Adviezen
RvA no. RA/22-25-LV: Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene weduwen- en wezenverzekering
Ontvangstdatum: 26/11/2025
Publicatie datum: 05/03/2026
(Zittingsjaar 2025-2026-241)
Initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (Zittingsjaar 2025-2026-241)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 25 november 2025 om het oordeel van de Raad van Advies[1] inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 9 februari 2026 en 23 februari 2026, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Lopende trajecten over systematiek -aanpassing van uitkeringen c.q. pensioenbedragen geregeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering
a. Het traject van de initiatiefontwerplandsverordening
De Raad van Advies heeft de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (Zittingsjaar 2025-2026-241) (hierna: het initiatiefontwerp) voor advies ontvangen. Middels het initiatiefontwerp beogen de initiatiefnemers de volgende twee doelen te bereiken: (a) het wijzigen van de systematiek voor de jaarlijkse aanpassing van de uitkeringen c.q. pensioenbedragen (hierna: uitkeringen) als bedoeld in de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna: de LvAOV) en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (hierna: de LvAWW) en (b) de invoering van een aanvullend ouderdomspensioen.
Het eerste voorgenomen doel houdt verband met de nieuwe systematiek van aanpassing van de AOV-uitkeringen en de uitkeringen c.q. pensioenbedragen, bedoeld in de LvAWW (hierna: AWW-uitkeringen) die met ingang van 1 maart 2013 bij de in P.B. 2013, no. 24 afgekondigde (wijzigings)landsverordening is ingevoerd.[2] Volgens de considerans van deze (wijzigings)landsverordening is bedoelde aanpassingssystematiek ingevoerd omdat het noodzakelijk is maatregelen te introduceren ten einde het Ouderdomsfonds structureel te saneren en de uitkeringen aan gepensioneerden voor een langere termijn te garanderen.
Vanaf 1 maart 2013 staan de LvAOV en de LvAWW een indexatie van de AOV- en AWW-uitkeringen alleen toe indien er sprake is van economische groei, gemeten over de periode augustus in een jaar tot augustus in het volgende jaar.[3] Aangezien het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: het CBS) de economische groei niet over augustus meet maar over een kalenderjaar, is er geen cijfer van de economische groei gemeten over augustus in een jaar tot augustus in het volgende jaar en is dit cijfer niet beschikbaar over de jaren sinds de inwerkingtreding van de gewijzigde LvAOV en de LvAWW op 1 maart 2013. Het gevolg van het uitblijven van een wettelijke aanpassing van de gekozen aanpassingssystematiek is dat er nog geen technisch uitvoerbare grondslag is voor indexatie van de AOV– en AWW-uitkeringen. Hierdoor zijn deze uitkeringen sinds 1 maart 2013 niet geïndexeerd.
Dit laatste heeft geleid tot toenemende ontevredenheid onder uitkeringsgerechtigden en daardoor tot verhitte maatschappelijke discussies en protesten. Door de schrijnende situatie van met name personen in het genot van uitsluitend een AOV-uitkering als gevolg van het uitblijven van indexatie van de AOV-uitkering en het gevoel dat niet binnen afzienbare tijd dit vraagstuk van overheidswege opgelost zal worden, hebben bepaalde burgers, organisaties of andere belanghebbenden één of meerdere rechtsprocedures aangespannen tegen de openbare rechtspersoon Curaçao c.q. de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).[4] De initiatiefnemers pogen met dit initiatiefontwerp deze langslepende maatschappelijke discussie op te lossen door de niet uitvoerbare voorwaarde opgenomen in de per 1 maart 2013 gewijzigde LvAOV en LvAWW te corrigeren.
De Raad constateert dat met de onderhavige wetswijziging naar een definitieve oplossing van bovengenoemd vraagstuk van de indexering van de AOV- en AWW-uitkeringen wordt gezocht. Daarbij is van belang om een structurele en uitvoerbare oplossing te vinden die zoveel mogelijk door alle belanghebbenden gedragen kan worden en waarbij rekening wordt gehouden met relevante details, zoals rechterlijke uitspraken en economische en financiële effecten voor zowel de belanghebbenden, de SVB als de overheid.
Aangezien er thans één of meer rechtszaken lopen over de niet-geïndexeerde AOV-uitkeringen in de afgelopen jaren, zou bij een eerstvolgende aanpassing van de LvAOV gelijk ook met hieruit voortvloeiende eventuele onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraken rekening gehouden moeten worden. Volgens de Raad zou het vervolgen van het traject van het initiatiefontwerp daarom een gemiste kans zijn als daarbij niet tevens rekening zou worden gehouden met de rechterlijke uitspraak of uitspraken. Indien de LvAOV enkel aangepast wordt op basis van het initiatiefontwerp zou voor de uitvoering van de rechterlijke uitspraak – voor zover nodig – de LvAOV wederom moeten worden aangepast. Het is immers in het belang van eenieder dat de LvAOV (en de LvAWW) in één keer definitief wordt (of worden) gewijzigd teneinde de indexering op adequate wijze te regelen. De positie van de regering in deze is anders. In dit verband wordt verwezen naar het volgende onderdeel.
b. Het traject van een regeringsontwerplandsverordening als uitvloeisel van het Convenant
Het vorenstaande neemt echter niet weg dat de regering ondertussen ook met voortvarendheid een aanvang zal moeten maken met het wetgevingstraject om de LvAOV en de LvAWW aan te passen teneinde vertragingen in het oplossen van de pensioenindexatieproblematiek te voorkomen. Apart van het initiatiefontwerp is immers op 18 december 2025 een Convenant door drie ministers, namens de openbare rechtspersoon Curaçao, met een viertal organisaties (hierna: het Convenant) getekend met de intentie om dezelfde langslepende kwestie over de uitgebleven indexatie van de AOV- en AWW-uitkeringen buiten de wettelijke regeling om op te lossen.[5] [6]
In het Convenant wordt uitdrukkelijk bepaald (artikel 4, vijfde lid, laatste zin) dat het Convenant van rechtswege zijn werking verliest op het moment dat de LvAOV gewijzigd is op een wijze die uitvoering geeft aan de afspraken die in het Convenant zijn opgenomen. Dit zal met zich meebrengen dat de regering met gerede spoed, ter voorkoming van niet te rechtvaardigen verdere vertraging, conform de vigerende regels binnen ons democratische rechtsstaat een daartoe strekkende ontwerplandsverordening tot wijziging van de LvAOV (en de LvAWW) in procedure moet brengen.
Er van uit mag worden gegaan dat de memorie van toelichting behorende bij deze ontwerplandsverordening ten minste een uitgebreide uiteenzetting ten aanzien van de door de regering ingeslagen weg zal bevatten, waaronder over het volgende:
- een motivering waarom gekozen is om vooruitlopend op een nog niet formeel aangevangen wetgevingstraject, te starten met de uitvoering van de indexatie van de AOV-en AWW-uitkeringen. Uiteengezet dient te worden waarom deze keuze niet in strijd is met onder meer het legaliteitsbeginsel en de rechtszekerheid. Er is immers uitvoering gegeven aan de indexatie door uitkeringen door de SVB te laten uitbetalen zonder dat daarvoor bijvoorbeeld de juiste formules/berekeningsmethoden en voorwaarden in de LvAOV en de LvAWW zijn vastgesteld. Door deze weg te bewandelen zijn overigens de Staten niet formeel in de gelegenheid gesteld zich uit te spreken over de door de regering gekozen oplossing inclusief alle gevolgen en financiële consequenties van de voorgenomen oplossing.
- een motivering over de gekozen vorm van compensatie van verzekerden voor het uitblijven van indexering van de AOV- en AWW-uitkering over het tijdvak 1 maart 2023 tot en met 31 december 2025;
- een gedegen gekwantificeerd inzicht in de financiële gevolgen van de gekozen oplossing en de wijze waarop voorzien zal worden in een structurele (duurzame) dekking van de betrokken kosten[7]. Vermeldenswaardig is dat een eventueel tekort in het Ouderdomsfonds, ingeval dat niet door het Schommelfonds Sociale Verzekeringen (hierna: het Schommelfonds) gedekt kan worden, ten laste zal komen van de begroting van het land Curaçao (zie artikel 14 in samenhang met artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank). In dit verband wordt ook verwezen naar de brief d.d. 15 december 2025 (met kenmerk Cft 202500149) van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten;
- een gedegen beeld van de sociaal en financieel-economische gevolgen verbonden aan de gekozen oplossing.
Voor een gedegen beoordeling van de door de regering gekozen oplossing dient in ieder geval laatstgenoemde elementen in kaart te zijn gebracht. In het licht hiervan en de omstandigheid dat de beoordeling van de vanaf 1 maart 2013 gerezen indexeringsproblematiek nog ‘sub judice’ is, zal de Raad van Advies overeenkomstig artikel 64 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) in samenhang met artikel 19 van de Landsverordening Raad van Advies pas bij ontvangst van deze ontwerplandsverordening de regering adviseren over deze aangelegenheid.
c. De financiële risico’s en de (financiële) haalbaarheid
De Raad onderkent het belang van het recht van initiatief van de Staten (artikel 77 van de Staatsregeling). Het is een recht dat aan de Staten de mogelijkheid geeft om zelf met wetgevingsvoorstellen te komen. In onze democratische rechtsstaat past het om dit recht zoveel mogelijk te waarborgen.
