Adviezen
RvA no. RA/37-24-LV: Ontwerplandsverordening houdende regels inzake een minimumbelasting en wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 en de invorderingsverordening 1954 (Landsverordening minimumbelasting 2024)
Ontvangstdatum: 04/11/2024
Publicatie datum: 06/01/2026
(zaaknummer 2024/012811)
Ontwerplandsverordening houdende regels inzake een minimumbelasting en wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 en de Invorderingsverordening 1954 (Landsverordening minimumbelasting 2024)
(zaaknummer 2024/012811)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 1 november 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 10 februari 2025, bericht de Raad u als volgt.
I. Inleiding
De Raad van Advies heeft op 4 november 2024 een verzoek van de regering ontvangen om met spoed advies uit te brengen over een ontwerplandsverordening minimumbelasting 2024 (hierna: het ontwerp). Het ontwerp hangt samen met de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO) overeengekomen wereldwijde effectieve minimumwinstbelasting en houdt kort gezegd in dat entiteiten die onderdeel zijn van kwalificerende multinationale groepen bedrijven verplicht zijn om een minimumwinstbelasting te betalen van 15%.
De voorgenomen inwerkingtredingsdatum van de Landsverordening minimumbelasting 2024 was overeenkomstig artikel 17.1, eerste lid, van het ontwerp 31 december 2024.
De Raad van Ministers heeft voor het spoedeisend karakter van het adviesverzoek als reden aangegeven het risico dat Curaçao belastinginkomsten zal verliezen bij een niet-tijdige invoering van een regeling betreffende de minimumwinstbelasting, omdat verschillende landen al een dergelijke regeling hebben ingevoerd of van plan zijn om dit te doen.[1] De achterliggende gedachte hierbij wordt uiteengezet in de ongedateerde en ongetekende brief van de Minister van Financiën aan de Raad, gevoegd bij het spoedadviesverzoek.[2] Het zou volgens deze brief enerzijds gaan om het risico dat indien Curaçao niet zelf de minimumwinstbelasting heft, deze belasting door andere landen zal worden bijgeheven waardoor Curaçao belastingopbrengsten misloopt. Anderzijds zou volgens deze brief het uitblijven van een regeling ter zake aanleiding kunnen zijn voor de betreffende bedrijven om zich elders te vestigen. Voor hen zou het immers eenvoudiger zijn om in een ander land de volgens de OESO verplichte 15% (in één keer) te betalen dan hiervoor ook in andere landen aangifte te moeten doen (voor de bijheffing).
Vanwege de omvang en complexiteit van het onderwerp en de vereiste specifieke deskundigheid voor de beoordeling van het ontwerp heeft de Raad de Minister-President tevens Minister van Algemene Zaken in zijn brief d.d. 20 november 2024[3] op voorhand geïnformeerd dat het voor de Raad – met het zicht op de op dat moment al zeer nabije beoogde inwerkingtredingsdatum – wellicht niet haalbaar zou zijn om de regering binnen de verwachte termijn van advies te dienen.
Het ontwerp is groot in omvang, complex en heeft grote implicaties, maar betreft in feite enkel en alleen de uitvoering van gemaakte afspraken in het Inclusive Framework van de OESO (IF-afspraken) en OESO-modelregels en de nadere uitwerking daarvan in OESO-richtsnoeren. Deze laten weinig ruimte voor de landen om keuzes te maken. De Raad heeft bij zijn advisering daarmee rekening gehouden. Bij de beoordeling van het ontwerp is daarom met name rekening gehouden met de inpasbaarheid van het ontwerp in het bestaande belastingstelsel en met de nodige verschillen met de Nederlandse Wet minimumbelasting 2024 die verband houden met de positie van Nederland in Europese Unie-verband.[4] Deze geven de Raad geen aanleiding tot het plaatsen van inhoudelijke opmerkingen. Wel bespreekt de Raad in dit advies de kaders waarbinnen het toepassen van terugwerkende kracht bij de inwerkingtreding van wettelijke regelingen mogelijk is en een aantal uitvoeringsaspecten van het ontwerp.
