de overige bestuursrechtelijke bevoegdheden en de daarbij behorende bevoegdheden in hoofdstuk XIV van het ontwerp. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, onder nn, kan dit de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de Minister van VVRP) zijn of, als de beslissing tot de portefeuille van de Minister van Justitie behoort, dan is dat de laatstgenoemde minister.

Ook hier geldt dat uit een wettelijke regeling duidelijk moet blijken welke minister bevoegd is ten aanzien van een bepaald onderwerp, hetgeen volgens de Raad in casu niet het geval is.

 

  • Uitleg van het zinsdeel “en de daarbij behorende bevoegdheden in hoofdstuk XIV van deze landsverordening” in onderdeel c

Onbekend is wat verstaan moet worden onder “en de daarbij behorende bevoegdheden in hoofdstuk XIV van deze landsverordening” in onderdeel c van het vierde lid. Tekstueel heeft “daarbij” slechts betrekking op de bevoegdheden genoemd in hoofdstuk XIV die de “overige bestuursrechtelijke bevoegdheden” aangaan van de minister, bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, onder c, van het ontwerp.

De vraag is dan ook welke minister bevoegd is ten aanzien van de in hoofdstuk XIV vermelde bevoegdheden (bestuursrechtelijke handhaving) als het gaat over de onderwerpen die in de hoofdstukken V, IX en XIII zijn opgenomen. Ten aanzien van die hoofdstukken zijn de ministers van Algemene Zaken (hoofdstukken V en XIII) en Justitie (hoofdstuk IX) bevoegd op grond van artikel 1.1, vierde lid, onder a en b, van het ontwerp. Op welke wijze dit zich overigens verhoudt tot artikel 14.28 van het ontwerp, waarin bestuursorganen, te weten de ministers van VVRP en Justitie, zijn aangewezen voor het hanteren van de bevoegdheden in hoofdstuk XIV (bestuursrechtelijke handhaving), is niet helder. De Raad wijst tevens op artikel 14.54 van het ontwerp, waarin zowel het begrip “bestuursorgaan” (derde lid) als het begrip “minister” (eerste lid) voorkomt.

 

Ad Artikel 14.28

In dit artikel wordt het begrip “bestuursorgaan” gedefinieerd. De Raad wijst erop dat hij hierboven, bij “Ad artikel 1.1, vierde lid”, de verhouding tussen artikel 14.28 en artikel 1.1, vierde lid, onder c, van het ontwerp reeds besproken heeft.

Ook de definitie van “bestuursorgaan” in artikel 14.28 zal tot interpretatieproblemen leiden omdat het zinsdeel “onderscheidenlijk de Minister van Justitie al naar gelang een beslissing of op te leggen maatregel tot diens bevoegdheid behoort” niet nader ingevuld kan worden. Tot wiens bevoegdheid een beslissing of op te leggen maatregel behoort moet volgens de Raad juist uit het ontwerp blijken hetgeen, zoals hierboven reeds is aangegeven, niet het geval is. Tot slot wijst de Raad op de artikelen 14.30, eerste lid, en 14.33, eerste lid, van het ontwerp waarin de term “minister” wordt gebruikt. De definitie van “bestuursorgaan” in artikel 14.28 is juist van toepassing verklaard op de artikelen 14.28 tot en met 14.61 van het ontwerp, dus ook de artikelen 14.30 en 14.33. Hoewel een minister een bestuursorgaan is, leidt het gebruik van het begrip “minister” in deze artikelen tot meer onduidelijkheid.

 

c. Eventuele gevolgen van de bovengenoemde bepalingen

Hierboven is reeds aangegeven dat het betreffende samenstel van bepalingen zal leiden tot interpretatieproblemen over de bevoegdheden van ministers. Een voorbeeld daarvan is dat artikel 1.1, vierde lid, en artikel 9.1 van het ontwerp elkaar tegenspreken. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, onder b, van het ontwerp is de Minister van Justitie het bevoegde bestuursorgaan voor zover het betreft de bestuursrechtelijke bevoegdheden van hoofdstuk IX. Op grond van diverse artikelen in hoofdstuk IX is echter de Minister van VVRP bevoegd, in overeenstemming met de Minister van Justitie. Zie daartoe onder andere de artikelen 9.2, eerste en derde lid en 9.8, tweede lid, van het ontwerp.

Een ander voorbeeld is “de minister” in artikel 14.19, tweede lid, laatste volzin en vierde lid. Het is niet duidelijk of daarmee, gelet op artikel 1.1, eerste lid, onder nn, en artikel 1.4, vierde lid, onder c, van het ontwerp, de Minister van VVRP dan wel de Minister van Justitie bedoeld wordt.

In hoofdstuk XIV van het ontwerp worden de begrippen “minister” en “bestuursorgaan” door elkaar gebruikt. Zie daartoe de artikelen 14.33, eerste lid, (minister) en 14.43, eerste lid (bestuursorgaan). De Raad heeft hierboven reeds gewezen op artikel 14.54 van het ontwerp, waarin de begrippen “bestuursorgaan” en “minister”, in dat ene artikel, tezamen voorkomen. Dit brengt onduidelijkheid met zich omdat deze begrippen elk een eigen definitie hebben hoewel een minister een bestuursorgaan is.

Tot slot wijst de Raad op artikel 16.4, onderdelen A, punt 4 (onderdeel c), C, en K, onder 1 en 3, van het ontwerp. Ook deze bepalingen maken het er niet helderder op.

 

d. Het oordeel van de Raad

Naar het oordeel van de Raad dient de definitie van “minister” in artikel 1.1, eerste lid, onder nn, van het ontwerp te worden geherformuleerd, met dien verstande dat er een duidelijke bevoegdhedenverdeling uit blijkt waardoor de definities in de artikelen 1.1, vierde lid, en 14.28 van het ontwerp, overbodig worden. Bij de herformulering van artikel 1.1, eerste lid, onder nn, zou aangesloten kunnen worden bij de bevoegdhedenverdeling in artikel 1.1, vierde lid, van het ontwerp, waarin staat ten aanzien van welke hoofdstukken dan wel bepalingen in het ontwerp de respectieve ministers bevoegd zijn. Daarna zal in de bevoegdheidsbepalingen van het ontwerp moeten worden nagegaan of deze met de herformulering van artikel 1.1, eerste lid, onder nn, in overeenstemming zijn. Eventuele afwijkingen hiervan kunnen dan in de betreffende artikelen worden opgenomen.

 

e. Het advies van de Raad

De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen en de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande.

 

6. Het begrip “houder”

a. Inleiding

Het begrip “houder” is in het ontwerp niet gedefinieerd maar wordt daarin zowel in civielrechtelijke – als bestuursrechtelijke betekenis gebruikt. Het gebruik van het begrip “houder” in verschillende (juridische) contexten kan verwarring wekken. Bovendien wordt dit  onderscheid niet consequent aangehouden in het ontwerp.

 

b. Het begrip “houder” in civielrechtelijk zin

In hoofdstuk III (Luchtvaartuigen) van het ontwerp komt bijvoorbeeld de formulering “eigenaar dan wel houder van een Curaçaos luchtvaartuig” voor, onder andere in de artikelen 3.2, eerste lid, 3.5, eerste, derde en vierde lid, 3.12 en 3.18. In deze artikelen is “houder” een civielrechtelijk begrip. De eigenaar is degene tot wiens vermogen het luchtvaartuig behoort en de houder is een persoon die het luchtvaartuig onder zich heeft gekregen op grond van een rechtsverhouding die niet de strekking heeft dat de eigendom op hem overgaat, bijvoorbeeld via huur, bruikleen of bewaarneming.

 

c. Het begrip “houder” in bestuursrechtelijke context

Het bestuursrechtelijke begrip “houder” komt onder andere voor in de artikelen 2.3, eerste en tweede lid en 2.4, eerste en tweede lid en 2.22 (houder van een bewijs van bevoegdheid of gelijkstelling), 2.25, eerste lid (houder van een bewijs van bevoegdheid om een luchtvaartuig te bedienen), 3.22, onder a en 3.24 (houder van een erkenning van onderhoudsbedrijven), 4.2 en 4.4 (AOC-houder), 5.17 (houder van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeerstdiensten) en 6.9 en 6.10, eerste lid (vergunninghouder), van het ontwerp.

 

d. Inconsistenties bij het gebruik van het begrip “houder”

In hoofdstuk III van het ontwerp is het niet duidelijk wie met “houder” wordt bedoeld in artikel 3.9, vierde lid, (bestuursrechtelijke context) in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, onder d (civielrechtelijke context). Voorts worden in artikel 3.14, eerste lid, onder c en g, van het ontwerp zowel de eigenaar als de houder genoemd hoewel een door de minister ingevolge artikel 3.13, tweede lid, van het ontwerp, afgegeven geluidscertificaat een beschikking is, dus een bestuursrechtelijke achtergrond heeft. Ook wordt in artikel 3.16 van het ontwerp slechts de houder van het Curaçaos luchtvaartuig genoemd hoewel in die civielrechtelijke context steeds de formulering “eigenaar dan wel houder” wordt gebruikt. Het voorgaande geldt ook voor artikel 6.21, eerste lid, van het ontwerp. Er is dan ook geen consistentie in het gebruik van deze termen.

In artikel 3.18, eerste lid, van het ontwerp worden aan de “eigenaar dan wel de houder” (civielrechtelijke context) verplichtingen opgelegd, hoewel er volgens de Raad sprake is van een bestuursrechtelijke context omdat het gaat over een afgegeven bewijs van luchtwaardigheid ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van het ontwerp. Onduidelijk is tevens wie ingevolge artikel 3.18 van het ontwerp verantwoordelijk is voor de nakoming van de bepalingen van dat artikel en wie overigens aansprakelijk is voor het voldoen aan de voorschriften die uit de onderhavige landsverordening voortvloeien: “de houder” of “de eigenaar” of “beide(n)”. In artikel 3.6, tweede lid, van het ontwerp wordt overigens gesproken over “de eigenaar of houder van het bewijs tot inschrijving”, dus niet “de eigenaar of houder van het luchtvaartuig”.

Een geheel andere formulering is te lezen in artikel 6.3, eerste lid, van het ontwerp, waarin sprake is van de “houder of de gezagvoerder van het betrokken luchtvaartuig”. In welke context het begrip “houder” hier wordt gebruikt is niet duidelijk.

 

e. Het advies van de Raad

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat het begrip “houder” moet worden gedefinieerd in het ontwerp en dient te worden toegelicht in de memorie van toelichting.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en het ontwerp aan te passen.

 

7. Het horen van belanghebbende(n) in geval van intrekking of schorsing van een beschikking

In artikel 1.10 van het ontwerp zijn algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot de schorsing en intrekking van beschikkingen die voor betrokkenen belastende beschikkingen zijn. In diverse bepalingen in het ontwerp wordt de minister de bevoegdheid gegeven een beschikking te schorsen of in te trekken. Voorbeelden daarvan zijn de artikelen 2,3, 2.4, 3.10,  4.3, 4.4, 6.17, tweede lid, 7.26, eerste lid en 7.33. Hoewel zo’n intrekking en de gevolgen daarvan zeer ingrijpend kunnen zijn, is in het ontwerp niet voorzien in het vooraf horen van betrokkene(n). De Raad wijst op het zorgvuldigheidsbeginsel dat met zich meebrengt dat een beschikking met de nodige zorgvuldigheid wordt voorbereid en genomen. Dit betekent onder meer dat betrokkenen bij een voornemen tot intrekking van een beschikking in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord, behoudens ingeval intrekking geen uitstel kan gedogen. In het ontwerp is zo’n voorziening niet opgenomen hetgeen volgens de Raad alsnog moet gebeuren.