Niettemin is het ook van belang om in dezelfde democratische rechtsstaat kwalitatief goede wetgeving te hebben. Wetgeving dient niet alleen te voldoen aan grondrechten, algemene beginselen van goede wetgeving en algemene beginselen van behoorlijk bestuur maar moet ook een gedegen verantwoording te bevatten waarom overheidsinterventie noodzakelijk is (noodzakelijkheidscriterium) alsmede een gedegen gekwantificeerd inzicht van de financiële gevolgen van de voorgenomen wetgeving en de dekking daarvan. Ten aanzien van dit laatste wordt verwezen naar artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 in samenhang met aanwijzing 157, onderdeel h, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr).
Door de initiatiefnemers is terecht geconstateerd dat overheidsinterventie noodzakelijk is in de langslepende kwestie van de pensioenindexeringssystematiek opgenomen in de LvAOV en de LvAWW.[8] Het initiatiefontwerp – dat alleen voor de toekomende tijd een oplossingsvoorstel bevat[9] – zou in principe aan het noodzakelijkheidscriterium kunnen voldoen.
Bij de beoordeling van een ontwerpregeling dient stilgestaan te worden bij de financiële haalbaarheid van het voorgestelde daarin. In de memorie van toelichting behorende bij het initiatiefontwerp (hierna: memorie van toelichting) dienen voldoende gegevens aangedragen te worden om alle financiële risico’s te kunnen identificeren en vaststellen. Door het gestelde in onderdeel II. ‘3. De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp’ concludeert de Raad dat in het initiatiefontwerp niet voldoende rekening is gehouden met deze risico’s waardoor ten aanzien van dit initiatiefontwerp niet in voldoende mate voldaan is aan bovengenoemde verantwoordingsplicht.
d. Advies
Tijdens de behandeling door de Raad van het initiatiefontwerp is door de regering en een viertal organisaties een convenant getekend met als hoofdonderwerp de indexatie van de AOV (en de AWW-) uitkeringen. Uit het Convenant kan worden opgemaakt dat de regering – afgezien van de rechtstatelijke gehoudenheid – voornemens is om een ontwerplandsverordening ter uitvoering van de afspraken, opgenomen in het Convenant, in procedure te brengen. De Staten zullen als medewetgever tijdens de parlementaire behandeling van bedoelde ontwerplandsverordening de gelegenheid krijgen om zich formeel hierover uit te laten. Ten aanzien van het initiatiefontwerp is, zoals hierboven in onderdeel c is aangegeven, niet in voldoende mate voldaan aan bovengenoemde verantwoordingsplicht.
Zonder tekort te willen doen aan het recht van de Staten om met een initiatiefwetsvoorstel te komen, is de Raad van oordeel dat in dit bijzonder geval de voorgenomen wijziging van de LvAOV en de LvAWW, zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, minder opportuun is en geeft de indieners in overweging om (van) de verdere behandeling ervan vooralsnog af te zien. Dit heeft te maken met het feit dat de regering voldoende tijd gegeven moet worden om de indexering van de AOV- en de AWW-uitkeringen (definitief) deugdelijk te regelen. Echter als dit traject naar redelijkheid en billijkheid een te lang tijdsbeslag krijgt, kan door de Staten worden overwogen om een aangepaste initiatiefontwerplandsverordening in procedure te brengen. In de geest van deze opvatting maakt de Raad met betrekking tot het initiatiefontwerp de hiernavolgende algemene en inhoudelijke opmerkingen.
2. Alternatief in 2018 voor de uitvoerbaarheid van de met ingang van 1 maart 2013 ingevoerde voorwaardelijke indexatie
De toepassing van de met ingang van 1 maart 2013 ingevoerde voorwaardelijke indexatie is vanwege uitvoeringstechnische problemen tot op heden uitgebleven. In onderdeel ‘1.1 Uitblijven van aanpassing van de AOV-uitkering aan reële economische groei’ van het algemene deel van de memorie van toelichting (pagina 1) wordt als mogelijk alternatief genoemd de zogenaamde hoofdcomponentenmethode, met maandelijkse proxy-indicatoren. De Raad van Advies heeft in zijn advies van 19 juni 2018 met kenmerk RvA no. RA/13-18-LV[10] een ander alternatief aangedragen. De Raad heeft geadviseerd om gebruik te maken van het Bruto Binnenlands Product (hierna: BBP) als indicator om de mate van reële economische groei te meten. De jaarcijfers van het nominale BBP worden in mei van elk jaar gepubliceerd door het CBS, hetgeen betekent dat slechts de grondslag-periode in de artikelen 7, derde lid, van de LvAOV en 11, achtste lid, van de LvAWW, gewijzigd moet worden van “augustus tot augustus” in “mei tot mei”. Met dit vorengenoemde voorstel zouden de financiële consequenties voor het Ouderdomsfonds relatief beperkt blijven ten opzichte van het in artikel I, onderdeel A, en artikel II, onderdeel A, van het initiatiefontwerp voorgestelde onvoorwaardelijke indexatie, namelijk een automatische indexatie wanneer de kosten van levensonderhoud zijn gestegen (inflatie).
De Raad adviseert in bovengenoemd onderdeel van de memorie van toelichting ook te verwijzen naar het alternatief dat de Raad van Advies in 2018 heeft aangedragen.
3. AOV- en AWW-uitkering in relatie tot armoedebestrijding onder ouderen
Onderkend moet worden dat zelfs bij volledige correctie van de indexeringsachterstand en invoering van een aanvullend ouderdomspensioen, zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, een substantieel deel van de ouderen naar verwachting onder het door het CBS berekende objectief bestaansminimum zal blijven. De voorgestelde nieuwe indexatiesystematiek in het initiatiefontwerp en de door de initiatiefnemers[11] veronderstelde compensatie zijdens de overheid van de opgelopen achterstand in indexatie van AOV- en AWW-uitkeringen compenseren deels het koopkrachtverlies van de AOV- en AWW-gerechtigden, maar zijn volgens de Raad op zichzelf onvoldoende om de structurele armoede onder ouderen in Curaçao weg te nemen. Het aanvullend ouderdomspensioen kan weliswaar bijdragen aan vermindering van armoede onder de meest kwetsbare ouderen, maar dat het, gezien de beperkte reikwijdte en de strikte toelatingscriteria, niet mag worden gezien als een volledige armoedestrategie voor deze groep. Zie in verband met de noodzaak voor het treffen van aanvullende maatregelen ook het advies van de Sociaal-Economische Raad (hierna: de SER) [12] van 9 oktober 2025 (ref nr. 108/2025-SER).
De Raad beveelt aan de regering aan te sporen om parallel aan dit traject een breder en evenwichtig inkomensbeleid te ontwikkelen gericht op het realiseren van bestaanszekerheid voor ouderen.
II. Algemene opmerkingen met betrekking tot het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting
1. Delegatie
In artikel I, onderdelen A en B, van het initiatiefontwerp wordt voorgesteld om het tweede en derde lid van artikel 7 van de LvAOV te wijzigen. Het is opgevallen dat in het nieuw voorgestelde tweede lid van artikel 7 van de LvAOV niet meer de mogelijkheid voorkomt om het pensioenbedrag bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen aan te passen. In de eerste zin van het voorlaatste tekstblok van paragraaf 4 ‘Advies van de SER’ van de memorie van toelichting (pagina 10) wordt aangegeven dat de reden hiervoor is dat de SER van mening is dat delegatie aan een landsbesluit, houdende algemene maatregelen, het risico van politieke willekeur creëert.
In paragraaf 5.2 ‘Afwegingen m.b.t. wetgevingstechniek, bestuurlijke uitvoerbaarheid en toezicht’ van het advies van de SER d.d. 9 oktober 2025 over het ‘Advies inzake initiatief-ontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordeningen Algemene Ouderdomsverzekering (AOV) en Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWW), Zittingsjaar 2024-2025-241’, met referentienummer 108/2025-SER, wordt aangegeven op welke wijze politieke willekeur voorkomen kan worden[13]. Volgens de SER sluit de voorgestelde techniek in het initiatiefontwerp, waarbij de indexatie bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, per 1 januari wordt vastgesteld, aan bij de historische uitvoeringspraktijk mits de berekeningsmethode in de wet (lees: het initiatiefontwerp) zelf is verankerd. Daarbij geldt de additionele voorwaarde dat de delegatie volgens de SER niet verder mag reiken dan de jaarlijkse vaststelling van het percentage.
Volgens de Raad is in het initiatiefontwerp onvoldoende rekening gehouden met het advies van de SER. Uit de formulering van het tweede en derde lid van het voorgestelde artikel 7 van de LvAOV volgt immers dat het pensioenbedrag jaarlijks bij landsverordening dient te worden gewijzigd.