II. Algemene opmerkingen
1. Terugwerkende kracht
a. Inleiding
De wettelijk voorgeschreven procedure voor de totstandkoming van wettelijke regelingen kon in dit geval niet tijdig worden afgerond. De ontwerplandsverordening minimumbelasting 2024 kon om die reden niet vóór 31 december 2024 door de Staten worden vastgesteld en gepubliceerd.
De Minister van Financiën heeft op 20 december 2024 een aanschrijving uitgebracht waarin hij aangeeft de Staten te hebben verzocht om goedkeuring te verlenen (en deze heeft verkregen) om de tekst van het ontwerp en de bijbehorende memorie van toelichting (hierna: de memorie van toelichting) alvast bekend te maken. De achterliggende gedachte daarbij is dat de belastingplichtigen tijdig kunnen anticiperen op de gevolgen van de Landsverordening minimumbelasting 2024. Gezien de omvang van het ontwerp en de memorie van toelichting heeft publicatie plaatsgevonden op de website van het Ministerie van Financiën en in de Landscourant (lees: De Curaçaosche Courant).[5]
Het voorgaande duidt erop dat de regering vasthoudt aan de voorgenomen datum van inwerkingtreding van de Landsverordening minimumbelasting 2024. Om dat te bereiken zal moeten worden nagegaan of terugwerkende kracht kan worden verleend aan de inwerkingtreding van de Landsverordening minimumbelasting 2024. Immers het betreft een belastende regeling waaraan doorgaans geen terugwerkende kracht kan worden toegekend. Zie in dat verband aanwijzing 126, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
b. Beoordeling van de terugwerkende kracht
1°. Algemeen
De Raad is van oordeel dat aan belastingmaatregelen die een verzwaring van de belastingheffing voor de belastingplichtige betekenen geen (formele) terugwerkende kracht gegeven mag worden, tenzij (1) bijzondere omstandigheden een afwijking van deze regel rechtvaardigen. Er moet dus sprake zijn van een uitzonderlijk geval. Daar komt bij dat (2) mocht een dergelijke situatie met bijzondere omstandigheden zich voordoen, aan bedoelde belastende maatregelen alleen dan terugwerkende kracht kan worden gegeven als deze maatregelen vóór het tijdstip waarop deze zullen gaan gelden voldoende kenbaar zijn en (3) dat een feit dat vóór haar inwerkingtreding heeft plaatsgevonden door de toepassing van terugwerkende kracht niet strafbaar of zwaarder strafbaar gesteld mag worden. Zie in dat verband aanwijzing 126, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
2°. De eis van ‘bijzondere omstandigheden’
Een reden voor de toekenning van terugwerkende kracht kan zijn de noodzaak tot het plotseling laten gelden van een nieuwe regeling om te voorkomen dat burgers maatregelen treffen waardoor de regeling haar beoogde effect mist (het aankondigingseffect).
Het toekennen van terugwerkende kracht zou in uitzonderlijke gevallen ook mogelijk kunnen zijn in gevallen waarin een achterstand in de regeling is getreden waardoor ontwikkelingen in de praktijk achteraf moeten worden gelegaliseerd. Bedoelde legalisering dient dan wel op zo kort mogelijke termijn plaats te vinden.
De intentie van de regering was oorspronkelijk om de Landsverordening minimumbelasting 2024 tijdig en dus zonder het toepassen van terugwerkende kracht op 31 december 2024 in werking te laten treden. De zeer korte periode vóór 31 december 2024 waarin al het nodige ter afronding van het wetgevingstraject moest plaatsvinden en de complexiteit van het onderwerp, hebben dat onmogelijk gemaakt. In de memorie van toelichting is de regering dan ook niet ingegaan op mogelijke bijzondere omstandigheden die het toepassen van terugwerkende kracht in dit specifieke geval rechtvaardigen.
De Raad adviseert de regering om bij het verlenen van terugwerkende kracht aan de inwerkingtreding van de Landsverordening minimumbelasting 2024 zelfstandig dragende motieven daarvoor in de memorie van toelichting op te nemen. Deze moeten op zich of tezamen bezien voldoende bijzonder zijn om een eventuele terugwerkende kracht ten aanzien van de Landsverordening minimumbelasting 2024 te dragen.