De Raad geeft de regering in overweging het voorgaande ook toe te passen op het voornemen tot schorsing van een beschikking.

 

8. Vrijstelling of ontheffing

Aanwijzing 100, eerste lid, van de Awr bepaalt dat de term “vrijstelling” gebruikt wordt voor een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod voor een categorie van gevallen. In het tweede lid van aanwijzing 100 van de Awr staat dat de term “ontheffing” wordt gebruikt voor een beschikking waarbij in een individueel geval een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod of gebod.

Het is de Raad opgevallen dat in diverse artikelen van het ontwerp de term “vrijstelling” wordt gebruikt in plaats van “ontheffing”. Voorbeelden daarvan zijn de artikelen 5.5 en 7.9 van het ontwerp. Ook op pagina 19 van de memorie van toelichting staat in de laatste volzin ten onrechte “vrijstelling”; dit moet “ontheffing” zijn.

Verder staat in artikel 5.5, derde lid, van het ontwerp dat de minister bij ministeriële regeling met algemene werking ontheffing of vrijstelling kan verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid, mede met inachtneming van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer. Hier worden niet alleen voornoemde begrippen door elkaar gebruikt, maar ook de instrumenten waaruit een ontheffing of vrijstelling ontstaat. Een ontheffing wordt verleend door de minister en een vrijstelling wordt gecreëerd krachtens een wettelijke regeling. Artikel 5.5 van het ontwerp dient dan ook geheel te worden herzien.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

9. Toezicht en handhaving

a. Verplichtingen zonder concrete voorschriften

In artikel 1.6 van het ontwerp is een aantal verplichtingen voor luchtvaartmaatschappijen opgenomen met het doel ervoor te zorgen dat zowel de luchtvaartuigen als het personeel in een goede conditie verkeren. Aangezien er geen concrete voorschriften zijn gegeven, gaat de Raad ervan uit dat de luchtvaartmaatschappijen de vrijheid hebben om naar eigen inzicht de middelen in te zetten teneinde het gestelde doel te bereiken. Soortgelijke bepalingen zijn ook te vinden in bijvoorbeeld de artikelen 9.4 en 7.25 van het ontwerp.

Deze soort bepalingen bevatten een meer algemene norm die de zorg opdraagt voor de behartiging van bepaalde belangen waarbij niet in detail wordt aangegeven hoe die belangen moeten worden behartigd. De geadresseerden van deze norm kunnen dan zelf invulling geven aan de naleving van de norm. In artikel 14.6 van het ontwerp staat dat de minister onderzoek kan instellen naar de naleving van de verplichting van artikel 7.25. In artikel 14.6, zevende lid, van het ontwerp is bepaald dat er nadere regels kunnen worden gesteld over dit onderzoek. Het stellen van nadere regels wordt hier dus niet verplicht gesteld.

Gelet op de vage normen heeft de geadresseerde geen zekerheid over de wijze van invulling hetgeen ook de handhaving door de overheid zal bemoeilijken. Een toezichthouder zal immers meer moeite hebben om een overtreding aan te tonen.

Daarbij wijst de Raad erop dat artikel 14.21, eerste lid, van het ontwerp hechtenis of een geldboete als straf stelt op het in strijd handelen met artikel 1.6 van het ontwerp. Uit het lex certa beginsel, dat een onderdeel is van het legaliteitsbeginsel, vloeit voort dat een voorschrift dat door een punitieve sanctie – een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie – wordt gehandhaafd voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar moet zijn. De Raad is van mening dat artikel 1.6 van het ontwerp daar niet aan voldoet en dit artikel dient dan ook te worden aangepast.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven op welke wijze de vaag geformuleerde normen worden gehandhaafd, die onder meer vermeld zijn in de artikelen 1.6 en 9.4 en 7.25 van het ontwerp, en indien nodig het ontwerp aan te passen. Tevens wordt geadviseerd artikel 1.6 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

b. Hoofdstuk XIV Toezicht en handhaving

In bovengenoemd hoofdstuk zijn zowel het bestuurlijk toezicht en de daarbij behorende handhaving als de strafrechtelijke opsporing en de daarbij behorende handhaving opgenomen. De Raad geeft er in het belang van de overzichtelijkheid de voorkeur aan dat genoemde onderwerpen in aparte hoofdstukken worden behandeld.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

 

c. Het vaststellen van beleid met betrekking tot handhavingsmechanismen

De Raad maakt uit het ontwerp op dat met betrekking tot het toezicht en handhaving in veel gevallen bepalingen zijn overgenomen uit de Algemene wet bestuursrecht van Nederland. De Raad is van oordeel dat er duidelijke regels moeten komen met betrekking tot het opnemen van handhavingsmechanismen in wettelijke regelingen en de bijbehorende sancties. Deze regels dienen te worden vastgelegd in beleid zodat er een uniforme regeling is met betrekking tot deze onderwerpen.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

 

10. De financiële gevolgen

Verschil in werkelijke en begrote baten en lasten

Volgens de memorie van toelichting[17] zal de onderhavige landsverordening niet leiden tot een additioneel beslag op de overheidsfinanciën. Zoals aangegeven in onderdeel “II. Financiële paragraaf” van de memorie van toelichting moet het ontwerp in samenhang met de bij de Staten aanhangige ontwerplandsverordening  houdende instelling van de Curaçaose burgerluchtvaart-  en ruimtevaartautoriteit en wijziging van de Luchtvaartlandsverordening (Landsverordening Curaçaose burgerluchtvaart- en ruimtevaartautoriteit) (Zittingsjaar 2015-2016-097) (hierna: ontwerplandsverordening Curaçaose burgerluchtvaart- en ruimtevaartautoriteit) en de ontwerplandsverordening houdende vaststelling van de luchtvaartveiligheidsheffing op passagiers (Landsverordening Luchtvaartveiligheidsheffing) (hierna: ontwerplandsverordening Luchtvaartveiligheidsheffing) worden gezien. Wat betreft mogelijke financiële gevolgen voor het Land en hoe daarmee wordt omgegaan is hetgeen in artikel 6 van de ontwerplandsverordening Luchtvaartveiligheidsheffing (het opzetten van een fonds ten behoeve van de derde geldstromen) en artikel 15 e  in de ontwerpnota van wijziging betreffende de ontwerplandsverordening Curaçaose Burgerluchtvaart- en ruimteautoriteit en de toelichting daarop is opgenomen, van belang. [18] Bedoeld artikel 15 e luidt als volgt: “Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke en de begrote baten en lasten dan wel inkomsten en uitgaven, doet de directeur daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.” In het advies van de Raad over voornoemde ontwerpnota van wijziging[19] is opgemerkt dat het onduidelijk is hoe met tekorten wordt omgegaan en of de meldingsplicht, bedoeld in het boven aangehaalde artikel 15e, inhoudt dat deze tekorten door het Land moeten worden aangezuiverd. Indien dat niet het geval is, rijst de vraag hoe de CBA de kosten ter uitvoering van het burgerluchtvaarttoezicht in dat jaar moet financieren en wat voor gevolgen dit heeft voor de hoogte van het tarief van de luchtvaartveiligheidsheffing in het daaropvolgende jaar.

De Raad vindt het daarom van belang dat een toetsing van efficiency binnen de CBA niet alleen bij een eventuele aanpassing van de luchtvaartveiligheidsheffing wordt gedaan maar dat de overheid reeds nu stil staat en in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting ingaat op de kaders voor de begroting van de CBA en de mogelijkheid om een normering hiervoor te hanteren.  Verder is, zoals aangegeven in laatstbedoeld advies, het nodig dat aangegeven wordt welke criteria de overheid hanteert om de Landsbijdrage te bepalen en in hoeverre hierbij voldoende sprake is van beheersing van de kosten voor de overheid. Tot slot, uitgaande van de variabelen waarop de berekening van de jaarlijkse heffing in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting gebaseerd is, is het volgens de Raad niet uitgesloten dat er financiële overschotten dan wel – tekorten bij de CBA zich kunnen voordoen. Gelet op het vorenstaande acht de Raad het van belang dat de regering expliciet in de memorie van toelichting aangeeft hoe met eventuele tekorten en overschotten in het fonds, bedoeld in artikel 6 van de ontwerplandsverordening Luchtvaartveiligheidsheffing, zal worden omgegaan.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.

 

II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a. Aanwijzing luchthaven (artikel 1.1)

In de definitie van het begrip “luchthaven” in artikel 1.1, eerste lid, onder t, van het ontwerp staat onder andere dat het een aangewezen terrein is op het territoir van Curaçao. Uit deze definitie noch uit een andere bepaling in het ontwerp blijkt op welke wijze het terrein wordt aangewezen dan wel door wie of welk orgaan. Ten aanzien van dit onderwerp wijst de Raad voorts op zijn hieronder gemaakte opmerking met betrekking tot artikel 12.6 van het ontwerp.[20]

De Raad adviseert de regering in het ontwerp te bepalen op welke wijze de aanwijzing van bedoeld terrein dient te gebeuren.

 

b. Het aanwijzen bij ministeriële regeling met algemene werking van toestellen die geen luchtvaartuig zijn (artikel 1.3)

Op grond van artikel 1.3, tweede lid, van het ontwerp kunnen toestellen die geen luchtvaartuig zijn maar wel in het luchtruim mogen worden gebruikt, worden aangewezen bij ministeriële regeling met algemene werking. In het derde lid van genoemd artikel staat dat er in deze gevallen sprake is van een vrijstelling.

Volgens de Raad voldoet artikel 1.3 van het ontwerp niet aan de aanwijzingen 15, 17 en 19 van de Awr die gaan over delegatie van regelgeving. De vrijstellingsgronden, zijnde de hoofdelementen, moeten bijvoorbeeld in het ontwerp worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering artikel 1.3 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

c. De uitvoering van verdragsbepalingen of besluiten van een volkenrechtelijke organisatie die afwijken van de onderhavige landsverordening (artikel 1.5)

Om tijdig te kunnen voorzien in de uitvoering van nieuwe of gewijzigde internationale voorschriften op het gebied van luchtvaart die afwijken van de onderhavige landsverordening kunnen voorschriften bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld. De regering is in dat geval, op grond van artikel 1.5, vierde lid, van het ontwerp, verplicht een voorstel tot wijziging van de onderhavige landsverordening bij de Staten in te dienen. De Raad stelt vast dat als de regering hier niet aan voldoet er geen sanctie is. Dit betekent dat het vastgestelde landsbesluit ten onrechte onbeperkt zou kunnen gelden en daarmee in feite de onderhavige landsverordening zou kunnen wijzigen zonder dat de Staten daarvan op de hoogte zijn.

Voor soortgelijke regelingen die wel een sanctie bevatten verwijst de Raad naar arikel 2a, derde lid, van de Landsverordening accijns op bier 1970 en arikel 2a, derde lid, van de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970. In die regelingen is bepaald dat als de ontwerplandsverordening niet binnen de gestelde termijn bij de Staten is ingediend of indien de ingediende ontwerplandsverordening wordt ingetrokken, het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van rechtswege vervalt. De Raad is van oordeel dat het ontwerp in gelijke zin aangepast moet worden en dat de Landsverordening accijns op bier 1970 en de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970 als voorbeeld kunnen dienen. Ook artikel 6 van de Sanctielandsverordening bevat een soortgelijke regeling en zou als voorbeeld kunnen dienen.

