Adviezen

RvA no. RA/22-23-LV: Ontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening, de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, de Landsverordening toezicht trustwezen, Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf en de Landsverordening toezicht effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders (Landsverordening bestrijding witwassen, terrorisme financiering en proliferatie)

Ontvangstdatum: 06/09/2023
Publicatie datum: 09/01/2024

(zaaknummer 2023/019417)

Ontwerplandsverordening, tot wijziging van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening, de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, de Landsverordening toezicht trustwezen, Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf en de Landsverordening toezicht effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders (Landsverordening bestrijding witwassen, terrorisme financiering en proliferatie) (zaaknummer 2023/019417)

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 5 september 2023 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 30 oktober 2023, bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemeen

1. De strekking van het ontwerp

De ontwerplandsverordening, tot wijziging van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening, de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, de Landsverordening toezicht trustwezen, de Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf en de Landsverordening toezicht effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders (Landsverordening bestrijding witwassen, terrorisme financiering en proliferatie) (hierna: het ontwerp) heeft volgens de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna:  memorie van toelichting) (pagina’s 1 en 2) een viertal doelstellingen. Het beoogt allereerst de te wijzigen landverordeningen in lijn te brengen met de recent bijgewerkte internationale normen en aanbevelingen van de Financial Action Task Force (hierna: FATF) ter voorkoming en bestrijding van witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatie. Daarnaast beoogt het ontwerp de bevindingen van het eerste National Risk Assessment -dat uitgevoerd is ter beoordeling van risico’s en kwetsbaarheden voor witwassen op Curaçao- in bovengenoemde landsverordeningen te verwerken.  Deze bevindingen zijn, onder meer, gericht op het uitbreiden van de sectoren onder toezicht en het aanscherpen van de risicogebaseerde benadering voor die sectoren. Verder heeft het ontwerp tot doel om de ervaringen die de instanties belast met het toezicht op de uitvoering van voornoemde landsverordeningen[1] (hierna: Toezichthouder) in de praktijk hebben opgedaan alsmede ontwikkelingen op het gebied van samenwerking en informatiedeling ter bestrijding van het witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatie, in voornoemde landsverordeningen op te nemen. Tot slot wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele wetstechnische omissies in bovengenoemde landsverordeningen te herstellen.

2. Spoedadviesverzoek

In verband met de komende door de Caribbean Financial Action Task Force (hierna: CFATF) uit te voeren Fourth Round Mutual Evaluation gebaseerd op de FATF-aanbevelingen en de FATF- methodologie is het noodzakelijk dat Curaçao voldoet aan de recent bijgewerkte internationale normen en aanbevelingen van de FATF en om de maatregelen ter bestrijding van witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatie aan te scherpen. De Raad onderschrijft het spoedeisend belang dat met het ontwerp wordt gediend. Het is nodig om de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao tegen misbruik te waarborgen. Immers, het niet voldoen aan genoemde internationale normen en aanbevelingen van de FATF kan negatieve gevolgen hebben voor de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao en als gevolg daarvan de economie van Curaçao in gevaar brengen.

Tegelijkertijd moet wetgeving van goede kwaliteit zijn en dat vereist een degelijke voorbereiding. Men moet aan de Raad, evenals aan de andere deelnemers aan het wetgevingsproces, een redelijke tijd geven om zijn werk op een verantwoorde wijze te kunnen doen. Daarom heeft de Raad ervoor gekozen om de nodige tijd te nemen om een grondige analyse van het ontwerp en de daarbij behorende memorie van toelichting te verrichten. Daarbij is evenwel, gezien de belangen die in het geding zijn voor Curaçao en de betrokken actoren, getracht om de adviestermijn zo kort als mogelijk te houden.

De Raad benadrukt nogmaals het belang van kwalitatief goede wetgeving en wijst de regering wederom op het feit dat de Raad in dat kader voldoende tijd geboden moet worden teneinde verantwoorde adviezen te kunnen uitbrengen.

3. Een redelijke invoeringstermijn

Op grond van artikel VIII van het ontwerp zal de Landsverordening bestrijding witwassen, terrorisme financiering en proliferatie op 1 december 2023 in werking treden. Volgens de financiële paragraaf van de memorie van toelichting (hierna: financiële paragraaf) (pagina 3, tweede tekstblok van de memorie van toelichting) zal de uitbreiding van het aantal dienstverleners leiden tot een additionele belasting voor deze toezichthouders, die thans aan de onderhavige wetgeving dienen te voldoen.

Bij het bepalen van de termijn tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van een regeling moet naar het oordeel van de Raad rekening worden gehouden met de mogelijkheid voor het bedrijfsleven om zich tijdig op de regeling in te stellen. De Raad vindt dat overleg met de sector moet worden gevoerd over de voorgenomen inwerkingtredingsdatum, namelijk 1 december 2023.

Indien de sector voornoemde datum niet redelijk vindt dan adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting aan te geven hoe de regering in de praktijk hiermee zal omgaan.

4. Financiële gevolgen van het ontwerp

 a. Doorwerking van de toezichtskosten

Volgens de financiële paragraaf (pagina 3 van de memorie van toelichting) brengt de Financiële Inlichtingen Eenheid Curaçao (hierna: de FIU) zijn toezichtskosten niet in rekening bij de onder toezicht gestelde dienstverleners in de zin van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (hierna: de LvMOT), terwijl de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) en de Gaming Control Board (hierna: de GCB) deze kosten wel (kunnen) doorberekenen.

De in rekening te brengen toezichtskosten aan dienstverleners, die op grond van de LvMOT onder toezicht staan van de CBCS en de GCB, zullen leiden tot hogere lasten bij deze dienstverleners. Deze hogere lasten zullen de financiële resultaten van de betrokken dienstverleners in negatieve zin beïnvloeden.

De Raad adviseert de regering in de financiële paragraaf in te gaan op de verwachte hoogte van de in rekening te brengen toezichtskosten door de CBCS en de GCB en de onderbouwing hiervan.

 b. Toezichtskosten voor de FIU

Zoals hierboven reeds aangegeven worden de toezichtskosten door de FIU niet in rekening gebracht bij de onder toezicht gestelde dienstverleners in de zin van de LvMOT. Deze kosten zullen ten laste komen van de begroting van het Land en betreffen de volgende:

  • twee aanvullende fte’s binnen de organisatie;
  • kantoorbenodigdheden, apparatuur en software;
  • training.

Volgens de financiële paragraaf wordt het bedrag voor het eerste jaar geschat op NAf 230.000 en NAf 200.000 voor de daaropvolgende jaren.

