Adviezen
RvA no. RA/39-24-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 14, eerste lid, van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (Landsbesluit profiel leden Petroleumraad)
Ontvangstdatum: 20/11/2024
Publicatie datum: 26/08/2025
(zaaknummer 2020/032227)
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 14, eerste lid, van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (Landsbesluit profiel leden Petroleumraad)
(zaaknummer 2020/032227)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 18 november 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 27 januari 2025, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Procedurele aspecten
De Raad heeft op 20 november 2024 het onderhavige adviesverzoek van de Gouverneur van Curaçao ontvangen over het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 14, eerste lid, van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (Landsbesluit profiel leden Petroleumraad). Op 21 november 2024 heeft de Raad door middel van een brief, gekenmerkt RvA no. OV/25-24, aan de Gouverneur verzocht om het daarheen te doen leiden dat de Raad over de juiste versie van het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen (hierna: het ontwerp) en de daarbij behorende nota van toelichting (hierna: nota van toelichting) kan beschikken aangezien beiden in het adviesverzoek ontbraken. De juiste versies van het ontwerp en de nota van toelichting zijn op 30 december 2024 door de Raad ontvangen.
Het is van belang dat steeds voldragen en complete adviesverzoeken door tussenkomst van de Gouverneur aan de Raad worden aangeboden. Hiermee wordt voorkomen dat onnodig vertraging in de wetgevingsprocedure optreedt.
De Raad vraagt aandacht van de regering hiervoor.
2. De reikwijdte van het ontwerp
Met het ontwerp wordt beoogd om het profiel ten aanzien van de voorzitter, plaatsvervangende voorzitter en leden van de Petroleumraad te regelen. In het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (hierna: de Petroleumlandsverordening) wordt de samenstelling van de Petroleumraad vastgesteld. De Petroleumraad bestaat uit ten minste vijf en ten hoogste zeven leden, de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter daaronder begrepen. In de tweede zin van het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening worden deskundigen met kennis op limitatief opgesomde gebieden genoemd die in de Petroleumraad benoemd moeten worden. Het gaat daarbij om een lid dat deskundig is op een van de volgende gebieden: (1) financieel-economisch, (2) juridisch, (3) milieu- of ruimtelijk gebied respectievelijk (4) op het gebied van petroleumwinning.
In artikel 4 van het ontwerp worden echter ook profielen vastgesteld voor andere soorten deskundigen die niet in de tweede zin van het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening worden genoemd. Aangezien in de tweede zin van het eerste lid van artikel 13 sprake is van een limitatieve opsomming van de soorten deskundigen, is de Raad van oordeel dat geen profiel vastgesteld moet worden voor een petrochemisch lid en een bestuurlijk lid van de Petroleumraad. Met het vaststellen van profielen voor deskundigen met kennis op andere gebieden dan die genoemd in het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening zal de regering immers buiten de reikwijdte van die landsverordening treden. Indien de regering van mening is dat ook ten aanzien van de desbetreffende soorten deskundigen een profiel vastgesteld zou moeten worden, dan dient hiervoor de tweede zin van het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening gewijzigd te worden.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp met inachtneming van het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening aan te passen. Indien ook andere profielen dan die genoemd in de tweede zin van het eerste lid van artikel 13 van de Petroleumlandsverordening vastgesteld moeten worden, dan adviseert de Raad de regering om dit artikel bij landsverordening zodanig te wijzigen dat daaruit zal blijken dat ook profielen voor een petrochemisch en een bestuurlijk lid moeten worden vastgesteld. De regering wordt aanbevolen om daarbij – rekening houdende met de lokale schaarste aan mensen met deskundige kennis over exploratie en exploitatie van petroleum[1] – te overwegen om in artikel 13 van de Petroleumlandsverordening te bepalen dat de leden van de Petroleumraad (uitgebreide) kennis en expertise dienen te bezitten over aangelegenheden die te maken hebben met het exploreren en exploiteren van petroleum. Volgens de Raad is het hebben van deze kennis een voordeel voor kandidaat-leden. Bij gelijke voldoening aan het vastgestelde profiel, heeft de persoon met ook kennis over aangelegenheden met betrekking tot exploratie en exploitatie van petroleum de voorkeur.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. Het vervullen van vacatures voor leden van de Petroleumraad (artikel 1)
In artikel 1 van het ontwerp wordt bepaald dat bij het vervullen van vacatures voor leden van de Petroleumraad voldaan moet worden aan de vereisten neergelegd in het onderhavige landsbesluit en in de artikelen 13, eerste en zesde lid, en 14, tweede en derde lid, van de Petroleumlandsverordening.