Bij verdeling van de elementen van een regeling over de landsverordening en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat – zoals aangegeven in aanwijzing 15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving – de landsverordening ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de landsverordening zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer. De Raad is van oordeel dat indien – zoals van oudsher ook in de LvAOV tot nu is gedaan – de berekeningsmethode voor aanpassing van de AOV-uitkering in de LvAOV zelf wordt geregeld, de vaststelling van het percentage waarmee de AOV-uitkering jaarlijks verhoogd moet worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan plaatsvinden. Een dergelijke aanpassing is niet van die betekenis dat directe parlementaire invloed op de vaststelling daarvan in de rede ligt. Dit geldt te meer nu de betrokken indexatie niet facultatief is.
Bovendien betwijfelt de Raad of bovengenoemde jaarlijkse wijziging bij landsverordening uitvoerbaar zal blijken te zijn. Zelfs indien er in één of meerdere jaren geen wijziging zal moeten plaatsvinden is het niet onaannemelijk dat het wetgevingsproces in deze vertraging zou kunnen oplopen. Daardoor zal de jaarlijkse indexatie van het pensioenbedrag volgens de Raad in gedrang komen.
De Raad is van oordeel dat, in lijn met het advies van de SER, in het voorgestelde artikel 7 van de LvAOV maar ook in het voorgestelde artikel 11 van de LvAWW, de berekeningsmethode vastgesteld moet worden en dat het jaarlijkse percentage van de indexering bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld moet worden.
De Raad adviseert om de onderdelen A en B van artikel I van het initiatiefontwerp aan te passen.
2. Adviezen van derden
In de toelichting op een wettelijke regeling dient vermeld te worden welke adviescolleges en andere instanties of organisaties zijn gehoord. Uit de memorie van toelichting en de bij het adviesverzoek gevoegde stukken volgt niet welke adviezen, anders dan die van de SER, over het initiatiefontwerp zijn ingewonnen. De Raad is van oordeel dat gelet op de taken die aan de SVB en het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn zijn toegekend, waaronder de handhaving en het toezicht, het van belang is dat tevens advies van de SVB en genoemd ministerie wordt ingewonnen. Aangezien in de memorie van toelichting ook wordt gesproken over de maatregel van het legaliseren van niet-gedocumenteerde vreemdelingen die gepaard moet gaan met het voorgestelde in het initiatiefontwerp, is het noodzakelijk om ook het advies van het Ministerie van Justitie in te winnen.
De Raad adviseert om, alvorens over te gaan tot behandeling van het initiatiefontwerp door de Staten, de regering te verzoeken ten behoeve van de Staten de hierboven genoemde adviezen in te winnen en het initiatiefontwerp zo nodig aan te passen. Ook wordt geadviseerd om in de memorie van toelichting op bedoelde adviezen in te gaan.
Daarnaast verzoekt de Raad voornoemde adviezen zodra deze beschikbaar zijn aan hem toe te sturen teneinde alsnog een aanvullend advies uit te brengen indien daartoe aanleiding bestaat.
3. De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp
a. De noodzaak voor een totaal cijfermatig beeld
Volgens de Raad moet zorgvuldig worden gekeken naar de financiële effecten van voorgenomen wettelijke maatregelen. Op grond van artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 in samenhang met aanwijzing 157, onderdeel h, van de Aanwijzingen voor de regelgeving moet in de financiële paragraaf de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld.
Hoewel in de toelichting op artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 niets over is vermeld, maakt de Raad, gezien de laatste zin, daaruit op dat het artikel alleen ministers bindt. Naar het oordeel van de Raad is dit echter ook van invloed op de Staten omdat de lasten voor de overheid die voortvloeien uit een initiatiefontwerp ook op de begroting van het Land kunnen gaan drukken. In dit specifiek geval is het duidelijk dat er meerkosten zullen voortvloeien. In dit kader moet voor ogen worden gehouden dat indien de kosten in het onderhavige geval niet of niet geheel gedekt kunnen worden uit het Ouderdomsfonds en/of het Schommelfonds, het Land ingevolge artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank[14] garant staat voor de verplichtingen van de SVB.
Gelet op de omvang en de potentiële begrotingsimpact acht de Raad het onontbeerlijk dat iedere wijziging van de LvAOV en LvAWW op dit punt ten minste voorziet in:
- een integrale en volledig transparante berekening over de gehele periode vanaf 1 maart 2013, met een duidelijke afbakening van de jaren waarop de voorgestelde correctie betrekking heeft;
- een kasstroomanalyse waarin wordt uiteengezet over welke jaren de hieruit voortvloeiende totale lasten zullen worden gespreid;
- meerdere scenario-analyse, gebaseerd op verschillende aannames over economische groei, inflatie en demografische ontwikkeling; en
- een deugdelijk onderbouwd dekkingsplan waarin de financiële gevolgen voor het Ouderdomsfonds, het Schommelfonds en de overheidsbegroting inzichtelijk zijn gemaakt.
b. Financiële gevolgen indexering
Voor het bepalen van de financiële gevolgen van het initiatiefontwerp gaan de initiatiefnemers[15] ervan uit dat de overheid de achterstand van de AOV-uitkering op grond van de bestaande grondslag (reële economische groei) herstelt en budgetneutraal de verschuldigde aanpassingen van de AOV-uitkering vanaf 1 januari 2016 bekostigt. Naar schatting van de initiatiefnemers komt het maximumbedrag daarvan uit op: 54.000 x Cg 2.800 = Cg 151,2 miljoen bruto (vóór belastingen en premies).
Voor inschatting van de financiële gevolgen van de onderhavige wijziging van de LvAOV zijn initiatiefnemers uitgegaan van het bedrag dat in 2024 volgens het jaarverslag van de SVB is uitgekeerd aan AOV-uitkeringen, namelijk Cg 395,7 miljoen (afgerond Cg 396 miljoen).
In de volgende onderdelen maakt de Raad enkele opmerkingen ten aanzien van het bovenstaande.
1º. Bedrag per AOV-gerechtigde
Uit het initiatiefontwerp is volgens de Raad niet op te maken hoe het gehanteerde bedrag ad Cg 2.800 welke volgens de initiatiefnemers gemiddeld aan iedere AOV-rechthebbende toekomt, tot stand is gekomen.
De Raad adviseert dit gehanteerde bedrag ad Cg 2.800,- nader toe te lichten in onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting.
2º. Totale last van de door te voeren correctie
Voor de berekening van de financiële lasten verbonden aan de door te voeren correctie, betrekken de initiatiefnemers de periode vanaf 2016. Vermeldenswaardig is dat de gewijzigde Lv-AOV in maart 2013 is ingegaan en er ook in 2015 sprake was van economische groei, namelijk van 0,5%. Voorts is uit de memorie van toelichting niet op te maken tot welk jaar de berekeningen in het initiatiefontwerp betrekking hebben, 2024 of 2025 of een ander jaar.
De Raad adviseert in onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting te verduidelijken waarom niet vanaf 1 maart 2013 is gerekend (maar vanaf 1 januari 2016) en voorts om aan te geven tot en met welk jaar bij de berekeningen ervan uit is gegaan.
3º. Uitkering verschuldigde aanpassingen
De initiatiefnemers komen tot een totaal uit te keren bedrag van Cg 151,2 miljoen en geven aan dit budgetneutraal uit te keren. Volgens de Raad dienen de initiatiefnemers er rekening mee te houden met het geval er in de begroting van het Land budgetruimte is die niet van dien aard zal zijn om het bedrag van Cg 151,2 miljoen ineens te absorberen.
In dit verband adviseert de Raad in het onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting aan te geven over hoeveel jaren het totaal uit te keren bedrag van de correctie uitgesmeerd dient te worden. Voorts adviseert de Raad omtrent de haalbaarheid van het eventueel uitsmeren van het bedrag der correctie over een aantal jaren – vooral uitgaande van budgetneutraliteit – het Ministerie van Financiën te consulteren.
4º. Accuraatheid verschuldigde bedrag
Bij de berekening van de financiële consequentie van de aanpassing van AOV-uitkering zijn de initiatiefnemers uitgegaan van de door de SVB in 2024 uitgekeerde totale AOV-uitkeringen. Echter aangezien het totaalbedrag uitgekeerd aan AOV-uitkeringen in de daarvoor liggende jaren volgens de Raad lager zal zijn geweest en niet iedere AOV-gerechtigde recht zal maken op indexatie over de volle periode zullen om deze redenen de lasten neerwaarts worden beïnvloed.
De Raad adviseert rekening houdend met de bovenstaande punten, het initiatiefontwerp aan te vullen.
c. De kerstuitkering
In de artikelen 22a tot en met 22c van de LvAOV wordt de kerstuitkering geregeld. In het eerste lid van artikel 22b van de LvAOV wordt bepaald dat de kerstuitkering 100 procent bedraagt van het bedrag aan ouderdomspensioen waarop recht bestond in de maand september.