In de financiële paragraaf zijn de bij FIU begrote kosten weliswaar gekwantificeerd echter is het volgens de Raad onduidelijk of er dekking is binnen de (meerjarige) begroting voor deze kosten. Volgens artikel 11 van de Landsverordening comptabiliteit 2010 moet in een financiële paragraaf ook de dekking van de uit een ontwerp voortvloeiende kosten voor het Land worden vermeld.

De Raad adviseert de regering in de financiële paragraaf in te gaan op de meerjarige dekking van de begrote kosten door bijvoorbeeld de hiervoor in te zetten begrotingspost aan te geven.

Voorts adviseert de Raad de regering pagina 3, de tweede zin, in het tweede tekstblok, van de financiële paragraaf leesbaarder te maken.

c. Interne veranderingen en aanpassingen voor uitvoering van de regeling

Volgens aanwijzingen 6, onderdeel c, en 157, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: Awr) dienen de lasten voor het bedrijfsleven in ogenschouw te worden genomen. De toelichting op de ontwerpregeling moet een verantwoording hierover bevatten. Volgens de financiële paragraaf (pagina 3, tweede tekstblok) zal de uitbreiding van het aantal dienstverleners leiden tot een additionele belasting voor deze dienstverleners, die thans aan de onderhavige wetgeving dienen te voldoen. De Raad constateert dat niet diepgaand hierop is ingegaan.

De Raad adviseert de regering in de financiële paragraaf in algemene zin in te gaan op de mogelijke consequenties voor de bedrijfsvoering c.q. bedrijfskosten van de betreffende dienstverleners.

d. Voorlichting

De Raad maakt de regering erop attent dat alle betrokkenen, waaronder de dienstverleners en financiële instellingen, zo tijdig mogelijk, vóór de inwerkingtreding van de onderhavige landsverordening dienen te worden geïnformeerd over de inhoud en gevolgen die deze landsverordening voor hen meebrengt. Betrokkenen moeten ruim de tijd krijgen om zich daarop voor te kunnen bereiden.

De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wanneer en op welke wijze in de voorlichting over het ontwerp wordt voorzien. Tevens adviseert de Raad de regering om in de financiële paragraaf aan te geven of het geven van voorlichting door de overheid ook een kostenpost is waarmee in het eerste jaar rekening zal worden gehouden.

5. De bevoegdheid van de Toezichthouder tot het vaststellen van voorschriften en richtlijnen

1°. Voorschriften

In verschillende artikelen van het ontwerp wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid toegekend om voorschriften vast te stellen. Zo staat in artikel I, onderdeel H, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID) dat de wijze van identificatie en verificatie van natuurlijke personen die niet fysiek aanwezig zijn, wordt bepaald middels voorschriften van de Toezichthouder. Ook in de artikelen I, onderdeel B, punt 2 (het voorgestelde artikel 2, achtste lid, van de LID) I, onderdeel S (het voorgestelde artikel 5i, tweede lid, van de LID), I, onderdeel NN, punt 5, (het voorgestelde artikel 11, derde lid, van de LID), II, onderdeel M, punt 1, (het voorgestelde artikel 15b, eerste lid, van de LvMOT) en II onderdeel DD, punt 6, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, derde lid, van de LvMOT) wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid verleend om over diverse onderwerpen voorschriften vast te stellen.

De Raad gaat ervan uit dat door het gebruik van de term ‘voorschriften’ in bovengenoemde artikelen van het ontwerp beoogd wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, toe te kennen. De dienstverleners zijn verplicht tot naleving van die voorschriften. Indien de dienstverleners die voorschriften overtreden zal dat in sommige gevallen zelfs kunnen leiden tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of een straf (bijvoorbeeld bij de overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, achtste lid, laatste zin en 3, eerste lid van de LID  en de artikelen 11 en 22mm, derde lid, laatste zin van de LvMOT).

Ingevolge artikel I, onderdeel A, punt 14, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de LID) wordt onder ‘Toezichthouder’, naar de onderscheiding gemaakt in artikel 11, eerste lid, van de LID, verstaan: de CBCS, de FIU onderscheidenlijk de GCB.  De Raad merkt op dat van genoemde toezichthouders slechts de CBCS een zelfstandig bestuursorgaan is waaraan op grond van artikel 111, derde lid, van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften bij landsverordening kan worden verleend. De FIU en de GCB zijn geen zelfstandige bestuursorganen. Dit betekent dat het toekennen van regelgevende bevoegdheid aan de FIU en de GCB niet in overeenstemming is met bovengenoemd artikel van de Staatsregeling. De bevoegdheid tot het vaststellen van regels over de in de bovengenoemde artikelen van het ontwerp genoemde onderwerpen kan uiteraard wel aan de regering worden gedelegeerd.

De Raad adviseert de regering op grond van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

2°. Richtlijnen

De Toezichthouder is op grond van het huidige artikel 11, derde lid, van de LID wel bevoegd met het oog op de bevordering van de naleving van de LID richtlijnen te geven.  Zo staat in de toelichting op artikel I, onderdeel H, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID) (pagina 10 van de memorie van toelichting) dat de Toezichthouder naast voorschriften ook richtlijnen vaststelt over de wijze van identificatie en verificatie van natuurlijke personen die niet fysiek aanwezig zijn.

Gelet op het bovenstaande zullen de artikelen I, onderdeel B, punt 2 (het voorgestelde artikel 2, achtste lid, van de LID) I, onderdeel H, punt 1, (het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID)  I, onderdeel S (het voorgestelde artikel 5i, tweede lid, van de LID), I, onderdeel NN, punt 5, (het voorgestelde artikel 11, derde lid, van de LID), II, onderdeel M, punt 1, (het voorgestelde artikel 15b, eerste lid, van de LvMOT) en II onderdeel DD, punt 6, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, derde lid, van de LvMOT) en de toelichting op genoemde artikelen moeten worden aangepast.

De Raad adviseert de regering op grond van het bovenstaande het ontwerp en de memorie van toelichting aan te passen.

6. De overtreder in verband met plegen en medeplegen

Het is de Raad opgevallen dat in alle landsverordeningen die in het ontwerp worden gewijzigd een nadere definiëring ontbreekt van het begrip ‘de overtreder’. Hierdoor is niet duidelijk of onder genoemd begrip ook de medepleger moet worden verstaan. De Raad is van oordeel dat niet alleen de hoofddader van een strafbaar feit als ‘overtreder’ moet worden aangemerkt maar ook degene die opzettelijk behulpzaam is geweest bij of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de strafbare gedraging of het strafbaar feit[2].

De Raad adviseert de regering om in alle landsverordeningen die in het ontwerp worden gewijzigd in de definitiebepaling op te nemen dat onder het begrip ’de overtreder’ ook een medepleger moet worden verstaan.