De Raad adviseert de regering artikel 1.5 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

d. Het begrip “aanvraag”

Artikel 1.7, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat de aanvrager de kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag, daaronder begrepen de toepassing van artikel 1.8, moet vergoeden als dit in de onderhavige landsverordening is bepaald. De Raad zou verduidelijking willen over de betekenis van het zinsdeel “daaronder begrepen de toepassing van artikel 1.8”. Het begrip “aanvraag” wordt immers gedefinieerd in artikel 1.8, eerste lid, van het ontwerp waardoor “aanvraag” in artikel 1.8 van het ontwerp binnen de reikwijdte valt van het begrip “aanvraag” van artikel 1.7. Volgens de Raad is het voornoemde zinsdeel in artikel 1.7, eerste lid, van het ontwerp, overbodig.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden.

 

e. Algemene gronden voor het afwijzen van een aanvraag (artikel 1.9)

Artikel 1.9, onder a, van het ontwerp bepaalt op welke gronden een aanvraag in het algemeen wordt afgewezen. Een van de gronden is dat de aanvrager niet voldoet aan de wettelijke eisen of overigens niet wordt voldaan aan de wettelijke eisen bij of krachtens de onderhavige landsverordening. De Raad vindt dat deze bepaling begrensd moet worden om te voorkomen dat het tot willekeur leidt. Iedere wettelijke eis zou immers als grond voor een afwijzing kunnen dienen, ook eisen die geen betrekking hebben op (het object van) de aanvraag. Daarvoor zou aan onderdeel a bijvoorbeeld toegevoegd kunnen worden “voor het in aanmerking komen van hetgeen is aangevraagd”.

De Raad adviseert de regering artikel 1.9, onder a, van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

f. De vaststelling van de grondslagen en de wijze van berekening van de tarieven voor het gebruik van de luchthaven door luchtvaartuigen (artikel 1.12)

In de memorie van toelichting met betrekking tot de artikelen 1.11 en 1.12 van het ontwerp staat dat de grondslagen en de wijze van berekening van de tarieven bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, zullen worden geregeld, dat de tarieven zelf zullen worden vastgesteld bij ministeriële regeling met algemene werking en dat voorts voorzien is in een indexatiebepaling met een koppeling aan het prijsindexcijfer.[21] De Raad merkt op dat er in artikel 1.12 van het ontwerp niets staat over een aan het prijsindexcijfer gekoppelde indexatiebepaling.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

g. Het bewijs van gelijkstelling (artikel 2.5)

Bij ministeriële regeling met algemene werking kunnen ingevolge artikel 2.5, vierde lid, van het ontwerp, nadere regels worden gegeven over de voorwaarden en omstandigheden waaronder een bewijs van gelijkstelling wordt afgegeven, geweigerd, geschorst en ingetrokken. De bevoegdheid tot het stellen van “nadere regels” over een onderwerp veronderstelt het bestaan van “regels” over dat onderwerp.[22]

De Raad constateert dat de veronderstelde regels in artikel 2.5 slechts voorkomen voor het afgeven en intrekken van het bewijs van gelijkstelling en niet voor het weigeren en schorsen daarvan. Conform aanwijzingen 15 en 17 van de Awr dienen ook regels voor het weigeren en schorsen in het ontwerp te worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering artikel 2.5 van het ontwerp te wijzigen met inachtneming van het bovenstaande. 

 

h. De verplichte medische keuring voor cabinepersoneel (artikel 2.8 )

In de toelichting op artikel 2.8 van het ontwerp staat dat de verplichte medische keuring voor het cabinepersoneel zal ingaan voor de bemanningsleden die in dienst treden na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening.[23] Hieruit begrijpt de Raad dat de verplichte medische keuring niet van toepassing is op het bestaande cabinepersoneel en dus de eerbiedigende werking van toepassing wordt.[24] Ten aanzien hiervan merkt de Raad het volgende op.

Op grond van aanwijzing 125, eerste lid, van de Awr heeft een nieuwe regeling onmiddellijke werking. Dat houdt in dat de nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen zich na haar inwerkingtreding voordoet, maar ook op hetgeen dat bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Mocht de regering van deze hoofdregel van aanwijzing 125 willen afwijken dan moet dat uitdrukkelijk in het ontwerp worden opgenomen. Omdat dit niet is gebeurd, ook niet in de overgangsbepalingen in hoofdstuk XV van het ontwerp, zal artikel 2.8 tevens gelden voor het bestaande cabinepersoneel ondanks de toelichting hierop in de memorie van toelichting. Daarbij wijst de Raad op aanwijzing 158 van de Awr. Die aanwijzing bepaalt dat de toelichting niet gebruikt wordt voor het stellen van nadere regels, wat betekent dat alleen datgene wat in de onderhavige landsverordening wordt opgenomen geldend recht wordt.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

i. Tussentijds ontslag medisch adviseur (artikel 2.13)

Artikel 2.13, zesde lid, van het ontwerp bepaalt wanneer tussentijds ontslag wordt verleend aan de medisch adviseur, bedoeld in artikel 2.11 van het ontwerp, onder andere als deze niet langer voldoet aan de wettelijke vereisten. Het is echter niet bekend waar met “wettelijke vereisten” op gedoeld wordt omdat deze hier niet zijn vermeld en er wordt verder niet verwezen naar bepalingen in het ontwerp waarin de wettelijke vereisten zijn opgenomen. Uit de toelichting op artikel 2.13 is dit evenmin op te maken.[25] De Raad vindt dat uit het ontwerp moet blijken welke wettelijke vereisten worden bedoeld.

De Raad adviseert de regering artikel 12.3 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande en tevens in dit artikel op te nemen dat het tussentijds ontslag ook wordt verleend op eigen verzoek van de medisch adviseur.

 

j. De vaststelling van medische eisen (artikel 2.15)

Uit artikel 2.15 van het ontwerp is niet op te maken ten behoeve waarvan of ten behoeve van wie medische eisen moeten worden vastgesteld. Ook wordt niet duidelijk op welke wijze de medische eisen worden vastgesteld. In de memorie is dit artikel niet toegelicht.

In dit artikel staat in het eerste lid onder meer dat bij de vaststelling van de medische eisen bepaald wordt wie bevoegd is tot het verlenen van ontheffing. De Raad maakt er hierbij op attent dat de bevoegdheid tot het verlenen van deze ontheffing in ieder geval in een algemeen verbindend voorschrift moet worden opgenomen, hetgeen in casu niet het geval is.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting aan te vullen en het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

k. Het nationaliteitsregister van Curaçaose luchtvaartuigen (artikelen 3.3 tot en met 3.6)

1°. De status van het nationaliteitsregister

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de thans geldende Luchtvaartlandsverordening is het nationaliteitsregister van Curaçaose luchtvaartuigen (hierna: het nationaliteitsregister) openbaar. Het valt de Raad op dat het ontwerp die bepaling niet bevat. Overigens is in het ontwerp niet opgenomen welke instantie het nationaliteitsregister zal beheren.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven om welke reden de openbaarheid van het nationaliteitsregister in het ontwerp niet is gehandhaafd en indien nodig het ontwerp aan te passen. De Raad adviseert de regering tevens in het ontwerp op te nemen welke instantie of functionaris het nationaliteitsregister zal beheren.

 

2°. De directeur van de Autoriteit

Op grond van artikel 3.3, tweede lid, onder c, van het ontwerp dient de directeur van de Autoriteit toestemming te geven voor de inschrijving in het nationaliteitsregister van de in dat artikelonderdeel bedoelde luchtvaartuigen. Uit het ontwerp of de toelichting op artikel 3.3  blijkt niet wie of wat bedoeld wordt met “de directeur van de Autoriteit”.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting aan te vullen met inachtneming van het bovenstaande en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

3°. Het onderscheid tussen een ambtshalve doorhaling en een ambtshalve uitschrijving uit
het nationaliteitsregister

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het ontwerp worden luchtvaartuigen ingeschreven in het nationaliteitsregister. In artikel 3.4, vierde lid, van het ontwerp wordt ervan uitgegaan dat een luchtvaartuig ambtshalve kan worden uitgeschreven en in artikel 3.5, vierde lid, van het ontwerp staat dat de minister een inschrijving ambtshalve kan doorhalen.

Het is de Raad niet bekend wat het onderscheid is tussen een ambtshalve doorhaling en een ambtshalve uitschrijving en of de rechtsgevolgen van die handelingen dezelfde zijn.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

l. Het bewijs van inschrijving in het nationaliteitsregister (artikel 3.6)

In het derde lid van artikel 3.6 van het ontwerp staat dat de minister bij ministeriële regeling met algemene werking nadere regels kan stellen ten aanzien van het model en de uitvoering van het bewijs van inschrijving.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat wordt bedoeld met “de uitvoering van het bewijs van inschrijving” en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

m. Het bewijs van luchtwaardigheid (artikel 3.9)

De Raad adviseert de regering in artikel 3.9 van het ontwerp, vergelijkbaar met de artikelen 3.7, onder a, en 3.19, onder e, van het ontwerp, op te nemen welke bepalingen de lagere regelgeving dient in te houden voor het afgeven van het bewijs van luchtwaardigheid op grond van artikel 3.9, eerste lid, van het ontwerp.

 

n. De gronden voor schorsing van een AOC (artikel 4.3)

Het “anderszins in strijd zijn met de bij of krachtens deze landsverordening gegeven wettelijke bepalingen” is ingevolge artikel 4.3, eerste lid, onder d, van het ontwerp een grond voor schorsing van een AOC. Dit betekent dat schending van elke willekeurige bepaling van de onderhavige landsverordening of van een daarop berustende lagere wettelijke regeling een argument zou kunnen zijn voor schorsing. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid vindt de Raad dat de gronden voor schorsing moeten worden begrensd.

De Raad adviseert de regering de gronden voor schorsing van een AOC in artikel 4.3 van het ontwerp te begrenzen.

 

o. Het afkondigen van een moratorium voor het uitgeven van een AOC (artikel 4.5)

Op grond van artikel 4.5, eerste lid, van het ontwerp kan de minister een moratorium  afkondigen voor het uitgeven van een AOC. Dit artikellid is niet toegelicht en het is niet duidelijk in welke gevallen een moratorium kan worden afgekondigd en of daar een maximale tijdsduur voor geldt. Ook is niet bekend in welke gevallen het moratiorium beëindigd kan dan wel moet worden. De Raad is van oordeel dat er voor het afkondigen van een moratorium criteria moeten worden vastgesteld, eventueel bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met inachtneming van aanwijzingen 15, 17 en 18 van de Awr.

Voorts wijst de Raad op artikel 6.11 van het ontwerp dat wel criteria bevat voor het tijdens een door de minister afgekondigde periode niet in behandeling nemen van verzoeken om de betreffende vergunning. Omdat dit ook beschouwd zou kunnen worden als een moratorium zou deze bepaling als voorbeeld kunnen dienen ter aanvulling van artikel 4.5 van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering artikel 4.5 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

p. Vrijstellingsgrondslagen (artikelen 5.5 en 5.19)

Bij ministeriële regeling met algemene werking kan de minister ingevolge artikel 5.5, derde lid, van het ontwerp, vrijstelling verlenen van regels die worden gesteld ter bescherming van de openbare veiligheid met betrekking tot bepaalde gevallen.

Met inachtneming van de aanwijzingen 17 en 18 van de Awr adviseert de Raad de regering in artikel 5.5 van het ontwerp de gronden voor het verlenen van vrijstelling te vermelden. Dit geldt ook voor het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 5.19, vijfde lid, van het ontwerp.

