Adviezen
RvA no. RA/40-24-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Eilandsverordening verlening bijstand Curacao 2008
Ontvangstdatum: 16/12/2024
Publicatie datum: 07/04/2025
(Zittingsjaar 2023-2024-201)
Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Eilandsverordening verlening bijstand 2008 (Zittingsjaar 2023-2024-201)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 13 december 2024 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 24 maart 2025, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. De strekking
De voorliggende initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008 (hierna: het initiatiefontwerp) strekt, volgens de considerans, ertoe bijverdiensten van de bijstandsontvanger tot een maximum van netto NAf 500 voor alleenstaanden en NAf 865 voor gehuwden per maand mogelijk te maken. Daarmee beogen de initiatiefnemers de zelfredzaamheid en arbeidsparticipatie van de bijstandsontvanger (hierna: de bijstandsgerechtigde) te bevorderen. De Raad plaats in dit advies enkele kanttekeningen bij onder meer de probleembeschrijving en -aanpak, de financiële gevolgen voor het Land, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het initiatiefontwerp.
2. Het wettelijke kader
Het recht op bijstand is een sociaal grondrecht en is verankerd in artikel 23, derde lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling). Op grond van artikel 23, derde lid, van de Staatsregeling hebben ingezetenen met de Nederlandse nationaliteit, die niet in het bestaan kunnen voorzien, een bij landsverordening te regelen recht op bijstand van overheids-wege. Het recht op bijstand is momenteel geregeld in de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008 (hierna: Evvb Curaçao 2008). In artikel 4, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 is opgenomen dat bijstand kan worden verleend aan iedere meerderjarige Nederlander die ingezetene is en op wie de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu) niet van toepassing is, en die in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te verkeren dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien of wegens lichamelijke of geestelijke handicap blijvend arbeidsongeschikt is verklaard.
De wetgever is verder gegaan dan de in artikel 23, derde lid, van de Staatsregeling opgenomen benedengrens door in artikel 4, tweede lid, van de Evvb Curaçao 2008 te regelen dat het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de meerderjarige Nederlandse ingezetenen van overeenkomstige toepassing is op on- of minvermogende vreemdelingen op wie de Ltu van toepassing is. Dit mits zij ingezetenen zijn, over een verblijfstitel beschikken ingevolge de Ltu en in Curaçao woonachtig zijn. De Evvb Curaçao 2008 heeft naast het verlenen van bijstand aan personen die op de een of andere wijze niet (volledig) over de noodzakelijke financiële middelen beschikken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien tevens als doelstelling om deze personen te (re)-integreren in het arbeidsproces. Bijstand kan worden verleend maar is volgens de memorie van toelichting behorende bij de Evvb Curaçao 2008 niet meer dan een tijdelijke voorziening met als uitgangspunt dat de in de bijstand begrepen persoon op termijn (weer) wordt ingeschakeld in het arbeidsproces.[1] In dat licht verbindt artikel 13, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 een aantal verplichtingen aan de bijstandverlening die gericht zijn op de (re)-integratie van de bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt. Zo zijn bijstandsgerechtigden onder meer verplicht tot aanvaarding van een aanbod van de overheid voor plaatsing op een werkervaringsplaats (artikel 13, eerste lid, onderdeel g) en het volgen van bepaalde trainingen en opleidingen die geënt zijn op de (her) inschakeling in het arbeidsproces alsmede het deelnemen aan rehabilitatieprogramma’s in verband met verslaving (artikel 13, eerste lid, onderdeel f).
3. Probleembeschrijving en -aanpak
a. Probleembeschrijving
Uit de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp (hierna: de memorie van toelichting) (pagina 1) volgt dat het probleem waarvoor de initiatiefnemers een oplossing voorstellen is dat de bijstandsuitkering niet toereikend is om in het levensonderhoud van de bijstandsgerechtigden te kunnen voorzien. De in de Evvb Curaçao 2008 vastgestelde bijstandsnormen zijn ver beneden het minimumloon, terwijl het minimumloon ook zelf onder de armoedegrens ligt.[2] Volgens de initiatiefnemers verkeren de bijstandsgerechtigden daardoor in een uitzichtloze situatie en om uit deze situatie te kunnen geraken moeten zij de gelegenheid krijgen om deel te nemen aan het arbeidsproces (pagina 1, eerste tekstblok, van de memorie van toelichting).
De Evvb Curaçao 2008 sluit de mogelijkheid niet uit om naast het ontvangen van bijstandsuitkering inkomen uit arbeid te genieten. Dat kan worden afgeleid uit artikel 16 van de Evvb Curaçao 2008. Dit artikel bepaalt dat voor de vaststelling van de algemene bijstand vijftig procent van de bruto-inkomsten uit arbeid, na aftrek van de verwervingskosten voor transportkosten met andere dan eigen vervoermiddelen, in mindering wordt gebracht op de bijstandsnorm (hierna: huidige bijverdienregeling). Voorts heeft de Evvb Curaçao 2008, naast het bieden van een sociaal vangnet voor bewoners die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien ook als doelstelling om hen indien mogelijk te activeren richting betaald werk. Daartoe wordt in de Evvb Curaçao 2008, zoals hierboven reeds naar voren is gebracht, verschillende verplichtingen aan de bijstandsgerechtigden opgelegd met het oog op dit activerende beleidsdoel van de bijstand.
Uit de wijze waarop het probleem in de memorie van toelichting is beschreven, met name door de bewoordingen ‘dienen de bijstandstrekkers de gelegenheid te krijgen om deel te nemen aan het arbeidsproces’ wordt de indruk gewekt dat de bijstandsgerechtigden op grond van de Evvb Curaçao 2008 geen mogelijkheid hebben om naast het ontvangen van bijstandsuitkering bij te verdienen. Zoals aangegeven in onderdeel I. ‘2. Het wettelijke kader’ bestaat de mogelijkheid om naast de bijstandsuitkering bij te verdienen al. Het knelpunt van de huidige bijverdienregeling is dat deze mogelijkerwijs onvoldoende prikkel biedt voor de bijstandsgerechtigden om te werken, omdat vijftig procent van het bruto-inkomen uit arbeid op de algemene bijstand wordt ingekort.[3]
De Raad is van oordeel dat de probleembeschrijving scherper en duidelijker moet worden geformuleerd. Uit de probleembeschrijving zou bijvoorbeeld moeten blijken dat bijverdienen op grond van de Evvb Curaçao 2008 al mogelijk is maar onvoldoende prikkel biedt om naast de bijstand formele arbeid te verrichten.
De Raad adviseert de probleembeschrijving in de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te scherpen en te verduidelijken.
b. Probleemaanpak
1°. Het ingezette beleidsinstrument
De mogelijkheid om de bijstandsuitkering aan te vullen met extra inkomsten uit arbeid tot een maximum van netto NAf 500 per maand voor alleenstaanden respectievelijk NAf 865 per maand voor gehuwden zonder dat die bedragen in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering zal volgens de initiatiefnemers de (re)-integratie van de bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt en daarmee hun zelfredzaamheid bevorderen. Dit zal op den duur eraan bijdragen dat de bijstandsgerechtigden een meer menswaardig bestaan kunnen leiden, aldus de initiatiefnemers.
2°. Omvang van de doelgroep
Het is volgens de Raad de vraag of het verruimen van de bijverdienregeling zoals door de initiatiefnemers worden voorgesteld een geschikt beleidsinstrument is voor de oplossing van het maatschappelijk probleem dat het niveau van de bijstandsuitkeringen ontoereikend is om in het levensonderhoud van de bijstandsgerechtigde te kunnen voorzien. In de eerste plaats zijn niet alle bijstandsgerechtigden in staat om te werken. Gedacht kan worden aan de groep personen die op grond van artikel 3, onderdeel j, van de Evvb Curaçao 2008 niet bemiddelbaar is. Bijvoorbeeld personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een chronische ziekte, hoge leeftijd en personen die (volledig) arbeidsongeschikt zijn. Deze personen hebben geen vooruitzicht op werk vanwege de specifieke omstandigheden waarin ze verkeren en zijn daardoor structureel afhankelijk van de bijstandsuitkering.[4] Het beleidsinstrument dat de initiatiefnemers inzetten zal volgens de Raad alleen betrekking hebben op de groep bijstandsgerechtigden die in het arbeidsproces kunnen worden ingeschakeld oftewel de groep personen die op grond van artikel 3, onderdeel i, van de Evvb Curaçao 2008 bemiddelbaar is. Vermeldingswaardig is dat slechts een klein deel van de bijstandsgerechtigden direct bemiddelbaar lijkt naar de reguliere arbeidsmarkt. Een groot deel van de bijstandsgerechtigden zijn niet bemiddelbaar.[5] Op grond daarvan is de Raad van oordeel dat het initiatiefontwerp, voor zover het de niet-bemiddelbare personen in de bijstand betreft in de zin van de Evvb Curaçao 2008, geen oplossing lijkt te bieden voor de geconstateerde problematiek. Dit terwijl juist deze groep een aanzienlijk deel van de bijstandsgerechtigden uitmaakt. Uit de memorie van toelichting is niet duidelijk op te maken dat het initiatiefontwerp alleen betrekking heeft op een kleine groep van bijstandsgerechtigden. Verder gaat de memorie van toelichting niet in op de mogelijke oplossingen van de in het initiatiefontwerp beschreven problematiek voor de groep niet-bemiddelbare personen in de bijstand.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.