3°. De eis van ‘kenbaarheid’
De eis van kenbaarheid heeft de Raad ten aanzien van de in het ontwerp vervatte regelingen getoetst aan het door de Minister van Financiën uitgebrachte aanschrijving van 20 december 2024 en geconcludeerd dat deze aan de voorwaarde voldoen dat zij voldoende kenbaar zijn geworden vóór het beoogde tijdstip van in werking treden.
De Raad wijst evenwel op de uitvoeringsregelingen die op grond van het ontwerp nog moeten worden vastgesteld.[6] De tekst van het ontwerp van deze uitvoeringsregelingen is voor zover de Raad heeft kunnen nagaan nog niet kenbaar gemaakt. De Raad vraagt daarom de bijzondere aandacht van de regering met name voor de uitvoeringsregelingen waarin (1) regels zullen worden gesteld waaraan bepaalde verzoeken van een in Curaçao gevestigde groepsentiteit moeten voldoen en (2) voorwaarden zullen worden gesteld waaraan de informatieaangifte-indienende groepsentiteit moet voldoen om bepaalde keuzes te kunnen maken.[7]
De Raad adviseert de regering de ontwerpen van bedoelde uitvoeringsregelingen zo snel mogelijk te concipiëren en deze het wettelijke totstandkomingstraject te laten doorlopen. Hoewel deze geen belastende maatregelen zullen betreffen, is het immers van belang dat belanghebbenden in een vroeg stadium op de hoogte zijn van bijvoorbeeld de voorwaarden waaraan hun verzoeken zullen moeten voldoen om geen voordelen mis te lopen.
4°. Handhaving met bestraffende sancties
Geconstateerd wordt dat bij de overtreding van bepalingen van de Landsverordening minimumbelasting 2024 administratieve sancties met een bestraffend karakter kunnen worden opgelegd. Zie in dat verband de artikelen 12.3 en 13.3 van het ontwerp en het voorgestelde nieuwe artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) in artikel 16.2 van het ontwerp in samenhang met hoofdstuk III van de ALL.
De Raad adviseert de regering onder verwijzing naar aanwijzing 126, vierde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving om bij het eventueel toekennen van terugwerkende kracht aan de Landsverordening minimumbelasting 2024 de betreffende sanctionerende artikelen van de terugwerking uit te zonderen. De Raad adviseert in dat verband en onder verwijzing naar aanwijzing 6, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving om bij de afweging of het toekennen van terugwerkende kracht aan de Landsverordening minimumbelasting 2024 nodig is ook mee te wegen of bedoelde landsverordening in de periode waarover het terugwerkt de toets van de effectiviteit zal doorstaan als de bepalingen betreffende belangrijke handhavingsinstrumenten (administratieve sancties met een bestraffend karakter) in die periode niet eveneens terug kunnen werken.
2. Uitvoering en toezicht
a. De complexiteit van het ontwerp
In de memorie van toelichting wordt meermalen gewezen op de complexiteit van de concrete toepassing van de Landsverordening minimumbelasting 2024. Dit geldt niet alleen voor de belastingplichtige die rekening zal moeten houden met extra administratieve lasten, maar ook voor de Inspectie der Belastingen die daarvoor specifieke deskundigheid zal moeten aantrekken zowel voor de uitvoering als voor het toezicht op de naleving van de betreffende regeling. Zie daarover pagina’s 49, tweede tekstblok, vierde zin, 54, eerste tekstblok, en 56, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting.
b. Het aangiftebiljet en het online portaal
De over een verslagjaar verschuldigd geworden belasting dient op aangifte te worden voldaan (artikel 11.1, eerste lid, van het ontwerp). Deze aangifte zal naar verwachting digitaal moeten worden ingediend.
Voor het welslagen van de uitvoering van de Landsverordening minimumbelasting 2024 is daarom essentieel dat zowel de Inspectie der Belastingen als de belastingplichtigen voldoende tijd krijgen om vertrouwd te raken met het nieuwe aangiftebiljet en met het online portaal waarlangs aangifte zal moeten worden gedaan. Voor de belastingplichtigen geldt bovendien dat zij tijd moeten krijgen om eventuele aanpassingen te verrichten binnen hun bedrijf, zodat zij kunnen voldoen aan de nieuwe verplichtingen en voorwaarden.
