Adviezen

RvA no. RA/31-24-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 39 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen (Landsbesluit depositogarantiestelsel)

Ontvangstdatum: 20/09/2024
Publicatie datum: 28/05/2025

(zaaknummer 2022/031204)

Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 39 van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen (Landsbesluit depositogarantiestelsel)

(zaaknummer 2022/031204)

 

Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 19 september 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 2 december 2024, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Inhoudelijke opmerkingen

1. Het ontwerp

a.Inleiding

Het ontwerplandsbesluit depositogarantiestelsel (hierna: het ontwerp) voorziet in een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft rekeninghouders tot een maximumbedrag te compenseren in het geval een kredietinstelling niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen (hierna: de Landsverordening) (artikel 2 van het ontwerp).

De vergoedingen uit hoofde van bedoeld depositogarantiestelsel worden door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: de Bank) toegekend en worden ten laste van de Stichting Depositogarantiefonds (hierna: de Stichting) uitgekeerd (artikel 7 van het ontwerp).

 

b. Delegatie van de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot een depositogarantiestelsel

1º. Inleiding

Artikel 39 van de Landsverordening bepaalt in het eerste lid, eerste zin, in essentie dat de Bank overleg moet plegen met de betrokken representatieve organisaties[1] over de invoering van een regeling omtrent de garantie voor schuldvorderingen van rekeninghouders op een bepaalde categorie geregistreerde kredietinstellingen, tegen het risico dat zodanige kredietinstellingen hun verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomen.

Indien dat overleg niet binnen een door de Minister van Financiën (hierna: de Minister) te bepalen termijn tot overeenstemming leidt, dient de Minister een dergelijke regeling op grond van het tweede lid van genoemd artikel van de Landsverordening in te voeren.

Voor de vaststelling van de aard van de te garanderen schuldvorderingen, de soorten rekeninghouders en het maximum te garanderen bedrag is een delegatiegrondslag in de tweede zin van het eerste lid van artikel 39 van de Landsverordening opgenomen. Deze aspecten moeten – daargelaten of de regeling bedoeld in de eerste zin van genoemd artikelonderdeel door de Bank of door de Minister wordt vastgesteld – namelijk bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden bepaald.

 

2º. De betekenis van de woorden ‘een dergelijke regeling’

Voor de interpretatie van artikel 39 van de Landsverordening wordt in de toelichting op dat artikel verwezen naar het bepaalde in de Algemene Beschouwingen onderdeel G ‘Depositobeschermingssysteem’ van de memorie van toelichting behorende bij de Landsverordening (hierna: de memorie van toelichting).[2] Echter, in bedoeld onderdeel G, wordt niet ingegaan op het eerdergenoemde begrip ‘regeling’. Wel wordt gewezen op de wijze waarop aan dit onderwerp – in die periode[3] – uitvoering werd gegeven in Nederland. Daar zouden de representatieve organisaties van de kredietinstellingen en de Nederlandsche Bank een overeenkomst zijn aangegaan waarbij men onder meer is overeengekomen dat bepaalde rekeninghouders tot een maximumbedrag krijgen uitgekeerd bij het faillissement van een kredietinstelling.[4]

Uit de memorie van toelichting blijkt niet per se dat Curaçao dezelfde modaliteit voor depositogarantie die in Nederland werd toegepast, wilde invoeren. Door de formulering van genoemd artikel 39 – ‘invoering van een regeling’ kan dit ook niet met zekerheid worden gesteld.

In de literatuur is men er niet over uit of de voorschriften die vóór 6 oktober 2004 door de Bank zijn vastgesteld, kunnen worden aangemerkt als ‘verordeningen door zelfstandige bestuursorganen’ vastgesteld (artikel 2 van de Staatsregeling van de Nederlandse Antillen) respectievelijk ‘regelingen van algemene werking van zelfstandige bestuursorganen als bedoeld in artikel 111 van de Staatsregeling van Curaçao (artikel 2, onderdeel i, van de Staatsregeling van Curaçao) en dus als algemeen verbindende voorschriften.[5]

Hoe dat ook zij de wetgever zou – in 1994 – met de woorden ‘invoering van een regeling’ enerzijds hebben kunnen duiden op een regeling in de zin van een afspraak in de vorm van een overeenkomst (gelijk aan de Nederlandse situatie van toen), maar ook op een instructie aan de Bank tot het invoeren van algemeen verbindende voorschriften.

Indien dat laatste het geval is zou moeten worden geconcludeerd dat ‘een dergelijke regeling’, als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Landsverordening die door de Minister moet worden vastgesteld, de vorm moet hebben van een algemeen verbindend voorschrift. Algemeen verbindende voorschriften die door een minister kunnen worden vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 2, onderdeel h, van de Staatsregeling van Curaçao, de ministeriële regelingen met algemene werking.

Echter, ook in het andere geval concludeert de Raad onder verwijzing naar artikel 2, onderdeel h, van de Staatsregeling van Curaçao dat het invoeren van ‘een dergelijke regeling’, als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Landsverordening door de Minister niet anders kan worden opgevat dan het invoeren van een ministeriële regeling met algemene werking. Immers, het sluiten van een overeenkomst met de betrokken representatieve organisaties, waarmee de Bank ook al geen overeenstemming kon bereiken, ligt niet voor de hand terwijl ook een ‘regeling’ in de vorm van beleid niet het beoogde effect zal hebben omdat deze betrokkenen niet bindt.