 

q. Het certificaat voor het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten (artikel 5.9)

De Raad adviseert de regering in artikel 5.9 de grondslag op te nemen voor het model van het certificaat, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

 

r. Delegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking (artikel 6.4)

Op grond van artikel 6.4, eerste lid, van het ontwerp is een vergunning van de minister vereist voor het verrichten van luchtwerk. In het negende lid van voornoemd artikel staat dat nadere regels kunnen worden gesteld bij ministeriële regeling met algemene werking.

De Raad adviseert de regering met betrekking tot artikel 6.4, negende lid, van het ontwerp na te gaan of de aanwijzingen 15, 18 en19 van de Awr in acht zijn genomen.

 

s. Het gebruikmaken van de diensten van andere overheidsinstanties door de verlener van luchtverkeersdiensten (artikel 5.14)

1°. Medewerkingsplicht overheidsinstanties

In artikel 5.14, derde lid, van het ontwerp staat dat de verlener van luchtverkeersdiensten bevoegd is diensten van andere overheidsinstanties te gebruiken tegen betaling van de daarmee gepaard gaande kosten. Over welke diensten het gaat is niet bekend. De Raad gaat ervan uit dat deze overheidsinstanties verplicht zijn daaraan mee te werken. Volgens de Raad dient daartoe een medewerkingsplicht in het ontwerp te worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering op het bovenstaande in te gaan in de memorie van toelichting alsook van artikel 5.14, derde lid, van het ontwerp voorbeelden te geven van de betreffende diensten van andere overheidsinstanties en het ontwerp aan te passen.

 

2°. Het vaststellen van de taken en verantwoordelijkheden van de verlener bij ministeriële regeling met algemene werking

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven om welke reden de taken en verantwoordelijkheden van de verlener, bij ministeriële regeling met algemene werking worden vastgesteld conform artikel 5.14, tweede lid, van het ontwerp, en niet bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.

 

t. De verlener van luchtverkeersdiensten (artikel 5.17)

In de memorie van toelichting is artikel 5.17 van het ontwerp niet toegelicht. Voor de Raad is het niet duidelijk wat het verschil is tussen de verlener van luchtverkeersdiensten en de houder van een bewijs van bevoegdheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

u. Het opschorten van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (artikel 5.20)

Artikel 5.20, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat de verdere verlening van luchtvaartnavigatiediensten kan worden opgeschort indien de gebruiker van die diensten niet heeft voldaan aan de eis tot onmiddellijk en volledig betalen van de betreffende vergoedingen.

In het zesde lid van artikel 5.20 van het ontwerp staat dat bij ministeriële regeling met algemene werking nadere regels worden gesteld voor het opschorten van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten.

Omdat artikel 5.20, eerste lid, aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, wenst de Raad nadere informatie over de mogelijke inhoud van eventueel vast te stellen nadere regels over dit onderwerp,

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

v. Eigen vervoer (artikel 6.2)

In artikel 6.2, tweede lid, van het ontwerp komen de termen “eigen bedrijf” en “eigen onderneming” voor. In het derde lid van dat artikel staat wat onder een “bedrijf” wordt verstaan.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat een eigen bedrijf onderscheidt van een eigen onderneming in artikel 6.2, tweede lid, van het ontwerp.  Ook wordt geadviseerd een voorbeeld te geven in welk geval de minister kan overwegen om overeenkomstig artikel 6.2, vierde lid, van het ontwerp af te wijken van het nationaliteitsvereiste opgenomen in het derde lid van dat artikel.

 

w. Het “handelen in strijd met wettelijke bepalingen” als grond voor de intrekking van een ontheffing (artikel 6.3)

Artikel 6.3, achtste lid, van het ontwerp bevat de gronden waarop een verleende ontheffing van het verbod van artikel 6.3, tweede lid, van het ontwerp, kan worden ingetrokken. Een van de intrekkingsgronden is het in strijd handelen met de wettelijke bepalingen (artikel 6.3, achtste lid, onder c, van het ontwerp).

De Raad is van mening dat de intrekkingsgrond in artikel 6.3, achtste lid, onder c, van het ontwerp, geconcretiseerd moet worden, in die zin dat het duidelijk wordt om welke (soort) wettelijke bepalingen het gaat. Betrokkenen moeten hiervan tevoren op de hoogte zijn zodat zij hun gedragingen daarop kunnen afstemmen.

Bovendien is handelen in strijd met artikel 6.3 of met het bepaalde krachtens artikel 6.3 van het ontwerp ingevolge artikel 14.21, eerste lid, onder f van het ontwerp, een strafbaar feit waarop hechtenis of een geldboete staat. De Raad is van mening dat artikel 6.3, achtste lid, onder c, van het ontwerp niet voldoet aan het lex certa beginsel.[26]

De Raad adviseert de regering artikel 6.3 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

x. Schorsing en intrekking wegens strijd anderszins met wettelijke bepalingen (artikelen 6.8, eerste lid, onder d, en 6.9, eerste lid, onder f)

Artikelen 6.8, eerste lid, onder d, en 6.9, eerste lid, onder f, van het ontwerp bepalen dat een vergunning geschorst dan wel ingetrokken kan worden wegens strijd anderszins met wettelijke bepalingen. De Raad is van mening dat deze grond tot schorsing en intrekking geconcretiseerd moet worden. Het moet duidelijk zijn om welke (soort) wettelijke bepalingen het gaat om te voorkomen dat het in strijd handelen met iedere willekeurige wettelijke bepaling tot schorsing of intrekking van de vergunning zou kunnen leiden.

De Raad adviseert de regering de artikelen 6.8 en 6.9 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

y. Het luchthavenbesluit met betrekking tot het luchthavenverkeer (artikel 7.4)

In artikel 7.4, derde lid, aanhef staat “Een luchthavenbesluit, bedoeld in het eerste lid, kan in elk geval omvatten:”. Uit deze formulering trekt de Raad de conclusie dat het opnemen in het luchthavenbesluit van de in dit artikellid genoemde onderwerpen facultatief is gezien de “kan-bepaling” en dat de opsomming een enuntiatief karakter heeft gelet op de uitdrukking “in elk geval”. Dit komt de Raad tegenstrijdig voor.

De Raad adviseert de regering om na te gaan of de in artikel 7.4, derde lid, van het ontwerp  genoemde onderwerpen wellicht toch verplicht moeten worden opgenomen in het luchthavenbesluit.

 

z. Nadere regels voor de in het luchthavenbesluit op te nemen grenswaarden (artikel 7.5)

1°. Het vaststellen van grenswaarden bij lagere regelgeving

Conform artikel 7.5, eerste lid, van het ontwerp zullen nadere regels worden vastgesteld over onder meer grenswaarden. Deze worden vastgesteld bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Dit betekent dat vaststelling bij ministeriële regeling met algemene werking tot de mogelijkheden behoort.

In de toelichting op artikel 7.5 van het ontwerp (memorie van toelichting, pagina 19, voorlaatste tekstblok) staat dat de nadere regels bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden vastgesteld. Het ontwerp en de memorie van toelichting zijn op dit punt niet in overeenstemming met elkaar.

De Raad adviseert de regering met betrekking tot artikel 7.5, eerste lid, van het ontwerp, het ontwerp en de memorie van toelichting op elkaar af te stemmen.

 

2°. Het voorschrijven van maatregelen door de minister

In toelichting op artikel 7.5 van het ontwerp staat dat de minister maatregelen kan voorschrijven indien de geluidbelasting op het handhavingspunt wordt overschreden.[27] De Raad leest dit niet in artikel 7.5 van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

aa. Gecontroleerde delegatie (artikel 7.5)

Aanwijzing 27 van de Awr bepaalt dat in de landsverordening geen formele betrokkenheid van de Staten bij gedelegeerde regelgeving wordt geregeld, tenzij daarvoor bijzondere redenen bestaan. Een vorm van parlementaire betrokkenheid is gecontroleerde delegatie.

In artikel 7.5, tweede lid, van het ontwerp staat dat het ontwerp van het – krachtens artikel 7.5, eerste lid, van het ontwerp – vast te stellen landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan de Staten moet worden overgelegd. Pas vier weken daarna kan de voordracht voor de vaststelling van bedoeld landsbesluit worden gedaan.

Dit is een vorm van gecontroleerde delegatie omdat de voorschriften bij lagere regeling kunnen worden vastgesteld, maar een voorontwerp daarvan moet wel ter kennis van de Staten worden gebracht. De Staten worden dan voldoende tijd gegeven om opmerkingen over het ontwerp te maken en daarover met de betrokken bewindspersoon van gedachten te wisselen.[28]

Volgens aanwijzing 28 van de Awr wordt gecontroleerde delegatie slechts toegepast indien een materie regeling bij landsverordening rechtvaardigt, maar zich daarvoor toch niet goed leent vanwege haar sterk technische karakter, de noodzaak van snelle wijzigingen of de grote omvang van de te stellen regels.

De Raad adviseert de regering, met inachtneming van de aanwijzingen 27 en 28 van de Awr, in de memorie van toelichting te motiveren om welke reden de Staten betrokken worden bij het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van het ontwerp.

 

bb. Het luchthavenbesluit met betrekking tot het beperkingengebied (artikel 7.12)

In artikel 7.12, vierde lid, van het ontwerp staat dat er regels worden vastgesteld op grond waarvan gronden worden aangewezen die niet bestemd of gebruikt worden voor woningen of andere in het besluit aangewezen gebouwen. Deze regels kunnen ook betrekking hebben op de beëindiging van het gebruik van gronden of gebouwen dan wel bouwwerken, en in voorkomend geval, afbraak daarvan.

De Raad merkt op dat artikel 34, tweede lid, van de huidige Luchtvaartlandsverordening een soortgelijke bepaling bevat en in het derde lid van artikel 34 is bepaald dat de kosten die het gevolg zijn van de uitvoering van bedoelde aanwijzingen en voorschriften, ten laste komen van de betrokken eilandgebieden (lees: het Land). In het ontwerp ontbreekt echter een soortgelijke bepaling hetgeen volgens de Raad niet terecht is.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven om welke reden bovenbedoelde bepaling niet in het ontwerp is opgenomen en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

cc. De verhouding tussen het luchthavenlandsbesluit en het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (artikel 7.13)

1°. Het ontwerp en de memorie van toelichting

In artikel 7.13, eerste lid, van het ontwerp komt tot uitdrukking dat bij het vaststellen van een ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften, dan wel een wijziging of herziening daarvan, het luchthavenbesluit in acht moet worden genomen. Ten aanzien hiervan staat in de toelichting op artikel 7.1 van het ontwerp dat de bepalingen in het luchthavenbesluit over het beperkingengebied bedoeld zijn als een lex specialis ten opzichte van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (hierna: het EOP) met bestemmingsvoorschriften, de lex generalis. Voorts staat in de toelichting op artikel 7.19 van het ontwerp dat het luchthavenbesluit in het EOP moet worden vertaald.[29] De Raad merkt hierover het volgende op.

 

2°. Het gevolg van het gestelde in het ontwerp en de memorie van toelichting

De regering gaat van het standpunt uit dat het EOP een landsverordening is. Zie daartoe de Landsverordening van de 19de januari 2017 tot wijziging van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (A.B. 1995, no. 36) (herziening Oostpunt).[30] Een landsverordening is een hogere regeling ten opzichte van een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, wat het luchthavenbesluit is. De Raad concludeert dan ook dat het voorgaande zou betekenen dat een lagere regeling, het luchthavenbesluit, de lex specialis zou zijn ten opzichte van de hogere regeling het EOP, de lex generalis.

