Persbericht Bijdrage drs. Rob van den Bergh

    Persbericht 12 juli 2024.            

                                                          

Overheidssteun aan het Curaçaose bedrijfsleven

Reikwijdte van zorgplicht van de overheid

 

WILLEMSTAD – Moet de overheid inspringen als de private sector niet doet wat het hoort te doen? Zo ja, hoe en tot op welke hoogte? Dat zijn de kernvragen in een essay die drs. Rob van den Bergh voor het jaarverslag 2023 van de Raad van Advies op eigen titel geschreven heeft. Met name de overheidssteun aan bedrijven in de particuliere sector heeft de discussie gevoed over de reikwijdte van de zorgplicht van de overheid.

Kernvraag

Dat de overheid klassieke grondrechten waarborgt, zoals individuele vrijheden op het gebied van godsdienst, vrije meningsuiting en onderwijs, staat in dit essay niet ter discussie. Die rechten zijn verankerd in de Staatsregeling van Curaçao en mensenrechtenverdragen waar het land ook aan gebonden is. Waar het wel over gaat, is de invulling die de overheid geeft aan de sociale grondrechten van de burgers, zoals het welzijn en de sociale belangen van individuen. Op sociaal-economisch gebied is de verantwoordelijkheid van de overheid niet ingekaderd en kan haar inmenging groter of kleiner worden gemaakt. De tendens op dit moment is een verder uitdijende invloed van de overheid, meer bemoeienis met het dagelijkse leven van de burger en een grotere verwevenheid met het bedrijfsleven. Over de kernvraag in hoeverre de zorg voor het bedrijfsleven onder de sociale grondrechten hoort te vallen en zo ja, wanneer dit het geval moet zijn, is niet echt een maatschappelijke discussie gevoerd.

Criteria voor steun

Er zijn diverse universele redenen waarom overheidssteun voor een sector of bedrijf wenselijk kan zijn. Veel voorkomende criteria zijn het belang voor de economie (bv. op het gebied van werkgelegenheid en deviezengeneratie), de financiële stabiliteit in een land (om lokaal en internationaal te kunnen (blijven) functioneren), de maatschappelijke impact (bv. bij milieu- of gezondheidsrisico’s) en/of de financiële draagkracht van de overheid. Vaak wordt een combinatie van argumenten gebruikt om de zorg te verantwoorden. In geval van een nationale crisis, zoals een natuurramp of pandemie, komen deze criteria inderdaad samen en vormen gezamenlijk de reden voor de overheid om de reikwijdte van haar zorgplicht te verbreden.

Een goed voorbeeld is de recente Covid-pandemie.

Er kan volgens drs. Van den Bergh geen twijfel over bestaan dat de overheid bij dergelijke rampen ook een zorgplicht richting het bedrijfsleven heeft. Gesteund door Nederland kon de overheid ingrijpen om bedrijven te behoeden voor faillissement en burgers te beschermen tegen verlies van banen en armoede. Tegelijkertijd is het de vraag of het land Curaçao dezelfde zorg had kunnen en willen bieden zonder de liquiditeitssteun van Nederland. Een lening elders zou immers gepaard zijn gegaan met een hoge rente, en daardoor met grote gevolgen voor de budgettaire ruimte op korte termijn en schuldpositie op lange termijn.

Reactieve beslissing

Nog een indringende reden voor overheidssteun, is het criterium van ‘systeemrelevantie’. Dat houdt in dat het wegvallen van een sector of bedrijf, als schakel in de economische keten, de werking van het hele financiële systeem of de hele economie kan ontwrichten. Dat criterium lag met name ten grondslag aan de steun die de overheid in 2017 verstrekte aan de private luchtvaartmaatschappij InselAir, en later aan de Girobank N.V. (Girobank) en ENNIA Caribe Leven N.V. (ENNIA). De beslissing tot steunverlening was reactief: dus nadat de schade al was toegebracht en niet om op toekomstige trends te anticiperen. Zo duurde het tot 2018 voordat de Centrale Bank van Curaçao en St. Maarten (CBCS) de noodregeling voor ENNIA afkondigde, terwijl er sinds het aantreden van de nieuwe eigenaar in 2006, herhaaldelijk gewaarschuwd werd dat er aanzienlijke bedragen via ondoorzichtige constructies aan ENNIA werden onttrokken onder het toeziend oog van CBCS.

Geen beleid voor bedrijfssteun

Behalve de vraag of er wel of geen middelen beschikbaar zijn, is er in Curaçao geen beleid voor financiële steun aan in gevaar gekomen bedrijven die belangrijk zijn voor het eiland, of criteria om die steun te toetsen. Op zich is dat voor een klein eiland niet vreemd omdat dit incidenteel voorkomt. Maar raadzaam is zo’n beleid wel, evenals een fonds om economische kansen op te pakken en economische tegenvallers te pareren. Zo pleit het Internationale Monetaire Fonds (IMF) in zijn jaarlijkse bilaterale consultatie om daar liquiditeiten voor beschikbaar te stellen. De overheid heeft de National Export Strategy (NES) vastgesteld als economisch beleid voor de toekomst. Maar het plan mist een substantiële impuls op het gebied van financiën, regelgeving en controle om de  vastgestelde prioriteitssectoren en activiteiten te stimuleren die als prioriteit worden aangemerkt. Daarmee lijkt NES vooralsnog meer op een ver toekomstbeeld.

Dringende noodzaak

Zonder een beleidskader met duidelijke criteria, en zonder onafhankelijke en deskundige monitoring, schuilt het risico van willekeur. Drs. Van den Bergh acht het wenselijk dat aan elke aanvraag voor bedrijfssteun een gedetailleerd bedrijfsplan wordt toegevoegd met realistische targets, duidelijkheid over de uitvoeringscapaciteit, en harde deadlines. Aan de kant van de overheid is deskundige en onafhankelijke monitoring vereist.

Maar de dringende noodzaak voor duidelijke regelgeving, toezicht en handhaving geldt niet alleen voor sectoren en bedrijven die overheidssteun aanvragen, maar voor het hele terrein waarbinnen het bedrijfsleven hoort te functioneren. Het Curaçaose bedrijfsleven zit opgescheept met verouderde wet- en regelgeving die de overheid in staat stelt om markten op Curaçao te beïnvloeden en te sturen. Bijvoorbeeld via het vaststellen van prijzen, het reguleren van het aanbod of via fiscale incentives. Des te kwalijker is de onduidelijkheid in het functioneren van de vele inspecties en autoriteiten die namens de overheid toezicht houden op deze gereguleerde markt. Zowel het bedrijfsleven als andere sectoren en burgers klagen over willekeurig en ad-hoc controleren en handhaven. Er is geen sprake van een ‘level playing field’.

Reikwijdte

Kortom, de reikwijdte van de zorgplicht van de overheid voor de private sector kan op het gebied van de financiële steun in bijzondere gevallen, onder strakke voorwaarden en heldere criteria iets opgerekt worden. Maar belangrijker is dat een transparant beleid wordt geformuleerd in die sectoren waar reeds een zorgplicht of -intentie bestaat, en waarin de bestaande wet- en regelgeving worden aangepast aan de realiteit van 2024. Ook dient de overheid te zorgen voor een goed inspectieapparaat dat eerlijk en effectief toezicht houdt en de regels handhaaft.

 

Namens de ondervoorzitter van de Raad van Advies
Mevrouw mr. C. Raphaëla, secretaris