 

3º. Conclusie en advies

In het voorliggende ontwerp – een landsbesluit, houdende algemene maatregelen – worden zowel de onderwerpen geregeld die in een ministeriële regeling met algemene werking thuishoren (artikel 39, tweede lid) als de onderwerpen die in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, moeten worden geregeld (artikel 39, eerste lid, tweede zin van de Landsverordening).

De Raad adviseert de regering de respectieve onderwerpen uit het ontwerp te lichten en deze afhankelijk van het onderwerp te regelen in een ministeriële regeling met algemene werking respectievelijk een landbesluit, houdende algemene maatregelen. In dit verband verwijst de Raad volledigheidshalve ook naar aanwijzing 19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving[6].

 

c. Uitvoeringskosten in rekening brengen

Zowel in artikel 8 van het ontwerp als in de nota van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de nota van toelichting) staat dat de Bank de uitvoeringskosten in rekening kan brengen bij de Stichting (facultatief). Uit bedoelde toelichting (pagina 40) kan niet worden opgemaakt in welke gevallen of onder welke voorwaarden de Bank af zal zien van het in rekening brengen van bedoelde kosten.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting een voorbeeld van een dergelijk geval te geven en tevens duidelijk te verwoorden onder welke omstandigheden de Bank af zal zien van het in rekening brengen van de uitvoeringskosten.

 

d. Het gegarandeerde bedrag per persoon

Het depositogarantiestelsel garandeert in het ontwerp met name genoemde deposito’s van natuurlijke personen, personenvennootschappen of rechtspersonen tot ten hoogste NAf 50.000,- per persoon per betalingsonmachtige kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging respectievelijk NAf 25.000,- per persoon per betalingsonmachtige kredietinstelling zijnde een kredietvereniging.

Om misverstanden te voorkomen adviseert de Raad de regering in de toelichting op artikel 3 van het ontwerp op te nemen dat met de woorden ‘per persoon’ in genoemd artikel bedoeld wordt ‘per depositohouder’. Zie in dat verband ook pagina 22 derde tekstblok, van de nota van toelichting.

 

e. Het opschorten van het besluit tot vaststelling van een vergoeding

 1º. Inleiding

In de gevallen beschreven in artikel 18, eerste lid, van het ontwerp heeft de Bank de bevoegdheid om het besluit tot vaststelling van een vergoeding uit hoofde van het depositogarantiestelsel op te schorten.

Dit kan bijvoorbeeld als een depositohouder, of een persoon die gerechtigd is tot of belang heeft bij een deposito, strafrechtelijk wordt vervolgd voor een misdrijf dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld of het financieren van terrorisme (onderdeel a).

 

2º. De onherroepelijke beslissing van de strafrechter

Het tweede lid van artikel 18 van het ontwerp bepaalt dat de opschorting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van genoemd artikel eindigt zodra de vervolging is beëindigd of de beslissing van de strafrechter onherroepelijk is.

De aard van de beslissing van de strafrechter – bestraffend, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging – lijkt op grond van dit artikel op het eerste gezicht geen invloed daarop te hebben.

Echter, bij een strafrechtelijke veroordeling wegens het witwassen van geld of het financieren van terrorisme, valt het betreffende deposito volgens Bijlage A (punt 3) bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het ontwerp niet langer onder de dekking van het depositogarantiestelsel. In de toelichting op Bijlage A op pagina 51, voorlaatste alinea van het eerste tekstblok, van de nota van toelichting wordt dit ook met zoveel woorden gezegd.

De Raad adviseert de regering artikel 18, tweede lid, van het ontwerp aan te passen. Ook wordt geadviseerd om volledigheidshalve ook bij de toelichting op artikel 18, tweede lid, van het ontwerp te wijzen op de samenhang met artikel 3, tweede lid, van het ontwerp en de toepassing van bedoelde Bijlage A (punt 3).

 

3º. Het einde van de opschorting

In artikel 18 van het ontwerp is voorts – anders dan voor wat betreft onderdeel a – geen voorziening opgenomen voor het moment waarop de opschorting bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, eindigt.

Uit de nota van toelichting kan voor wat betreft de opschorting bedoeld in onderdeel c worden afgeleid, dat deze eindigt op het moment dat het deposito of de depositohouder geen onderwerp meer is van beperkende maatregelen die zijn opgelegd door de nationale regering of internationale organen.

De reden waarom het ontwerp het einde van de opschorting voor de gevallen bedoeld in onderdelen b en c niet expliciet regelt, kan wellicht te maken hebben met de veronderstelling dat het moment waarop de opschorting in die gevallen eindigt, vanzelfsprekend is. Dat is volgens de Raad in principe echter ook het geval voor de opschorting, bedoeld in onderdeel a, die eindigt zodra de vervolging is beëindigd.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp ook voor onderdelen b en c van het eerste lid, van artikel 18 van het ontwerp expliciet te bepalen wanneer de opschorting eindigt.