 

3°. Onderschikking van regels

De Raad attendeert er hierbij op dat een van de regels bij het bepalen van de verhouding tussen regelingen de regel is dat een hogere regeling vóór een lagere regeling gaat (lex superior derogat legi inferiori).[31] Tussen regelingen van ongelijke rang bestaat dus een hiërarchische verhouding, wat met betrekking tot dit geval inhoudt dat het EOP (een wet in formele zin) voor gaat boven het luchthavenbesluit (een landsbesluit, houdende algemene maatregelen).

 

4°. Lex specialis derogati legi generali

Voor de bepaling van de verhouding en voorang tussen – met name conflicterende-  regels van “gelijke orde” is de hoofdregel dat de meest specifieke regeling voorrang heeft boven de algemene regeling (lex specialis derogat legi generali).[32] Aangezien het EOP en het luchthavenbesluit geen regelingen van gelijke orde zijn, omdat het EOP een hogere regeling is, kan deze voorrangsregel hier niet toegepast worden.

Het in de memorie van toelichting gestelde, dat de bepalingen over het beperkingengebied in het luchthavenbesluit een lex specialis is ten opzichte van de lex generalis het EOP, dient dan ook te worden verwijderd uit de memorie van toelichting.

 

5°. Toetsing van het luchthavenbesluit aan het EOP

In de toelichting op artikel 7.19, op pagina 20 van de memorie van toelichting, staat dat bij de beroepen tegen het EOP het luchthavenbesluit dan wordt getoetst.

Dit laatste suggereert volgens de Raad dat het luchthavenbesluit dan getoetst wordt aan het EOP en eventueel gewijzigd zou kunnen worden. Uit het samenstel van bepalingen in het ontwerp blijkt dat het EOP zich juist moet confirmeren aan het luchthavenbesluit.

Volgens de Raad dient de memorie van toelichting om die reden aangepast te worden. Bovendien dient het ontwerp zodanig te worden geredigeerd dat niet het luchthavenbesluit maar de onderhavige landsverordening, inclusief het luchthavenbesluit, een lex specialis is ten opzichte van het EOP.

 

6°. Het advies van de Raad

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

dd. De verhouding tussen de onderhavige landsverordening en de Bouw en Woningverordening 1935

In artikel 7.15 van het ontwerp wordt afgeweken van artikel 22a, tweede en derde lid, van de Bouw en Woningverordening 1935 (hierna: BWV 1935).

De Raad adviseert de regering na te gaan of artikel 22a, tweede en derde lid, van de BWV 1935 moet worden gewijzigd naar aanleiding van het gestelde in artikel 7.15, eerste en tweede lid, van het ontwerp.

 

ee. Verbod tot het oprichten of plaatsen van objecten boven de maximaal vastgestelde hoogte (artikel 7.17)

Op grond van artikel 7.17, tweede lid, van het ontwerp is het verboden een object op te richten of te plaatsen indien het in strijd is met een bepaling over de maximale hoogte van objecten in het luchthavenbesluit.

De Luchtvaartlandsverordening bevat soortgelijke bepalingen in de artikelen 37 en 43. Of en wat de maximale hoogte voor de objecten thans is, is niet bekend bij de Raad.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven op welke wijze omgegaan zal worden met objecten die reeds zijn geplaatst en die de krachtens de onderhavige landsverordening vast te stellen maximale hoogte zullen overschrijden.

 

ff. Delegatie naar een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, met de mogelijkheid tot subdelegatie naar een ministeriële regeling met algemene werking (artikelen 8.2 en 8.3)

Op grond van de artikelen 8.2 en 8.3 kunnen regels worden gesteld met het oog op het milieu en het klimaat. In de toelichting op artikel 8.3 staat dat als voorbeeld gedacht kan worden aan (gedeeltelijke) sluiting van een luchtvaartterrein gedurende de nachtelijke uren of sluiting van het luchtvaartterrein voor bepaalde types lawaai-producerende luchtvaartuigen.[33]

De Raad adviseert de regering met betrekking tot de artikelen 8.2 en 8.3 van het ontwerp na te gaan of aanwijzingen 15, 17, 18 en 19 van de Awr in acht zijn genomen.

 

gg. Het zelfstandig initiëren van een onderzoek (artikel 10.5)

In de toelichting op artikel 10.5, tweede lid, van het ontwerp staat dat het aangewezen onderzoekscollege uit eigener beweging een onderzoek kan instellen, dus zonder dat er sprake is van een melding van een ongeval of ernstig incident. De Raad merkt op dat in artikel 10.5, tweede lid, staat dat een onderzoek kan worden geïnitieerd zonder bedoelde melding. In het ontwerp staat niet wie of welk(e) orgaan dan wel instantie dit onderzoek kan initiëren.

De Raad adviseert de regering artikel 10.5, tweede lid, van het ontwerp en de toelichting daarop in overeenstemming met elkaar te brengen en waar nodig de memorie van toelichting aan te vullen.

 

hh. Aanwijzing luchthaven (artikel 12.6)

In artikel 12.6, derde lid, van het ontwerp wordt verwezen naar de aanwijzing van een luchthaven op grond van hoofdstuk VII van het ontwerp. De grondslag voor de aanwijzing van een luchthaven komt echter niet voor in hoofdstuk VII van het ontwerp. De Raad wijst voorts op zijn hierboven gemaakte opmerking met betrekking tot artikel 1.1, onder t, van het ontwerp.[34]

De Raad adviseert de regering op het bovenstaande in de memorie van toelichting in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

ii. Het aanwijzen van personen die de toezichthoudende personen mogen vergezellen (artikelen 14.2 en 14.3)

De Raad acht het niet uitgesloten dat een toezichthoudend persoon assistentie nodig heeft. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een deskundige op het gebied van monsterneming of informatietechnologie (IT) of aan een andere technische deskundige. In dat geval moet de toezichthouder zich kunnen laten vergezellen door deze deskundige.

In artikel 14.3, eerste lid, onder a, van het ontwerp is daarin voorzien omdat in dat artikelonderdeel is bepaald dat toezichthouders zich kunnen doen vergezellen door personen die door hun zijn aangewezen. In artikel 14.2 van het ontwerp ontbreekt zo’n bepaling echter.

De Raad adviseert de regering aan het bovenstaande aandacht te besteden en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

jj. Invorderen van kosten bij dwangbevel (artikel 14.12)

De Raad adviseert de regering in artikel 14.12 van het ontwerp op te nemen ten laste van wie de bedoelde kosten bij dwangbevel ingevorderd zullen worden.

 

kk. Vastlegging van een vliegverbod in een beschikking (artikel 14.14)

In artikel 14.14, derde lid, van het ontwerp staat dat de betrokken opsporingsambtenaar het betreffende opgelegde vliegverbod vastlegt in een beschikking. Het is niet bekend wat hier met “beschikking” wordt bedoeld en wat de relatie daarvan is met een beschikking in de zin van artikel 14.31, eerste lid, van het ontwerp.

De Raad benadrukt hierbij dat een beschikking alleen door een bestuursorgaan kan worden vastgesteld en niet door een opsporingsambtenaar zoals in het derde lid van artikel 14.14 is bepaald.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

ll. De bekendmaking van de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang (artikel 14.34)

1°. Het ontwerp

In artikel 14.34, derde lid, van het ontwerp staat dat de beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

 

2°. De aanvrager

Artikel 14.34 is niet toegelicht in de memorie van toelichting. Daardoor is het niet bekend wie wordt bedoeld met “de aanvrager” want uit het ontwerp volgt dat evenmin. Voornoemde bepaling is kennelijk overgenomen van artikel 5:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van Nederland (hierna: de Awb). De Awb bevat algemene regels van het bestuursrecht. In de Awb is het duidelijk wie met “de aanvrager” wordt bedoeld gezien artikel 1:3, tweede lid, van de Awb. In het ontwerp moet deze verduidelijking alsnog plaatsvinden.

 

3°. Bekendmaking

Het begrip “bekendmaking” dat ook uit de Awb is overgenomen wordt in de Awb beheerst door artikel 3:41 e.v. In de Awb is het duidelijk wat met dat begrip wordt bedoeld. Dit is in het ontwerp niet het geval en dit moet alsnog gebeuren.[35] Daarbij dient er rekening mee te worden gehouden dat ingevolge de LAR de beroeps- dan wel bezwaartermijn van een beschikking afhankelijk is van de dag waarop de beschikking is gegeven. Dit is de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt.[36]

 

4°. Advies

De Raad adviseert de regering het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

mm. Het stellen van regels over eigendomsoverdracht bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen (artikel 14.38)

Ingevolge artikel 14.38, vijfde lid, van het ontwerp kunnen regels worden gesteld ter zake van het in eigendom overdragen aan een derde als bedoeld in het eerste lid van artikel 14.38. Aangezien artikel 14.38 niet is toegelicht in de memorie van toelichting is het niet bekend of het om regels over de eigendomsoverdracht zélf gaat of om andersoortige regels. De Raad wijst er hierbij op dat eigendomsoverdracht een onderwerp van het burgerlijk recht betreft en dat regels over het burgerlijk recht, op grond van artikel 89, eerste lid, van de Staatsregeling van Curaçao, slechts bij landsverordening kunnen worden vastgesteld. Het opnemen van zulke regels in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, is dan ook strijdig met de Staatsregeling.

Indien het hier om regels over de eigendomsoverdracht zélf gaat dan adviseert de Raad de regering artikel 14.38 van het ontwerp aan te passen met inachtneming van het bovenstaande.

 

nn. De door het bestuursorgaan aangewezen toezichthouders (artikel 14.39)

In artikel 14.39, eerste lid, van het ontwerp staat dat in geval van het toepassen van bestuursdwang de door het bestuursorgaan aangewezen personen, onder bepaalde voorwaarden, toegang hebben tot elke plaats. De Raad concludeert hieruit dat het bestuursorgaan, in dit geval een minister op grond van artikel 14.28 van het ontwerp, toezichthouders kan aanwijzen. Hoe deze bepaling zich verhoudt tot de aanwijzing van toezichthouders bij landsbesluit, dus door de regering, conform artikel 14.1 van het ontwerp, dient in de memorie van toelichting te worden uitgelegd.

Mocht het de bedoeling zijn dat toezichthouders alleen op grond van artikel 14.1 van het ontwerp aangewezen kunnen worden, dus bij landsbesluit, dan dient artikel 14.39, eerste lid, van het ontwerp te worden aangepast. Bovendien dient artikel 14.39, tweede lid, van het ontwerp dan te worden verwijderd omdat de in dat artikellid genoemde bepalingen reeds van toepassing zijn op bij landsbesluit aangewezen toezichthouders.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

oo. Het opmaken van een rapport van een overtreding bij het voornemen een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen (artikel 14.56)

Artikel 14.56 van het ontwerp stelt het verplicht dat een week na de constatering van een overtreding een rapport wordt opgemaakt. Dit rapport wordt ingevolge het eerste lid van genoemd artikel gezonden aan de belanghebbende.

De Raad adviseert de regering om na te gaan of bedoeld rapport aan de belanghebbende of aan de overtreder – die ook belanghebbende is – gestuurd moet worden en dit in de memorie van toelichting toe te lichten. Tevens wordt geadviseerd, indien nodig, het ontwerp aan te passen.

 

pp. Functiescheiding bij het opleggen van een bestuurlijke boete

Op pagina 29, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting staat dat er een behoefte is aan uitbreiding van bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten, in het bijzonder de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete en dat het daarbij om standaardbepalingen gaat die in de afgelopen jaren reeds in andere sectoren zijn ingevoerd. Bijvoorbeeld de wetgeving op het gebied van het toezicht op assurantiebemiddelingsbedrijven, beleggingsinstellingen en het trustwezen.