3°. Weinig kansen op de arbeidsmarkt
In de tweede plaats is er geen (regulier en voldoende betaald) werk voor de doelgroep in de bijstand.[6] Daardoor is er nauwelijks uitstroom naar werk. Dit is te wijten aan het feit dat een substantieel deel van de bijstandsgerechtigden een grote – veelal onoverbrugbare – afstand heeft tot de arbeidsmarkt vanwege ontoereikende competenties en persoonlijke omstandigheden.[7] Ook de leeftijd van de bijstandsgerechtigden speelt hierbij een rol. De initiatiefnemers wijzen er, met referentie aan deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao -Contouren nieuw stelsel[8]’, terecht op het feit dat bijna de helft van de bijstandsgerechtigden 55 jaar of ouder is. Dit is een leeftijdsgroep waarvoor de kans op (re)-integratie op de arbeidsmarkt vrijwel nihil is. Verder staat in deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’ dat de bijstandsgerechtigden vanwege het feit dat de bijstandsuitkering verre van voldoende is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien genoodzaakt zijn om aanvullend inkomen te genereren, waaronder in de informele sector.[9] Door in het informele circuit, waarvan de inkomsten vaak buiten het zicht van formele instanties blijven, te werken neemt het animo van de bijstandsgerechtigden op (re)-integratie op de reguliere arbeidsmarkt verder af.
4°. Geïntegreerde aanpak ter vergroting van de effectiviteit van het initiatiefontwerp
Gezien de omstandigheden omschreven in onderdelen 2° en 3°, is de Raad van mening dat het initiatiefontwerp op zichzelf geen afdoende oplossing biedt voor de door de initiatiefnemers geschetste problematiek. Zolang de werkelijke oorzaken van de belemmeringen die de toegang van bijstandsgerechtigden tot de arbeidsmarkt bemoeilijken niet worden weggenomen, blijft de bevordering van (re)-integratie op de arbeidsmarkt en daarmee de zelfredzaamheid van de bijstandsgerechtigde een moeilijk haalbare doelstelling. De Raad kan zich daarom in het advies van de Sociaal Economische Raad (hierna: de SER) vinden dat de effectiviteit van het initiatiefontwerp afhankelijk is van aanvullende ondersteunende maatregelen, zoals scholing, arbeidsbemiddeling of sociale begeleiding.
Ook het voeren van een restrictiever beleid bij het afgeven van tewerkstellingsvergunningen aan werkgevers voor het in dienst nemen van buitenlandse werknemers kan als een ondersteunende maatregel worden gezien voor het toetreden van bijstandsgerechtigden op de arbeidsmarkt. Op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening Arbeid Vreemdelingen kan een tewerkstellingsvergunning voor een vreemdeling alleen worden verleend indien de vacature op de lokale arbeidsmarkt niet kan worden opgevuld. Uit een door de SER uitgevoerde verkenning blijkt dat er een aanzienlijke aanwezigheid is van buitenlandse werknemers in Curaçao, vooral in functies waarvoor ook lokale arbeidskrachten beschikbaar zijn[10]. Het is bekend dat de overheid in verband met de toename van de werkloosheid op de arbeidsmarkt vanwege de verschillende schokken in de economie stappen heeft ondernomen om de instroom van buitenlandse werknemers te beheersen en de werkgelegenheid voor de lokale bevolking te bevorderen. De vraag rijst of er een evaluatie naar de effectiviteit van deze beleidsmaatregelen is uitgevoerd en of bijstandsgerechtigden door deze maatregelen werk vonden en of er ruimte is voor een nog strenger beleid op dit gebied.
Bovendien wijst onderzoek verricht in Europees Nederland over de effecten van het mogen houden van een deel van de inkomsten uit arbeid zonder dat het van invloed is op de bijstandsuitkering (het vrijlaten van bijverdiensten) uit dat er geen breed bewijs is dat het vrijlaten van bijverdiensten op zich ertoe leidt dat meer bijstandsgerechtigden bijverdienen naast de bijstandsuitkering. Alleen in bepaalde onderzoeken of voor bepaalde groepen wordt een effect gevonden op de mate waarin men bijverdient, maar vaker is er geen sprake van een direct effect hierdoor. De verwachting is wel dat door gericht beleid te voeren het werken naast het ontvangen van bijstandsuitkering kan worden gestimuleerd.[11] Dit benadrukt dat de effectiviteit van het vrijlaten van bijverdiensten voor een belangrijk deel wordt bepaald door de mate waarin een gericht integraal beleid ter stimulering van (re)-integratie op de arbeidsmarkt wordt gevoerd.
5°. De betrokkenheid van de regering
De initiatiefnemers geven in de memorie van toelichting (pagina 5, tweede tekstblok) als reactie op de opmerking van de SER, genoemd in onderdeel ‘4°. Geïntegreerde aanpak ter vergroting van de effectiviteit van het initiatiefontwerp’, aan dat het initiatiefontwerp niet alle uitdagingen in een keer hoeft op te lossen maar een belangrijke eerste impuls zal bieden om de bijstandsgerechtigden te stimuleren en te ondersteunen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt. De regering kan volgens hen in overweging nemen om in samenwerking met andere beleidsdomeinen te werken aan een geïntegreerde aanpak.
Zoals aangegeven in onderdeel 4°. Geïntegreerde aanpak ter vergroting van de effectiviteit van het initiatiefontwerp’ is de effectiviteit van het initiatiefontwerp afhankelijk van aanvullende ondersteunende maatregelen. In dit verband wijst de Raad de initiatiefnemers op de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Staten en de regering voor kwalitatief goede wetgeving, waaronder ook de doelmatigheid en de doeltreffendheid van een landsverordening valt. Voor de effectiviteit van het initiatiefontwerp acht de Raad het daarom noodzakelijk dat de initiatiefnemers in overleg treden met de regering. Dit overleg dient niet alleen gericht te zijn op het opzetten van een voorlichtingscampagne over het initiatiefontwerp, zoals de initiatiefnemers zelf aangeven in de memorie van toelichting (pagina 7, eerste alinea), maar onder meer ook over de vaststelling en implementatie van aanvullende ondersteunende maatregelen die essentieel zijn voor de effectiviteit van het initiatiefontwerp. Het is in het licht van de uitvoering van het landspakket van belang dat tijdens dit overleg tevens wordt afgestemd in hoeverre de in het initiatiefontwerp voorgestelde maatregelen aansluiten op de door de regering voorgenomen hervormingen in het socialezekerheidsstelsel van Curaçao, met betrekking tot bijverdienen naast een bijstandsuitkering.[12]
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
4. Uitvoering en handhaving
Hierboven is reeds naar voren gebracht dat de Evvb Curaçao 2008 ook als doelstelling heeft de bijstandsgerechtigden te (re)-integreren op de arbeidsmarkt. Echter komt volgens de deelrapporten de activerende functie van de bijstand niet tot uitdrukking in de uitvoering vanwege een tekort aan personeel en ontoereikende automatisering.[13] De bijstandsgerechtigden zijn grotendeels op zichzelf aangewezen bij het zoeken naar werk en inkomen.[14]
Volgens de Raad zullen de huidige problemen in de bedrijfsvoering van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (hierna: het Ministerie van SOAW), indien deze niet worden opgelost, ook de realisatie van de doelstellingen van het initiatiefontwerp belemmeren. Zo hebben een groot deel van de bijstandsgerechtigden om succesvol gebruik te kunnen maken van de verruimde mogelijkheid om bij te verdienen ondersteuning nodig bij het zoeken naar werk en daarvoor is onvoldoende personeel.[15] Daarnaast staat in deelrapport 1’Sociale zekerheid Curaçao- Het huidige stelsel en knelpunten’ dat de handhaving van de Evvb Curaçao 2008 in ontwikkeling is[16]. Ook de controle op het door de bijstandsgerechtigden verrichte arbeid en de daaruit verkregen inkomen zal daardoor niet optimaal kunnen worden verricht. Verder is het de vraag of genoemd ministerie de in het voorgestelde nieuwe artikel 40 van de Evvb Curaçao 2008 (artikel I, onderdeel B, van het initiatiefontwerp) opgenomen verplichting tot evaluatie van de effectiviteit van het initiatiefontwerp en het verrichten van een rechtmatigheidstoets zal kunnen nakomen. De memorie van toelichting gaat niet in op de gevolgen van de huidige problemen in de uitvoering en handhaving van de Evvb Curaçao 2008 voor het initiatiefontwerp en welke oplossingen hiervoor worden voorgesteld.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting in te gaan op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het initiatiefontwerp rekening houdend met de bestaande uitdagingen in de bedrijfsvoering van het betrokken ministerie.
5. Advies van het Ministerie van SOAW
Uit de memorie van toelichting en de bij het adviesverzoek gevoegde stukken volgt niet dat advies over het initiatiefontwerp van het Ministerie van SOAW is ingewonnen. Rekening houdend met de in onderdeel ‘I. 4. Uitvoering en handhaving ‘van dit advies omschreven bestaande uitdagingen in de bedrijfsvoering van het Ministerie van SOAW en met het feit dat genoemd ministerie vanaf 2022 zelf ook hervormingstrajecten voor de bijstand heeft voorgesteld, waaronder het bieden van de mogelijkheid om bij te verdienen[17], acht de Raad het van belang dat advies van genoemd ministerie over het initiatiefontwerp wordt ingewonnen.