Ten aanzien van de toeslag op het ouderdomspensioen, geregeld in artikel 7a van de LvAOV, zijn de artikelen 22a tot en met 22c van de LvAOV van overeenkomstige toepassing verklaard (zie het zesde lid van artikel 7a van de LvAOV). Dit heeft als gevolg dat de kerstuitkering berekend wordt door het ouderdomspensioen te vermeerderen met de toeslag.
Het is opgevallen dat in het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV de artikelen 22a tot en met 22c niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op het aanvullend pensioen. Aangezien er een toelichting op het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV ontbreekt, is het niet duidelijk om welke reden het aanvullend pensioen geen deel moet uitmaken van de pensioengrondslag voor de berekening van de uit te betalen kerstuitkering.
Indien de initiatiefnemers van mening zijn dat het aanvullend pensioen wel deel moet uitmaken van de grondslag voor het uitbetalen van de kersuitkering dan dient het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV aangepast te worden door daarin de artikelen 22a tot en met 22c op te nemen. Daarbij dient volgens de Raad tevens rekening te worden gehouden met een eventuele toename van de kosten ten laste van het Ouderdomsfonds.
d. Kwantificering en dekking van de kosten van het aanvullend pensioen
In de laatste zin van paragraaf ‘Dekking aanvullend pensioen’ van het onderdeel ‘2 Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting (pagina 9 van de memorie van toelichting) wordt aangegeven dat ervan uitgegaan wordt dat het aanvullend pensioen geen extra begrotingsuitgaven voor het Land met zich mee zal brengen. Getracht is een cijfermatige onderbouwing hiervan te geven; de Raad acht deze onderbouwing echter niet aannemelijk.
Ter illustratie van dit laatste het volgende. In de tabel op pagina 9 van de memorie van toelichting worden verschillende scenario’s gebruikt om de kosten verbonden aan de uitbetaling van het aanvullend pensioen inzichtelijk te maken. Bij het meest positieve scenario bedragen de lasten Cg 26,2 miljoen (dat is bij 5.000 gerechtigden). Thans betaalt het ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn – volgens de initiatiefnemers – een bedrag van Cg 20,2 miljoen. Zelfs bij het meest positieve scenario is er nog een financiële gap van Cg 6 miljoen (zijnde het verschil tussen Cg 26,2 miljoen en Cg 20,2 miljoen) waarvoor er afgaande op de memorie van toelichting geen concrete dekking is.
Naarmate het scenario negatiever wordt c.q. het aantal gerechtigden toeneemt, wordt de financiële gap alleen maar groter en zou – uitgaande van de tabel op pagina 9 – zelfs circa Cg 19,8 miljoen kunnen bedragen (zijnde het verschil tussen Cg 39,96 miljoen en Cg 20,2 miljoen). Dus het uitgangspunt van de initiatiefnemers dat het aanvullend pensioen geen extra kosten voor het Land met zich mee zal brengen, is niet aannemelijk gemaakt. Er dient rekening te worden gehouden met een financieel risico dat nu niet te kwantificeren is, doch minimaal Cg 6 miljoen zou kunnen bedragen.
Naar het oordeel van de Raad vormt deze onduidelijkheid omtrent een potentieel financieel risico van ten minste Cg 6 miljoen, oplopend tot circa Cg 19,8 miljoen afhankelijk van het scenario, op zichzelf reeds een wezenlijk bezwaar tegen het thans voorliggende voorstel. Zolang geen realistisch en deugdelijk onderbouwd dekkingsplan is uitgewerkt, kan niet worden gesproken van financieel verantwoorde wetgeving.
De Raad adviseert de memorie van toelichting aan te passen.
III. Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting
1. Het initiatiefontwerp
a. De maximumhoogte van de AOV (artikel I, onderdeel C)
In het nieuw voorgestelde vierde lid van artikel 7 van de LvAOV wordt kortgezegd bepaald dat het gezamenlijk bedrag van het ouderdomspensioen en aanvullend ouderdomspensioen ten hoogste 70 procent van het vastgestelde bedrag van het minimumloon mag zijn. Uit de memorie van toelichting is niet gebleken om welke reden voor een percentage van 70 procent van het vastgestelde bedrag van het minimumloon is gekozen.
De Raad adviseert om in de memorie van toelichting hierop in te gaan.
b. De voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullend pensioen (artikel I, onderdeel D)
1º. Inleiding
In het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV worden een aantal voorwaarden genoemd om in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullend ouderdomspensioen. Deze voorwaarden zullen hierna besproken worden.
2º. Het gezamenlijk inkomen
In onderdeel a van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt bepaald dat het gezamenlijk inkomen van het huishouden waartoe de aanvrager behoort minder moet zijn dan de door het CBS voor dat jaar berekende objectief bestaansminimum geldig voor het huishouden waartoe hij behoort. Het is niet duidelijk om welke reden aan het toekennen van een aanvullend pensioen een strengere eis wordt gesteld dan bijvoorbeeld aan de toeslag bedoeld in artikel 7a van de LvAOV. Volgens onderdeel a van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt immers gekeken naar ‘het gezamenlijk inkomen van het huishouden waartoe de aanvrager behoort’. In tegenstelling daarmee wordt in het eerste lid van artikel 7a van de LvAOV alleen gekeken naar ‘het gezamenlijk inkomen’. De Raad is van oordeel dat duidelijk gemaakt moet worden waarom aan het toekennen van een aanvullend pensioen een strengere eis wordt gesteld dan aan het toekennen van hogerbedoelde toeslag.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting, en indien nodig het initiatiefontwerp, aan te passen.
3º. Het huishouden waartoe de aanvrager behoort
In onderdeel a van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt, voor zover relevant, gesproken over het huishouden waartoe de aanvrager behoort. Het is niet duidelijk op welke wijze vastgesteld zal worden tot welke huishouden de aanvrager behoort. Volgens de Raad dient met andere woorden duidelijk gemaakt te worden hoe een aanvrager mag bewijzen tot welke huishouden hij behoort.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
4º. De (eenmalige) aanvraag om aanvullend pensioen
Volgens onderdeel a van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV komt de aanvrager in aanmerking voor een aanvullend pensioen indien het gezamenlijk inkomen van het huishouden waartoe deze aanvrager behoort minder is dan het voor dat jaar berekende objectief bestaansminimum. Het is niet duidelijk of met de zinsnede ‘voor dat jaar’ bedoeld wordt dat de aanvrager slechts eenmalig een aanvraag mag indienen of dat hij elk jaar een nieuwe aanvraag moet indienen.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
5º. Het onderscheid tussen ingezetene en niet-ingezetene
In onderdeel b van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7 van de LvAOV wordt, voor zover relevant, bepaald dat de aanvrager van het aanvullend pensioen ingezetene van Curaçao moet zijn geweest. In tegenstelling hiermee komen op grond van artikel 5, in samenhang gelezen met artikel 1, van de LvAOV zowel ingezetenen als niet-ingezetenen in aanmerking voor een AOV-uitkering (basispensioen).
De Raad mist een motivering in de memorie van toelichting waarin wordt ingegaan op het onderscheid dat op grond van het initiatiefontwerp gemaakt zal worden tussen ingezetenen en niet-ingezetenen. In de memorie van toelichting dient uiteengezet te worden of er voldoende redelijke en objectieve gronden zijn die het gemaakte onderscheid rechtvaardigen. Immers indien een gerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt, levert dit geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel opgenomen in artikel 3 van de Staatsregeling en artikel 14 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
6º. Ingezetene zijn geweest
In onderdeel b van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7 van de LvAOV wordt bepaald dat de aanvrager ingezetene van Curaçao moet zijn geweest voor een periode van tenminste drie aaneengesloten maanden voorafgaande aan de aanvraag. Met de formulering van dit artikelonderdeel, en in het bijzonder het woord ‘geweest’, wordt de indruk gewekt dat een aanvrager nadat hij een aanvraag heeft ingediend geen ingezetene van Curaçao meer hoeft te zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een aanvullend pensioen. Volgens de Raad dient het desbetreffend artikelonderdeel zodanig aangepast te worden dat daaruit zal blijken dat de aanvrager (a) bij de aanvraag en gedurende de periode waarin hij in het genot is van het aanvullende pensioen ingezetene is van Curaçao en (b) dat de periode van ingezetenschap, zonder onderbreking, een aanvang heeft genomen drie maanden vóór het indienen van de aanvraag.
Voor een gedegen afbakening van het toepassingsbereik van de LvAOV dient ten eerste de term ‘ingezetene’ eenduidig te worden gedefinieerd en toegepast. Voorts dient opgemerkt te worden dat het uitsluiten van niet-ingezetenen voor indexatie zonder dat een redelijke en objectieve grond daarvoor is, kan resulteren in rechtszaken wegens strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
7º. De aanvangsperiode van de ingezetenschap
In onderdeel b van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7 van de LvAOV wordt bepaald dat de aanvrager ingezetene van Curaçao moet zijn geweest voor een periode van tenminste drie aaneengesloten maanden voorafgaande aan de aanvraag. Het is niet duidelijk om welke reden voor een periode van drie maanden is gekozen.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen.