 II. Inhoudelijke opmerkingen

1. Algemeen

 Het gebruik van het begrip ‘buitengaatse ondernemingen’

De Raad merkt op dat de omschrijving van het begrip ‘buitengaatse ondernemingen’ in artikel I, onderdeel A, punt 25 van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, vijfde lid, van de Landsverordening Identificatie bij dienstverlening (hierna: de LID)), artikel II, onderdeel A, het tweede punt 17, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, vijfde lid, van de LvMOT) en artikel III, onderdeel A, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1a van de Landsverordening toezicht trustwezen) niet op elkaar aansluiten. Bovendien wordt laatstgenoemd artikelonderdeel in de memorie van toelichting niet toegelicht. Het is volgens de Raad niet duidelijk waarom de bepalingen over de zogenoemde buitengaatse ondernemingen in het ontwerp niet op elkaar aansluiten.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

2. Het ontwerp

a. De LID

1°. Het begrip ‘proliferatiefinanciering’

Het valt de Raad op dat het begrip ‘proliferatiefinanciering’ in de voorgestelde wijzigingen van bepaalde artikelen in de LID wordt gebruikt, maar dat genoemd begrip in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp in de begripsbepaling van de LID niet is omschreven. Ter illustratie wordt verwezen naar de voorgestelde wijzigingen in artikel I, onderdelen E, S, T, U, V, W, X en AA van het ontwerp (de voorgestelde artikelen 2b, onderdeel e, 5i, derde lid, 2, eerste lid, 5b, onderdeel a, onder 5˚, 5d, 5f, aanhef, 2, derde lid, onderdeel c, vierde en vijfde lid, 2d, eerste lid, 5b, onderdeel a, onder 3˚, artikel 2b, onderdeel a, 5d, 5e, tweede lid, onderdeel c, 5i, 5h, tweede lid en 8, derde lid, onderdeel a, van de LID). Wel is het begrip ‘proliferatiefinanciering’ in artikel II, onderdeel A, punt 15, van het ontwerp in de begripsbepaling van de LvMOT opgenomen.

De Raad adviseert de regering in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp in de begripsbepaling van de LID het begrip ‘proliferatiefinanciering’ te omschrijven.  

2°. Het begrip ‘kansspelen’

In artikel I, onderdeel A, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°, van de LID) wordt naast het begrip ‘hazardspelen’ ook het begrip ‘kansspelen’ ingevoerd. In de toelichting op dat artikel (pagina 4 van de memorie van toelichting) is aangegeven dat laatstgenoemd artikelonderdeel zodanig is gewijzigd dat iedere vorm van het aanbieden van kansspelen, niet zijnde een hazardspel, casino of loterij, onder de reikwijdte van de LID valt. In het advies van de uitvoeringsorganisatie Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: WJZ) d.d. 3 juli 2023[3] wordt geadviseerd om in het ontwerp niet te verwijzen naar begrippen in toekomstige wetgeving, met name naar de toekomstige Landsverordening op de kansspelen, waarin de omschrijving van het begrip ‘kansspelen’ is opgenomen. Terecht is in het ontwerp genoemd advies van WJZ opgevolgd. Niettemin moet volgens de Raad het gebruikte begrip ‘kansspelen’ in de begripsbepaling van de LID zelf worden omschreven.  In dit verband wordt verwezen naar aanwijzingen 41 en 94 van de Awr.

De Raad adviseert de regering een omschrijving van het begrip ‘kansspelen’ in de begripsbepaling van de LID in het ontwerp op te nemen. 

 3°. De duur van de hoedanigheid van politiek prominente persoon

Ingevolge artikel 1, zesde lid (nieuw) van de LID wordt onder andere de periode gedurende welke de hoedanigheid van politiek prominente persoon blijft bestaan vanaf het moment waarop geen publieke functie meer wordt bekleed bij ministeriële regeling met algemene werking nader geregeld. De Raad constateert dat een ministeriële regeling met algemene werking die daartoe strekt nog lang niet is vastgesteld. Dit hoewel genoemde regelgevende bevoegdheid door de wetgever aan de desbetreffende minister imperatief is toegekend. De Raad vindt dat genoemde periode moet worden vastgesteld en beveelt aan om bij de vaststelling daarvan rekening te houden met de periode die de andere landen binnen het Koninkrijk aanhouden voor het blijven bestaan van de hoedanigheid van politiek prominente persoon vanaf het moment waarop geen publieke functie meer wordt bekleed. Op grond van bijvoorbeeld artikel 8, zevende lid, van de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft) heeft een persoon die niet langer een prominente publieke functie bekleedt de hoedanigheid van politiek prominente persoon zolang als nodig is, doch ten minste gedurende één jaar totdat deze persoon niet langer het hoger risico met zich brengt dat hoort bij politiek prominente personen.

De Raad vraagt de aandacht van de regering voor het bovenstaande. 

4°. Het vaststellen van voorschriften aan de hand van de risicogebaseerde benadering

Artikel I, onderdeel H, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID) voorziet in regels voor de vaststelling van de identiteit van een natuurlijk persoon die niet fysiek aanwezig is overeenkomstig de risicogebaseerde benadering zoals onder meer uit aanbeveling 10 van de FATF blijkt. Het voorgestelde artikel 2, vierde lid, van de LID (artikel I, onderdeel U, van het ontwerp) is volgens de memorie van toelichting (pagina 10) een codificatie van aanbeveling 10 van de FATF en schrijft voor dat de dienstverlener de zwaarte van het cliëntenonderzoek dient af te stemmen op de risicogevoeligheid voor witwassen, het financieren van terrorisme of proliferatie van het type client, zakelijke relatie, dienst, product of transactie die wordt verleend. Volgens de eerste zin van het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID geschiedt de identificatie en verificatie van een natuurlijk persoon die fysiek niet aanwezig is met inachtneming van de specifieke risico’s die samenhangen met zakenrelaties of transacties zonder persoonlijk contact. In de tweede zin staat dat de Toezichthouder daarover voorschriften vaststelt voor de ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande dienstverleners, rekening houdend met de risico’s die samenhangen met het verlenen van de diensten. In de toelichting op artikel I, onderdeel H, staat dat de Toezichthouder in het licht van bovengenoemde risicogebaseerde benadering die de dienstverleners bij het verrichten van cliëntenonderzoek in acht moeten nemen bij het opstellen van die voorschriften rekening moet houden met de risicogevoeligheid voor witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatie van de betreffende sector en onder meer de aard van de daaraan gerelateerde diensten, producten, transacties, en type cliënten.