De Raad adviseert om, alvorens over te gaan tot behandeling van het initiatiefontwerp door de Staten, de regering te verzoeken ten behoeve van de Staten advies van het Ministerie van SOAW in te winnen en het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting zo nodig aan te passen. Daarnaast verzoekt de Raad voornoemd advies zodra het beschikbaar is aan hem toe te sturen teneinde alsnog een aanvullend advies uit te brengen indien daartoe aanleiding bestaat.
6. De financiële gevolgen voor het Land
In de financiële paragraaf van de memorie van toelichting geven de initiatiefnemers aan dat hoewel door invoering van de hogere grens voor bijverdiensten van netto NAf 500 voor alleenstaanden en NAf 865 voor gehuwden (zonder inkorting op de bijstand) het aantal aanvragers wellicht kan toenemen, blijft de omvang van deze toename binnen een redelijk kader. Dit zal naar verwachting niet leiden tot een disproportionele druk op het systeem. Volgens de initiatiefnemers kan de voorgestelde maatregel op korte termijn leiden tot meer instroom maar op de lange termijn juist tot meer uitstroom en vermindering van de uitkeringslasten.
Volgens de Raad is het vooraf moeilijk in te schatten hoe deze maatregel op de lange termijn zal uitwerken en of uiteindelijk inderdaad sprake zal zijn van vermindering van de uitkeringslasten. In ieder geval verwacht de Raad dat door de invoering van de nieuwe kortingsvrije grens op korte termijn de uitkeringslasten sowieso zullen toenemen. Onderstaand wenst de Raad het vorenstaande nader toe te lichten door de twee categorieën bijstandsgerechtigden de revue te laten passeren.
1º. De huidige situatie
In de onderstaande tabel worden voor de alleenstaanden en de gehuwden de bedragen van bijstand en de inkomensgrens (het inkomen waarbij de bijstandsuitkering ingekort wordt tot nul) weergegeven zoals die in de huidige situatie gelden.
| de huidige situatie (bedragen in NAf) | ||||
| alleenstaande | echtpaar | |||
| uitkering | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | uitkering | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | |
| per 2 weken: | 211,12 | 422,24 | 365,43 | 730,86 |
| per maand: | 457,42 | 914,84 | 791,77 | 1.583,54 |
2º. De alleenstaanden
In de huidige situatie is de bijstandsuitkering voor een alleenstaande NAf 211,12 per twee weken. In geval er inkomen verdiend wordt, wordt 50% van het inkomen gekort op de bijstandsuitkering. Dit betekent volgens de Raad dat vanaf een arbeidsinkomen van NAf 422,24 per twee weken (of NAf 914,85 per maand) de bijstandsuitkering als gevolg van de inkorting verlaagd wordt tot NAf 0,00. Op basis van het vorenstaande concludeert de Raad dat indien in de huidige situatie een alleenstaande een inkomen verdient hoger dan NAf 422,24 per twee weken (of hoger dan NAf 914,84 per maand), in dat geval deze persoon geen aanspraak maakt op een bijstandsuitkering omdat het uitkeringsbedrag volledig wordt ingekort.
Het voornemen van de initiatiefnemers is om de alleenstaanden de mogelijkheid te bieden inkomen te mogen verdienen tot maximaal NAf 500 netto per maand (hetgeen overeenkomt met NAf 230,76 per twee weken), zonder dat ingekort wordt op de bijstandsuitkering. In de huidige situatie wordt bij een arbeidsinkomen van NAf 230,76 per twee weken, NAf 115,38 ingekort op de bijstandsuitkering (zijnde 50% x NAf 230,76). Met de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening zal deze inkorting niet plaatsvinden met als gevolg dat de uitkeringslasten hoger zullen uitvallen voor de overheid.
Voorts kan de Raad uit het initiatiefontwerp niet opmaken of met de introductie van het kortingsvrije bedrag van netto NAf 500 per maand de inkomensgrens voor alleenstaanden ook met NAf 500 meestijgt waardoor bij een arbeidsinkomen van NAf 653 per twee weken (zijnde NAf 422,24 + NAf 230,76) of bij een maandinkomen van NAf 1.414,84 (zijnde NAf 914,84 + NAf 500) de bijstandsuitkering nul wordt, zie onderstaande tabel.
| alleenstaande | |||
| huidige situatie | nieuwe situatie | ||
| uitkering | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | |
| per 2 weken: | 211,12 | 422,24 | 422,24 + 230,76 = 653 |
| per maand: | 457,42 | 914,84 | 914,84 + 500 = 1.414,84 |
Ingeval de inkomensgrens ook NAf 500 meestijgt zullen alleenstaanden met een arbeidsinkomen tussen NAf 422,24 en NAf 653 per twee weken of tussen NAf 914,84 en NAf 1.414,84 per maand – die in de huidige situatie niet in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering, met de inwerkingtreding van de voorliggende landsverordening wel aanspraak maken op een (gedeeltelijke) bijstandsuitkering. Weliswaar zal de (gedeeltelijke) bijstandsuitkering bij het naderen van het arbeidsinkomen van NAf 653 per twee weken of NAf 1.414,84 per maand, tot nul worden verlaagd. In lijn met het vorenstaande kan volgens de Raad nieuwe instroom van alleenstaanden tot de bijstand worden verwacht welke tot extra lasten voor de overheid zal leiden.
3º. Gehuwden
In de huidige situatie bedraagt de bijstand voor gehuwden NAf 365,43 per twee weken. In geval er inkomen verdiend wordt, wordt 50% van het inkomen gekort op de bijstandsuitkering. Dit betekent dat vanaf een arbeidsinkomen van NAf 730,86 per twee weken de bijstandsuitkering verlaagd wordt tot NAf 0,00 (kortingsbedrag, 50% van NAf 730,86 = NAf 365,43). Voor het maandinkomen geldt dat bij een bedrag van NAf 1.583,53 de bijstandsuitkering verlaagd wordt tot nul.
Het voornemen van de initiatiefnemers is om een kortingsvrije grens te hanteren van NAf 865,- per maand welke overeenkomt met een bedrag van NAf 399,23 per twee weken. In de huidige situatie wordt bij een arbeidsinkomen van NAf 399,23 per twee weken ingekort met NAf 199,61 op de bijstand (zijnde 50% van NAf 399,23). Met de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening zal geen inkorting plaatsvinden over een arbeidsinkomen van NAf 399,23 per twee weken of NAf 865 per maand met als gevolg dat de uitkeringslasten hoger zullen uitvallen voor de overheid.
Onduidelijk is voor de Raad of met de introductie van het kortingsvrije bedrag van NAf 865 per maand de inkomensgrens voor gehuwden ook met NAf 865 meestijgt waardoor de bijstand pas nul wordt indien het arbeidsinkomen NAf 1.130,09 per twee weken bedraagt (zijnde de som van NAf 730,86 en NAf 399,23) of NAf 2.448,54 per maand (zijnde de som van NAf 1.583,54 en NAf 865). Zie onderstaande tabel.
| de gehuwden | |||
| huidige situatie | nieuwe situatie | ||
| uitkering | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | inkomen waarbij de bijstand ingekort wordt tot 0 | |
| per 2 weken: | 365,43 | 730,86 | 730,86 + 399,23 = 1.130,09 |
| Per maand: | 791,77 | 1.583,54 | 1.583,54 + 865 = 2.448,54 |
In dit laatste geval zullen bijvoorbeeld gehuwden die per twee weken een arbeidsinkomen hebben tussen NAf 730,86 en NAf 1.130,09 – die in de huidige situatie niet in aanmerking komen voor bijstand, na inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening wel aanspraak maken op een (gedeeltelijke) bijstandsuitkering welke weliswaar bij het naderen van het inkomen van NAf 1.130,09 tot nul zal worden verlaagd. In lijn met het vorenstaande kan volgens de Raad nieuwe instroom van gehuwden tot de bijstand worden verwacht welke tot extra lasten voor de overheid zal leiden.
Uit het bovenstaande is volgens de Raad op te maken dat het vaststellen van de kortingsvrije grens – via het uitvallen van de inkorting tot de kortingsvrije grens – directe negatieve financiële gevolgen zal hebben voor de overheidsbegroting. Voorts kan de invoering van de kortingsvrije grenzen leiden tot instroom van personen tot de bijstand – die eerder niet in aanmerking zouden komen vanwege een ‘hoog’ inkomen, welke ook lasten met zich mee zullen brengen voor de overheid. Naast de vorenbedoelde financiële consequenties verbonden aan het initiatiefontwerp – waarbij de Raad onderkent dat die moeilijk te kwantificeren zijn – voorziet de Raad ook kosten voor de overheid in verband met voorlichting over de nieuwe maatregelen. In de memorie van toelichting (pagina 7, eerste tekstblok) wordt gesproken over een intensieve voorlichtingscampagne.
Alhoewel bepaalde kosten moeilijk te kwantificeren zijn, staat het vast dat de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening extra lasten voor de overheid zal meebrengen waarvoor overeenkomstig artikel 10 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 dekking beschikbaar dient te zijn. Om deze reden adviseert de Raad de initiatiefnemers in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting de financiële gevolgen tenminste bij benadering te kwantificeren en aan te geven hoe de financiële risico’s voortvloeiende uit het initiatiefontwerp zullen worden afgedekt.