8º. Geen aanvullend pensioen voor veroordeelden
- De term ‘onherroepelijk gewezen vonnis’
In onderdeel d van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt bepaald dat gedurende de tenuitvoerlegging van een straf geen recht op een aanvullend pensioen bestaat indien de aanvrager op grond van een onherroepelijk gewezen vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf of hechtenis. De Raad is van oordeel dat de formulering ‘een onherroepelijk gewezen rechterlijke uitspraak’ een meer sluitende formulering zal zijn dan ‘een onherroepelijk gewezen vonnis’ aangezien in cassatie arresten plegen te worden gegeven.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
- De (vervangende) hechtenis
Het recht op aanvullende pensioen bestaat volgens onderdeel d van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV ook niet indien het gaat om een veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis. Het is niet duidelijk of onder ‘hechtenis’ ook de vervangende hechtenis moet worden begrepen. De vervangende hechtenis is een straf die wordt opgelegd als een veroordeelde een andere straf zoals een geldboete of een taakstraf niet betaalt of niet naar behoren uitvoert.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
- De voorwaardelijke invrijheidsstelling
Op grond van onderdeel d van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV bestaat er geen recht op een aanvullend pensioen gedurende de tijd van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf. Aangezien er een toelichting op dit artikelonderdeel ontbreekt, is niet duidelijk of de veroordeelde die op grond van de artikelen 1:31 en volgende van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid zijn gesteld ook in aanmerking kan komen voor een aanvullend pensioen.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
c. Over het invullen en ondertekenen van de aanvraag tot verkrijging van aanvullend pensioen (artikel I, onderdeel D)
In het derde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt bepaald dat de aanvraag naar waarheid ingevuld en ondertekend moet zijn. In de artikelen 45 en 46 van de LvAOV wordt kortgezegd een gevangenisstraf gesteld op het onder meer al dan niet opzettelijk geven van valse inlichtingen en gegevens of een valse opgave doen of een feit verzwijgen.[16] Aangezien er een toelichting ontbreekt op dit artikelonderdeel is niet duidelijk hoe het derde lid van het voorgestelde artikel 7b van de LvAOV zich verhoudt tot de artikelen 45 en 46 van dezelfde landsverordening.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.
d. Het verplicht geven van inlichtingen (artikel I, onderdeel D)
In het vierde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt bepaald dat de aanvrager de bewijsstukken moet verstrekken die de SVB nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag. Aangezien er een toelichting ontbreekt op dit artikellid is het niet duidelijk hoe het zich verhoudt tot artikel 35 van de LvAOV. In artikel 35 van de LvAOV wordt de verplichting van eenieder (en dus ook de aanvrager) geregeld om alle inlichtingen ten behoeve van de uitvoering van de LvAOV aan (onder meer) de SVB te geven. Volgens de Raad kan het vierde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV geschrapt worden.
De Raad adviseert om in het initiatiefontwerp het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV te schrappen.
e. Het melden van wijzigingen ten aanzien van het aanvullend pensioen (artikel I, onderdeel D)
Volgens het vijfde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV is de aanvrager gehouden zijn opname in een gesticht of instelling van weldadigheid voor verzorging of verpleging schriftelijk te melden aan de SVB. Aangezien er een toelichting ontbreekt aan dit artikellid is het niet duidelijk hoe het vijfde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV zich verhoudt tot artikel 34 van de LvAOV. In dat artikel wordt de verplichting van de gepensioneerde en het orgaan, bedoeld in artikel 14 van de LvAOV, geregeld om verandering van feiten en omstandigheden welke tot intrekking of verlaging van het pensioen aanleiding geven te melden aan de SVB. Volgens de Raad kan het vijfde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV geschrapt worden gelet op het feit dat artikel 34 van de LvAOV op grond van het achtste lid van artikel 7b van de LvAOV van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het aanvullend pensioen.
De Raad adviseert om in het initiatiefontwerp het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV te schrappen.
f. De beslistermijn van de SVB voor een aanvraag (artikel I, onderdeel D)
1º. Herstel van verzuimen
Uit het zesde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV volgt dat de SVB binnen acht weken nadat de aanvraag is ingediend over dit verzoek moet beslissen. De Raad is van oordeel dat de SVB alleen over een volledig c.q. complete aanvraag kan beslissen nadat er sprake is geweest van een eventueel herstel van verzuimen. Bij deze herstelmogelijkheid kan de aanvrager bijvoorbeeld in de gelegenheid worden gesteld om de bewijsstukken bedoeld in het vierde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV in te dienen. Ten overvloede dient vermeld te worden dat de beslistermijn van acht weken pas begint te lopen wanneer sprake is van een volledig c.q. complete aanvraag.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
2º. Verlengingsmogelijkheid
De Raad is van oordeel dat ten aanzien van de beslistermijn van acht weken in het zesde lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV een verlengingsmogelijkheid van een aantal weken in het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV moet worden opgenomen.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp op dit punt aan te passen.
g. De beslistermijn van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (artikel I, onderdeel D)
1º. Het soort bericht
In het zevende lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt bepaald dat de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (hierna: SG-SOAW) binnen twee weken de SVB moet berichten nadat de SVB een aanvraag aan de SG-SOAW heeft voorgelegd. Het is niet duidelijk wat voor soort bericht de SG-SOAW moet sturen. Het zou immers bijvoorbeeld kunnen gaan om een ontvangstbevestiging, een herstel van verzuimen of een advies over de te nemen beslissing op de aanvraag. Het één en ander moet volgens de Raad duidelijk gespecificeerd worden in het initiatiefontwerp. Ervan uitgaande dat, gezien het zesde lid van artikel 7b van de LvAOV, de SG-SOAW slechts een adviserende rol heeft, zou de gebezigde term ‘bericht’ in het zevende lid moeten worden vervangen door bijvoorbeeld ‘adviseert’ ter voorkoming van verwarring over de bevoegdheidsverdeling.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
2º. Het bestuursorgaan
In artikel 4, eerste lid, van de LvAOV wordt bepaald dat bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering van de desbetreffende landsverordening kunnen worden toegekend aan instanties van het Land. Het is niet duidelijk hoe artikel 4, eerste lid, van de LvAOV zich verhoudt tot het zevende lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV, voor zover het betreft de aanwijzing van de SG-SOAW. Gemotiveerd dient te worden waarom de SG-SOAW in het initiatiefontwerp bij landsverordening wordt aangewezen terwijl de mogelijkheid zou kunnen bestaan om hem bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting en, indien nodig het initiatiefontwerp, aan te passen.
3º. De (haalbaarheid van de) termijn
Volgens het zevende lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV dient de SG-SOAW binnen twee weken nadat een aanvraag aan hem is voorgelegd de SVB te berichten. De Raad mist in de memorie van toelichting een nadere motivering over deze termijn en de haalbaarheid ervan. Het één en ander doordat het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn volgens de toelichting op artikel I van het ontwerp een onderzoek moet doen naar het huishoudinkomen.[17]
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp te passen.
h. Van overeenkomstige toepassing verklaren van een aantal artikelen van de LvAOV op het aanvullend pensioen (artikel I, onderdeel D)
1º. Inleiding
In het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV worden een aantal artikelen van diezelfde landsverordening van overeenkomstige toepassing verklaard op het aanvullend pensioen. In onderdelen 2 tot en met 5 van deze paragraaf van het advies zal de Raad hierop ingaan.
Het is echter opgevallen dat er andere bepalingen van de LvAOV zijn die volgens de Raad ook van overeenkomstige toepassing op het aanvullend pensioen moeten worden verklaard maar die niet in het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV zijn opgenomen. Deze bepalingen zullen in de onderdelen 6 tot en met 9 van deze paragraaf van het advies besproken worden.
De Raad vraagt aandacht hiervoor.
2º. Het uitbetalen van het aanvullend pensioen
In het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt artikel 13, tweede lid, van de LvAOV van overeenkomstige toepassing verklaard op het aanvullend pensioen. In het tweede lid van artikel 13 van de LvAOV wordt bepaald dat de aan het pensioen verbonden kosten van overmaking aan dat pensioen in mindering worden gebracht indien het pensioen in het buitenland wordt uitbetaald. Het is niet duidelijk hoe het bepaalde in het achtste lid van het voorgestelde artikel 7b van de LvAOV zich verhoudt tot de onderdelen a en b van het eerste lid, van dat artikel waaruit volgt dat de aanvrager van een aanvullend pensioen ingezetene van Curaçao moet zijn. Volgens de Raad dient de verwijzing naar artikel 13 in het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV zodanig aangepast te worden dat daarin het tweede lid van artikel 13 van de LvAOV niet van toepassing is op het aanvullend pensioen.
De Raad adviseert om het initiatiefontwerp aan te passen.