Volgens de Raad gaat het niet alleen om het vervullen van vacatures voor leden van de Petroleumraad maar ook – gezien artikel 13, tweede lid, van de Petroleumlandsverordening – om de vacatures voor de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter van die raad.[2] In artikel 2 van het ontwerp zijn extra vereisten vastgesteld waaraan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter anders dan de overige leden moeten voldoen.
De Raad adviseert de regering om artikel 1 van het ontwerp aan te passen.
b. De persoonlijke kwaliteiten van de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter (artikel 2, onderdeel C)
In onderdeel C van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp zijn de vereisten ten aanzien van de persoonlijke kwaliteiten opgenomen van de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter van de Petroleumraad. Het is de Raad opgevallen dat niet vereist wordt dat de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter van onbesproken gedrag zijn.[3] Deze eis wordt op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel B, onder f, van het ontwerp wel gesteld ten aanzien van de overige leden van de Petroleumraad.
De Raad adviseert de regering om onderdeel C van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp aan te passen.
c. De algemene vereisten ten aanzien van de overige leden van de Petroleumraad (artikel 3)
1º. Doublures
Het is de Raad opgevallen dat er sprake is van doublures ten aanzien van de algemene eisen die aan de overige leden van de Petroleumraad worden gesteld. In onderdeel a van onderdeel A van het eerste lid van artikel 3 van het ontwerp wordt bepaald dat deze personen over een academisch werk- en denkniveau moeten beschikken. Dezelfde eis wordt ook gesteld in onderdeel a van onderdeel B van het eerste lid van artikel 3 van het ontwerp.
Volgens onderdeel c van onderdeel A van het eerste lid van artikel 3 moeten de overige leden van de Petroleumraad inzicht hebben in het functioneren van de overheid. Dezelfde eis wordt ook gesteld in onderdeel d van onderdeel B van het eerste lid van artikel 3 van het ontwerp.
De Raad adviseert de regering om deze doublures op te heffen door artikel 3 van het ontwerp aan te passen.
2º. De eis van onpartijdigheid en onafhankelijkheid
De Raad mist in artikel 3 van het ontwerp de vereiste dat de overige leden van de Petroleumraad een onpartijdige en onafhankelijke benadering van adviesverzoeken moeten hebben. Deze vereiste geldt immers, op grond van onderdeel c van onderdeel B van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp, ook ten aanzien van de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter van de Petroleumraad.
De Raad adviseert de regering om artikel 3 van het ontwerp aan te passen.
d. De specifieke vereisten ten aanzien van de leden van de Petroleumraad (artikel 4)
1º. Het juridisch lid van de Petroleumraad
– Een academische titel
In onderdeel a van het onderdeel van artikel 4 van het ontwerp dat de specifieke vereisten ten aanzien van het juridisch lid van de Petroleumraad weergeeft, wordt bepaald dat deze persoon over een academische titel op het gebied van de rechtswetenschappen moet beschikken. De academische titels in de rechtswetenschap zijn Bachelor of Law (LLB), Master of Law (LLM) of Doctor of Philosophy (PhD). Volgens de Raad dient het juridisch lid van de Petroleumraad op zijn minst een Master of Law te zijn.[4] Te meer nu deze persoon volgens de onderdelen b en c van artikel 4 van het ontwerp, dat de specifieke vereisten ten aanzien van het juridisch lid van de Petroleumraad weergeeft, moet beschikken over kennis en ervaring met vennootschapsrechtelijke, bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke internationale aspecten en juridische vraagstukken moet kunnen oplossen.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp aan te passen.
– Lokale en internationale aspecten van het recht
In onderdeel a van artikel 4 van het ontwerp wordt ook bepaald dat het juridische lid kennis over en ervaring moet hebben met vennootschapsrechtelijke, bestuursrechtelijk en privaatrechtelijke internationale aspecten. De Raad is van oordeel dat deze persoon ook kennis en ervaring moet hebben met de lokale aspecten op deze rechtsgebieden.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp aan te passen.
2º. Het petrochemische lid van de Petroleumraad
Onverminderd het gestelde in onderdeel I. ‘2. De reikwijdte van het ontwerp’ van dit advies wordt het volgende opgemerkt over het petrochemische lid. In onderdeel a van het onderdeel van artikel 4 van het ontwerp dat de specifieke vereisten ten aanzien van het petrochemisch lid van de Petroleumraad weergeeft, wordt bepaald dat deze persoon over een relevante academische titel op technisch dan wel petrochemisch gebied moet beschikken. De Raad is van oordeel dat het petrochemisch lid een academische titel moet hebben die op zijn minst een master’s degree is. Indien de regering anders van mening is dat een bachelor’s degree voldoende is, dan dient het ontwerp op dit punt aangepast te worden en in de nota van toelichting gemotiveerd te worden.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp aan te passen.