Dit impliceert dat het aangiftebiljet tijdig moet worden opgemaakt en bekendgemaakt door de regering en dat het online portaal op fouten moet kunnen worden gecontroleerd en gecorrigeerd ruim vóór bedoelde aangifte voor het eerst moet worden gedaan.
De Raad adviseert de regering daarmee rekening te houden.
c. De informatie-uitwisseling
1°. Overeenkomsten met andere landen
Een in Curaçao gevestigde groepsentiteit als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van het ontwerp moet een bijheffing-informatieaangifte indienen bij de Inspecteur der Belastingen op de voet van artikel 13.1, vijfde lid, van het ontwerp. Dit geldt niet indien het derde lid van laatstgenoemd artikel toepassing vindt.
De werking van het stelsel van de minimumbelasting is sterk afhankelijk van een goede samenwerking tussen de belastingdiensten van de verschillende landen. Uit artikel 13.1, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerp kan worden afgeleid dat de landen via bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen afspraken zullen maken met betrekking tot de automatische uitwisseling van de jaarlijkse bijheffing-informatieaangiften.
De Raad adviseert de regering erop toe te zien dat het sluiten van dergelijke overeenkomsten zijdens Curaçao geen onnodige vertraging oploopt.
2°. De delegatiegrondslag
Volgens de memorie van toelichting zullen voorts regels ter zake de uitwisseling van informatie die in de bijheffing-informatieaangifte is opgenomen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, nader worden ingevuld wanneer hiervoor door de OESO nadere regels zijn bekendgemaakt (pagina 44, tweede tekstblok). Zie ook pagina 45 van de memorie van toelichting, voorlaatste zin.
De Raad adviseert de regering in dit verband te verwijzen naar de delegatiegrondslag daarvoor in de Landsverordening internationale bijstand bij de heffing van belastingen. Zie ook pagina 48, voorlaatste tekstblok, van de memorie van toelichting waar terecht gesuggereerd wordt dat de Landsverordening internationale bijstand bij de heffing van belastingen eventueel zal moeten worden aangepast voor zover de uitwisseling van de bijheffing-informatieaangifte niet op basis van delegatie kan worden ingevoerd.
d. Toezicht en handhaving
Voor het nakomen van internationale afspraken is niet alleen belangrijk dat de nationale regelgeving wordt aangepast, maar ook en vooral dat deze wordt toegepast, dat wordt toegezien op de naleving ervan en dat er voldoende handhavingsinstrumenten zijn die indien nodig ook daadwerkelijk worden ingezet.
De Raad adviseert de regering ervoor zorg te dragen dat een toegewijd team belast wordt met het toezicht op de naleving van de Landsverordening minimumbelasting 2024 en erop toe te zien dat de beschikbare handhavingsinstrumenten ook daadwerkelijk worden ingezet bij geconstateerde overtredingen.
III. Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot de memorie van toelichting
Gevolgen voor de Inspectie der Belastingen
Met betrekking tot de uitvoering van de Landsverordening minimumbelasting 2024 identificeert de Inspectie der Belastingen – volgens pagina 53, laatste alinea, van de memorie van toelichting – het werven van personeel met specifieke deskundigheid als een risico. Voorts wordt op pagina 54 van de memorie van toelichting – de tweede alinea – aangegeven dat het wenselijk is dat bij de Inspectie der Belastingen een team voor internationale activiteiten wordt ingesteld dat belast wordt met alle internationale verplichtingen, waaronder die in verband met Pijler 2. Verder wordt aangegeven dat binnen dit internationale team de extra werkzaamheden specifiek voor Pijler 2 beperkt zullen zijn en dus geen grote investering in personeel zal vergen. Op jaarlijkse basis zal naar verwachting specifiek voor Pijler 2 niet meer dan NAf 100.000 benodigd zijn.
Ook wordt verwacht dat aanpassing van de portal van de Inspectie der Belastingen voor het doen van belastingaangifte een eenmalige investering van NAf 0,5 miljoen zal vergen.
Volgens artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 moet in de financiële paragraaf in de toelichting op een ontwerpregeling de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt hoe bovengenoemde kosten gedekt zullen worden.