3º. Bezwaar en beroep
In het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt artikel 37 van de LvAOV van overeenkomstige toepassing verklaard op het aanvullend pensioen. In onderdeel b van het eerste lid van artikel 37 van de LvAOV wordt bepaald dat aan de belanghebbende een schriftelijke kennis wordt gegeven van een beslissing ingevolge de LvAOV die betrekking heeft op een aantekening als bedoeld in het eerste lid van artikel 31 van de LvAOV. Artikel 31 van de LvAOV gaat kortgezegd over de aantekening in verband met de nalatigheid van een verzekerde om premies te betalen. Volgens de Raad is onderdeel b van het eerste lid van artikel 37, in samenhang gelezen met het eerste lid van artikel 31, van de LvAOV niet van overeenkomstige toepassing op het aanvullend pensioen aangezien daarover geen premies geheven en afgedragen hoeven te worden.
De Raad adviseert met andere woorden om niet artikel ‘37’ te schrijven maar artikel ’37, eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid’. Indien de initiatiefnemers van mening zijn dat deze aanpassing niet behoeft, dan dient dit in de memorie van toelichting gemotiveerd te worden.
4º. Vervallen artikel
In het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV wordt artikel 48 van de LvAOV van overeenkomstige toepassing verklaard. De Raad is van oordeel dat de verwijzing naar artikel 48 in het achtste lid geschrapt kan worden aangezien dat artikel reeds vervallen is.[18]
De Raad adviseert om in het initiatiefontwerp het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV op dit punt aan te passen.
5º. Terugvordering van aanvullend pensioen
Het is opgevallen dat artikel 16 van de LvAOV niet door middel van het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van die landsverordening van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op het aanvullend pensioen. Artikel 16 van de LvAOV gaat over het wel of niet terugvorderen van het reeds uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen. De hoofdregel is dat eenmaal uitbetaalde termijnen van het ouderdomspensioen niet vatbaar zijn voor terugvordering (het eerste lid van artikel 16). In het tweede lid van artikel 16 van de LvAOV wordt een uitzondering op deze hoofdregel geregeld dat kortgezegd inhoudt dat te veel of ten onrechte uitbetaalde pensioen geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd of in mindering worden gebracht op toekomstige uitbetalingen indien sprake is van herziening of intrekking van het ouderdomspensioen overeenkomstig het derde lid van artikel 12 van de LvAOV met terugwerkende kracht. De Raad is van oordeel dat in elk geval in het achtste lid van het nieuwe artikel 7b van de LvAOV het tweede lid van artikel 16 van de LvAOV van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op het aanvullend pensioen.
De Raad adviseert om in het initiatiefontwerp het achtste lid van het nieuwe artikel 7b van de LvAOV aan te passen.
6º. Het eindigen van het aanvullend pensioen
In artikel 17 van de LvAOV wordt de beëindiging van het ouderdomspensioen geregeld. De Raad is van oordeel dat artikel 17 van overeenkomstige toepassing verklaard moet worden op het aanvullend pensioen bedoeld in het nieuwe artikel 7b van de LvAOV. Artikel 17 van de LvAOV dient met andere woorden in het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV te worden opgenomen.
De Raad adviseert in het initiatiefontwerp het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV op dit punt aan te passen.
7º. Ontneming van verkregen voordeel
In artikel 18a van de LvAOV wordt, kortgezegd, de ontneming van verkregen voordeel ten aanzien van het ouderdomspensioen geregeld voor de gevallen waarin ten onrechte te veel pensioen is uitbetaald. De Raad is van oordeel dat artikel 18a van de LvAOV van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard op het aanvullend pensioen bedoeld in het nieuwe artikel 7b van de LvAOV. Dit gelet op het tweede lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV waarin wordt bepaald hoe de vaststelling van het aanvullend pensioen moet geschieden en met welk soort inkomen (uit arbeid en onderneming, subsidie, toelage etc) rekening moet worden gehouden. Artikel 18a van de LvAOV dient met andere woorden in het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV te worden opgenomen.
De Raad adviseert in het initiatiefontwerp het achtste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV op dit punt aan te passen.
i. Evaluatie (artikel III)
In artikel III van het initiatiefontwerp wordt voor zover relevant voorgesteld om telkens na een jaar aan de Staten een verslag inhoudende een evaluatie van de regeling te sturen. De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting gemotiveerd dient te worden waarom voor een periode van een jaar is gekozen.[19] In de memorie van toelichting dient ingegaan te worden op de haalbaarheid en effectiviteit van deze termijn.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting en, indien nodig het initiatiefontwerp, aan te passen.
2. De memorie van toelichting
a. Het stelsel van de algemene ouderdomsverzekering
1º. Het in overeenstemming brengen met artikel 23 van de Staatsregeling van Curaçao
In de tweede zin van paragraaf 1.4 ‘Doel van het ontwerp’ van de memorie van toelichting (pagina 3) wordt aangegeven dat met het initiatiefontwerp onder meer wordt beoogd het stelsel van de algemene ouderdomsverzekering (hierna: het AOV-stelsel) in overeenstemming te brengen met artikel 23 van de Staatsregeling. Volgens de initiatiefnemers heeft de overheid een zorgplicht om te zorgen voor de bestaanszekerheid van de bevolking.
De Raad wijst de initiatiefnemers op het feit dat de overheid vanaf 1960 tot op heden heeft voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van artikel 23 van de Staatsregeling door onder meer te zorgen voor de bestaanszekerheid van de bevolking door onder andere de vaststelling van de LvAOV en de LvAWW. Door de jaren heen is de berekeningswijze gewijzigd, voor het laatst in 2013. De Raad is van oordeel dat de LvAOV met andere woorden niet in overeenstemming gebracht moet worden met artikel 23 van de Staatsregeling maar dat de berekeningswijze van het ouderdomspensioen aan herziening toe is.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
2º. Het in overeenstemming brengen met internationaal recht en andere normen
In de tweede zin van paragraaf 1.4 ‘Doel van het ontwerp’ van de memorie van toelichting (pagina 3) wordt voorts aangegeven dat met het initiatiefontwerp wordt beoogd het AOV-stelsel in overeenstemming te brengen met het International Labour Organization verdrag nummer 2, met de Sustainable Development Goal nummer 1.3 en maatregel E.4 van het Landspakket.
Uit de literatuur volgt dat bij een groot deel van de internationale normen op het gebied van de sociale zekerheid twijfelachtig is of zij als grondrecht kunnen worden gekwalificeerd waarop actief een beroep op kan worden gedaan.[20] Naar de vorm, inhoud en strekking zijn deze normen veeleer instructies aan de overheid om een bepaalde mate van sociale bescherming te realiseren. Voor zover deze normen harde regels bevatten, vergen zij doorgaans de nodige uitvoeringsmaatregelen.
De Raad is van oordeel dat in de memorie van toelichting uitgebreid ingegaan moet worden op de tekortkomingen van de LvAOV (en de LvAWW) in vergelijking met de instructies die in de door initiatiefnemers aangehaalde (internationale) normen voorkomen. Pas als deze tekortkomingen zijn geïdentificeerd, kan volgens de Raad concreet vastgesteld worden dat het AOV-stelsel in overeenstemming gebracht moet worden met genoemde (internationale) normen.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
b. De Nederlandse nationaliteit als voorwaarde voor het aanvullend pensioen
In de derde zin van het laatste tekstblok van paragraaf 1.5 ‘Koppeling AOV aan inflatie en (minimum)loonontwikkeling’ van de memorie van toelichting (pagina 4) wordt, voor zover relevant, aangegeven dat in de onderhavige wijzigingslandsverordening voorgesteld wordt om een aanvullend pensioenuitkering te verstrekken aan ingezetenen van Curaçao van de Nederlandse nationaliteit. De Raad ziet de voorwaarde van het hebben van de Nederlandse nationaliteit niet terug in het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV. Uit de memorie van toelichting volgt dat in de toekomst de ongedocumenteerden gelegaliseerd zullen worden en daardoor ook kunnen bijdragen in het AOV-stelsel.[21] Deze personen zullen voor een groot deel geen Nederlandse nationaliteit hebben. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de gerechtigden op het huidige (basis) AOV niet een Nederlandse nationaliteit moeten hebben.
De Raad adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
c. Samenwerking binnen het Koninkrijk
Uit de eerste zin van subparagraaf ‘Samenwerking binnen het Koninkrijk’ van paragraaf 2 ‘Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting (pagina 6) is af te lezen dat het de bedoeling is dat de Sociale Verzekeringsbank van Nederland (hierna: de SVBNL) het uitkeren van pensioenen aan pensioengerechtigden die zich in Nederland, Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de BES-eilanden) hebben gevestigd overneemt van de SVB. Aangegeven wordt dat het gaat om pensioengerechtigden die zich ‘langer dan een bepaald aantal jaren in Nederland en de BES-eilanden hebben gevestigd’. Het is niet duidelijk om hoeveel pensioengerechtigden het gaat en of dit voorstel van initiatiefnemers wel (uit financieel oogpunt en uitvoeringstechnisch) rendabel of zinvol zal blijken te zijn. Tevens is niet duidelijk om hoeveel jaren het moet gaan dat een pensioengerechtigde zich in Nederland of de BES-eilanden heeft gevestigd.