 

4°. De duur van de opschorting

De opschorting waar het in dit geval om gaat, is bovendien niet aan een bepaalde duur gebonden. Het kan dus voorkomen dat bij toepassing van artikel 18, eerste lid, onderdeel c, van het ontwerp de vergoeding uit het depositogarantiefonds voor onbepaalde (zeer lange) tijd moet worden opgeschort en gedurende die onbepaalde (zeer lange) periode moet worden gegarandeerd.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op het voorgaande.

 

f. Het profiel voor leden van het bestuur van de Stichting

De leden van het bestuur van de Stichting worden benoemd aan de hand van profielen waarbij specifieke kennis, expertise en relevante werkervaring, onder meer op het gebied van bankwezen en beleggingen, als competenties worden gesteld (artikel 23, derde lid, van het ontwerp).

De Raad adviseert de regering in het ontwerp tevens op te nemen door wie en hoe bedoelde profielen moeten worden vastgesteld.

 

g. Incompatibiliteiten

1°. De arbeidscontractant

De Raad adviseert de regering om aan artikel 24, tweede lid, onderdeel i, van het ontwerp na ‘actief dienend ambtenaar’ woorden van de volgende strekking toe te voegen ‘, waaronder tevens begrepen zij die in dienst van het Land op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn’.

 

2°. De echtgenoten

De Raad adviseert de regering in het derde lid van artikel 24 van het ontwerp op te nemen wat er moet gebeuren als twee personen na hun benoeming als lid van het bestuur van de Stichting met elkaar trouwen. Bijvoorbeeld dat het jongst benoemde lid in dat geval ontslag moet nemen.

 

h. Nevenfuncties

De Raad adviseert de regering voorts om in het ontwerp rekening te houden met het vervullen van ongewenste nevenfuncties door leden van het bestuur van de Stichting door woorden met de volgende strekking toe te voegen in een afzonderlijk nieuw lid van artikel 24 van het ontwerp.

‘Een lid vervult ook overigens geen andere betrekking of nevenfunctie die ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin, met dien verstande dat ook de mogelijke schijn van enige vorm van belangenverstrengeling dient te worden vermeden.

 

i. De gronden voor ontslag en schorsing van de leden van het bestuur van de Stichting

1°. Ontslag wegens leeftijd

Op grond van artikel 25, derde lid, onderdeel b, van het ontwerp wordt een lid van het bestuur van de Stichting ontslagen bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar.

Volgens de toelichting op genoemd artikel 25 treedt een bestuurder in ieder geval af uiterlijk met ingang van de eerste dag van de maand die direct volgt op de maand waarin hij de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt (pagina 44, voorlaatste tekstblok, tweede alinea, van de nota van toelichting). Dit laatste volgt echter niet uit de tekst van artikel 25, derde lid, onderdeel b, van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de nota van toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.

 

2°. Ongeschiktheid en onbekwaamheid al dan niet wegens ziekte en gebreken

Het ontwerp bepaalt kort samengevat dat een lid van het bestuur van de Stichting al dan niet wegens ziekte of gebrek, ongeschikt of onbekwaam kan worden bevonden om zijn functie behoorlijk te vervullen (artikel 25, tweede lid, onderdeel e, derde lid, onderdelen e en h en vierde lid). Het betreffende lid van het bestuur van de Stichting wordt afhankelijk van het toegepaste artikelonderdeel bij een met reden omkleed besluit geschorst dan wel ontslagen.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp op te nemen op welke wijze de ongeschiktheid of onbekwaamheid van betrokkene in bovenbedoelde zin wordt bepaald. Bijvoorbeeld door een arts of indien de ongeschiktheid of onbekwaamheid geen verband houdt met een ziekte of gebrek bijvoorbeeld door een onafhankelijke commissie van deskundigen.

 

3º. Aanhoudende ziekte of gebreken

Het tweede lid van artikel 25 van het ontwerp bepaalt in onderdeel e dat een lid van het bestuur van de Stichting geschorst wordt als hij zijn functie wegens aanhoudende ziekte of gebreken niet behoorlijk kan uitoefenen. De schorsing van het betreffende bestuurslid wordt in dit artikelonderdeel dwingend voorgeschreven.

Het vierde lid van laatstgenoemd artikel bepaalt dat een lid van het bestuur van de Stichting ontslagen kan worden wanneer hij wegens aanhoudende ziekte of gebrek zijn functie niet behoorlijk kan vervullen. Het ‘zwaardere’ ontslag, waaraan dezelfde gronden verbonden zijn als aan de dwingende schorsing, wordt in dit geval facultatief (als mogelijkheid) voorgeschreven.

Uit het ontwerp en de nota van toelichting blijkt niet hoe deze twee artikelonderdelen, regelende de schorsing respectievelijk het ontslag, zich tot elkaar verhouden. De bedoeling kan bijvoorbeeld zijn dat betrokkene in dergelijke gevallen vooruitlopend op een eventueel ontslag geschorst moet worden. Dit blijkt echter niet uit het ontwerp.

De Raad adviseert de regering de verhouding tussen bedoelde artikelonderdelen – indien die verhouding er moet zijn – duidelijk in het ontwerp op te nemen of ten minste te bepalen in welke gevallen betrokkene moet worden geschorst respectievelijk kan worden ontslagen.