Ten aanzien van de verwachting van de initiatiefnemers dat de voorgestelde maatregel op korte termijn zal leiden tot meer instroom maar op de lange termijn juist zal leiden tot meer uitstroom en vermindering van de uitkeringslasten, zij opgemerkt dat dit niet aannemelijk is gemaakt in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting. Volgens de Raad dient in ieder geval ervoor gewaakt te worden dat deze maatregel averechts uitwerkt. Indien een bijstandsgerechtigde met alle bijslagen, toeslagen en een arbeidsinkomen (uit een deeltijdbaan tot NAf 500 of NAf 865 per maand) boven het minimumloon uitkomt, zal bij zo een persoon geen of weinig prikkels bestaan om dit op te geven en als voltijdse werknemer over te stappen naar de arbeidsmarkt waar deze persoon wellicht het minimumloon zou verdienen en dus in inkomen achteruit kan gaan.
In verband met het vorenstaande acht de Raad een optimale monitoring van de maatregel, opgenomen in het initiatiefontwerp, door het Ministerie van SOAW imperatief. Immers de effectiviteit van deze maatregel zal sterk afhangen van het toezicht op de naleving en handhaving van de Evvb Curaçao 2008, zoals gewijzigd bij de voorliggende landsverordening.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het initiatiefontwerp
a. De considerans
Volgens de considerans beoogt het initiatiefontwerp slechts de bijverdienregeling te verruimen. In artikel I, onderdeel A, punt 1, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de Evvb Curaçao 2008 na het woord ‘tot’ het woord ‘eigen’ in te voegen. Daarmee beogen de initiatiefnemers – naast genoemde verruiming van de bijverdienregeling – ook bijdragen voor het levensonderhoud van kinderen (hierna: kinderalimentatie) uit te zonderen van de inkomstenbestanddelen die worden gerekend tot de middelen waarover de belanghebbende of aanvrager in de zin van de Evvb Curaçao 2008[18] beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat het initiatiefontwerp mede daartoe strekt volgt niet uit de considerans.
De Raad adviseert de considerans van het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
b. Het uitzonderen van kinderalimentatie van de inkomstenbestanddelen waarmee rekening wordt gehouden bij het verrichten van de middelentoets
1°. Het karakter van de Evvb Curaçao 2008
– Minimumbehoefteregeling
De Evvb Curaçao 2008 kan worden gekwalificeerd als een soort minimumbehoefteregeling. Minimumbehoefteregelingen vullen het inkomen van de prestatiegerechtigden aan tot aan het niveau van het bestaansminimum. Dit soort regelingen dekken een tekort aan inkomen, veroorzaakt doordat de middelen waarover de belanghebbenden beschikken onvoldoende zijn. Kenmerkend voor minimumbehoefteregelingen is dat de hoogte van het bestaansminimum gekoppeld is aan het huishoudtype. Daarbij wordt meestal onderscheid gemaakt tussen het bestaansminimum voor een echtpaar, een alleenstaande ouder en een alleenstaande. Verder is kenmerkend voor de minimumbehoefteregelingen dat de uitkeringen die daaraan kunnen worden ontleend een middelentoets kennen.[19]
– De middelentoets
Een middelentoets houdt in dat het recht op en de hoogte van de socialezekerheidsprestaties worden beïnvloed door het feit dat de belanghebbende over andere financiële middelen beschikt om in het bestaan te voorzien. Die eigen middelen hebben in beginsel voorrang boven de sociale zekerheid. Onder ‘middelen’ vallen niet alleen inkomsten (met name uit arbeid), maar soms ook het vermogen. Tot de eigen middelen worden in bepaalde gevallen ook de middelen gerekend van derden waarmee de belanghebbende een huishouden vormt (bijvoorbeeld de middelen van de partner en de kinderen van de belanghebbende, zoals kinderalimentatie)[20].
2°. Het voorstel in het initiatiefontwerp
Als een belanghebbende of aanvrager kinderalimentatie ontvangt zal dit door de voorgestelde wijziging van de Evvb Curaçao 2008 het recht op bijstand en de hoogte van het te ontvangen bedrag aan algemene bijstand niet beïnvloeden. De Raad constateert dat daarbij de hoogte van het bedrag dat de verzorgende ouder aan kinderalimentatie ontvangt geheel buiten beschouwing wordt gelaten. Volgens de Raad is het denkbaar dat het bedrag aan kinderalimentatie per kind dat een verzorgende ouder ontvangt gelijk is aan of hoger is dan het wettelijk vastgestelde minimumloon. Om te waarborgen dat bijstand wordt verleend aan degenen die daadwerkelijk behoeftig zijn en de hoogte van de bijstand op de mate van behoeftigheid van een aanvrager wordt afgestemd, meent de Raad dat een grensbedrag moet worden vastgesteld waarboven wel met de kinderalimentatie bij het verrichten van de middelentoets rekening wordt gehouden.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
3°. Het opzettelijk nalaten een vordering tot kinderalimentatie in te stellen
Ingevolge artikel 6, onderdeel i, van de Evvb Curaçao 2008 is het opzettelijk nalaten een vordering tot kinderalimentatie in te stellen voor zijn kinderen door een alleenstaande ouder een van de gronden voor de Minister van Sociale Ontwikkeling Arbeid en Welzijn (hierna: Minister van SOAW) om geen bijstand te verlenen aan de aanvrager. Indien op grond van artikel I, onderdeel A, punt 1, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de Evvb Curaçao 2008) het recht en de hoogte van de bijstand niet meer wordt beïnvloed door het feit of de aanvrager al dan niet kinderalimentatie ontvangt, heeft het bepaalde in artikel 6, onderdeel i, van de Evvb Curaçao 2008 geen toegevoegde waarde meer. Immers het al dan niet opzettelijk niet effectueren van het recht op kinderalimentatie speelt geen rol meer bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijstandsuitkering. Indien de initiatiefnemers ervoor kiezen geen gevolg te geven aan het advies dat de Raad hierboven in onderdeel ‘II. 1.b.2.°. Het voorstel in het initiatiefontwerp’ van dit advies heeft gegeven, moet artikel 6, onderdeel i, van de Evvb Curaçao 2008 worden geschrapt.
De Raad adviseert in dat geval het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
c. De differentiatie in huishoudtypes
Voor de vaststelling van het maximumbedrag uit arbeid dat de bijstandsgerechtigde naast de bijstandsuitkering mag verdienen, zonder dat het in mindering wordt gebracht op die uitkering, maakt het initiatiefontwerp in het voorgestelde artikel 22, vijfde lid, van de Evvb Curaçao 2008 onderscheid tussen twee verschillende huishoudtypes, namelijk de alleenstaande en de gehuwden. Daarentegen maakt de Evvb Curaçao 2008 in artikel 14 voor de vaststelling van de norm voor de algemene bijstand onderscheid tussen drie verschillende huishoudtypes, namelijk de alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwden. Anders dan in het initiatiefontwerp staat in de memorie van toelichting (pagina 8) wél dat een alleenstaande ouder, net als een alleenstaande, tot een maximum van netto NAf 500 per maand mag bijverdienen. De Raad vindt dat dit expliciet in het initiatiefontwerp moet worden opgenomen.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
d. De bijzondere situatie van een alleenstaande ouder
Hoewel in de Evvb Curaçao 2008 de vastgestelde norm voor de algemene bijstand voor alleenstaanden en alleenstaande ouders gelijk is, kan voor hen, gezien de slechte financiële situatie waarin vooral alleenstaande ouders zich bevinden, gepleit worden voor een hoger kortingsvrije grens aan bijverdiensten. Uit de memorie van toelichting blijkt immers dat alleenstaande ouders (meestal moeders) het vaakst onder de armoedegrens leven. Voor dit type huishouden geldt vaak als een belemmering voor het verrichten van (deeltijd) arbeid dat er geen of onbetaalbare kinderopvang is voor de (jonge) kinderen. Een onderdeel van de geïntegreerde aanpak voor dit huishoudtype ter bevordering van arbeidsparticipatie en uiteindelijk uitstroom naar werk zou kunnen zijn dat eventueel subsidie voor kinderopvang bij wijze van een ondersteunende maatregel zou kunnen worden verleend, zodat deze ouders (deeltijd) arbeid kunnen verrichten waardoor de kans op uitstroom naar werk wordt vergroot.
Indien gekozen wordt om een hogere kortingsvrije grens voor alleenstaande ouders te introduceren adviseert de Raad het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
e. Het beroep op de verruimde bijverdienregeling en de rapportageplicht
1°. Beroep op de verruimde bijverdienregeling
Artikel I, onderdeel A, punt 3, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008) regelt de verplichting van de belanghebbenden, die een beroep doen op het vijfde lid, om per kwartaal hun inkomsten van het afgelopen kwartaal aan de Minister van SOAW te rapporten. Uit die bepaling en uit de memorie van toelichting blijkt niet op welke wijze een beroep op de verruimde bijverdienregeling kan worden gedaan. De Raad vindt dat dit in het initiatiefontwerp moet worden opgenomen en dat de bijstandsgerechtigden zo laagdrempelig mogelijk een beroep moeten kunnen doen op de verruimde bijverdienregeling.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
2°. Rapportage op de eerste dag van elk kwartaal
De belanghebbende moet op grond van artikel I, onderdeel A, punt 3, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008) op de eerste dag van elk kwartaal zijn bijverdiensten van het afgelopen kwartaal rapporteren.