De Raad constateert dat wat de bestuurlijke boete betreft, gekozen is voor de “zwaardere procedure” conform de bepalingen daarover in de bovengenoemde regelgeving. In die regelgeving is er voorzien in een functiescheiding tussen de ambtenaar die de overtreding constateert en de ambtenaar die de boetebeschikking voorbereidt.[37]

De Raad adviseert de regering in hoofdstuk XIV van het ontwerp te voorzien in bedoelde functiescheiding tussen de ambtenaar die de overtreding constateert en de ambtenaar die de boetebeschikking voorbereidt.

 

qq. Verwijzing naar artikel 7.1 van het ontwerp (artikelen 14.62 en 14.63)

In de artikelen 14.62, eerste lid, en 14.63 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 7.1. van het ontwerp. Het is de Raad niet duidelijk wat de relatie is tussen eerstgenoemde artikelen en artikel 7.1 van het ontwerp, om welke reden deze verwijzing nader toegelicht moet worden.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

rr. Overgangsrecht (artikel 15.6)

In artikel 15.6, eerste lid, van het ontwerp staat dat de aanwijzing van luchtvaartterreinen met de oude rechtsgevolgen van kracht blijft totdat een luchthavenbesluit onherroepelijk is, behoudens intrekking overeenkomstig Hoofdstuk VII van de onderhavige landsverordening.

Aangezien de Raad in Hoofdstuk VII van het ontwerp geen grondslag ziet voor de intrekking van de aanwijzing van een luchtvaartterein, adviseert de Raad de regering artikel 15.6 van het ontwerp toe te lichten in de memorie van toelichting en indien nodig het ontwerp aan te passen.

 

2. De memorie van toelichting

a. Implementatie in Curaçaose wetgeving van aanpassingen in internationale luchtvaartregelgeving

Op pagina 4, tweede tekstblok van de memorie van toelichting staat dat de Curaçaose luchtvaartwetgeving de aanpassingen in de bijlagen (Annexes) van het Verdrag van Chicago niet heeft bijgehouden. Deze betreffen aanmerkelijke wijzigingen alsook de toevoeging van nieuwe bijlagen. Een voorbeeld is de regeling betreffende onbemande luchtvaartuigen met menselijke besturing op afstand (drones). Vermeld is dat ICAO eist dat de internationale standaarden (veelal technisch van karakter) binnen een kort tijdsbestek worden vertaald en geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven hoe de regering denkt te kunnen waarborgen dat toekomstige aanpassingen in de bijlagen van het Verdrag van Chicago en andere ontwikkelingen in de luchtvaartregelgeving, daadwerkelijk en bijtijds in de Curaçaose wetgeving worden geïmplementeerd, rekening houdende met menskracht en middelen.

 

b. Verwijzing naar een niet bestaand lid van artikel 13.6

Op pagina 29, eerste tekstblok, voorlaatste volzin, van de memorie van toelichting wordt artikel 13.6 van het ontwerp toegelicht. Daarbij wordt verwezen naar het zevende lid van artikel 13.6. Dit artikel bevat geen zevende lid.

De Raad adviseert de regering om het eerste tekstblok op pagina 29 van de memorie van toelichting te corrigeren met inachtneming van het bovenstaande.

 

III.  Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

Concluderend geeft de Raad van Advies de regering in overweging de ontwerplandsverordening niet bij de Staten in te dienen dan nadat met het vorenstaande rekening is gehouden.

 

Willemstad, 4 december 2019

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/29-19-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het ontwerp

a. Algemeen

1°. De inhoudsopgave

De benamingen van de hoofdstukken V, VI, XIII en XV in de inhoudsopgave van het ontwerp stemmen niet overeen met de benamingen van die hoofdstukken in het ontwerp zelf. Voorgesteld wordt deze in overeenstemming met elkaar te brengen.

 

2°. Verschillende termen voor hetzelfde begrip

Geconstateerd is dat in het ontwerp voor hetzelfde begrip twee termen worden gehanteerd, te weten “medische verklaring” (bijvoorbeeld in de artikelen 2.2, eerste lid, onder a, en tweede lid, 2.2, vijfde lid, onder g, en 2.21, van het ontwerp) en “geneeskundige verklaring” (bijvoorbeeld in de artikelen 2.8, eerste lid, 2.9, eerste en derde lid, 2.10, eerste lid en 2.16 van het ontwerp). Voorgesteld wordt in het ontwerp één term te hanteren voor hetzelfde begrip.

 

3°. Consistentie in woordkeus

  • Landscourant en “het blad waarin van Landswege officiële berichten worden geplaatst”

In het ontwerp komen twee formuleringen voor om hetzelfde aan te duiden, te weten “de Landscourant” en “het blad waarin van Landswege officiële berichten worden geplaatst”.

Zie voor de formulering “Landscourant” bijvoorbeeld de artikelen 4.5, tweede lid, 6.1, zesde lid, en 6.11, derde lid, en voor de formulering “het blad waarin van Landswege officiële berichten worden geplaatst” de artikelen 6.9, tweede lid, 7.19, eerste lid, 14.1, derde lid en 14.11, tweede lid.

Voorgesteld wordt in het ontwerp één formulering dan wel term te hanteren voor de aanduiding van hetzelfde.

 

4°. Formulering van door de minister te stellen regels

In het ontwerp komt veelvuldig voor dat de minister regels stelt of de formulering “door de minister vast te stellen regels”. De Raad wijst bijvoorbeeld op de artikelen 7.17, vijfde lid, 9.15, vierde lid.

Voorgesteld wordt in de genoemde en in andere voorkomende gevallen de in aanwijzing 22, eerste lid, van de Awr genoemde formulering te gebruiken.

 

b. Artikel 1.1

Voorgesteld wordt:

  • in het eerste lid, in de aanhef “luchtvaart” te verwijderen;
  • in het eerste lid, onder i “deze” te vervangen door “de”;
  • in het eerste lid, aan onderdeel i toe te voegen “, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid” en in onderdeel mm, “artikel 7” te vervangen door “artikel 7, tweede lid”;
  • in het eerste lid, onderdeel u te verwijderen omdat dit identiek is aan onderdeel t;
  • in het eerste lid, de tweede aanduiding “ii” te vervangen door “jj” en onderdeel kk e.v. te verletteren;
  • in het vierde lid, onder c, “in deze landsverordening” te verwijderen.

 

c. Artikel 1.4

Voorgesteld wordt in het vijfde lid:

  • het woord “het” tussen “bij” en “landsbesluit” te verwijderen;
  • de puntkomma aan het slot van de tekst van het vijfde lid te vervangen door een punt.

 

d. Artikel 1.5

Voorgesteld wordt:

  • in het eerste lid, het zinsdeel “als deze landsverordening” te vervangen door “als in deze landsverordening voorkomen”;
  • in het derde lid, “meebrengt” te vervangen door “meebrengen” en “duldt” door “dulden”.

 

e. Artikel 1.6

Voorgesteld wordt in de aanhef “er voor” te vervangen door “ervoor”.

 

f. Artikel 1.7

Voorgesteld wordt in het derde lid “tarieven van de kosten” te vervangen door “tarieven van de verschuldigde vergoedingen voor de kosten”.

 

g. Artikel 1.10

Onder verwijzing naar aanwijzing 64 van de Awr wordt voorgesteld in het tweede lid “is van toepassing” te vervangen door “is van overeenkomstige toepassing”.

 

g. Artikel 2.8

Voorgesteld wordt in het eerste lid “cabine personeel” als één woord te schrijven.

 

i. Artikel 2.20

Voorgesteld wordt in onderdeel d “ten einde” te vervangen door “teneinde”.

 

j. Artikel 3.3

Voorgesteld wordt:

  • in het tweede lid, in onderdeel a, het zinsdeel “artikel 1 eerste lid en artikel 2 eerste lid Landsverordening herziening Boek 2 Burgerlijk Wetboek” te vervangen door “artikel 1, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek”;
  • in het tweede lid, in onderdeel b, het zinsdeel “in het Bevolkingsregister van Curaçao” te vervangen door “in de basisadministratie, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening basisadministratie persoonsgegevens”;
  • onder vernummering van het derde lid tot vierde lid, de tekst van onderdeel c op te nemen in een nieuw derde lid, onder verwijdering van de aanduiding “c.” vóór die tekst;
  • in het nieuwe vierde lid het zinsdeel “ingezetene in Curaçao” te vervangen door “ingezetene als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel g, van de Landsverordening  basisadministratie persoonsgegevens”.

 

k. Artikel 3.5

Voorgesteld wordt in het eerste lid “artikel 3.3, tweede lid, onder c” te vervangen door ”artikel 3.3., derde lid,”. Dit in verband met de opmerking hierboven bij “ j. Artikel 3.3”, waarbij bij de derde gedachtestreep wordt voorgesteld onderdeel c van het tweede lid op te nemen in een nieuw derde lid van artikel 3.3.

Voorgesteld wordt de verwijzing in het vierde lid, onder b naar het derde lid van artikel 3.1. aan te passen. Laatstgenoemd artikel bevat geen derde lid.

Aangezien artikel 3.7 geen leden bevat wordt tevens voorgesteld de verwijzing in het vierde lid, onder c, naar artikel 3.7 tweede lid, aan te passen.

 

l. Artikel 3.10

Voorgesteld wordt in het eerste lid, onder c, “de” in te voegen na “overeenkomstige”.

 

m. Artikel 3.13

Voorgesteld wordt in het vierde lid het zinsdeel “kan de minister” te vervangen door “kunnen”.

 

n. Artikel 3.15

Voorgesteld wordt in het eerste lid, aanhef en in onderdeel b, alsook in de aanhef in het tweede lid “geluidcertificaat” te vervangen door “geluidscertificaat”.

 

o. Artikel 3.20

Voorgesteld wordt in het tweede lid het woord “met” in te voegen na “houdende”.

 

p. Artikel 3.22

Voorgesteld wordt in artikel 3.22, onder b, “natuurlijk persoon” te vervangen door “natuurlijke persoon”.

 

q. Artikel 4.12

Voorgesteld wordt in het derde lid, tweede volzin, een komma in te voegen tussen “voorwaarden” en “bedoeld”.

 

r. Artikel 5.1

Voorgesteld wordt in onderdeel b “regedie” te vervangen door “regels die” en “wordengehanteerd” door “worden gehanteerd”.

 

s. Artikel 5.6

Voorgesteld wordt de puntkomma aan het slot van het eerste lid te vervangen door een punt.

 

t. Artikel 5.8

Voorgesteld wordt in het vijfde lid tussen “van” en “toepassing” het woord “overeenkomstige” in te voegen.

 

u. Artikel 5.15

Voorgesteld wordt in het eerste lid “waarvan Curaçao” te vervangen door “waar Curaçao”.

 

v. Artikel 5.17

Aangezien het vierde, vijfde, zesde en zevende lid een herhaling zijn van het tweede dan wel het derde lid van artikel 5.17, wordt voorgesteld het vierde lid tot en met het zevende lid te verwijderen.

 

w. Artikel 5.19

Voorgesteld wordt:

  • in het vierde lid, “landbesluit” te vervangen door “landsbesluit”;
  • in zowel het vijfde als het zesde lid na “ministeriële regeling” in te voegen “met algemene werking”.

 

x. Artikel 5.20

Voorgesteld wordt in het tweede lid “US-dollar” te vervangen door “US-Dollars” en in het derde  lid, eerste volzin, “aangetekend” door “aangetekende”.

 

y. Artikel 5.21

Voorgesteld wordt “bijlage” te vervangen door “bijlagen: en “Air Navigation Services” door “luchtvaartnavigatiediensten”.