De Raad constateert dat de in de toelichting op artikel I, onderdeel H, van het ontwerp (pagina 10 van de memorie van toelichting) genoemde risicofactoren, waarmee de Toezichthouder bij het vaststellen van voorschriften over de vaststelling van de identiteit van een natuurlijk persoon, die niet fysiek aanwezig is, rekening moet houden niet geheel overeenkomen met die genoemd in artikel 2, vierde lid, van de LID. Zo wordt het type zakelijke relatie niet in de memorie van toelichting genoemd. Het is naar het oordeel van de Raad daarom beter om in het voorgestelde artikel 3, eerste lid, tweede zin, van de LID, te verwijzen naar het bepaalde in artikel 2, vierde lid, van de LID en niet in de memorie van toelichting.

De Raad adviseert de regering artikel I, onderdeel H, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3, eerste lid, van de LID) met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

 5°. De medebeleidsbepalers

In de memorie van toelichting (pagina 7 van de memorie van toelichting) wordt voor het laten vervallen van de bepaling waarin de definitie van de term ‘medebeleidsbepaler’ (het huidige artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de LID) is vervat, aangegeven dat in artikel I, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, onderdeel a, van de LID) aangesloten is bij de definitie van de term ‘medebeleidsbepaler’ opgenomen in het huidige artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de LID. Ook staat in de memorie van toelichting dat die term verder in de LID niet wordt gebruikt.

Op grond van het huidige artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de LID wordt onder de term ‘medebeleidsbepaler’ verstaan: personen die het beleid van de dienstverlener bepalen of mede bepalen. De Raad merkt op dat deze definitie niet in het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, onderdeel a, van de LID (artikel I, onderdeel K) voorkomt. Ingevolge het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, onderdeel a, van de LID is de dienstverlener ten aanzien van de beslissing tot het aangaan of voortzetten van een zakelijke relatie met een politiek prominente persoon verplicht om goedkeuring te verkrijgen van personen die de algehele leiding hebben. Overigens is niet duidelijk of onder de term ‘personen die de algehele leiding hebben’ dezelfde kring van personen valt als onder de term ‘medebeleidsbepaler’ in (het huidige) artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de LID. De kring van personen die onder laatstgenoemde term valt, lijkt in ieder geval ruimer. De Raad vindt daarom dat de definitie van de term ‘medebeleidsbepaler’ in artikel 1, eerste lid, onderdeel r, van de LID in het voorgestelde artikel I, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, onderdeel a van de LID) moet worden opgenomen.

De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen. 

 6°. Vastlegging van de herkomst van registergoederen

Artikel I, onderdeel Y, tweede lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 6, onderdeel d, onder 9, van de LID) verplicht de desbetreffende dienstverleners in het geval het een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 12° en 15°, subonderdeel a, van de LID betreft (in geval van transacties betreffende registergoederen) tot de vastlegging van bepaalde gegevens op zodanige wijze dat deze toegankelijk zijn.

De Raad constateert dat er tussen het voorgestelde artikel 6, onderdeel a, onder 9, van de LID en de toelichting daarop (pagina 12) een discrepantie bestaat. Uit het voorgestelde artikel 6, onderdeel a, onder 9, van de LID volgt dat de desbetreffende dienstverlener de herkomst van het registergoed alleen in geval van vlieg- en vaartuigen dient vast te leggen. Uit de toelichting op dat artikel volgt echter dat de desbetreffende dienstverlener verplicht is de herkomst van alle registergoederen vast te leggen.

De Raad adviseert de regering artikel I, onderdeel Y, tweede lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 6, onderdeel a, onder 9, van de LID) en de toelichting daarop met elkaar in overeenstemming te brengen. 

7°. Het verstrekken van gegevens of inlichtingen aan de Algemene Rekenkamer

In het huidige artikel 8, zevende lid, van de LID is de verplichting van de Toezichthouder opgenomen om, in afwijking van zijn geheimhoudingsplicht gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge de LID opgedragen taak aan de Algemene Rekenkamer te verstrekken. Dit voor zover die gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer Curaçao (hierna: LvARC).  Het achtste lid van het huidige artikel 8 legt vervolgens de plicht tot geheimhouding van de ontvangen gegevens en inlichtingen op aan de Algemene Rekenkamer.  Zij is slechts bevoegd die gegevens of inlichtingen openbaar te maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen. Artikel I, onderdeel AA, punt 4, van het ontwerp strekt tot het laten vervallen van de zevende en achtste lid van het huidige artikel 8 van de LID. Volgens de toelichting op dat artikel (pagina 14 van de memorie van toelichting) geven de artikelen 25 en 41 van de LvARC alleen rechtsgrond tot informatievergaring door de Algemene Rekenkamer betreffende een onderzoek dat is inge­steld naar de Toezichthouder zelf, en niet voor een onderzoek dat is ingesteld naar de cliënten van de ondertoezichtgestelde, noch naar de dienstverlener die onder het toezicht van die Toezichthouder is gesteld. De regering betwijfelt of de Algemene Rekenkamer voor de uitoefening van haar taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de LvARC inzicht nodig heeft in de informatie, waarover de Toezichthouder in het kader van de vervulling van zijn taak op grond van de LID beschikt. Uit de stukken kan de Raad niet opmaken of de Algemene Rekenkamer omtrent het laten vervallen van het zevende en achtste lid van het huidige artikel 8 van de LID is gehoord. De Raad vindt het wenselijk de Algemene Rekenkamer daarover te horen.

De Raad adviseert de regering indien de Algemene Rekenkamer niet over het laten vervallen van het huidige artikel 8, zevende en achtste lid van de LID is gehoord om haar alsnog te horen.

8°. De aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid

In artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID) is de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen gedelegeerd aan de regering. Verder wordt in genoemd artikellid, het maximumbedrag van een op te leggen bestuurlijke boete bepaald.

De Raad constateert dat artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID), op het maximumbedrag van een op te leggen bestuurlijke boete na, identiek is aan het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID. De Raad heeft op 7 februari 2018 [4] en 7 april 2022[5] over twee gelijksoortige ontwerplandsbesluiten, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van een aantal artikelen van de LID, waaronder het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID, geadviseerd.  In genoemde adviezen heeft de Raad over de redactie van artikel 9j, tweede lid, van de LID het volgende aangegeven.

 

–     Het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete

In zijn advies van 7 februari 2018 (hierna: het oorspronkelijke advies) heeft de Raad opgemerkt dat uit de redactie van het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID onder andere niet duidelijk op te maken is wat voor soort boetestelsel de wetgever in dat artikel van de LID voor ogen had. Uit de literatuur blijkt immers dat bij het vaststellen van regels over de bestuurlijke boete er een keuze kan worden gemaakt tussen een gefixeerd boetestelsel, een vrij boetestelsel of een boetestelsel tussen een gefixeerd en een vrij boetestelsel in (een gemengd boetestelsel). Door het gebruik in het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID van de term ‘hoogte’ volgt aan de ene kant dat de wetgever gefixeerde boetebedragen voor ogen had. Aan de andere kant volgt, door het gebruik van de zinsnede ‘en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete’ in dat artikel, dat de wetgever een vrij boetestelsel wilde invoeren.  Bij regels over de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete kan immers worden gedacht aan regels die betrekking hebben op de afstemming van de op te leggen bestuurlijke boete op het evenredigheidsbeginsel. De Raad heeft in bovengenoemd advies opgemerkt dat ook de memorie van toelichting behorende bij genoemde landsverordening in genoemd opzicht onvoldoende duidelijk is.