De eerste rapportage in een jaar moet uiterlijk 1 januari plaatsvinden. Deze dag in de maand januari is een officiële vrije dag. Hierdoor en om praktische overwegingen is de Raad van oordeel dat voldoening aan de rapportageplicht in voornoemd artikelonderdeel aan het einde van elk kwartaal moet plaatsvinden.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
3°. Over te leggen bewijsstukken bij de rapportage
Artikel I, onderdeel A, punt 3, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008) regelt niet in welke vorm de rapportage moet plaatsvinden en welke bewijsstukken voor de rapportage van de bijverdiensten moeten worden overgelegd. De Raad vindt dat in ieder geval de belangrijkste bewijstukken, zoals loonstroken en arbeidsovereenkomsten, expliciet in het initiatiefontwerp moeten worden genoemd. Daarbij moet in het initiatiefontwerp worden bepaald dat de Minister van SOAW bij ministeriële regeling met algemene werking andere bewijsstukken die voor de rapportage van de bijverdiensten nodig zijn kan vaststellen.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
f. Begrenzing van de regelgevende bevoegdheid van de regering
In artikel I, onderdeel A, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, zevende lid, van de Evvb Curaçao 2008) is aan de regering de bevoegdheid toegekend om de in het vijfde lid van dat artikel vastgestelde maximale bedragen, die naast de bijstand kunnen worden bijverdiend zonder dat deze in mindering worden gebracht op de norm voor de algemene bijstand, te wijzigen. Het valt de Raad op dat die bevoegdheid in het initiatiefontwerp niet is begrensd. Overeenkomstig aanwijzing 18 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) wordt elke delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet mogelijk begrensd. In ieder geval geldt als begrenzing, rekening houdend met de aanbevelingen in de deelrapporten over het sociale zekerheidsstelsel van Curaçao, dat genoemde maximale bedragen samen met de bijstand, bijslagen, toeslagen en overdrachten het wettelijk vastgestelde minimumloon niet kunnen overschrijden.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
g. Uitblijven automatische indexering bij voorzieningen
Als gevolg van het ontbreken van een automatische indexeringssystematiek voor de bijstand in de huidige Evvb Curaçao 2008, zullen de maatregelen, opgenomen in het initiatiefontwerp, volgens de Raad slechts tijdelijk een verlichting betekenen voor de bijstandstrekkers op wie deze maatregelen van toepassing zullen zijn. Toekomstige prijsstijgingen die niet in voldoende mate kunnen worden opgevangen binnen het kader van de vigerende bijverdienregeling zullen op termijn een negatief effect hebben op de koopkracht van bijstandsgerechtigden. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt welke voorzieningen voor met name de kwetsbare groepen moeten worden getroffen om te minimaliseren dat zij in koopkracht achteruitgaan vanwege jaarlijkse inflatie.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting hierop in te gaan en zo nodig het initiatiefontwerp op dit punt aan te passen.
h. De inwerkingtreding van de gedelegeerde regeling
Artikel I, onderdeel A, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, zevende lid, van de Evvb Curaçao 2008) bepaalt dat de nieuwe vastgestelde bedragen gelden per de eerste van de maand volgend op de maand waarin het desbetreffende landsbesluit, houdende algemene maatregelen, is bekendgemaakt.
Met deze bepaling wordt de inwerkingtreding van het desbetreffende landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bij landsverordening vastgesteld, hetgeen de flexibiliteit in het wetgevingsproces beperkt. Op grond van aanwijzing 133 van de Awr voorziet een regeling in haar inwerkingtreding. Uit dit artikel kan worden afgeleid dat de inwerkingtreding in principe in de lagere regeling zelf, dus in het door de regering eventueel vast te stellen landsbesluit, houdende algemene maatregelen, moet worden geregeld, en niet al in de delegerende regeling (de voorliggende landsverordening).
Overigens geldt bij het bepalen van de termijn tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van een regeling dat wordt rekening gehouden met de mogelijkheid voor de uitvoeringsorganen en andere bij de regeling betrokkenen om zich tijdig op de regeling in te stellen (zie aanwijzing 136 van de Awr). Door de inwerkingtreding van de gedelegeerde regeling in deze landsverordening op te nemen wordt de regering beperkt in de mogelijkheid om die afweging te maken.
In het licht van het bovenstaande adviseert de Raad de laatste zin in het voorgestelde artikel 22, zevende lid, van de Evvb Curaçao 2008 (artikel I, onderdeel A, van het initiatiefontwerp) te schrappen.
i. De evaluatiebepaling
In het voorgestelde artikel I, onderdeel B, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 40 van de Evvb Curaçao 2008) is een evaluatiebepaling opgenomen. Daarin staat dat elk jaar de toepassing van en de uitvoering van de rechtmatigheidstoets van artikel 22, vijfde en zesde lid wordt geëvalueerd.
De Raad constateert dat voornoemde evaluatiebepaling afwijkt van de evaluatievorm waarvan in de memorie van toelichting melding wordt gemaakt. In de memorie van toelichting staat op pagina 6 dat regelmatig moet worden gerapporteerd over het beoogde effect (toename van arbeidsparticipatie, vermindering van de afhankelijkheid van de bijstand) zowel op het aantal bijstandsontvangers als op de arbeidsparticipatie en de financiële impact. Bovendien gaan de initiatiefnemers, anders dan in het voorgestelde nieuwe artikel 40 van de Evvb Curaçao 2008 is bepaald, in de memorie van toelichting niet in op de rechtmatigheidstoets zoals bepaald in het voorgestelde artikel 22, vijfde en zesde lid van de Evvb Curaçao 2008 bij de te verrichten evaluatie. De evaluatie van de toepassing van een wettelijke regeling is niet hetzelfde als de evaluatie van de doeltreffendheid daarvan. Aan de ene kant richt de evaluatie van de toepassing van een wettelijke regeling zich op hoe de regeling in de praktijk wordt uitgevoerd. Hierbij wordt gekeken naar aspecten, zoals naleving, handhaving, interpretatie door instanties en mogelijke knelpunten in de uitvoering. Aan de andere kant beoordeelt de evaluatie van de doeltreffendheid van een wettelijke regeling of de regeling daadwerkelijk het beoogde effect heeft. Hier draait het om de vraag of de wettelijke regeling de gestelde doelen bereikt en of de maatschappelijke problemen die ermee aangepakt moesten worden, daadwerkelijk worden opgelost. Het kan dus zijn dat een wettelijke regeling correct wordt toegepast, maar toch niet doeltreffend is (bijvoorbeeld omdat deze niet het gewenste effect heeft). Omgekeerd kan een wettelijke regeling doeltreffend zijn, maar in de praktijk moeilijk toepasbaar zijn.
De Raad adviseert bovengenoemde evaluatiebepaling met inachtneming van het vorenstaande en aanwijzing 123, eerste lid, van de Awr aan te passen.
j. De inwerkingtreding van de voorliggende landsverordening
In het initiatiefontwerp is geen rekening gehouden met aanwijzing 133 van de Awr. Het initiatiefontwerp voorziet niet in het tijdstip van zijn eigen inwerkingtreding. Overeenkomstig aanwijzing 136 van de Awr wordt bij het bepalen van de termijn tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van een regeling rekening gehouden met de mogelijkheid voor uitvoeringsorganen en andere bij de regeling betrokkenen om zich tijdig op de regeling in te stellen. In de memorie van toelichting staat dat de initiatiefnemers overleg zullen plegen met de regering over het opzetten van een intensieve voorlichtingscampagne om de doelgroep in staat te stellen om onder andere binnen de grenzen van de Evvb Curaçao 2008 bij te verdienen en fraude te voorkomen. De Raad heeft in onderdeel I.3.b. ‘5°. De betrokkenheid van de regering’ en onderdeel I. ‘5. Advies van het Ministerie van SOAW’ van dit advies voorts voorgesteld om overleg te plegen met de regering over het voeren van een beleid ter ondersteuning van de bijstandsgerechtigden bij hun (re)-integratie op de arbeidsmarkt.
De Raad adviseert bij het redigeren van de inwerkingtredingsbepaling rekening te houden met de tijd die daarmee gemoeid kan zijn (zie in dit verband aanwijzing 136 van de Awr). Een optie zou kunnen zijn om de voorliggende landsverordening op een bij landsbesluit vast te stellen tijdstip in werking te laten treden (zie in dit verband aanwijzing 140, eerste lid, onder A van de Awr).
2. De memorie van toelichting
a. Het actualiseren van de informatie in de memorie van toelichting
In de memorie van toelichting (pagina 2) wordt verwezen naar een onderdeel uit de memorie van toelichting behorende bij de Begroting voor het dienstjaar 2021 van het land Curaçao waarin wordt uitgeweid over de effecten van de wereldwijde Covid-19 pandemie op onder andere de lokale arbeidsmarkt en op het bijstandsbestand van de overheid. Uit die passage blijkt dat het aantal aanvragen voor bijstandverlening door de negatieve gevolgen van de pandemie op de economie met meer dan 40% is toegenomen na maart 2020, ten opzichte van het jaar daarvoor. Door deze toename van het bijstandsbestand is de druk op de kosten van het sociale zekerheidstelsel ook toegenomen. Bij escalatie van die situatie zou op de begroting geen financiële ruimte meer zijn om bijstand te blijven verlenen. Deze verwijzing dient ter onderbouwing van de noodzaak om de uitstroom van bijstandsgerechtigden naar werk en hun zelfredzaamheid te stimuleren en daarmee de druk op de kosten van het sociale zekerheidstelsel te verminderen.