 

4°. Overige ontslaggronden

De Raad adviseert de regering voorts ontslaggronden die verband houden met strafrechtelijke veroordelingen, curatelestelling, faillissement en surseance van betaling van een lid van het bestuur van de Stichting aan artikel 25 van het ontwerp toe te voegen. Ter vergelijking wordt verwezen naar artikel 11, eerste lid, onderdelen c en d, van de Lei Konseho Supremo Elektoral.

 

j. De duur van de schorsing

Uit artikel 25 van het ontwerp blijkt niet wanneer de schorsing, bedoeld in het tweede lid, van dat artikel komt te vervallen.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp op te nemen wanneer bedoelde schorsing wordt opgeheven.

 

k. De contractvoorwaarden van de leden van het bestuur van de Stichting

De leden van het bestuur van de Stichting ontvangen volgens artikel 26, eerste lid, van het ontwerp een bezoldiging voor het uitoefenen van hun functie. Het beleid met betrekking tot de bezoldiging en de overige contractvoorwaarden wordt op grond van het tweede lid van genoemd artikel door de Bank vastgesteld, na goedkeuring van de Minister.

Het bedrag dat gemoeid is met het betalen van de bezoldiging van de leden van het bestuur van de Stichting, inclusief pensioenlasten en andere uitkeringen komt ten laste van het depositogarantiefonds.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op de contractvoorwaarden van de leden van het bestuur van de Stichting, waaronder eventuele pensioentoezeggingen en op de zwaarte van de functie en daarbij aan te geven of deze een voltijd betrekking betreft of een nevenfunctie.

 

l. Het vaststellen van de jaarrekening

Artikel 27, tiende lid, van het ontwerp bepaalt dat het bestuur van de Stichting binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening over het afgelopen boekjaar moet opmaken. Genoemd bestuur dient overeenkomstig artikel 28, eerste lid, van het ontwerp zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening bepaalde nader omschreven bescheiden aan de Bank en aan de Minister te zenden.

De Raad vraagt in het licht van het voorgaande en onder verwijzing naar artikel 15, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek[7] of het de bedoeling is dat de jaarrekening nadat het overeenkomstig artikel 27, tiende lid, van het ontwerp is opgemaakt door het bestuur van de Stichting, wordt vastgesteld. In het bevestigende geval vraagt de Raad de regering om aan te geven door welk orgaan van de Stichting bedoelde jaarrekening zal worden vastgesteld.

 

m. Toezending jaarrekening

Volgens artikel 28, eerste lid, van het ontwerp zendt het bestuur van de Stichting zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening een afschrift daarvan met de bijbehorende documenten en het financieel verslag over het afgelopen boekjaar aan de Bank en de Minister. Uit de nota van toelichting kan niet worden opgemaakt waarom geen vaste termijn voor toezending van voornoemde documenten is vastgesteld.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting aan te geven waarom in bovengenoemd geval geen vaste termijn van toepassing is of anders artikel 28 van het ontwerp aan te passen door een concrete termijn aan te geven waarbinnen een afschrift van de vastgestelde jaarrekening en de overige documenten moeten zijn toegezonden naar de Bank en de Minister.

 

n. De bezoldiging van leden van het bestuur van de Stichting

Artikel 26, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat de leden van het bestuur van de Stichting een bezoldiging ontvangen voor de uitoefening van hun functie. Volgens de toelichting op genoemd artikel is dit anders voor zover medewerkers van de Bank worden aangesteld als lid van genoemd bestuur. De reden daarvoor is dat bedoelde medewerkers al een salaris ontvangen en geen aanspraak hoeven te maken op een (afzonderlijke) vergoeding van de Stichting (pagina 48, tweede tekstblok van de nota van toelichting).

Artikel 23, vijfde lid, van het ontwerp bepaalt dat de leden van het bestuur van de Stichting hun functie op persoonlijke titel en zonder last of ruggespraak uitoefenen. Toch kan naar het oordeel van de Raad onder deze omstandigheden overtuigend worden beargumenteerd dat het niet onredelijk is dat een medewerker van de Bank, die tevens lid is van het bestuur van de Stichting, geen afzonderlijke vergoeding ontvangt ten laste van de Stichting. Echter, in het ontwerp – een landsbesluit, houdende algemene maatregelen – wordt op dit punt geen onderscheid gemaakt tussen leden van het bestuur die tevens medewerkers zijn van de Bank en andere leden van het bestuur van de Stichting. Om die reden ontvangt het lid van genoemd bestuur, dat tevens medewerker van de Bank is, op grond van artikel 26, eerste lid, van het ontwerp ook een bezoldiging. Dit zou anders zijn indien (1) in een hogere regeling wordt bepaald dat medewerkers van de Bank naast hun salaris geen andere inkomsten kunnen genieten voor werkzaamheden die ‘Bank gerelateerd’ zijn of (2) indien in de tekst van het ontwerp een voorziening daarvoor wordt getroffen.

De Raad adviseert de regering met het voorgaande rekening te houden en het ontwerp respectievelijk de nota van toelichting aan te passen.

 

o. Het vaststellen van de begroting van de Stichting

1º. De goedkeuring van de begroting door de Bank

De Stichting dient jaarlijks een begroting vast te stellen. Deze moet door de Bank worden goedgekeurd. De Bank kan zijn goedkeuring aan de begroting onthouden wegens strijd met het recht, het algemeen belang en andere zwaarwegende redenen (artikel 27, vierde lid, van het ontwerp).