 

–     De wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen

Daarnaast was de Raad in het oorspronkelijke advies van oordeel dat de bewoordingen ‘de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete’ die in het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID gebruikt worden aan de regering geen grondslag bieden om bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, regels over de verdubbeling van het bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete bij recidive en de matiging daarvan door de Toezichthouder vast te stellen. De Raad was van oordeel dat het toekennen aan de Toezichthouder van de bevoegdheid daartoe in de LID en niet bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld moet worden.

Het advies van de Raad aan de regering was dan ook onder meer om een wetgevingstraject in gang te zetten tot wijziging van in ieder geval artikel 9j, tweede lid, van de LID zodat duidelijk wordt welk soort boetestelsel de wetgever in artikel 9j, tweede lid, van de LID voor ogen had alsmede om in de LID de bevoegdheid van de Toezichthouder tot het verdubbelen van het bedrag van de op te leggen bestuurlijke boete bij recidive en tot matiging daarvan op te nemen.

De Raad ging in het oorspronkelijke advies uit van een enge interpretatie van de reikwijdte van de aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid in het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID. De regering ging daarentegen uit van een ruime interpretatie van de genoemde regelgevende bevoegdheid die de wetgever in dat artikel aan de regering heeft toegekend. Dat blijkt uit de nota van toelichting behorende bij een gelijksoortig ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, waarover de Raad het oorspronkelijke advies heeft uitgebracht.  De regering was van mening dat de wetgever door het gebruik van de bewoordingen ‘en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete’ in het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID haar de bevoegdheid heeft gedelegeerd om regels over bovengenoemde onderwerpen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen.

Ondanks bovengenoemd interpretatieverschil tussen de regering en de Raad over de reikwijdte van de in het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid is de Raad in zijn advies van 7 april 2022 over laatstgenoemd ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, standvastig gebleven in zijn standpunt over de redactie van het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID. De Raad heeft daarin herhaald dat de redactie van artikel 9j, tweede lid, van de LID onvoldoende duidelijk is en dat het niet voldoet aan het in aanwijzing 18 van de Awr opgenomen uitgangspunt voor delegatie van regelgevende bevoegdheid. Aanwijzing 18 van de Awr stelt als uitgangspunt dat elke delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk dient te worden begrensd.

De Raad heeft daarom de regering onder verwijzing naar het oorspronkelijke advies geadviseerd om haar interpretatie over de reikwijdte van de aan haar gedelegeerde regelgevende bevoegdheid, bedoeld in het huidige artikel 9j, tweede lid, eerste volzin, van de LID te heroverwegen. Daarnaast heeft de Raad de regering nogmaals geadviseerd om de LID te wijzigen en bij die wijziging duidelijk tot uiting te laten komen dat het gewijzigde artikel 9j, tweede lid, van de LID met inachtneming van aanwijzing 18 van de Awr is geformuleerd. Ook heeft hij geadviseerd om in de daarbij behorende memorie van toelichting duidelijk aan te geven wat de wetgever met artikel 9j, tweede lid, van de LID heeft beoogd.

De Raad constateert dat de regering bij het redigeren van artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID) bovengenoemde adviezen van de Raad niet heeft opgevolgd. Ook uit de toelichting op dat artikel blijkt nog steeds niet duidelijk wat voor soort boetestelsel de regering in dat artikellid voor ogen heeft.

Voor de regering moet ook duidelijk zijn dat zij – indien het gekozen boetestelsel een gemengd boetestelsel betreft – algemeen verbindende voorschriften dient vast te stellen waarmee de verschillende Toezichthouders bij de boeteoplegging rekening moeten houden ter bepaling van een passend boetebedrag voor de afzonderlijke overtredingen. Dit bevordert de in onderdeel I. onder c, subonderdeel 1° van het oorspronkelijke advies genoemde uniformiteit bij de boeteoplegging door de verschillende Toezichthouders (pagina’s 2 en 3 van het oorspronkelijke advies) en is ook van belang voor de rechtseenheid van de boeteoplegging en de rechtszekerheid van de (overtredende) dienstverlener in de zin van de LID.

 Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad de regering om de redactie van artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID) met inachtneming van aanwijzing 18 van de Awr aan te passen. De aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid moet in het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden begrensd. Het gebruik van vage termen moet worden vermeden. Voor de redactie van het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID kan bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij de redactie van artikel 31 van de Nederlandse Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). Bovendien adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting duidelijkheid te scheppen over het soort boetestelsel dat de regering wil invoeren.

 9°. De bevoegdheid om de op te leggen bestuurlijke boete bij recidive te verdubbelen

Artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, vierde lid, van de LID) geeft de Toezichthouder de bevoegdheid om de door haar vast te stellen bestuurlijke boete te verdubbelen indien tijdens het plegen van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding. Daar de regering bij de interpretatie van het bepaalde in artikel 9j, tweede lid, van de LID, anders dan de Raad, uitging van een ruime interpretatie heeft zij ter uitvoering van onder meer artikel 9j, tweede lid, van de LID toch in het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 een recidivebepaling opgenomen in artikel 3, tweede lid, van dat landsbesluit.  In dat artikel wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid gegeven om de bestuurlijke boete die zij oplegt te verdubbelen. De Raad merkt op dat voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, van genoemd landsbesluit evenwel andere criteria gelden dan die in het voorgestelde artikel 9j, vierde lid, van de LID. Met de inwerkingtreding van deze wijzigingslandsverordening zullen daarom twee met elkaar conflicterende recidivebepalingen van kracht zijn. Hoewel in zo’n geval de lex superior conflictregel (de hogere regeling gaat vóór de lagere regeling) kan worden toegepast, is het naar het oordeel van de Raad met het oog op de rechtszekerheid van de dienstverleners niet wenselijk dat twee met elkaar conflicterende regels bestaan. Volgens de Raad moet het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 daarom worden gewijzigd. Tot nu toe heeft de Raad nog geen ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022, dat strekt tot het laten vervallen van artikel 3, tweede lid, van dat landsbesluit, ter advisering mogen ontvangen.

De Raad adviseert de regering met het oog op de rechtszekerheid van de dienstverleners een ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 dat tot het laten vervallen van artikel 3, tweede lid, van dat landsbesluit strekt zo spoedig mogelijk op te stellen en aan de Raad ter advisering voor te leggen.   