3º. Afgeronde opleidingen
Uit artikel 4 van het ontwerp is niet uitdrukkelijk bepaald dat het vaktechnische lid, het lid milieu of ruimtelijke ordening en het bestuurlijk lid over een afgeronde vierjarige Hbo-opleiding moet beschikken.
De Raad is van oordeel dat het vaktechnische lid, het lid milieu of ruimtelijke ordening en het bestuurlijk lid, genoemd in artikel 4 van het ontwerp, moeten beschikken over een afgeronde vierjarige Hbo-opleiding. Indien de regering van mening is dat een niet-afgeronde Hbo-opleiding voldoende is, dan dient het ontwerp op dit punt aangepast te worden en in de nota van toelichting gemotiveerd te worden.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp aan te passen.
4º. Doublures tussen de algemene en specifieke vereisten voor de leden van de Petroleumraad
Het is de Raad opgevallen dat er ook sprake is van doublures tussen de algemene (artikel 3 van het ontwerp) en de specifieke (artikel 4 van het ontwerp) vereisten die aan de overige leden van de Petroleumraad worden gesteld. In onderdeel a van onderdeel A van het eerste lid van artikel 3 van het ontwerp wordt bepaald dat deze personen over een vierjarige Hbo-opleiding moeten beschikken. Dezelfde eis wordt ook gesteld in onderdeel a van artikel 4 van het ontwerp voor zover het betreft het vaktechnisch lid, het lid milieu of ruimtelijke ordening en het bestuurlijk lid van de Petroleumraad.
De Raad adviseert de regering om artikel 4 van het ontwerp aan te passen.
2. De nota van toelichting
a. Het hebben van diepgaand inzicht in de politiek-bestuurlijke omgeving
In het algemene gedeelte van de nota van toelichting (voorlaatste en laatste zin van het derde tekstblok op pagina 5) wordt aangegeven dat de leden diepgaand inzicht moeten hebben in de politiek-bestuurlijke omgeving waarin de Petroleumraad en ondernemers zich bewegen. Het valt echter op dat het vereiste van diepgaande inzicht, op grond van onderdeel a van onderdeel B van het eerste lid van artikel 2 van het ontwerp, alleen ten aanzien van de voorzitter en plaatsvervangende voorzitter geldt. De overige leden van de Petroleumraad hoeven geen diepgaand inzicht te hebben in de politiek-bestuurlijke omgeving.
De Raad adviseert de regering om deze discrepantie tussen het ontwerp en de nota van toelichting op te heffen.
b. Het advies van de Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten
Volgens het eerste lid van artikel 14 van de Petroleumlandsverordening is de regering verplicht om advies van de adviseur corporate governance in te winnen over een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, waarin het profiel waaraan de leden van de Petroleumraad moeten voldoen, is opgenomen. Deze wettelijke verplichting om de Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten (hierna: SBTNO) te horen brengt met zich mee dat bij een eventuele afwijking van het advies van de SBTNO een gemotiveerde weerlegging daarvan in de nota van toelichting moet worden opgenomen.
In paragraaf ‘Advies SBTNO’ van de nota van toelichting heeft de regering aangegeven dat het advies van de SBTNO d.d. 25 oktober 2024 (met referentienummer 25102024.01) zoveel mogelijk verwerkt is in het landsbesluit. Het is niet duidelijk om welke reden het advies van de SBTNO niet geheel is opgevolgd ofwel van dit advies is afgeweken in het ontwerp.
De Raad adviseert de regering om in paragraaf ‘Advies SBTNO’ van de nota van toelichting aan te geven op welke punten van het advies afgeweken is en wat de redenen hiervoor zijn geweest.
De Raad adviseert de regering om de nota van toelichting aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 28 januari 2025
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
___________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/39-24-LB
Zowel het ontwerp als de nota van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
Artikel 4
1º. Algemeen
Voorgesteld wordt om artikel 4 van het ontwerp in overeenstemming te brengen met vooral het tweede en derde lid van aanwijzing 76 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
2º. Het financieel-economische lid
Voorgesteld wordt om onderdeel c te herschrijven. Het is niet duidelijk waar het woord ‘interne’ op slaat.
3º. Het juridische lid
Voorgesteld wordt om:
– in onderdeel a ‘gebeid’ te vervangen door ‘gebied’;
– in onderdeel c tussen ‘kennis’ en ‘en’ het woord ‘over’ op te nemen.