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op het karakter van bedoelde ‘andere zwaarwegende redenen’ en het ontwerp indien nodig op dit punt aan te vullen.

 

2º. De beoordeling van de begroting door de Bank

De Sociaal Economische Raad (hierna: de SER) heeft in zijn advies van 18 juli 2023, met kenmerk 077/2023-SER, opgemerkt dat de vereiste goedkeuring van de Bank voor de begroting van de Stichting de operationele onafhankelijkheid van de Stichting kan ondermijnen. Om opvolging te geven aan de aanbeveling van de SER ter zake is in de toelichting op artikel 27 van het ontwerp aangegeven op welke aspecten de Bank de begroting van de Stichting zal beoordelen (pagina 49, eerste tekstblok, van de nota van toelichting).

 

Volgens de nota van toelichting beoordeelt de Bank de begroting van de Stichting in beginsel slechts op de volgende aspecten (pagina 45, voorlaatste tekstblok):

  1. In de begroting zijn alle verwachte uitgaven en verwachte ontvangsten opgenomen;
  2. De in de begroting opgenomen ontvangsten en uitgaven worden toereikend toegelicht;
  3. De begroting is zodanig ingericht dat zij voldoet aan de criteria van ordelijkheid en controleerbaarheid.

Deze aspecten worden niet genoemd in de tekst van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering de aspecten waarop de begroting van de Stichting getoetst zal worden in het ontwerp zelf op te nemen.

 

Het gebruik van de woorden ‘in beginsel’ duidt er bovendien op dat de begroting van de Stichting ook op andere aspecten zou kunnen worden beoordeeld.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting hierop in te gaan en eenduidig aan te geven op grond van welke criteria de begroting door de Bank zal worden beoordeeld.

 

p. Het verstrekken van informatie door de Stichting

Artikel 30, eerste lid, van het ontwerp bepaalt in essentie dat de Stichting verplicht is om op verzoek van de Minister gegevens of inlichtingen te verstrekken voor zover deze geen toezichtvertrouwelijke informatie betreffen. Daarnaast kan de Minister alle zakelijke gegevens en documenten van de Stichting vorderen, indien dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Bij het verstrekken van bedoelde gegevens of inlichtingen dient het bestuur van de Stichting op grond van het tweede lid van hetzelfde artikel aan te geven welke gegevens een vertrouwelijk karakter dragen.

De strekking van het bepaalde in het tweede lid van artikel 30 is voor de Raad niet duidelijk.  Het eerste lid, eerste zin, van genoemd artikel 30 sluit immers het verstrekken van toezichtvertrouwelijke informatie aan de Minister al uit.

De Raad vraagt in het verlengde van dit laatste of dit tweede lid wellicht ziet op het motiveren aan de Minister waarom bepaalde informatie niet aan hem kan worden verstrekt. In dat geval adviseert de Raad de regering dit duidelijk uit artikel 30 van het ontwerp te laten blijken.

In het andere geval adviseert de Raad de regering artikel 30, tweede lid, van het ontwerp zodanig te formuleren dat daaruit blijkt op welke vertrouwelijke informatie – anders dan de toezichtvertrouwelijke informatie bedoeld in het eerste lid – het betreffende tweede lid betrekking heeft.  

 

q. Exoneratie van aansprakelijkheid

Artikel 32 van het ontwerp bepaalt dat de Stichting, haar bestuursleden en haar personeel niet aansprakelijk zijn voor schade toegebracht in de normale uitoefening van hun taken en bevoegdheden, tenzij de schade te wijten is aan opzet of bewuste roekeloosheid. Dit geldt ook voor derden die namens of in opdracht van de Stichting, of van haar bestuurders of personeel, taken en bevoegdheden uitoefenen.

De exoneratie van aansprakelijkheid wordt in dit geval geregeld in een landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Dit houdt in dat indien de aansprakelijkheid van de Stichting of andere betrokkenen voortvloeit uit een hogere regeling dan een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, deze geen geslaagd beroep zullen kunnen doen op het bepaalde in artikel 32 van het ontwerp.

De Raad vraagt uw bijzondere aandacht voor het voorgaande.

 

2. Bijlage B (berekeningsgrondslag)

Op basis van artikel 4, tweede en derde lid en bijlage B – in samenhang met artikel 19 van het ontwerp, concludeert de Raad dat de depositobasis het totaalbedrag is dat aan deposito’s wordt aangehouden bij de kredietinstelling. Uit Bijlage B kan worden afgeleid dat de door een kredietinstelling te leveren bijdrage uiteindelijk een percentage is van de depositobasis. In dit verband rijst de vraag of het logisch is om bij de berekening van de door een kredietinstelling te leveren bijdrage uit te gaan van een percentage van het totaalbedrag aan deposito’s zonder rekening te houden met het aantal deposanten terwijl de garantie per rekeninghouder is. Met het volgende voorbeeld wordt het vorenstaande geïllustreerd:

Stel dat het percentage van de doelomvang 1% is. Kredietinstelling A met slechts één deposant die bijvoorbeeld NAf 2 miljoen aan deposito’s heeft, betaald 1% van NAf 2 miIjoen, wat neerkomt op NAf 20.000. Kredietinstelling B, met 30 deposanten, elk met een deposito van NAf 60.000, komt op een totale deposito van NAf 1,8 miljoen en draagt NAf 18.000 bij aan het depositogarantiefonds. Mocht kredietinstelling A failliet gaan, wordt hierbij aan slechts één persoon uitgekeerd wat neerkomt op een bedrag van NAf 50.000. Mocht kredietinstelling B failliet gaan is de uitkering 30 x NAf 50.000 = NAf 1,5 miljoen. Puur vanwege het grotere aantal deposanten bij kredietinstelling B wordt bij deze instelling een hoger bedrag uitgekeerd. Deze onevenwichtigheid ontstaat volgens de Raad omdat de bijdrage gebaseerd is op het totaalbedrag aan deposito’s terwijl de uitkering afhangt van het aantal depositohouders.

De Raad adviseert de regering na te gaan of in de formule voor de berekening van de bijdrage van een kredietinstelling het aantal deposanten ook meegewogen dient te worden.

 

3. De nota van toelichting

a. Tijdelijke financiering door de Bank

Volgens ‘§ 4. Financiering en de rol van de Stichting Depositogarantiefonds’ van de nota van toelichting, pagina 26 – de tweede alinea, kan de Bank, ten behoeve van een overdracht van deposito-overeenkomsten als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening, een bedrag beschikbaar stellen ten laste van de Stichting. Het beschikbaar te stellen bedrag is niet groter dan het bedrag dat nodig zou zijn voor directe vergoeding aan depositohouders op grond van het depositogarantiestelsel.

Uit het ontwerp kan niet worden opgemaakt of het beschikbaar stellen van bedragen door de Bank ten laste van de Stichting rentedragend zal zijn dan wel renteloos.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting in te gaan op het vorenstaande.

 

b. Financiering van de Stichting Depositogarantiefonds

1°. Gevolgen voor kredietinstellingen

Zowel de kosten van het depositogarantiestelsel als de vorming van het depositogarantiefonds zullen door de deelnemende kredietinstellingen worden gedragen. Onduidelijk is voor de Raad welke invloed de door de kredietinstellingen te leveren bijdragen, op hun werkkapitaal en als gevolg daarvan op hun omzet zal hebben. Volgens de Raad dient er rekening mee gehouden te worden dat in geval de te leveren bijdragen door de kredietinstellingen ten laste zal gaan van hun werkkapitaal dat uiteindelijk ook minder winstbelastingafdrachten aan de overheid zullen plaatsvinden door deze kredietinstellingen.

In het licht van het vorenstaande adviseert de Raad de regering in de nota van toelichting in te gaan op de eventuele financiële consequenties voor de kredietinstellingen en in het verlengde daarvan voor de overheid.   

 

2°. Gevolgen voor depositohouders

Artikel 12, eerste lid, van het ontwerp biedt de Stichting de mogelijkheid om obligaties uit te geven of overeenkomsten met derden aan te gaan ter verkrijging van financiering voor haar verplichtingen. Voor het overige heeft de wetgever gekozen voor een gesloten systeem van financiering van het depositogarantiestelsel c.q. depositogarantiefonds. In artikel 4, eerste lid van het ontwerp is namelijk uitdrukkelijk bepaald dat de kredietinstellingen waarop het depositogarantiestelsel van toepassing is, de kosten dragen van het depositogarantiestelsel. In ‘§ 4. Financiering en de rol van de Stichting Depositogarantiefonds’ van de nota van toelichting wordt aangegeven dat de ‘deelnemende kredietinstellingen’ allerlei bijdragen moeten betalen. Dus zowel uit de tekst van het onderhavige landsbesluit als de nota van toelichting blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling is om ook de depositohouders op enigerlei wijze te belasten met de kosten van het depositogarantiestelsel.

Volgens de Raad is het risico wel aanwezig dat de kredietinstellingen in de praktijk indirect een deel van de kosten van het depositogarantiestelsel – die zij wettelijk zelf behoren te dragen – aan de depositohouders zullen afwentelen.

De Raad beveelt aan de regering om na te gaan met welke maatregelen dit risico gemitigeerd zou kunnen worden en hoe deze maatregelen effectief kunnen worden gehandhaafd.

 

c. De beleggingsstrategie van de Stichting

Op pagina 30 van de nota van toelichting stelt de regering in de laatste zin dat artikel 29 van het ontwerp waarborgen bevat die voorkomen dat een risicovolle beleggingsstrategie kan worden gekozen.

Voor de Raad is niet duidelijk welke waarborgen volgens de regering zijn opgenomen in artikel 29 van het ontwerp die moeten dienen om een risicovolle beleggingsstrategie te voorkomen.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting nader in te gaan op bedoelde waarborgen.

 

d. Overschrijding van de doelomvang

Artikel 4 van het ontwerp bepaalt in het derde lid dat de doelomvang van het depositogarantiefonds 7% is. Het zesde lid van genoemd artikel bepaalt dat de Bank bij overschrijding van het doelvermogen, na overleg met de representatieve organisaties, de hoogte van de verschuldigde jaarlijkse basisbijdrage kan bijstellen. Dat doet de Bank overeenkomstig een na overleg met de Stichting vast te stellen model. Hieruit kan worden afgeleid dat een overschrijding van het doelvermogen niet per definitie moet worden gecorrigeerd.