De Raad constateert dat de Covid-19 pandemie slechts een van de externe factoren is die zijn invloed heeft gehad op het bijstandsbestand en op de financiële middelen van de overheid. Daar komt bij dat die pandemie volledig achter de rug is, de economie de laatste jaren aantrekt en de arbeidsmarkt omgeslagen is in een krappe arbeidsmarkt. Hierdoor is de situatie waarop het uit 2021 daterende initiatiefontwerp eerder afgestemd was niet meer actueel.
Van de opsteller van een ontwerpregeling wordt verwacht dat hij de memorie van toelichting zoveel mogelijk actualiseert met relevante informatie voordat de adviesorganen voor advies daarover wordt gevraagd. Dit geldt des te meer wanneer de te actualiseren feiten en omstandigheden de noodzaak van de ontwerpregeling weergeeft.
De Raad adviseert de initiatiefnemers met het voorgaande rekening te houden en de informatie ter zake in de memorie van toelichting te actualiseren. Zie in dit verband ook aanwijzing 5, onderdeel a, van de Awr.
b. Onderstandsnorm vs minimumloon en bestaansminimum
1°. Inzichtelijk maken van vergelijkingskader
In de eerste alinea van ‘§ 1. Algemeen deel’ van de memorie van toelichting geven de initiatiefnemers aan dat de bijstandsnormen ver beneden het minimumloon liggen, welke op zijn beurt onder het bestaansminimum ligt. Op pagina 3 van de memorie van toelichting wordt een passage uit pagina 5 van het deelrapport ‘1. Sociale Zekerheid Curaçao – Huidige stelsel en knelpunten’ aangehaald, waaruit volgens de initiatiefnemers blijkt dat het pensioen dat geregeld is in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna: het AOV-pensioen) sinds 2013 en de bijstand sinds 2012 niet zijn geïndexeerd. Wel kent – volgens de vorenbedoelde passage – de AOV sinds 2015 een toelage en bestaan er verder verschillende bijslagen, toelagen en overdrachten voor bijstandsgerechtigden. Onduidelijk is volgens de Raad of de door de initiatiefnemers aangehaalde toelage, gekoppeld aan de AOV, ten laste van de Landskas komt en hoeveel deze bedraagt. Aangezien de initiatiefnemers de bijstand vergelijken met andere sociaaleconomische instrumenten, is het volgens de Raad van belang om een totaalbeeld te krijgen van de hoogte van de bedoelde bijslagen, toelagen en overdrachten waarop bijstandsgerechtigden aanspraak hebben of kunnen krijgen. Aangezien dit alles niet in de memorie van toelichting is verduidelijkt, kan niet een gedegen vergelijking worden gemaakt.
In lijn met het vorenstaande adviseert de Raad de initiatiefnemers de betreffende bedragen samenhangende met de bijstand en de bij het minimumloon, bestaansminimum en de AOV behorende bedragen in de memorie van toelichting te vermelden.
2°. Noodzaak voor een integraal samenhangend beleid
De Raad is van mening dat het beleid met betrekking tot de bijstand, het minimumloon en de armoedegrens samenhangend dient te zijn. De (norm)bedragen bij deze instrumenten dienen in bepaalde verhouding tot elkaar te staan teneinde de effectiviteit van deze instrumenten te vergroten. Indien eenmaal een goede verhouding tussen deze drie instrumenten tot stand is gekomen, zou de aanpassing van slechts één normbedrag kunnen leiden tot ontwrichting van de onderlinge verhoudingen welke vervolgens negatief kan uitwerken op de met de instrumenten beoogde effecten.
In dit verband adviseert de Raad de initiatiefnemers rekening te houden met de gevolgen van de maatregelen, opgenomen in het initiatiefontwerp, voor de onderlinge verhoudingen tussen de eerdergenoemde instrumenten. Tevens adviseert de Raad de in artikel I, onderdeel A, punt 5, van het initiatiefontwerp voorgestelde bedragen van NAf 500 en NAf 865 te onderbouwen.
c. Kinderalimentatie heeft geen invloed op de middelentoets
Volgens de memorie van toelichting (pagina 8) beoogt de in artikel I, onderdeel A, punt 1, van het initiatiefontwerp (het voorgestelde artikel 22, eerste lid, onderdeel g, van de Evvb Curaçao 2008) opgenomen wijzigingsvoorstel dat een bijstandsgerechtigde haar uitkering niet verliest als zij kinderalimentatie ontvangt. Zij verliest haar uitkering slechts als zij alimentatie ontvangt voor haar eigen levensonderhoud. Volgens de memorie van toelichting behorende bij de Evvb Curaçao 2008 (pagina 10) regelt artikel 22 welke inkomstenbestanddelen onder het begrip ‘de middelen’ genoemd in artikel 20 worden gerekend. Eerstgenoemd artikel maakt deel uit van de middelentoets die bedoeld is om vast te stellen of de aanvrager in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering en is ook bepalend voor de vaststelling van de hoogte van het uit te keren bedrag. Bovengenoemde formulering in de memorie van toelichting wekt de indruk dat de middelentoets achteraf na de bijstandsverlening plaatsvindt en niet bij de vaststelling of de aanvrager al dan niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering en het bepalen van de hoogte daarvan.
De Raad adviseert de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
d. Te treffen maatregelen en op te leggen sanctie bij geen of onjuiste opgave van bijverdiensten
1°. Verruiming van de bestaande sanctiebepaling.
In de memorie van toelichting (pagina 6) staat een opsomming van maatregelen die kunnen worden getroffen en een sanctie die kan worden opgelegd bij onjuiste of geen opgave van bijverdiensten. De initiatiefnemers verwijzen naar artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 en stellen dat de in dat artikel opgenomen strafrechtelijke sanctie kan worden opgelegd op het moment dat komt vast te staan dat er sprake is geweest van fraude bij het aanvragen van bijstand en dat de personen die hun bijverdiensten niet of niet correct opgeven ook daaronder vallen.
Het kan voorkomen dat een aanvrager reeds bij de aanvraag om bijstand bijverdient, maar het is ook denkbaar dat een bijstandsgerechtigde pas nadat hij al bijstandsuitkering ontvangt aan het werk gaat. De Raad meent dat alleen in het eerste geval artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 kan worden toegepast. Immers uit artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 volgt niet dat het opgeven van bijverdiensten nadat de bijstand al is verleend ook strafbaar is. Dat artikel heeft alleen betrekking op de verstrekking van onjuiste gegevens of de verzwijging van gegevens bij de indiening van een aanvraag om bijstand in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Evvb Curaçao 2008. In artikel 38, eerste lid, dat een strafbepaling is, moet duidelijk worden omschreven welke gedraging een strafbaar feit oplevert. In dat artikel moet het niet of niet correct rapporteren van de inkomsten op grond van (het nieuwe) artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008 uitdrukkelijk worden opgenomen als strafbaar feit.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
2°. De mogelijkheid tot oplegging van een bestuurlijke boete
Het is de Raad opgevallen dat in de Evvb Curaçao 2008 geen mogelijkheid is opgenomen voor de Minister van SOAW om een bestraffende bestuurlijke sanctie – in het bijzonder een bestuurlijke boete – op te leggen indien wordt gehandeld in strijd met de gedragingen die in artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 als strafbaar feit worden omschreven. De Raad is van oordeel dat de mogelijkheid voor de Minister van SOAW om bij overtreding van deze gedragingen een bestuurlijke boete op te leggen, sneller en minder ingrijpend is dan het opleggen van de in artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 opgenomen strafrechtelijke sancties via de strafrechtelijke weg. Bij het verlenen van die bevoegdheid aan de genoemde minister dienen de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede de artikelen 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in acht te worden genomen.
De Raad adviseert, met inachtneming van aanwijzingen 114 en 118 van de Awr, de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete bij overtreding van de in artikel 38, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 omschreven gedragingen – inclusief het niet of niet correct rapporteren van de inkomsten op grond van (het nieuwe) artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008 – in het initiatiefontwerp op te nemen.
3°. Aanvullende grond voor intrekking van het recht op bijstand
Ook staat in de memorie van toelichting dat de bijstandsgerechtigden op basis van artikel 29 van de Evvb Curaçao 2008 (tijdelijk) hun recht op bijstand kunnen verliezen. Daarnaast staat dat de ontvangen bijstand tevens op grond van dat artikel kan worden teruggevorderd. De Raad constateert dat artikel 29 van de Evvb Curaçao 2008 niet over de intrekking van het recht op bijstand gaat, maar alleen betrekking heeft op de terugvordering van de kosten van bijstand. In artikel 27, eerste lid, onderdeel a, van de Evvb Curaçao 2008 is de intrekking van het recht op bijstand geregeld. Op grond van laatstgenoemd artikel is slechts het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de instantie bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van de Evvb Curaçao 2008 bij de indiening van de aanvraag om bijstand een grond voor de intrekking van het recht op bijstand. Het geen opgave of onjuiste opgave doen van de bijverdiensten nadat de bijstandsuitkering al is verleend is geen grond voor intrekking van het recht op bijstand. Volgens de Raad moet in artikel 27, eerste lid, van de Evvb Curaçao 2008 voornoemde grond voor de intrekking van de bijstand worden opgenomen.