4º. Het vaktechnische lid
Voorgesteld wordt om in onderdeel d het woord ‘bestuur’ te schrappen.
5º. Het lid milieu of ruimtelijke ordening
Voorgesteld wordt om aan het einde van onderdeel b de puntkomma te vervangen door een punt.
6º. Het petrochemische lid
Voorgesteld wordt om aan het einde van onderdeel b de puntkomma te vervangen door een punt.
2. De nota van toelichting
a. Het opschrift
Voorgesteld wordt om de vindplaats van de daarin genoemde landsverordening in een voetnoot op te nemen.
b. Paragraaf ‘Algemeen’
Voorgesteld wordt om:
- het opschrift ‘Algemeen’ met vetgedrukte letters op te nemen;
- in de eerste zin van het eerste tekstblok vóór ‘geregeld’ in te voegen ‘in artikel 12’;
- in de eerste zin van het tweede tekstblok de zinsnede ‘Artikel 13 regelt’ te vervangen door ‘Artikel 13, eerste lid, van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao regelt’;
- in de laatste zin van het tweede tekstblok de zinsnede ‘geeft artikel 14 aan’ te vervangen door ‘geeft artikel 14, tweede lid, van voornoemde landsverordening aan’;
- vanwege de verwijzing in artikel 1 van het ontwerp naar het derde lid van artikel 14 van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao een zin aan het tweede tekstblok toe te voegen, waarin ingegaan wordt op het bepaalde in laatstgenoemd artikellid;
- in de eerste zin van het laatste tekstblok na ‘oefenen’ in te voegen ‘op grond van artikel 13, zesde lid, van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao’;
- in de derde zin van het laatste tekstblok het woord ‘bijgevolg’ te vervangen door bijvoorbeeld ‘ten aanzien van’.
Volgens de voorlaatste zin van het laatste tekstblok van het algemene gedeelte van de nota van toelichting gelden additionele vereisten voor de voorzitter van de Petroleumraad. Deze eisen gelden op grond van artikel 2, tweede lid, van het ontwerp ook voor de plaatsvervangend voorzitter. Om deze reden wordt voorgesteld in de voorlaatste en laatste zin van het laatste tekstblok ‘voorzitter’ te vervangen door ‘(plaatsvervangend) voorzitter’.
c. Paragraaf ‘Advies SBTNO’
Voorgesteld wordt om in het opschrift van deze paragraaf en in de enige zin de zinsnede ‘van de SBTNO’ te vervangen door ‘van de Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten’.
__________________________
[1] Uit de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (Zittingsjaar 2014-2015-067) (pagina 11, eerste alinea) kan worden opgemaakt dat wordt onderkend dat er op Curaçao schaarste is aan de specialistische kennis met betrekking tot de exploratie en exploitatie van petroleum.
De artikelen 13 tot en 18 van de Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao, waarin de benoemingsvereisten van de leden van de Petroleumraad wordt geregeld, is bij de derde nota van wijziging op het ontwerp van de landsverordening Petroleumlandsverordening zeegebied van Curaçao (Zittingsjaar 2019-2020-067) in deze ontwerplandsverordening opgenomen, namelijk onderdeel E. In de toelichting op dit onderdeel E wordt aangegeven dat bij nader inzien door de regering is geconstateerd dat er in het (oorspronkelijke) ontwerp niet voldoende waarborgen zijn ingebouwd voor wat de deskundigheid in de samenstelling van de Petroleumraad betreft. In artikel 14 (lees: 13) wordt daardoor volgens de regering bepaald dat de leden aan een profielschets moeten voldoen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat toentertijd bedoelde derde nota van wijziging niet door de regering voor advies aan de Raad van Advies was voorgelegd.
[2] In de tweede zin van het derde tekstblok van paragraaf ‘Algemeen’ van de nota van toelichting wordt aangegeven dat bij het opstellen van de eisen in de profielschets aansluiting is gezocht bij andere adviesorganen, te weten de Raad van Advies en de Sociaal Economische Raad. De Raad verwijst in deze ook naar artikel 1 van het Landsbesluit profiel leden Electorale Raad, P.B. 2023, no. 21.
[3] Zie bijvoorbeeld artikel 2, onderdeel n, van het Landsbesluit profielschets voorzitter en leden Sociaal Economische Raad, artikel 2, onderdeel D, tweede gedachtepunt, van het Landsbesluit profielschets ondervoorzitter en leden Raad van Advies en artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Landsbesluit profielschets leden Electorale Raad.
[4] Zie bijvoorbeeld artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van het Landsbesluit profiel leden Electorale Raad.