10°. De bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete

De Raad constateert dat het ontwerp niet voorziet in de toekenning in de LID aan de Toezichthouder van de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete. Zoals hierboven in dit advies in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 8° al is gesteld, heeft de Raad in het oorspronkelijke advies aangegeven dat ook een matigingsbevoegdheid in de LID en niet bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan de Toezichthouder moest worden toegekend. Het primaat van de wetgever, waarmee bij delegatie van regelgevende bevoegdheid rekening moet worden gehouden, brengt met zich mee dat het toekennen van een dergelijke bevoegdheid aan de Toezichthouder bij landsverordening moet worden geregeld (zie in dit verband aanwijzingen 15 en 17, eerste lid, onder d, van de Awr).

De Raad adviseert de regering in het ontwerp een bepaling op te nemen waarin in de LID aan de Toezichthouder de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete wordt toegekend.

Door de ruime interpretatie die de regering aan het huidige artikel 9j, tweede lid, van de LID geeft, is naast een recidivebepaling ook een matigingsbepaling in het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 opgenomen. In artikel 3, derde lid, van dat landsbesluit wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid toegekend om de bestuurlijke boete die zij oplegt te matigen indien een dienstverlener aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

De Raad adviseert de regering, indien in het ontwerp een bepaling in de LID wordt opgenomen waarbij aan de Toezichthouder de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete wordt toegekend, met het oog op de rechtszekerheid van de dienstverleners een ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2022 dat tot het laten vervallen van artikel 3, derde lid, van dat landsbesluit strekt zo spoedig mogelijk op te stellen en aan de Raad ter advisering voor te leggen.   

 11° Correspondentbanken en daarmee vergelijkbare relaties

Volgens de toelichting op artikel I, onderdeel, L van het ontwerp (pagina 11 van de memorie van toelichting) moet artikel 5b van de LID niet alleen betrekking hebben op correspondentbanken maar ook daarmee vergelijkbare relaties. Dit volgt uit aanbeveling 13 van de FATF. Het huidige artikel 5b van de LID gaat evenwel alleen over correspondentbanken. In verband daarmee is de Raad van oordeel dat de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel L, punt 7, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5b, onderdeel d van de LID) zodanig moet worden aangepast dat het aan voornoemde aanbeveling van FATF voldoet.

De Raad adviseert de regering artikel I, onderdeel L, zevende lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5b, onderdeel d van de LID) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

 12°. De geldboetecategorie indien het strafbaar feit gekwalificeerd wordt als een overtreding

In artikel I, onderdeel LL, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 10, tweede lid, van de LID) is de overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in dat artikel genoemde voorschriften, voor zover die niet opzettelijk geschiedt, gekwalificeerd als een overtreding en strafbaar gesteld met hetzij hechtenis van ten hoogste een jaar, hetzij met een geldboete van de zesde categorie, hetzij met beide straffen. Het opzettelijk overtreden van die voorschriften is een misdrijf en is in het voorgestelde artikel 10, eerste lid, van de LID strafbaar gesteld met hetzij gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, hetzij met geldboete van de zesde categorie, hetzij met beide straffen.

De Raad meent dat de zwaarte van de op te leggen geldboete op een overtreding niet dezelfde kan zijn als die op een misdrijf. De in het voorgestelde artikel 10, tweede lid, van de LID op te leggen geldboete dient daarom een geldboete van maximaal de vijfde categorie te zijn. Immers ook uit de toelichting op artikel I, onderdeel LL, van het ontwerp volgt dat de in het voorgestelde artikel 10, tweede lid, van de LID opgenomen geldboetecategorie niet juist is. In deze toelichting staat dat de rechter op grond van artikel 1:54, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr) bij de veroordeling van een rechtspersoon ingeval de schuldvariant-geldboetecategorie geen passende straf biedt, ruimte moet hebben om de naast hogere categorie geldboete op te leggen. Een geldboete van de zesde categorie is de hoogste geldboetecategorie op grond van artikel 1:54 van het WvSr. Er bestaat geen naast hogere geldboetecategorie.

De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

b. De LvMOT

1°.Het begrip ‘kansspelen’

In artikel II, onderdeel A, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11°, van de LID) wordt naast het begrip ‘hazardspelen’ ook het begrip ‘kansspelen’ ingevoerd. Deze wijziging is identiek aan de voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel A, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 11°, van de LID). De opmerking die de Raad in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 2° van dit advies over laatstgenoemd artikel van de LID heeft gemaakt, geldt mutatis mutandis ook voor de voorgestelde wijziging in de LvMOT.

De Raad adviseert de regering een omschrijving van het begrip ‘kansspelen’ in de begripsbepaling van de LvMOT in het ontwerp op te nemen. 

2°. Het vaststellen van nadere regels over de opschortingsindicatoren

In artikel II, onderdeel F, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11, eerste lid, van de LvMOT) wordt ten aanzien van de melding aan de FIU van transacties gerelateerd aan de Sanctielandsverordening of de Rijkssanctiewet de reikwijdte van de LvMOT uitgebreid. De LvMOT heeft slechts tot doel het voorkomen en opsporen van witwassen, terrorismefinanciering en proliferatiefinanciering. De doelstelling van de sanctieregelgeving strekt verder dan alleen het voorkomen en opsporen van witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatiefinanciering.  Ingevolge het voorgestelde artikel 11, eerste lid, van de LvMOT moet een dienstverlener een opgeschorste transactie direct aan de FIU melden, als die voldoet aan een opschortingsindicator.

In de toelichting op voornoemd artikel staat dat de opschortingsindicatoren van dergelijke transacties nader zullen worden geregeld. De Raad constateert dat in de LvMOT een grondslag voor de regeling van de zogenoemde opschortingsindicatoren ontbreekt. Immers de in artikel 10 van de LvMOT opgenomen bevoegdheid van de Minister van Financiën en de Minister van Justitie tot het vaststellen van indicatoren hebben alleen betrekking op indicatoren aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als een ongebruikelijke transactie. Opschortingsindicatoren daarentegen zijn indicatoren aan de hand waarvan de uitvoering van een transactie tijdelijk kan worden onderbroken.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp een grondslag in de LvMOT op te nemen voor het vaststellen van nadere regels over de opschortingsindicatoren. 