 

z. Artikel 6.1

Voorgesteld wordt in het tweede lid “Curaçaose recht” te vervangen door “Curaçaos recht” en in het vierde lid tussen “om” en “vergunning” het woord “een” in te voegen.

 

aa. Artikel 6.2

Voorgesteld wordt in het achtste lid “De” in te voegen vóór “Artikelen” onder vervanging van de “A” door “a” in het woord “Artikelen”.

 

bb. Artikel 6.3

Voorgesteld wordt in het eerste lid “artikel 6 lid 5” te vervangen.

 

Omdat artikel 6.3 gaat over het verlenen van een ontheffing door de minister wordt voorgesteld in het vijfde lid “vergunning” te vervangen door “ontheffing”.

 

cc. Artikel 6.5

Voorgesteld wordt:

  • in het tweede lid, “de vergunning, bedoeld” te vervangen door “een vergunning als bedoeld”, “dient zij” te vervangen door “dient het” en “alwaar zij haar” door “alwaar het zijn”;
  • in het achtste lid het getal “11,” te verwijderen.

 

dd. Artikel 6.6

Voorgesteld wordt in het tweede lid, “de vergunning, bedoeld” te vervangen door “een vergunning als bedoeld”, “dient zij” te vervangen door “dient het” en “alwaar zij haar” door “alwaar het zijn”.

 

ee. Artikelen 6.7, 6.9 en 6.10

  • Voorgesteld wordt in artikel 6.7,tweede lid, onder b, aan het slot van de tekst een puntkomma te plaatsen.
  • Voorgesteld wordt in artikel 6.9, tweede lid, het zinsdeel “of een ontheffing” te verwijderen aangezien in het derde lid van artikel 6.9 reeds staat dat artikel 6.9 van toepassing is op een ontheffing.
  • Gelet op artikel 6.7, eerste lid, wordt voorgesteld in artikel 6.7, derde lid, 6.9, derde lid, en 6.10, vierde lid, “op een ontheffing” te vervangen door “op een ontheffing als bedoeld in de afdelingen 1 en 2”.

 

ff. Artikel 6.8

Voorgesteld wordt in artikel 6.8, eerste lid, onder a, het woord “artikelen” te vervangen door “artikel”.

 

gg. Artikel 6.11

Voorgesteld wordt in het derde lid “door in het Landscourant” te vervangen door “in de Landscourant”.

 

hh. Artikel 6.12

Voorgesteld wordt in het eerste lid “de” in te voegen na “verboden”.

 

ii. Artikel 7.5

Voorgesteld wordt in het tweede lid, het woord “daarvan” in te voegen tussen “ontwerp” en “aan”.

 

 

jj. Artikel 7.10

Voorgesteld wordt in het derde lid “geluidbelasting” te vervangen door “geluidsbelasting”.

 

kk. Artikel 7.12

Voorgesteld wordt:

  • in het eerste lid, “het” in te voegen tussen “en” en “gebruikt” en “geluidbelasting:” te vervangen door “geluidsbelasting”;
  • in de aanhef van zowel het tweede als het derde lid, het zinsdeel “, bedoeld in het eerste lid,” te verwijderen omdat “luchthavenbesluit” is gedefinieerd in artikel 1.1, eerste lid, onder v, van het ontwerp;
  • in de aanhef van het tweede lid “de” in te voegen na “omtrent”;
  • in het tweede lid, onder a “geluidbelasting” te vervangen door “geluidsbelasting”.

 

ll. Artikel 7.14

Voorgesteld wordt:

  • “artikelen 18 en 19” te vervangen door “artikelen 18, derde lid, en 19, eerste lid”;
  • met inachtneming van artikel 16, derde lid, van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao, “wijzigingsbesluit” te vervangen door “wijzigingsvoorbereidingsbesluit”.

 

mm. Artikel 7.16

Voorgesteld wordt in het vijfde lid “geluidbelasting” te vervangen door “geluidsbelasting”.

 

nn. Artikel 7.27

Voorgesteld wordt in het eerste lid, onder a, na “artikel 7:28” in te voegen “, eerste lid”.

 

oo. Artikel 7.28

Voorgesteld wordt in het eerste lid “worden verklaard” te vervangen door “verklaren”.

 

pp. Artikel 8.1

Met inachtneming van aanwijzing 24 van de Awr, wordt voorgesteld in artikel 8.1, tweede lid, “voorschriften” te vervangen door “regels”.

qq. Artikel 8.3

Voorgesteld wordt na “maatregelen” een komma te plaatsen.

 

rr. Artikel 10.11

Voorgesteld wordt “is opgenomen” te vervangen door “zijn opgenomen”.

 

ss. Artikel 11.1

Voorgesteld wordt:

  • “Openbare Lichamen “ te vervangen door “openbare lichamen”;
  • het voetnootnummer 8 te verplaatsen naar het slot van de volzin;
  • in de voetnoot “Stb. 2009, 114” te vervangen door “P.B.’s 2009, no. 19 en 2010, no. 55”, aangezien Stb. 2009, 114 het van toepassing zijnde uitvoeringsbesluit betreft.

 

tt. Artikel 12.6

Voorgesteld wordt:

  • in het eerste lid, “een” tussen “van” en “Centrale Bank” te vervangen door “de” en tussen “of” en “andere” het woord “een” in te voegen;
  • in het tweede lid het woord “een” in te voegen tussen “van” en “geldige”.

 

uu. Artikel 14.1

Voorgesteld wordt in het tweede lid na te gaan of “de betrokken ambtenaar” dient te worden vervangen door “de betrokken ambtenaar of persoon” of door “de betrokken toezichthouder”. Vergelijk daarbij de aanhef in zowel artikel 14.2, eerste lid, en artikel 14.3, eerste lid, van het ontwerp.

 

vv. Artikel 14.5

Voorgesteld wordt in het eerste en het tweede lid “van deze landsverordening,” respectievelijk “, van deze landsverordening” te verwijderen.

 

ww. Artikel 14.7

Voorgesteld wordt in het tweede lid “bedoeld in artikel 14.5” te vervangen door “bedoeld in artikel 3.20 respectievelijk 4.1”.

 

xx. Artikel 14.8

Voorgesteld wordt in het eerste lid “toezichthouders” te vervangen door “toezichthouder”.

 

yy. Artikel 14.10

Voorgesteld wordt in de tweede volzin:

  • “ten alle tijden” te vervangen door “te allen tijde”;
  • het woord waarvan “CBA” de afkorting is voluit te schrijven;
  • “krachtens artikel 14.11, eerste lid” vervangen door “bedoeld in artikel 14.11, eerste lid”.

 

zz. Artikel 14.11

Voorgesteld wordt in het eerste lid het woord “en” te verwijderen.

 

aaa. Artikel 14.12

Voorgesteld wordt in het tweede lid “De betrokken ambtenaar” te vervangen door “De betrokken opsporingsambtenaar”.

 

bbb. Artikelen 14.13, 14.14 en 14.15

Voorgesteld wordt in het eerste lid van de bovengenoemde artikelen het zinsdeel “van deze landsverordening” te verwijderen.

 

ccc. Artikel 14.19

Voorgesteld wordt:

  • in het derde lid “artikel 11.23, tweede lid” te vervangen aangezien er in het ontwerp geen artikel 11.23 voorkomt;
  • in het vijfde lid het woord “van” telkens in te voegen tussen “Hof van Justitie” en “Aruba”;
  • de onjuiste vermelding van de publicatiebladen in de voetnoten 12 en 13 te vervangen door “P.B. 1996, no. 164”.

 

ddd. Artikel 14.20

Voorgesteld wordt tweemaal de woorden “van deze landsverordening” te verwijderen.

 

eee. Artikel 14.21

Voorgesteld wordt In het eerste lid, onder j. “, eerste lid” te verwijderen.

 

fff. Artikel 14.28

Voorgesteld wordt aan het slot van de definitie van “overtreder” de puntkomma te vervangen door een punt.

 

ggg. Artikel 14.29

Aangezien in het ontwerp tweemaal “Artikel 14.29” voorkomt, te weten op pagina’s 95 en 96, wordt voorgesteld de nummering van de artikelen in het ontwerp aan te passen.

 

hhh. Artikel 14.33

Voorgesteld wordt in het derde lid, tussen “handelen” en “bedoeld” het woord “als” in te voegen.

 

iii. Artikel 14.36

Voorgesteld wordt in het tweede lid “van het Tweede Boek” in te voegen tussen “zin” en “van”.

 

jjj. Artikel 14.44

Voorgesteld wordt in het tweede lid na “het beëindigen” in te voegen “van een overtreding”.

 

kkk. Artikel 14.48

Voorgesteld wordt in het tweede lid “zijn” te vervangen door “is”.

 

lll. Artikel 14.50

Voorgesteld wordt in de aanhef “, indien” te verwijderen.

In onderdeel e wordt verwezen naar voetnoot 20. De voetnoot staat op een ander pagina dan die waar het artikel(onderdeel) op staat. De in de voetnoot vermelde vindplaats is onjuist. Voorgesteld wordt op pagina 103 van het ontwerp, in voetnoot 20, de verwijzing naar de publicatiebladen te vervangen door “P.B. 2011, no. 48”.

 

mmm. Artikelen 14.53 en 14.56

In artikel 14.53, vierde lid wordt verwezen naar voetnoot 21 en in artikel 14.56, derde lid, naar voetnoot 22. Beide voetnoten behoren de vindplaats van het Wetboek van Strafvordering te bevatten. De in de voetnoten vermelde vindplaats is echter onjuist. Voorgesteld wordt in de voetnoten 21 de verwijzing naar het publicatieblad te vervangen door “P.B. 1996, no. 164” en voetnoot 22 te verwijderen omdat de vindplaats van het Wetboek van Strafvordering reeds in voetnoot 21 is vermeld.

 

nnn. Artikel 14.58

Voorgesteld wordt in het eerste lid:

  • “oplegging van een boete” te vervangen door “oplegging van een bestuurlijke boete”;
  • het zinsdeel “of een last onder dwangsom,” te verwijderen.

 

ooo. Artikel 15.4

Voorgesteld wordt:

  • de vindplaats, vermeld in voetnoot nummer 27 van de landsverordening, genoemd in het tweede lid, onder ii., te vervangen door “P.B. 2019, no. 4 GT”;
  • in het tweede lid, onder iii, “2005” in te voegen na “Landsbesluit luchtverkeer”;
  • in het vijfde lid “toepassingen” te vervangen door “toepassing”;
  • in het zevende lid het betreffende artikel van het ontwerp te vermelden in het zinsdeel “op grond van deze landsverordening”.

 

ppp. Artikel 15.7

Voorgesteld wordt het jaartal “2005” in te voegen na “Landsbesluit luchtverkeer”. Het Landsbesluit luchtverkeer is ingetrokken bij P.B. 2006, no. 11.

 

 

 

qqq. Artikel 16.2

In artikel 16.2 wordt verwezen naar de vindplaats van de Luchtvaartlandsverordening in voetnoot 43. Voorgesteld wordt in deze voetnoot de vindplaats te vervangen door “P.B. 2019, no.4 GT”.

 

rrr. Artikel 16.4

  • Voorgesteld wordt in artikel 16.4, onderdeel A, aanhef “Artikel 1” te vervangen door “Artikel 1.1”.
  • Met inachtneming van aanwijzing 178, vierde lid, onder deel A, onder 1, van de Awr, wordt voorgesteld in artikel 16.4, onderdeel L, punt 1, de woorden “verletterd naar” te vervangen door “geletterd tot”.