De Raad adviseert de regering aan te geven hoe de dekking van de specifiek aan Pijler 2 toe te rekenen jaarlijkse kosten van NAf 100.000 en de eenmalige investeringskosten van NAf 0,5 miljoen zullen plaatsvinden. Voorts adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting in te gaan op de stand van zaken inzake het in te stellen team dat belast zal worden met internationale activiteiten en dus tevens belast zal worden met de bij de Inspectie der Belastingen te verrichten werkzaamheden voortvloeiende uit de onderhavige landsverordening.
IV. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.
Willemstad, 11 februari 2025
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/37-24-LV
Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. De considerans
Voorgesteld wordt in de eerste overweging de afkorting ‘OESO’ uit te schrijven.
Voorgesteld wordt in de laatste overweging ‘hierdoor’ te schrappen, ‘belastingopbrengst’ te vervangen door ‘belastingopbrengsten’ en ‘mist’ door ‘zal missen’ en ‘mogelijk bedrijven’ te vervangen door’ bedrijven mogelijk’.
b. Artikel 1.2
Voorgesteld wordt ‘onderworkpen’ in het eerste lid, in de definitie van ‘belastingregeling voor buitenlandse gecontroleerde lichamen’ te vervangen door ‘onderworpen’.
Voorgesteld wordt in het eerste lid, in de definitie van ‘belastingverdrag’ het woord ‘Rijkswet’ te vervangen door ‘rijkswet’.
c. Artikel 11.1
Voorgesteld wordt in het derde lid ‘ontvanger’ te vervangen door ‘Ontvanger’.
Voorgesteld wordt in het vijfde lid, eerste zin in woorden van de volgende strekking te laten luiden: ‘Behoudens het bepaalde in het tweede lid, is Hoofdstuk II, afdeling 3, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen van overeenkomstige toepassing op de minimumbelasting.
Voorgesteld wordt voorts in de tweede zin van het vijfde lid ‘Wet minimumbelasting 2024’ te vervangen door ‘Landsverordening minimumbelasting 2024’.
d. Artikel 15.1
Voorgesteld wordt in de aanhef ‘Wet minimumbelasting 2024’ te vervangen door ‘Landsverordening minimumbelasting 2024’.
e. Artikel 16.1
Voorgesteld wordt ‘Invorderingsverordening1954’ te vervangen door ‘Invorderingsverordening 1954’.
f. Artikel 16.2
Voorgesteld wordt in de aanhef na ‘artikel 1, eerste lid,’ in te voegen ‘van de Algemene landsverordening Landsbelastingen’.
‘Onderdeel i’ is volgens de meest recente wijziging het laatste onderdeel van artikel 1, eerste lid, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen. Zie daarvoor artikel I, onderdeel A van de Landsverordening herziening en reparatie belastingverordeningen 2024 (P.B. 2024, no. 20).
Voorgesteld wordt daarom in artikel 16.2 van het ontwerp ‘onderdeel j’ te vervangen door ‘onderdeel i’ en ‘onderdeel k’ te vervangen door ‘onderdeel j’ en de aanduiding ‘k’ vóór ‘Landsverordening minimumbelasting 2024’ te vervangen door ‘j’.
g. Artikel 16.3
Voorgesteld wordt na ‘artikel 46, tweede lid,’ in te voegen ‘van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940’.
2. De memorie van toelichting
a. Algemeen
In de memorie van toelichting is op verschillende plaatsen te weinig spatie tussen de woorden waardoor deze als aaneengeschreven lijken. Zie bijvoorbeeld pagina 2, eerste tekstblok, ‘Organisatie voor EconomischeSamenwerking en Ontwikkeling’, pagina 3, tweede tekstblok, tweede zin, ‘nationalewetgeving’ en pagina 4, eerste tekstblok, eerste zin, ‘vanuitwetgevingstechnisch’.
b. De inhoudsopgave
Voorgesteld wordt de inhoudsopgave te controleren op de verwijzing naar de juiste pagina’s.