3°. Een opsporingsinstantie

In artikel II, onderdeel I, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 13a (nieuw), eerste lid, van de LvMOT) is de bevoegdheid van de FIU opgenomen om een transactie geheel of gedeeltelijk te doen opschorten bij een dienstverlener. Die bevoegdheid kan de FIU uit eigen beweging en op verzoek van bepaalde instanties uitoefenen. Bij de opsomming van de instanties die een met redenen omkleed verzoek aan de FIU daartoe kunnen doen, is zowel het Openbaar Ministerie (in onderdeel b) als een opsporingsinstantie (in onderdeel c) van het voorgestelde artikel 13a van de LvMOT opgenomen. Ook in de toelichting op dat artikel wordt bij de opsomming van bovengenoemde instanties het Openbaar Ministerie naast een lokale opsporingsdienst genoemd. De Raad merkt op dat het Openbaar Ministerie evenwel ook een opsporingsinstantie is.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

4°. Uitbreiding van de taak van de commissie inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties

In artikel II, onderdeel N, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 16, derde lid, van de LvMOT) wordt het bepaalde in artikel 18 van de LvMOT toegevoegd aan artikel 16 van die landsverordening. Op grond van het voorgestelde artikel 16, derde lid, van de LvMOT heeft de commissie inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties genoemd in het eerste lid tot taak het op verzoek of ambtshalve adviseren van de Minister van Financiën en de Minister van Justitie over de vaststelling van de indicatoren, bedoeld in artikel 10 (indicatoren voor ongebruikelijke transacties) en de inrichting en de uitvoering van de meldingsplicht.

De Raad is van oordeel dat de commissie genoemde ministers ook zou kunnen adviseren over opschortingsindicatoren, bedoeld in het voorgestelde artikel 11, eerste lid, van de LvMOT. Dit in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van de LvMOT ten aanzien van de melding aan de FIU van transacties gerelateerd aan de Sanctielandsverordening of de Rijkssanctiewet in artikel II, onderdeel F, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11, eerste lid, van de LvMOT).

De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

5°. De aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid

In artikel II, onderdeel W, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT) is de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen gedelegeerd aan de regering. Verder wordt in genoemd artikellid, het maximumbedrag voor een op te leggen bestuurlijke boete bepaald. De Raad constateert dat artikel II, onderdeel W, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT) identiek is aan artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID). De opmerkingen die de Raad in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 8° van dit advies over artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, tweede lid, van de LID) heeft gemaakt, gelden met de toepassing van de nodige veranderingen die voor dit geval nodig zijn, ook voor het bepaalde in artikel II, onderdeel W, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT)[6].

Op grond van het vorenstaande adviseert de Raad de regering om de redactie van artikel II onderdeel W, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT) met inachtneming van aanwijzing 18 van de Awr aan te passen. De aan de regering gedelegeerde regelgevende bevoegdheid moet in het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden begrensd. Het gebruik van vage termen moet worden vermeden. Voor de redactie van het voorgestelde artikel 22i, tweede lid, van de LvMOT kan bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij de redactie van artikel 31 van de Wwft. Bovendien adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting duidelijkheid te scheppen over het soort boetestelsel dat de regering wil invoeren.

 6°. De bevoegdheid om de op te leggen bestuurlijke boete bij recidive te verdubbelen

Artikel II, onderdeel X, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22j, eerste lid, (nieuw) van de LvMOT) geeft de Toezichthouder de bevoegdheid om de door haar vast te stellen bestuurlijke boete te verdubbelen indien tijdens het plegen van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.

De Raad constateert dat artikel II, onderdeel X, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22j, eerste lid, (nieuw) van de LvMOT) identiek is aan artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, vierde lid, van de LID). De opmerkingen die de Raad in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 9° van dit advies over artikel I, onderdeel GG, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 9j, vierde lid, van de LID) heeft gemaakt, gelden, met de toepassing van de nodige veranderingen die voor dit geval nodig zijn, ook voor het bepaalde in artikel II, onderdeel X, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22j, eerste lid, (nieuw) van de LvMOT)[7].

De Raad adviseert de regering met het oog op de rechtszekerheid van de dienstverleners een ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2021 dat tot het laten vervallen van artikel 3, tweede lid, van dat landsbesluit strekt op te stellen en zo spoedig mogelijk aan de Raad ter advisering voor te leggen.   

7°. De bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete

De Raad constateert dat het ontwerp niet voorziet in de toekenning in de LvMOT aan de Toezichthouder van de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete. De opmerking die de Raad heeft gemaakt in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 10° van dit advies over het ontbreken van een bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete door de Toezichthouder in de LID, geldt mutatis mutandis ook voor de LvMOT.

De Raad adviseert de regering in het ontwerp een bepaling op te nemen waarin in de LvMOT aan de Toezichthouder de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete wordt toegekend.

Ook in het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2021 is een bepaling over een matigingsbevoegdheid opgenomen. In artikel 3, derde lid, van dat landsbesluit wordt aan de Toezichthouder de bevoegdheid toegekend om de bestuurlijke boete die zij oplegt te matigen indien een dienstverlener aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Indien in het ontwerp een bepaling in de LvMOT wordt opgenomen waarbij aan de Toezichthouder de bevoegdheid tot matiging van de bestuurlijke boete wordt toegekend, adviseert de Raad de regering met het oog op de rechtszekerheid van de dienstverleners een ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2021 dat tot het laten vervallen van artikel 3, derde lid, van dat landsbesluit strekt op te stellen en zo spoedig mogelijk aan de Raad ter advisering voor te leggen.   

3 .De memorie van toelichting

 a. De LID

 1°. Nieuwe betaalmethoden

In de toelichting op artikel I, onderdeel A, van de LID wordt aangegeven dat artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 10° van de LID, gewijzigd wordt naar aanleiding van een commentaar van de CFATF dat de huidige omschrijving van de desbetreffende dienst de definitie van de FATF van “Money or value transfer services” niet volledig dekt. De toelichting vermeldt niet om welke norm, aanbeveling of rapport van de FATF het hier gaat.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen.

 2°. De definitie van het begrip ‘witwassen’

In de memorie van toelichting wordt na ‘witwassen’ standaard het woord ‘gelden’ of ‘geld’ gebruikt (zie onder andere het onderdeel ‘1. Algemeen’, tweede zin (pagina 1 van de memorie van toelichting)). Witwassen heeft echter niet alleen betrekking op gelden. In artikel 1, onderdeel j, van de LvMOT wordt voor de definitie van het begrip ‘witwassen’ verwezen naar een gedraging als strafbaar gesteld in Titel XXXA van het Tweede Boek van het WvSr. Ingevolge artikel 435a, van het WvSr heeft witwassen betrekking op voorwerpen. Onder het begrip ‘voorwerpen’ wordt ingevolge het tweede lid van artikel 435a, van het WvSr verstaan alle zaken en vermogensrechten.