 

2. De memorie van toelichting

a. Algemeen

 

1°. Consistentie in woordkeus en spelling

 

  • Geluidbelasting of geluidsbelasting

In de memorie van toelichting komen de woorden “geluidbelasting” en “geluidsbelasting” voor die dezelfde betekenis hebben. De Raad wijst bijvoorbeeld op pagina 19, tweede tekstblok, derde en vierde volzin, en pagina 20, eerste (derde volzin) en vierde tekstblok (eerste volzin). Met het oog op consistentie in spelling [38] en gelet op de opmerkingen van de Raad hierboven in de bijlage[39] wordt voorgesteld in de memorie van toelichting het woord “geluidsbelasting” te gebruiken.

 

  • Luchtvaartterrein of luchthaven

In de memorie van toelichting komen de woorden “luchtvaartterrein” en “luchthaven” voor, bijvoorbeeld op pagina 18 (tweede en derde tekstblok), 20 (eerste, vierde, vijfde en zesde tekstblok), pagina 21 (tweede en vierde tekstblok) en pagina 23 (derde en vijfde tekstblok). Het is de Raad niet duidelijk of deze termen dezelfde betekenis hebben. Indien dat het geval is wordt, met het oog op consistentie in woordkeus, voorgesteld slechts een van de termen in de memorie van toelichting te gebruiken.

 

b. Pagina 1

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, in de derde volzin, het zinsdeel “(P.B. 2001, no. 151)” te vervangen door “(P.B. 2019, no. 4 (G.T.))”.

 

c. Pagina 2

Voorgesteld wordt in de zesde zin van onderaf “Verdragen” te vervangen door “verdragen” en “ten aanzien” te vervangen door “ten aanzien van”.

 

d. Pagina’s 4 en 5

De tekst op pagina 4, laatste tekstblok, beginnende met “In dit verband merken de ondergetekenden op” en eindigende op pagina 5, eerste tekstblok, met de volzin “Voor het opstellen van de ministeriële regelingen met bijlagen ter uitvoering van de voorliggende ontwerp-landsverordening is gebruikt gemaakt van versie 2.8 van de modelregelgeving door de FAA.”, is reeds opgenomen op pagina 1, eerste tekstblok, van de memorie van toelichting.

Voorgesteld wordt deze tekst op een van deze twee pagina’s te verwijderen.

 

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok op pagina 4, in het eerste tekstblok op pagina 5 en in het laatste tekstblok, derde volzin, op pagina 5 “de (Amerikaanse) Federal Aviation Administration (FAA)” te vervangen door “de FAA” aangezien voor deze organisatie reeds de afkorting “FAA” is opgenomen in het eerste tekstblok op pagina 1 van de memorie van toelichting.

 

e. Pagina 5

In het derde tekstblok luidt de laatste volzin “Het betreft regels inzake.”

Aangezien deze zin kennelijk aanvulling behoeft wordt voorgesteld de zin te herformuleren.

 

f. Pagina 6

Voorgesteld wordt:

  • bij “Ad 1)”, in de eerste volzin, “de Curaçaose Burgerluchtvaart Autoriteit CBA” te vervangen door “de CBA” aangezien voor deze organisatie reeds de afkorting “CBA” is vermeld in de eerste volzin op pagina 2 van de memorie van toelichting;
  • bij “Ad 2)” in de eerste volzin “die nodig is” te vervangen door “dat nodig is”;
  • bij “Ad 2)” in de laatste volzin “geheven op vertrekkende passagiers” te vervangen door “geheven van vertrekkende passagiers”.

 

g. Pagina 7

Voorgesteld wordt in de voorlaatste volzin van het eerste tekstblok “landsbesluit” te vervangen door “landsbesluit, houdende algemene maatregelen,”.

 

h. Pagina 8

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, in de derde volzin, “artikel 19” te vervangen door “aanwijzing 19, onder b”.

 

i. Pagina 9

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok:

  • in de derde volzin “Legesverordening” te vervangen door “Eilandsverordening leges, precariorechten en retributies Curaçao 1992”;
  • in de vijfde volzin de verwijzing naar artikel 42, eerste lid, van de Luchtvaartlandsverordening te verwijderen aangezien artikel 42 van de Luchtvaartlandsverordening is vervallen bij P.B. 2005, no. 85.

 

j. Pagina 12

Voorgesteld wordt in:

  • het opschrift van het derde tekstblok, te weten “Artikelen 3.7 tot en met 3.19” het artikelnummer “3.7” te vervangen door “3.8”;
  • het vierde tekstblok “die zij opereren” te vervangen door “die zij beheren”;
  • het laatste tekstblok “materie van artikel 98” in te voegen “de in artikel 98 van het Landsbesluit toezicht luchtvaart geregelde materie”.

 

k. Pagina 14

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok in de eerste volzin “mee” te vervangen door “meer”.

 

l. Pagina 15

Voorgesteld wordt in de eerste volzin in zowel het tweede als vierde tekstblok het jaartal “2005” in te voegen na “Landsbesluit luchtverkeer”. Het Landsbesluit luchtverkeer is ingetrokken bij P.B. 2006, no. 11.

 

m. Pagina 16

Voorgesteld wordt:

  • in het tweede tekstblok, laatste volzin, het woord “deze” te verwijderen;
  • in het voorlaatste tekstblok de laatste twee volzinnen te verwijderen omdat die reeds in voornoemd tekstblok staan, dus daar ten onrechte tweemaal in voorkomen.

 

n. Pagina 20

Voorgesteld wordt in de eerste volzin van het tweede tekstblok “Curaçao” in te voegen na “Eilandelijk Ontwikkelingsplan”.

 

o. Pagina 21

Voorgesteld wordt:

  • het eerste opschrift “Hoofdstuk VIII (Mileibescherming en klimatbeleid)” te vervangen door “Hoofdstuk VIII (Milieubescherming en klimaatbeleid)”;
  • het tweede opschrift “Hoofdstuk VIII (Mileibescherming en klimatbeleid)” te verwijderen.

 

p. Pagina 22

Voorgesteld wordt:

  • in het voorlaatste tekstblok het woord “andere” in te voegen tussen “bepaalde” en “handelingen” en de woorden “tot stand gekomen” tussen “1971” en “Verdrag”;
  • in het laatste tekstblok, in de derde volzin, het woord “is” in te voegen tussen “aantal” en “redactioneel”.

 

q. Pagina 23

Voorgesteld wordt:

  • in het derde tekstblok de laatste volzin te herformuleren;
  • in het vierde tekstblok in de eerste volzin “important belang” te vervangen, in de tweede volzin “eerder genoemde” aan elkaar te schrijven en “ondermeer” te vervangen door “onder meer”, alsook in de laatste volzin “personen is” te vervangen door “personen die”;
  • met inachtneming van aanwijzing 24 van de Awr, in het zesde tekstblok “nadere voorschriften” te vervangen door “nadere regels”.

 

r. Pagina 29

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok in de tweede volzin het zinsdeel “tot wijziging van de Luchtvaartlandsverordening” inclusief de voetnoot te verwijderen aangezien de Luchtvaartlandsverordening niet gewijzigd wordt.

 

s. Pagina 31

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok van onderaf, in de laatste volzin “de ontwerp-landsverordening” te vervangen door “het ontwerp”.

 

t. Pagina 33

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok “Wetboek van Strafrecht van Curaçao” te vervangen door “Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen”.

 

u. Pagina 35

Voorgesteld wordt de eerste volzin van het laatste tekstblok te herformuleren.

 

v. Pagina 36

Voorgesteld word in de tweede volzin van het laatste tekstblok “artikel 16.4” te vervangen door “artikel 15.4”.

__________________________

[1] Memorie van toelichting, pagina  7, laatste tekstblok.

[2] Memorie van toelichting, pagina  7, laatste tekstblok.

[3] Memorie van toelichting, pagina  8, eerste tekstblok.

[4] Memorie van toelichting, pagina 13, tweede tekstblok.

[5] Memorie van toelichting, pagina 15, derde tekstblok.

[6] Memorie van toelichting, pagina 15, voorlaatste tekstblok.

[7] Memorie van toelichting, pagina 24, derde tekstblok.

[8] Memorie van toelichting, pagina 31, derde tot en met vijfde tekstblok.

[9] Met het opschrift “Artikelen 15.4 en 15.5”.

[10]  Memorie van toelichting, pagina 27, tweede tekstblok.

[11]  Memorie van toelichting, pagina 4, tweede en derde tekstblok.

[12]  Memorie van toelichting, pagina 4, vierde tekstblok.

[13]  Aanwijzing 19, onder b, van de Awr.

[14]  Memorie van toelichting, pagina 4, vierde tekstblok, eerste volzin.

[15] Gemeenschappelijk Hof van Justitie, 20 mei 2011, HLAR 039/10 (overweging 2.1.6.).

[16] L.J.J. Rogier, Beginselen van Caribisch Bestuursrecht, Boom Juridische uitgevers, tweede druk, Den Haag 2018, pagina’s 13 en 14.

[17] Laatste volzin van onderdeel “II. Financiële paragraaf” op pagina 7 van de memorie van toelichting.

[18] De Raad van Advies heeft op 19 november 2019 advies (met kenmerk RvA no. RA/32-19-LV) over deze ontwerpnota van wijziging (zaaknummer 2019/031685) uitgebracht.

[19] Zie pagina 6, derde tekstblok van het advies van de Raad van Advies d.d. 30 oktober 2019 met kenmerk RvA no. RA/30-19-LV over de ontwerplandsverordening luchtvaartveiligheidsheffing (zaaknummers 2018/028318 en 2019/010795).

[20] Zie in onderdeel ‘I. Inhoudelijke opmerkingen” onder “Het ontwerp” van dit advies bij de opmerking over artikel 12.6 van het ontwerp.

[21] Memorie van toelichting, pagina’s 9, laatste volzin en 10 eerste tekstblok.

[22] Aanwijzing 24 van de Awr.

[23] Memorie van toelichting, pagina 11, eerste tekstblok.

[24] Aanwijzing 128 van de Awr.

[25] Memorie van toelichting, pagina 11, derde tekstblok.

[26] Zie over het lex certabeginsel hierboven in dit advies bij “I, Algemeen” onder “9. Toezicht en handhaving”, onderdeel “a. Verplichtingen zonder concrete voorschriften”.

[27] Memorie van toelichting, pagina 19, tweede tekstblok.

[28] Zie de toelichting op aanwijzing 28 van de Awr.

[29] Memorie van toelichting, pagina 20, derde tekstblok.

[30] P.B. 2017, no.1.

[31] P. Eijlander en W. Voermans, Wetgevingsleer, pagina 50-51, W.E.J. Tjeenk Willink 1999.

[32] Idem als voetnoot 31, pagina 53 en P.J. Boon, Regelgeving in Nederland, Kluwer Deventer, 4e druk, pagina 21.

[33] Memorie van toelichting, pagina 22, tweede tekstblok.

[34] Zie in onderdeel ‘I. Inhoudelijke opmerkingen” onder “Het ontwerp” van dit advies bij de opmerking over artikel 1.1 van het ontwerp.

[35] Zie ook de artikelen 14.54, tweede lid, en 14.61, eerste lid, van het ontwerp.

[36] Artikel 16 en 56 van de LAR.

[37] Artikel 22j van de Landsverordening toezicht trustwezen, artikel 23s van de Landsverordening Assurantiebemiddeling en artikel 32t van de Landsverordening toezicht beleggingsinstellingen en administraties.

[38] Aanwijzing 161, op pagina 61, van de Awr.

[39] Zie de opmerkingen over de artikelen 7.10, 7.12 en 7.16 in de bijlage, bij “Het ontwerp”.