De Raad adviseert het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
IV. Conclusie en procedureel advies
De Raad van Advies heeft een aantal bezwaren bij het initiatiefontwerp en adviseert om het niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast. Deze bezwaren hebben te maken met de aanpak van het desbetreffende maatschappelijk probleem die ongetwijfeld de doeltreffendheid van de voorliggende landsverordening negatief zal beïnvloeden.
De Evvb Curaçao 2008 schiet tekort in zowel haar vangnetfunctie als in haar activeringsfunctie. De bijstandsuitkering is ontoereikend om in het levensonderhoud van de bijstandsgerechtigde te kunnen voorzien. Ook de activeringsfunctie, die in voldoende mate in de Evvb Curaçao 2008 is geregeld, heeft niet het effect dat de wetgever daarmee heeft beoogd vanwege problemen in de bedrijfsvoering van het Ministerie van SOAW. Er bestaat een tekort aan personeel en de automatisering is ontoereikend. Een van de aanbevelingen die volgens deelrapporten 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel en 3 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Financiële effecten’ op korte termijn gerealiseerd moet worden, is de verruiming van de bijverdienregeling.[21] De bijverdienregeling dient zodanig te worden verruimd dat de bijstandsgerechtigden inkomsten uit arbeid tot het wettelijk vastgestelde minimumloon kunnen genieten zonder dat deze op de bijstandsuitkering worden ingekort. Het initiatiefontwerp voorziet in een verruimde bijverdienregeling, maar deze regeling biedt op zichzelf niet een oplossing voor het probleem dat de initiatiefnemers beogen op te lossen. Voor de verwezenlijking van het doel dat de initiatiefnemers met het initiatiefontwerp beogen, met name arbeidsparticipatie en zelfredzaamheid van de bijstandsgerechtigden is een geïntegreerde aanpak imperatief. Het initiatiefontwerp dient daarom gepaard te gaan met aanvullende ondersteunende beleidsmaatregelen op het gebied van scholing, arbeidsbemiddeling, sociale begeleiding of maatregelen gericht op de subsidiering van zorg (zoals subsidie voor kinderopvang). Daarnaast dient de uitvoering en de handhaving van de Evvb Curaçao 2008 te worden versterkt. Indien dit niet gebeurt zullen de huidige problemen in de uitvoering en handhaving van de Evvb Curaçao 2008 zich voorzetten in een gerealiseerde hervorming, hoe klein deze hervorming ook mag zijn. Daar komt bij dat door het ontbreken van een totaalbeeld van de bijstand, inclusief bijslagen toeslagen en overdrachten die de bijstandsgerechtigden ontvangen niet vast staat dat het initiatiefontwerp het in het deelrapport 3 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Financiële effecten per regeling’ beschreven effect zal hebben of juist averechts zal gaan werken.
Willemstad, 25 maart 2025
de wnd. Ondervoorzitter, de Secretaris,
________________ _____________________
- J. Sybesma mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/40-24-LV
Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het initiatiefontwerp
Aanhef
Voorgesteld wordt in de considerans de volgende wijzigingen aan te brengen:
– ‘de zelfredzaamheid en arbeidsparticipatie’ te vervangen door ‘de arbeidsparticipatie en zelfredzaamheid’;
– ‘verbetering’ te vervangen door ‘bevordering’ en;
– na ‘toe te staan’ in te voegen ‘zonder dat deze in mindering worden gebracht op de norm voor de algemene bijstand’.
Artikel I
De wijzigingsinstructie van onderdeel A, punt 3
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van onderdeel A, punt 3, het woord ‘nieuwe’ te schrappen.
Het voorgestelde artikel 22, vijfde lid, van de Evvb Curaçao 2008
Voorgesteld wordt in onderdeel A, punt 3 (het voorgestelde artikel 22, vijfde lid, van de Evvb Curaçao 2008) de volgende wijzigingen aan te brengen:
– ‘eerte’ te vervangen door ‘eerste’;
– ‘tot en met netto NAf 500 per maand voor alleenstaande’ te vervangen door ‘tot een maximum van netto NAf 500 per maand voor een alleenstaande’;
– ‘dan wel NAf. 865 voor gehuwden’ te vervangen door ‘dan wel tot een maximum van netto NAf 865 per maand voor gehuwden’ en;
– de punt vóór het woord ‘niet’ te schrappen.
Het voorgestelde artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008
Voorgesteld wordt onderdeel A, punt 3 (het voorgestelde artikel 22, zesde lid, van de Evvb Curaçao 2008) in woorden van de volgende strekking te laten luiden:
De belanghebbende die een beroep doet op het vijfde lid, rapporteert per kwartaal dus uiterlijk op de laatste dag van de maanden januari, april, juli en oktober zijn inkomsten van het afgelopen kwartaal aan de Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn.
Het voorgestelde artikel 22, zevende lid, van de Evvb Curaçao 2008
Voorgesteld wordt in onderdeel A, punt 3 (het voorgestelde artikel 22, zevende lid, van de Evvb Curaçao 2008) de volgende wijzigingen aan te brengen in de tweede zin:
– ‘Het nieuwe bedrag geldt’ te vervangen door ‘De nieuwe bedragen gelden’;
– ‘het landsbesluit’ te vervangen door ‘dat landsbesluit’ en;
– ‘bekend gemaakt’ te vervangen door ‘bekendgemaakt’.
De wijzigingsinstructie van onderdeel B
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van onderdeel B, ‘een nieuw artikel 40’ te vervangen door ‘artikel 39a’.
2. De memorie van toelichting
Algemeen
Ingevolge aanwijzing 44, eerste lid, van de Awr wordt hetzelfde begrip niet met verschillende termen aangeduid. Het valt de Raad op dat in de memorie van toelichting hetzelfde begrip met verschillende termen wordt aangeduid. Zo wordt voor het begrip ‘bijstand’ ook de term ‘onderstand’ gebruikt (zie voorbeelden op pagina 1, eerste tekstblok, eerste zin en pagina 5, vierde tekstblok, eerste zin) en voor het begrip ‘bijstandtrekker’ ook de term ‘bijstandsgerechtigde’ gebruikt (zie bijvoorbeeld pagina 8, voorlaatste tekstblok, eerste zin en pagina 8, laatste tekstblok, laatste zin). Daarnaast wordt voor het begrip ‘bijstandontvangers’ de termen ‘bijstandstrekkers’ en ‘bijstandsgerechtigden’ gebruikt (zie voorbeelden op pagina 1, eerste tekstblok, eerste zin, pagina 4, laatste tekstblok, eerste zin, en pagina 6, eerste tekstblok, laatste zin).
Voorgesteld wordt de memorie van toelichting te screenen op bovengenoemde onvolkomenheden en deze met inachtneming van aanwijzing 44, eerste lid, van de Awr aan te passen.
Ook wordt het initiatiefontwerp in de memorie van toelichting soms aangeduid als ‘ontwerp’ soms als ‘wetsvoorstel’ (zie pagina 7 voorlaatste tekstblok en laatste tekstblok, laatste zin).
Voorgesteld wordt het initiatiefontwerp telkens aan te duiden als ‘het ontwerp’.
Verder staat in aanwijzing 44, tweede lid, van de Awr dat dezelfde term niet voor verschillende begrippen wordt gebruikt. In de memorie wordt de term ‘bijstand’ zowel in de betekenis van het bijstandsstelsel als in de betekenis van het begrip ‘bijstandsuitkering’ gebruikt (zie in de memorie van toelichting voor de eerste betekenis pagina 6, derde tekstblok, laatste zin en voor de tweede betekenis pagina 5, vierde tekstblok, eerste zin).
Voorgesteld wordt de memorie van toelichting te screenen op bovengenoemde onvolkomenheden en deze met inachtneming van aanwijzing 44, tweede lid, van de Awr aan te passen.
Pagina 1
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, ‘ontwerp-landsverordening tot wijziging van de Landsverordening verlening bijstand Curaçao 2008’ te vervangen door ‘ontwerplandsverordening tot wijziging van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008 (hierna: het ontwerp)’. De status van genoemde eilandsverordening is door de nieuwe staatkundige hervormingen per 10 oktober 2010 gewijzigd maar niet de aanduiding daarvan (citeertitel).
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, vierde zin, ‘ver beneden het minimumloon bedragen’ te vervangen door ‘ver beneden het minimumloon liggen’ en ‘onder het bestaansminimum bedraagt’ te vervangen door ‘onder het bestaansminimum ligt’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin ‘bestaansminimum’ te vervangen door ‘armoedegrens’. In Curaçao is het minimale inkomen dat iemand nodig heeft om in de basisbehoeften te voorzien, zoals voedsel, huisvesting en kleding nog niet wettelijk vastgesteld.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, na ‘NAf 500’ in te voegen ‘voor een alleenstaande’ en na ‘NAf 865’ in te voegen ‘voor gehuwden’. Ook moet na ‘per maand’ de zinsnede ‘zonder dat deze in mindering wordt gebracht op de norm voor de algemene bijstand’ worden ingevoegd.
