Adviezen
RvA no. RA/27-23-LB: Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 12b, zevende lid, en artikel 12k, tweede lid, van de Landsverordening toezicht effectenbeurzen (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes effectenbeurzen)
Ontvangstdatum: 03/10/2023
Publicatie datum: 05/06/2024
(zaaknummer 2020/017884)
Bijlage
Ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van artikel 12b, zevende lid, en artikel 12k, tweede lid, van de Landsverordening toezicht effectenbeurzen (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes effectenbeurzen)
(zaaknummer 2020/017884)
Advies: Met verwijzing naar uw adviesverzoek d.d. 29 september 2023 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp, bericht de Raad u als volgt.
I. De last onder dwangsom en de bestuurlijke boete
De overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, van de Landsverordening toezicht effectenbeurzen (hierna: de Landsverordening) wordt in het voorliggende ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes effectenbeurzen (hierna: het ontwerp) niet met een last onder dwangsom of met een bestuurlijke boete gesanctioneerd (artikelen 2, 4 en 5 van het ontwerp). Dit wordt in de nota van toelichting ook niet gemotiveerd.
De Raad adviseert de regering in de nota van toelichting te motiveren wat de reden is om de overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 3a, eerste lid, van de landsverordening niet met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete te sanctioneren.
II. De matigingsbevoegdheid (artikelen 3, achtste lid en 5, tweede lid)
De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: de Bank) heeft een matigingsbevoegdheid bij het opleggen van de bestuurlijke boete (artikelen 3, achtste lid en 5, tweede lid, van het ontwerp). Op grond van deze artikelleden kan de Bank een lagere bestuurlijke boete opleggen als de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
In (de eerste zin van) het tweede tekstblok op pagina 7 van het algemeen gedeelte van de nota van toelichting wordt aangegeven dat een aanvullende bevoegdheid (voor de Bank) is opgenomen ten aanzien van het boetestelsel. De Raad is van oordeel dat het toekennen van een bevoegdheid aan de Bank om bestuurlijke boetebedragen te matigen in de Landsverordening zelf opgenomen moet worden en niet in een uitvoeringsregeling zoals in dit geval in het ontwerp. Het primaat van de wetgever, waarmee bij delegatie van regelgevende bevoegdheid rekening moet worden gehouden, brengt immers met zich mee dat het toekennen van een matigingsbevoegdheid aan een toezichthouder zoals de Bank bij landsverordening moet worden geregeld (zie in dit verband aanwijzingen 15 en 17, eerste lid, onder d, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Uit het algemeen gedeelte van de nota van toelichting (pagina 7, laatste tekstblok) volgt dat de regering dezelfde mening is toegedaan.
In het verleden heeft de Raad de regering reeds gewezen op het feit dat de matigingsbevoegdheid van een bestuursorgaan (de Bank) ten aanzien van bestuursrechtelijke sancties bij landsverordening moet worden geregeld. Als voorbeeld verwijst de Raad naar het advies van de Raad d.d. 7 februari 2018, met kenmerk RvA no. RA/33-17-LB, over het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 9a, zevende lid, en 9j, tweede lid, van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners).
In paragraaf 3 “Advies Raad van Advies” van de nota van toelichting behorende bij het vastgestelde Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverlening[1] (pagina 6, laatste tekstblok) geeft de regering aan dat de desbetreffende landsverordening (Landsverordening identificatie bij dienstverlening) waar het in dat geval over ging geen grondslag bevat voor het matigen van de bestuurlijke boete en dat een wijzigingslandsverordening in voorbereiding is om dit te corrigeren. Hieruit leidt de Raad af dat de regering de mening van de Raad op dit punt deelt.
Ten overvloede verwijst de Raad naar zijn advies d.d. 1 november 2023, met kenmerk RvA no. RA/22-23-LV, over de ontwerplandsverordening bestrijding witwassen, terrorisme financiering en proliferatie). In dat advies wordt de regering ook verzocht om, onder schrapping van de desbetreffende artikelen uit het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 en het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2021, de matigingsbevoegdheid van de toezichthouder bij landsverordening te regelen.[2]
De Raad adviseert de regering de matigingsbevoegdheid van de Bank in de Landsverordening op te nemen en het ontwerp met inachtneming van het voorgaande aan te passen.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering daarmee rekening te houden voordat een besluit genomen wordt.
Willemstad, 6 november 2023
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
[1] P.B. 2023, no. 6.
[2] Zie subonderdeel 10 “De bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete” van paragraaf II.2.a en subparagraaf 7 “De bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete” van paragraaf II.2.b van het advies van de Raad met kenmerk RvA no. RA/22-23-LV.