Op pagina 36 van de nota van toelichting wordt in het derde tekstblok volledigheidshalve opgemerkt dat de doelomvang geen plafond is en dat de Bank – aan de hand van de berekeningsmethode in Bijlage B bij het ontwerp – bij de vaststelling van de verschuldigde bijdrage naar eigen inzicht rekening kan houden met verwachte ontwikkelingen in de sector.

Dit lijkt naar het oordeel van de Raad meer te kunnen omvatten dan het geval, bedoeld in het zesde lid van artikel 4 van het ontwerp, waarbij een eenmaal overschreden doelomvang niet hoeft te worden teruggedrongen. Hetgeen in de nota van toelichting wordt gesteld zou volgens de Raad er bijvoorbeeld op kunnen duiden dat wanneer de doelomvang nog niet is bereikt, ook gestreefd kan worden om een hoger percentage te bereiken dan het percentage van 7% genoemd in het derde lid van artikel 4. Mocht dit het geval zijn dan dient dit naar het oordeel van de Raad duidelijk uit de tekst van het ontwerp te blijken.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting ter verduidelijking op het voorgaande in te gaan en het ontwerp indien nodig op dit punt aan te passen

 

e. De munteenheid van het uitgekeerde bedrag

In de toelichting op artikel 15 van het ontwerp stelt de regering dat de vergoeding uit hoofde van depositogarantiestelsel in een door de Bank te bepalen munteenheid wordt uitgekeerd (pagina 41, vierde tekstblok, eerste zin, van de nota van toelichting). Dit komt niet overeen met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van het ontwerp.

De Raad adviseert de regering de nota van toelichting in overeenstemming te brengen met het ontwerp.

 

f. Het functioneren van de leden van het bestuur van de Stichting

In de toelichting op artikel 23 van het ontwerp wordt gesteld dat het feit dat een bestuurslid van de Stichting direct herbenoembaar is, er niet aan in de weg staat dat er in ieder geval om de vijf jaar een evaluatie van zijn functioneren plaatsvindt (pagina 47, derde tekstblok, van de nota van toelichting).

Dit vloeit echter niet voort uit het ontwerp. In het ontwerp zou eventueel kunnen worden opgenomen dat de Stichting een reglement opstelt waarin onder andere de evaluatie van de leden van het bestuur wordt geregeld.

De Raad adviseert de regering de nota van toelichting met in achtneming van het voorgaande aan te vullen.

 

II. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.

 

Willemstad, 03 december 2024

 

 

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/31-24-LB

Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Het ontwerp

De considerans

Het ontwerp dient ter uitvoering van artikel 39 van de Landsverordening. Dat daarnaast ook in het Regeerakkoord (2021-2025) en in de uitvoeringsagenda van het Landspakket van Curaçao wordt vermeld dat een depositogarantiestelsel moet worden ingevoerd, is naar het oordeel van de Raad niet dusdanig relevant dat daarvan in de considerans melding moet worden gemaakt. Zie ook de toelichting op aanwijzing 91 van de Aanwijzingen voor de regelgeving waaruit blijkt dat de overwegingen van de considerans beknopt moeten worden geformuleerd.

Voorgesteld wordt daarom de derde overweging van de considerans te schrappen. De Raad heeft geen bezwaar tegen een verwijzing naar het Regeerakkoord (2021-2025) en de uitvoeringsagenda van het Landspakket van Curaçao in de nota van toelichting.

 

Artikel 3

De woorden ‘als bedoeld in onderdeel a’ in het eerste lid, onderdeel b van artikel 3 lijken te duiden op de woorden ‘een persoon of vennootschap’ die vlak daarvoor in genoemd onderdeel b voorkomen. Het onderdeel a waarnaar wordt verwezen heeft echter betrekking op ‘deposito’s’ en niet op ‘een persoon of vennootschap’.  Voorgesteld wordt onderdeel b, eerste lid, aan te passen met inachtneming van het voorgaande.

 

Artikel 4

Voorgesteld wordt in het tweede lid, ‘risicoweging’ te vervangen door ‘door de Bank vast te stellen risicoweging overeenkomstig bijlage B, onderdeel 1, bij dit landsbesluit’.

 

Artikel 8

Voorgesteld wordt in de eerste zin, na ‘die’ in te voegen ‘door haar’.

 

Artikel 10

De formulering van het vierde lid, laatste zin, is volgens de Raad niet correct. De Raad stelt voor om na te gaan of in de laatste zin ‘het eerste lid’ vervangen moet worden door ‘de tweede volzin’.

 

Artikel 21

Voorgesteld wordt in het eerste lid, de eerste zinsnede te vervangen door ‘De Bank richt een stichting op naar Curaçaos recht’.

 

Artikel 23

Voorgesteld wordt in het derde lid, tweede zin, ‘die’ te vervangen door ‘waarbij’, ‘vereisen’ en ‘dat’ te schrappen en ‘vastgesteld’ te vervangen door ‘gesteld’.