c. De ‘bevoegde autoriteiten’
In het ontwerp wordt het begrip ‘bevoegde autoriteiten’ vaak gebruikt. Zie in dat verband de artikelen 1.3, achtste lid, onderdeel b, 13.1, eerste lid, onderdeel b, 13.1, derde lid, en 14.3, vierde lid. Ook in de memorie van toelichting wordt het begrip ‘bevoegde autoriteiten’ herhaaldelijk gebruikt. De Raad stelt voor om bij de eerste vermelding van ‘bevoegde autoriteiten’ in de memorie van toelichting te verwijzen naar artikel 1, eerste lid, onderdeel j (na de voorgestelde wijziging in artikel 16.2 van het ontwerp) in samenhang met artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de Algemene landsverordening landsbelastingen.
d. De ‘Inspectie der Belastingen’ of de ‘Belastingdienst’
In de memorie van toelichting wordt naast de ‘Inspectie der Belastingen[8]’ vaak ook de ‘Belastingdienst[9]’ genoemd waar mogelijk dezelfde inspectie bedoeld wordt. Voorgesteld wordt dezelfde organisatieonderdelen steeds met dezelfde term of officiële naam aan te duiden.
e. De gebruikte stijl en terminologie
Voorgesteld wordt in onderdeel II. ‘Artikelsgewijze toelichting’ bij het opschrift van de verschillende hoofdstukken telkens de woorden ‘Dit hoofdstuk betreft’ te schrappen.
Voorgesteld wordt voorts termen die in de Nederlandse wetgeving gangbaar zijn (bijvoorbeeld ‘wetsvoorstel[10]’), te vervangen door de lokaal gangbare termen bij het opstellen van wetgeving (in het geval van ‘wetsvoorstel’ door ‘ontwerplandsverordening’).
f. Verwijzing naar een ontbrekende bijlage
Op pagina 53, voorlaatste tekstblok, wordt in de laatste zin verwezen naar een bijlage, waarin de gevolgen voor de uitvoering van de Landsverordening minimumbelasting 2024 door de ‘Belastingdienst’ zijn beschreven. In de omslag met stukken die bij dit dossier behoren is echter geen bijlage aangetroffen die bij de memorie van toelichting is gevoegd.
g. De financiële gevolgen
Conform artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 dient in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel te worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld.
Voorgesteld wordt de paragrafen 6. ‘Budgettaire aspecten’ en 7. Uitvoeringskosten Inspectie der Belastingen’ samen als subonderdelen op te nemen in een paragraaf die ‘Financiële gevolgen’ genoemd kan worden.
h. Lokale munteenheid
Voorgesteld wordt op pagina 54, tweede tekstblok en derde tekstblok, ‘ANG’en ‘Naf’ te vervangen door ‘NAf’.
__________________________
[1] Besluit van de Raad van Ministers van 30 oktober 2024, zaaknummer 2024/012811.
[2] Brief met zaaknummer 2024/012811.
[3] Brief met kenmerk RvA no. OV/24-24.
[4] De vergelijking met de Wet minimumbelasting 2024 is gemaakt, omdat deze wet als model heeft gediend voor het opstellen van het ontwerp.
[5] Landscourant van 27 december 2024, jaargang 2024, no. 52.
[6] Nadere regeling wordt in de artikelen 3.1, vierde lid, 6.2, derde en vierde lid, 7.2, zesde lid, 7.5, tiende lid, en 8.11, tweede lid, van het ontwerp gedelegeerd.
[7] Zie artikelen 3.1, vierde lid en 6.2, derde en vierde lid, van het ontwerp.
[8] Pagina’s 52, derde tekstblok, 53, paragraaf 7. ‘Uitvoeringskosten Inspectie der Belastingen’, en 55, tweede tekstblok.
[9] Zie in dat verband de inhoudsopgave van de memorie van toelichting en pagina’s 4, eerste tekstblok, 50, eerste tekstblok, 53, eerste tekstblok van paragraaf 7. ‘Uitvoeringskosten Inspectie der Belastingen’, 55, laatste tekstblok, 56, voorlaatste en laatste tekstblok, 255, voorlaatste tekstblok, en 259, laatste tekstblok.
[10] Pagina’s 4, tweede tekstblok, 42, voorlaatste tekstblok, 93, voorlaatste tekstblok en 109, eerste tekstblok.