Bovendien is niet duidelijk of het bedrag aan premies die door een pensioengerechtigde door de jaren heen is afgedragen aan de SVB overgeheveld moet worden naar de SVBNL. Tevens is niet duidelijk of de SVB dit in één keer of gefaseerd mag doen en wat de gevolgen hiervan kunnen zijn voor het Ouderdomsfonds en het Schommelfonds.
De Raad mist een uitgebreide motivering over het bovenstaande en adviseert om de memorie van toelichting aan te passen.
IV. Conclusie en (procedureel) advies
De Raad acht het om de hierna volgende redenen niet opportuun het wetgevingstraject ten aanzien van het initiatiefontwerp te continueren en adviseert om het initiatiefontwerp niet in behandeling te nemen.
De Raad constateert dat met de onderhavige wetswijziging naar een definitieve oplossing van bovengenoemd vraagstuk van de indexering van de AOV- en AWW-uitkeringen wordt gezocht. Daarbij is van wezenlijk belang om een structurele en uitvoerbare oplossing te vinden die zoveel mogelijk door alle belanghebbenden gedragen kan worden en waarbij rekening wordt gehouden met relevante details, zoals rechterlijke uitspraken en economische en financiële argumenten.
De Raad onderkent het belang van het recht van initiatief van de Staten (artikel 77 van de Staatsregeling). Het is een recht dat aan de Staten de mogelijkheid geeft om zelf met wetgevingsvoorstellen te komen. In onze democratische rechtsstaat past het om dit recht zoveel mogelijk te waarborgen. Niettemin is het ook van belang om in dezelfde democratische rechtsstaat kwalitatief goede wetgeving te hebben. Wetgeving dient niet alleen te voldoen aan grondrechten, algemene beginselen van goede wetgeving en algemene beginselen van behoorlijk bestuur maar dient ook een gedegen verantwoording te bevatten waarom overheidsinterventie noodzakelijk is (noodzakelijkheidscriterium) alsmede een gedegen gekwantificeerd inzicht van de financiële gevolgen van de voorgenomen wetgeving en de dekking daarvan. Ten aanzien van dit laatste wordt verwezen naar artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 in samenhang met aanwijzing 157, onderdeel h, van de Awr.
Zonder tekort te willen doen aan het recht van de Staten om met een initiatiefwetsvoorstel te komen, is de Raad van oordeel dat in dit bijzonder geval de voorgenomen wijziging van de LvAOV en de LvAWW, zoals voorgesteld in het initiatiefontwerp, minder opportuun is en dat de verdere behandeling ervan vooralsnog stilgelegd moet worden. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat ten aanzien van het voorliggende initiatiefontwerp niet in voldoende mate voldaan is aan de verantwoordingsplicht, genoemd in onderdeel I. 1. ‘c. De financiële risico’s en de (financiële) haalbaarheid’ in samenhang met onderdeel II. ‘3. De financiële gevolgen van het initiatiefontwerp’. Hierdoor staat niet in voldoende mate vast dat het voorgenomen initiatiefontwerp financieel haalbaar is. Ook is het stil leggen van het onderhavige wetgevingstraject gewenst gezien het feit dat de regering door middel van het medeondertekenen van het Convenant het voornemen uitgesproken heeft om met een ontwerplandsverordening te komen die de problematiek van de indexering van de AOV-uitkeringen (en de AWW-uitkeringen) zal regelen. Aan de regering moet in dat geval voldoende ruimte/tijd worden gegeven om de indexering van de AOV- en de AWW-uitkeringen (definitief) deugdelijk te regelen.
Indien laatstbedoeld traject echter naar redelijkheid en billijkheid een te lang tijdsbeslag krijgt, kan door de Staten worden overwogen om een aangepaste initiatiefontwerplandsverordening in procedure te brengen waarin in ieder geval rekening is gehouden met de in dit advies gemaakte opmerkingen.
Willemstad, 24 februari 2026
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
________________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/18-25-LB
Zowel het initiatiefontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Het ontwerp
a. Het opschrift
Voorgesteld wordt om de vindplaats van de LvAOV en LvAWW in een voetnoot op te nemen.
b. De overwegingen
Voorgesteld wordt om in de eerste overweging de zinsnede ‘en invoering van’ te vervangen door ‘en de invoering van’.
c. Artikel I (wetstechniek)
Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 178 van de Awr artikel I als volgt te herschrijven:
‘De Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A. Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
a. Het tweede lid komt te luiden als volgt:
2. Het pensioenbedrag (…) van de gezinsconsumptie.
b. Het derde lid komt te luiden als volgt:
- Aanpassing van het pensioenbedrag (…) van het voorafgaande jaar.
c. Er wordt een vierde lid toegevoegd luidende:
- Onverminderd het derde lid (…) bedrag van het minimumloon.
B. Na artikel 7a wordt een nieuw artikel ingevoegd luidende:
Artikel 7b
- Degene aan wie (…)
- Voor de vaststelling (…)
- (…)
- (…)
- (…)
- (…)
- (…)
- De artikelen (…) van overeenkomstige toepassing op het aanvullend pensioen.’
d. Artikel I (inhoudelijk)
Voorgesteld wordt om:
- in het huidige onderdeel C de zinsnede ‘Landsverordening Minimumlonen’ te vervangen door ‘Landsverordening minimumlonen’ en de vindplaats ervan in een voetnoot op te nemen;
- in onderdeel b van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV (het huidige onderdeel D van artikel I van het initiatiefontwerp) de zinsnede ‘deze ingezetene is van Curaçao is geweest’ te vervangen door ‘deze ingezetene van Curaçao is geweest’;
- in onderdeel d van het eerste lid van het nieuw voorgestelde artikel 7b van de LvAOV (het huidige onderdeel D van artikel I van het initiatiefontwerp) het woord ‘staf’ te vervangen door ‘straf’.
e. Artikel II
Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 178 van de Awr artikel II langs deze lijnen te herschrijven:
‘De Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
a. Het zevende lid komt te luiden als volgt:
7. De pensioenbedragen worden (…) de prijsindexcijfers van de gezinsconsumptie.
b. Het achtste lid komt te luiden als volgt:
8. Aanpassingen van de pensioenbedragen (…) van he voorafgaande jaar.’
f. Artikel III
Voorgesteld wordt om artikel III in overeenstemming te brengen met het model voorgeschreven in het eerste lid van aanwijzing 123 van de Awr door de zinsnede ‘of nadere omlijning van aspecten of onderdelen van de landsverordening’ tussen haakjes te schrijven.
2. De memorie van toelichting
a. Het opschrift
Voorgesteld wordt om de vindplaats van de LvAOV en LvAWW in een voetnoot op te nemen.
b. Algemeen
Voorgesteld wordt om in navolging van aanwijzing 156, eerste lid, van de Awr de zin ‘NOTA VAN TOELICHTING’ te vervangen door ‘MEMORIE VAN TOELICHTING’.
Het is opgevallen dat in de tekst van de memorie van toelichting de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering met zowel ‘Landsverordening AOV’ als met ‘LvAOV’ wordt aangeduid. De Raad adviseert om consistent slechts één aanduiding in de tekst te gebruiken en in het licht daarvan de memorie van toelichting aan te passen.
c. Pagina 1
Voorgesteld wordt om in de derde zin van het derde tekstblok in de zinsnede ‘zoals bedoeld in de huidige landsverordening te specificeren om welke landsverordening het gaat.