 

Artikel 24

Voorgesteld wordt de komma in het eerste lid te vervangen door ‘en’.

Voorgesteld wordt in het tweede lid, onderdeel h, de verwijzing naar onderdeel f te vervangen door een verwijzing naar onderdeel g.

 

Artikel 25

Voorgesteld wordt in het eerste lid de verwijzing naar artikel 30, eerste lid, te vervangen door een verwijzing naar artikel 31, eerste lid.

 

Artikel 26

Voorgesteld wordt in het vijfde lid de verwijzing naar artikel 26 te vervangen door een verwijzing naar artikel 27, tiende lid.

 

2. De nota van toelichting

 Pagina 21

Voorgesteld wordt in de eerste zin na ‘het onderhavige landsbesluit’ in te voegen ‘, houdende algemene maatregelen, (hierna: LB-Ham)’.

 

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok na ‘de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen’ in te voegen ‘(hierna: de Landsverordening)’.

 

Pagina 23

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok ‘Vangnet banken’ te vervangen door ‘Vangnet kredietinstellingen’.

 

Pagina’s 24 en 25

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste zin, ‘artikel 16, vierde lid’ te vervangen door ‘artikel 18, eerste lid’ en in de laatste zin van het eerste tekstblok op pagina 25 ‘drie maanden’ door ‘de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 16, vierde lid’.

 

Pagina 28

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘de onderhavige’ te vervangen door ‘het onderhavige’.

 

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok in een voetnoot bij ‘landspakket’ woorden van de volgende strekking op te nemen: ‘Het landspakket is tot stand gekomen op 2 november 2020 als onderlinge regeling op grond van artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden tussen Nederland en Curaçao’.

 

Pagina 34

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste alinea, laatste zin ‘door’ te vervangen door ‘van’.

 

Pagina 40

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste alinea, laatste zin, na ‘opties’ in te voegen ‘tegelijkertijd hanteren’ en ‘zijn’ te vervangen door ‘is’.

 

Pagina 41

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, twee voorlaatste zin, ‘NAf 2.000,-’ te vervangen door ‘NAf 40.000,-’.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, na ‘aanvraagformulier’ een verwijzing op te nemen naar artikel 14, derde lid, van het ontwerp.

 

Pagina 42

In de laatste zin van het eerste tekstblok van de toelichting op artikel 14 van het ontwerp wordt ‘cheques’ als een mogelijke betaalmethode genoemd. Cheques worden echter niet meer bij Curaçaose grootbanken verzilverd.

Voorgesteld wordt om ‘cheques’ in de laatste zin van het eerste tekstblok van de toelichting op laatstgenoemd artikel te schrappen

 

Pagina 43

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘6a lid 2, sub d, Landsverordening’ te vervangen door ‘6a, tweede lid, sub d, van de Landsverordening’.

 

Volgens het derde tekstblok, twee laatste zinnen, kan er voor een eventueel bij de betalingsonmachtige achterblijvend deel van de deposito’s, als daarop verliezen worden geleden, geen beroep worden gedaan op het depositogarantiestelsel. Een depositohouder wordt aldus niet tegelijkertijd beschermd door de overdracht van zijn deposito’s en door een uitkering onder het depositogarantiestelsel.

Voor de Raad is niet duidelijk uit welk artikelonderdeel het voorgaande expliciet blijkt.

De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting te verwijzen naar het relevante artikelonderdeel waarin het hiervoor gestelde expliciet wordt geregeld.

 

Pagina 44

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, derde zin van onderaan, ‘ditartikel’ te vervangen door ‘dit artikel’.

 

Pagina 47

Voorgesteld wordt in de toelichting op artikel 35, eerste zin, het eerste ‘landsbesluit’ te vervangen door ‘Landsbesluit depositogarantiestelsel’ en het tweede ‘landsbesluit’ door ‘landsbesluit, houdende algemene maatregelen,’. Voorgesteld wordt het derde ‘landsbesluit’ te vervangen door ‘landsbesluit sec’.

 

Voorgesteld wordt de tweede en derde zin van de toelichting op artikel 35 in woorden van de volgende strekking te laten luiden: ‘Zolang het landsbesluit dat de inwerkingtreding regelt niet is vastgesteld, hebben de bepalingen van het Landsbesluit depositogarantiestelsel geen rechtskracht. Dit betekent dat ze nog niet afdwingbaar zijn’.

__________________________

[1] Artikel 1, onderdeel e, van de Landsverordening definieert ‘representatieve organisatie’ als een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van kredietinstellingen, die door de Minister, de Bank gehoord, als zodanig is aangewezen.

[2] Pagina 25, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting.

[3] De Landsverordening dateert uit 1994.

[4] Pagina 12 van de memorie van toelichting.

[5] De Curaçaose ZBO, J. Sybesma, Caribisch Juristenblad, aflevering 4, 2016, p. 380-392.

[6] Deze aanwijzing heeft betrekking op de reikwijdte van de regelgevende bevoegdheid van een minister.

[7] Artikel 15, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt:

“2. Onverminderd het elders in de wet bepaalde is het bestuur verplicht jaarlijks binnen acht maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, ten minste bestaande uit een balans en een staat van baten en lasten, op te maken en op papier te stellen”.