In de memorie van toelichting wordt ter onderbouwing van de stelling dat de bijstandsnormen ver beneden het minimumloon liggen onder meer verwezen naar een onderdeel in de rapporten ‘Inkomens en inkomensverdelingen in Curaçao’ en ‘Armoede: een subjectieve benadering’. Die passage komt alleen in laatstgenoemd rapport voor. Het komt niet voor in het rapport ‘Inkomens en inkomensverdelingen in Curaçao’. Ook ontbreekt er in de memorie van toelichting een verwijzing naar de desbetreffende pagina’s van het rapport waarin de passsage voorkomt.
Voorgesteld wordt de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
Voorgesteld wordt in de laatste zin in het voorlaatste tekstblok vóór ‘aandeel’ de woorden ‘is het’ in te voegen.
Pagina 2
Voorgesteld wordt in de zin vóór het voorlaatste tekstblok ‘Memorie van Toelichting op’ te vervangen door ‘memorie van toelichting behorende bij’.
Pagina 3
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, laatste zin, het woord ‘verser’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin, ‘deeltijdwerk’ te vervangen door ‘(deeltijd)werk’.
Pagina 4
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, vijfde zin, vóór ‘hun bijstand’ het woord ‘van’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, zevende zin, vóór ‘prikkels’ het woord ‘juiste’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok de volgende wijzigingen aan te brengen in de laatste zin:
- ‘aansluit aan’ te vervangen door ‘aansluit op’;
- ‘maar ook aan’ te vervangen door ‘maar ook op’;
- ‘hervormingsagenda’ te vervangen door ‘uitvoeringsagenda’ en;
- ‘wordt vastgelegd’ te vervangen door ‘is vastgesteld’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, voorlaatste zin, het tweede lidwoord ‘het’ te schrappen.
Pagina 5
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, ‘50 jaar’ te vervangen door ’vijfenvijftig jaar’ (Uit het deelrapport 2 ‘Sociale Zekerheid Curaçao-Contouren nieuw stelsel’ blijkt dat het om bijstandsgerechtigden ouder dan vijfenvijftig jaar gaat.) en ‘een leeftijdscategorie voor wie’ te vervangen door ‘een leeftijdscategorie waarvoor’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede zin, ‘50% van het loon’ te vervangen door ‘vijftig procent van de bruto-inkomsten uit arbeid na aftrek van de verwervingskosten voor transportkosten met andere dan eigen vervoermiddelen’.
Pagina 6
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, de eerste ‘is’ te schrappen en ‘is opgenomen’ achter het woord ‘analyse’ te verplaatsen.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, de derde zin in woorden van de volgende strekking te laten luiden:
Verder vraagt de SER aandacht voor een toename van het aantal bijstandsgerechtigden, omdat alleenstaanden die tot maximaal netto NAf 500 bijverdienen (maximaal netto NAf 865 voor gehuwden) op grond van de huidige regeling worden uitgesloten van bijstandverlening of gekort op hun bijstandsuitkering.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste zin, ‘deeltijdwerk’ te vervangen door ‘(deeltijd)werk’.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, vierde zin,‘ inkorting van de bijstand’ te vervangen door ‘inkorting op de bijstandsuitkering’.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, vijfde zin, ‘in de arbeidsmarkt te integreren’ te vervangen door ‘op de arbeidsmarkt te integreren’.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, laatste zin, ‘aanpassingen te maken’ te vervangen door ‘aanpassingen aan te brengen’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, zesde zin ‘artikel 38’ te vervangen door ‘artikel 38, eerste lid. Ook wordt voorgesteld in de voorlaatste zin van dat tekstblok ‘de ontvangen bijstand’ te vervangen door ‘de kosten van bijstand’ en ‘artikel 29’ te vervangen door ‘artikel 29, eerste lid, onderdeel a,’
Voorts wordt voorgesteld in het laatste tekstblok de volgende wijzigingen aan te brengen:
- in de vijfde zin na ‘artikel 32’, in te voegen ‘van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008’;
- in de zesde zin ‘artikel 38’ te vervangen door ‘artikel 38, eerste lid, van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008’ en;
- in de voorlaatste zin ‘artikel 29’ te vervangen door ‘artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, zevende zin, ‘aangeven’ te vervangen door ‘opgeven’.
Pagina 7
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin, ‘het onderhavig ontwerp’ te vervangen door ‘het ontwerp’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, laatste zin (de zin wordt vervolgd op pagina 8) de volgende wijzigingen aan te brengen:
– ‘formele arbeid naast bijstand mogelijk maakt’ te vervangen door ‘formele arbeid naast het ontvangen van bijstandsuitkering stimuleert’;
– ‘daarbij’ te vervangen door ‘daarmee’;
– na ‘beoogd’ een punt te plaatsen;
– het woord ‘en’ te schrappen en;
– de (resterende) zinsnede die aanvangt met ‘biedt het een onmiddellijke oplossing’ te vervangen door een nieuwe zin in woorden van de volgende strekking: Het biedt een onmiddellijke oplossing die op korte termijn verlichting geeft.
Pagina 8
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede zin, ‘deze’ te vervangen door ‘dit’ en ‘welke’ te vervangen door ‘welk’.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok ‘artikel 22’ te vervangen door ‘artikel 22 van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste, tekstblok, tweede zin, ‘artikel 16’ te vervangen door ‘artikel 16 van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008’. Bovendien is het gestelde in deze zin niet helemaal in overeenstemming met artikel 16 van de Evvb Curaçao 2008. Voorgesteld wordt het zinsdeel ‘50% van het verdiende loon’ te vervangen door het zinsdeel ‘vijftig procent van de bruto- inkomsten uit arbeid, na aftrek van de verwervingskosten voor transportkosten met andere dan eigen vervoermiddelen’.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste, tekstblok, de vijfde zin, te schrappen. Die zin is niet helemaal in overeenstemming met de strekking van het voorgestelde artikel 22, vijfde lid, van de Evvb Curaçao 2008 en is overigens overbodig omdat de voorlaatste zin een betere uitleg van de strekking van dat artikellid geeft.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste, tekstblok, in de zesde zin, ‘tot maximaal NAf 500 per maand’ te vervangen door ‘tot maximaal netto NAf 500 per maand’ en ‘of NAf 865’ te vervangen door ‘of tot maximaal netto NAf 865 per maand’.
Pagina 9
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, ‘wordenaangepast’ te vervangen door ‘worden aangepast’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste zin, ‘artikel 40’ te vervangen door ‘artikel 39a’ en ‘artikel 22’ te vervangen door ‘artikel 22, vijfde en zesde lid van de Eilandsverordening verlening bijstand Curaçao 2008’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, voorlaatste zin, ‘gedaan’ te vervangen door ‘uitgevoerd’ en het lidwoord ‘een’ in te voegen vóór het woord ‘verslag’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok de laatste zin in te korten en af te maken.
__________________________
[1] Zie pagina 9 van de memorie van toelichting behorende bij de Evvb Curaçao 2008.
[2] Het inkomensniveau waarbij een huishouden nog net in staat is om in de maandelijkse basisbehoeften te voorzien. Met basisbehoeften wordt bedoeld: Voedsel, kleding en wonen (huur of de huurwaarde, hypotheek, gas, water, elektriciteit en verzekeringen voor de woning) en andere noodzakelijke aspecten die voor het dagelijkse leven vereist zijn (zoals vervoer en vuilophaaldienst).
[3] Dit volgt uit deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’ (pagina 19) en deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao-‘Contouren nieuw stelsel’ (pagina 22), dat is opgesteld in het kader van de uitvoering van het landspakket dat tussen Nederland en Curaçao is overeengekomen.
[4] Zie in dit verband ook het advies van de Sociaal Economische Raad d.d. 27 augustus 2024 met kenmerk 065/2024-SER, pagina 11
[5] Dit volgt uit deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao-Huidige stelsel en knelpunten’, pagina 20.
[6] Dit volgt uit deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’, pagina 19.
[7] Zie deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel’, pagina 22.
[8] Zie deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel’, pagina 5.
[9] Zie deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’, pagina 18.
[10] Zie SER-verkenning, ‘De bijdrage van migrantenpopulaties aan de economische ontwikkeling van Curaçao’ 16 juni 2021, met kenmerk 054-2021-SER.
[11] Eindrapport ‘Bijverdienen in de onderstand’ Onderzoek t.b.v. het Ministerie van SZW. Regioplan Amsterdam 3 juni 2022, pagina 40.
[12] Zie deelrapport 1’ Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’, pagina 20
[13] Deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’ (pagina’s 17 en 18) en deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel’ (pagina 24).
[14] Zie deelrapport 2‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel’, pagina 23.
[15] Zie deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao-Contouren nieuw stelsel’, pagina 26.
[16] Deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’ pagina 22.
[17] Zie deelrapport 1 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Huidige stelsel en knelpunten’(pagina 20).
[18] Volgens artikel 2, onderdeel a, van de Evvb Curaçao 2008 wordt onder het begrip ‘aanvrager’ verstaan degene die een verzoek om toekenning van bijstand heeft ingediend. Op grond van genoemd artikel wordt in onderdeel i onder het begrip ‘belanghebbende’ verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[19] Prof mr. S. Klosse, ‘Socialezekerheidsrecht’, Kluwer-Deventer -2012 pagina 18.
[20] Prof mr. S. Klosse, ‘Socialezekerheidsrecht’, Kluwer-Deventer -2012 pagina 18.
[21] Zie deelrapport 2 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Contouren nieuw stelsel, pagina 26 en deelrapport 3 ‘Sociale zekerheid Curaçao- Financiële effecten’, pagina 12