Voorgesteld wordt om in de eerste zin van het laatste tekstblok ‘op Curaçao’ te vervangen door ‘in Curaçao’.
d. Pagina 3
Voorgesteld wordt om:
- in de tweede zin van paragraaf 1.4 ‘Doel van het ontwerp’ de zinsnede ‘artikel 23 van de Staatsregeling’ te vervangen door ‘artikel 23 van de Staatsregeling van Curaçao’;
- in de tweede zin van dezelfde paragraaf het woord ‘uitga’ te vervangen door ‘uitgaat’;
- de bron of vindplaats van de in diezelfde paragraaf genoemde verdragen en andere documenten zoveel mogelijk in een voetnoot op te nemen.
e. Pagina 4
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het eerste tekstblok de tweede ‘is’ te schrappen;
- in de tweede zin van het derde tekstblok het woord ‘toepast’ te vervangen door ‘toegepast’.
f. Pagina 5
Voorgesteld wordt om in de enige zin van het laatste tekstblok:
- de zinsnede ‘Voor inschatting’ te vervangen door ‘Voor een inschatting’;
- de woorden ‘de in’ te schrappen;
- de zinsnede ‘uitgekeerd aan AOV, namelijk 395,7 mln (afgerond naar 396 miljoen)’ te vervangen door ‘uitgekeerd aan AOV-uitkering, namelijk Cg 395,7 miljoen (afgerond naar Cg 396 miljoen)’.
g. Pagina 6
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van subparagraaf ‘Samenwerking binnen het Koninkrijk’ de zinsnede ‘Het bedrag van uitkeringen’ te vervangen door ‘De bekostiging van de uit te betalen uitkeringen’, in deze zin te specificeren of het om de AOV- en/of AWW-uitkeringen gaat en het woord ‘bepaalde’ te vervangen door ‘bepaald’;
- in de tweede zin van dezelfde subparagraaf ‘onderlinge regelingen’ te vervangen door ‘onderlinge regeling’;
- in de vijfde zin van dezelfde subparagraaf ‘afspraken’ te vervangen door ‘afspraak’;
- in de zesde zin van dezelfde subparagraaf de zinsnede ‘van de aan AOV-uitkeringen aan’ te vervangen door ‘van de AOV-uitkeringen aan’;
- in het voorlaatste tekstblok vóór ‘Arbeidsregeling 2000’ het lidwoord ‘de’ op te nemen en de vindplaats van de daarin genoemde wettelijke regelingen in een voetnoot op te nemen.
h. Pagina 7
Voorgesteld wordt om het valutateken ‘NAf.’ te vervangen door ‘Cg’.
i. Pagina 8
Voorgesteld wordt om in de eerste zin van het voorlaatste tekstblok ‘aanvullen pensioen’ te vervangen door ‘aanvullend pensioen’.
j. Pagina 9
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het derde tekstblok de zinsnede ‘van de het bedrag’ te vervangen door ‘van het bedrag’;
- in de tweede zin van het derde tekstblok achter ‘voeding’ een komma op te nemen;
- in de enige zin van het vierde tekstblok ‘Aanvullen pensioen’ te vervangen door ‘aanvullend pensioen’;
- in de laatste zin van het laatste tekstblok de zinsnede ‘In het voorstel in een’ te vervangen door ‘In het voorstel is een’.
k. Pagina 10
Voorgesteld wordt om:
- in de eerste zin van het laatste tekstblok de zinsnede ‘Ook moeten er volgende SER’ te vervangen door ‘Ook moeten er volgens de SER’;
- in de derde zin van het laatste tekstblok de zinsnede ‘versterking van’ te schrappen;
- in de derde zin van het laatste tekstblok de zinsneden ‘bij het ministerie’ telkens te vervangen door ‘van het Ministerie’;
- in de laatste zin van het laatste tekstblok de zinsnede ‘en meerjarig begrotingen tot 2030 voorzien in’ te vervangen door ‘en de meerjarenbegrotingen tot 2030 moeten voorzien’.
l. Pagina 11
Voorgesteld wordt om:
- in de enige zin van het derde tekstblok van de toelichting op artikel I het woord ‘anderen’ te vervangen door ‘andere’;
- in de eerste zin van het laatste tekstblok van de toelichting op artikel I het woord ‘dienst’ te vervangen door ‘dient’.
[1] Lid Sybesma heeft zich met inachtneming van de “Gedragsregels van de Raad van Advies ter zake omgaan met tegenstrijdige belangen” verschoond van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over de behandeling van het (concept)advies over de onderhavige ontwerplandsverordening.
[2] Het betreft de Landsverordening van de 28ste februari 2013 tot wijziging van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering.
[3] Zie artikel I, onderdeel B, onder 2 en artikel III, onderdeel B onder 3 van de in P.B. 2013, no. 24 afgekondigde landsverordening waarin respectievelijk artikel 7, derde lid, van de LvAOV en artikel 11, achtste lid, van de LvAWW worden gewijzigd.
[4] Voor de Raad is op het moment van het uitbrengen van dit advies en vanwege het feit dat zij ‘sub judice’ zijn niet te achterhalen of er sprake is van slechts één rechtszaak of dat er meerdere aangespannen zijn.
[5] Het Convenant werd gesloten tussen de Ministers van Algemene Zaken, Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn en Financiën met de Union di Penshonado pa Adelanto i Hustitia (UPAH), Middelbaar Personeel Kommissie (MPK), APPK en APT (de volledige namen van deze twee laatste organisaties volgen niet uit het Convenant en zijn verder niet te achterhalen).
[6] Volgens artikel 4, vijfde lid, eerste zin, van het Convenant moet dit worden aangehaald als ‘Nationaal convenant inzake de maatschappelijke discussie met betrekking tot de indexatie van de AOV-uitkering’.
[7] Artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 bepaalt dat in de toelichting op ontwerpen van wet- en regelgeving een afzonderlijk onderdeel moet worden opgenomen waarin de financiële gevolgen voor en de dekking door het Land worden vermeld.
Voorts is in aanwijzing 157, onder e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving bepaald dat de memorie van toelichting een verantwoording dient te bevatten van de ontwerpregeling, waaronder de financiële gevolgen daarvan, de lasten voor de overheid alsook de lasten voor burgers, bedrijven en instellingen.
[8] Zie in dit verband aanwijzing 5 van de Awr die ook voor de Staten van belang kunnen zijn bij het opstellen van initiatiefontwerplandsverordeningen en waarin de noodzakelijkheid van wetgeving besproken wordt.
[9] Zie in dit verband artikel IV van het initiatiefontwerp en onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ op pagina 5 van de memorie van toelichting.
[10] Zie onderdeel I. ‘2. De motivering voor de thans voorgestelde wijziging van de berekeningsmethode voor de aanpassing van de pensioenuitkering’ en onderdeel I. 3. ‘d. Conclusie en advies’ op pagina’s 2, 3 en 5 van het advies van 19 juni 2018 met kenmerk RvA no. RA/13-18-LV over de initiatiefontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (Zittingsjaar 2017-2018-120). Deze voorgestelde wijziging in dit initiatiefontwerp beoogt de methode die gehanteerd wordt voor de jaarlijkse aanpassing van het pensioen te veranderen. De jaarlijkse aanpassing van de pensioenuitkering wordt dan gebaseerd op de stijging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor de maand augustus daaraan voorafgaande ten opzichte van het prijsindexcijfer voor de maand augustus van voorgaande jaar. De pensioenuitkering wordt zodoende automatisch geïndexeerd wanneer de kosten van levensonderhoud zijn gestegen (inflatie).
[11] Zie de eerste zin van onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ van de memorie van toelichting (pagina 5).
[12] Zie onder andere pagina 46, laatste tekstblok: “Indexatie is nodig om het dreigend koopkrachtverlies tegen te gaan, maar vormt slechts het begin van een omvangrijke hervormingsopgave. Vanuit beleidsmatig perspectief concludeert de SER dat de CPI-indexatie kan worden aanvaard, mits deze gepaard gaat met een commitment tot brede, structurele hervormingen. Pas met aanvullende maatregelen kan een sociaal zekerheidsstelsel ontstaan dat armoede bestrijdt, activering bevordert en financieel duurzaam is.”
[13] Zie de vierde en vijfde zin van het eerste tekstblok van de desbetreffende paragraaf op pagina 43.
[14] Artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank luidt als volgt: 1. De verplichtingen van de Bank worden zonder enig voorbehoud door de rechtspersoon de Nederlandse Antillen gegarandeerd. 2. Voor zover de Bank tijdelijk gebrek heeft aan kasmiddelen kunnen renteloze voorschotten bij de Nederlandse Antillen worden opgenomen, welke voorschotten zo spoedig mogelijk dienen te worden terugbetaald.
[15] Zie het eerste tekstblok van onderdeel ‘2. Financiële gevolgen’ op pagina 5 van de memorie van toelichting.
[16] Artikel 45 luidt als volgt: ”Hij, die op grond van bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.”
Artikel 46 luidt als volgt: ”Hij, die op andere wijze dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift, dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave doet in strijd met de waarheid, zulks met het oogmerk om aldus een uitkering of een hogere uitkering ingevolge deze landsverordening te verkrijgen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.”
[17] Zie de tweede zin van het laatste tekstblok van de toelichting op artikel I van het initiatiefontwerp, pagina 11.
[18] Zie artikel LV, onderdeel D, van de Invoeringslandsverordening wetboek van strafvordering, P.B. 1997, no. 237 (pagina 40). Volledigheidshalve wordt ook verwezen naar P.B. 2014, no. 56 waarin de geldende tekst van de LvAOV is bekendgemaakt.
[19] Zie bijvoorbeeld de toelichting op aanwijzing 123 van de Awr waarin aangegeven wordt dat over het algemeen een evaluatie om de vijf jaren in de rede ligt.
[20] “Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie”, Janneke Gerard e.a., Ars Aequi Libri, Nijmegen 2020, tweede druk, p. 431.
[21] Zie subparagraaf ‘Legalisatie van ongedocumenteerden en strenge handhaving van Arbeidsregeling 2000, Landsverordening Arbeid Vreemdelingen, Landsverordening Minimumlonen en andere arbeids(rechtelijke) regelingen’ van de memorie van toelichting op pagina’s 6 en 7.