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen. 

 b. De LvMOT

 1 °. De vorm van uitoefening van de opschortingsbevoegdheid

In het voorgestelde artikel II, onderdeel I (het voorgestelde artikel 13a, eerste lid (nieuw) van de LvMOT) is de bevoegdheid van de FIU om een transactie geheel of gedeeltelijk tijdelijk te doen opschorten bij een dienstverlener opgenomen. Die opschortingsbevoegdheid kan de FIU uitoefenen uit eigen beweging of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van een aantal limitatief in dat artikel opgesomde instanties. In de toelichting op bovengenoemd artikel (pagina 21 van de memorie van toelichting) staat dat een dienstverlener, op grond van het vierde lid verplicht is een krachtens het eerste lid gegeven mondelinge instructie tot opschorting van het hoofd van de FIU, onverwijld op te volgen. Echter, schrijft het voorgestelde artikel 13a, eerste lid (nieuw), van de LvMOT niet voor op welke wijze die opschortingsbevoegdheid door de FIU kan worden uitgeoefend. Indien de opschortingsbevoegdheid, in verband met het spoedeisend karakter ervan, alleen mondeling moet worden uitgeoefend, moet dit uit het ontwerp blijken en is naar het oordeel van de Raad gewenst dat deze binnen afzienbare tijd op schrift wordt gesteld.

Verder brengen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in dit geval het motiveringsbeginsel, met zich mee dat de dienstverlener zowel bij een mondelinge als bij een schriftelijke instructie om een transactie te doen opschorten uitdrukkelijk moet worden geïnformeerd over de grond, genoemd in het voorgestelde artikel 13a, tweede lid, van de LvMOT, die daartoe aanleiding heeft gegeven. Het ontwerp en de memorie van toelichting zwijgen daarover.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

  2°. Het vervallen van de verplichting van de Toezichthouder om gegevens of inlichtingen te verstrekken aan de Algemene Rekenkamer

–  Ontbreken van een wijzigingsinstructie in het ontwerp en foutieve verwijzing in de toelichting

Volgens het huidige artikel 20, achtste en negende lid, van de LvMOT is de Toezichthouder verplicht om gegevens of inlichtingen te verstrekken aan de Algemene Rekenkamer voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 25 en 41 van de LvARC. Uit de toelichting op artikel II, onderdeel R, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 20 van de LvMOT) (pagina 23 van de memorie van toelichting) volgt dat in het ontwerp een bepaling is opgenomen die strekt tot het laten vervallen van artikel 20, achtste en negende lid, van de LvMOT. Voor de toelichting op die bepaling wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 van de LID, zoals voorgesteld in artikel I, onderdeel V, van het ontwerp betreffende het vervallen van het huidige zevende en achtste lid van artikel 8 van de LID.

De Raad merkt op dat artikel II, onderdeel R, van het ontwerp geen bepaling bevat die tot het laten vervallen van artikel 20, achtste en negende lid, van de LvMOT strekt. Verder is de verwijzing in bovengenoemde toelichting naar artikel I, onderdeel V, van het ontwerp, waarin het vervallen van het huidige zevende en achtste lid van artikel 8 van de LID is geregeld, niet correct. Laatstbedoelde wijziging is namelijk in artikel I, onderdeel AA, van het ontwerp opgenomen.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

–     Het horen van de Algemene Rekenkamer

Het huidige artikel 20, achtste en negende lid, van de LvMOT is identiek aan het huidige artikel 8, zevende en achtste lid van de LID. De opmerking die de Raad in onderdeel II. 2, onder a, subonderdeel 7° van dit advies heeft gemaakt, ten aanzien van het horen van de Algemene Rekenkamer over het laten vervallen van het zevende en achtste lid van het huidige artikel 8 van de LID, geldt mutatis mutandis ook voor het laten vervallen van het huidige artikel 20, achtste en negende lid, van de LvMOT.

De Raad adviseert de regering indien de Algemene Rekenkamer niet over het laten vervallen van het huidige artikel 20, achtste en negende lid van de LvMOT is gehoord om haar alsnog te horen.

3°. Inzagerecht op gedane melding van de dienstverleners

  • Toezichtbevoegdheid in de LvMOT

Op grond van het huidige artikel 22mm, vierde lid, onderdeel b, van de LvMOT zijn de door de Toezichthouders aangewezen functionarissen, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers, zoals elektronische bestanden en daarvan afschriften te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen. In artikel II, onderdeel DD, punt 7, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22m, vierde lid, onderdeel b, van de LvMOT) wordt voorgesteld na de woorden ‘mee te nemen’ in te voegen: inclusief gegevens in verband met door een dienstverlener gedane melding. In de toelichting op dit artikel (pagina 24 van de memorie van toelichting) staat dat het nieuwe onderdeel van het vierde lid regelt dat de Toezichthouder bevoegd is de gegevens van een aan zijn toezicht onderworpen dienstverlener gedane melding in te zien, teneinde de kwaliteit en tijdigheid van de melding te kunnen beoordelen.

De Raad merkt op dat de in artikel 22mm, vierde lid, onderdeel b, van de LvMOT opgenomen bevoegdheid niet alleen op inzage ziet. Het ziet ook op de bevoegdheid om afschriften te nemen of het tijdelijk meenemen van informatie ongeacht de vorm waarin die informatie is vervat.

De Raad adviseert de regering het ontwerp en de memorie van toelichting op dit punt met elkaar in overeenstemming te brengen.

 

  • Synchronisatie van de toelichting op de artikelen I, onderdeel NN, zesde lid en II, onderdeel DD, punt 7 van het ontwerp

Overigens is in artikel I, onderdeel NN, punt 6, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11, vierde lid, onderdeel b, van de LID) ten aanzien van een soortgelijke bepaling als artikel 22mm, vierde lid, onderdeel b, van de LvMOT in de LID dezelfde wijziging voorgesteld als in artikel II, onderdeel DD van het ontwerp, maar een toelichting op dat eerstgenoemde artikel van de LID ontbreekt. Ook wordt in de toelichting op eerstgenoemd artikel van de LID niet verwezen naar de toelichting op artikel II, onderdeel DD, punt 7, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22m, vierde lid, onderdeel b, van de LvMOT).

De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.

 III.  Een overweging ten overvloede

Het toezicht van de CBCS op instellingen is in verschillende landsverordeningen (hierna: toezichtlandsverordeningen) geregeld. Met de wijziging van de verschillende toezichtlandsverordeningen bij de inwerkingtreding van de Landsverordening actualisering en harmonisatie toezichtlandsverordeningen Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten zijn de bestuurlijke sancties die de CBCS aan de diverse ondertoezichtgestelden kan opleggen verruimd en tevens geharmoniseerd. Zo zijn de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom toegevoegd aan het handhavingsinstrumentarium van de CBCS. In verband met die verruiming en harmonisatie is het noodzakelijk gebleken om de desbetreffende landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, die ter uitvoering van de toezichtlandsverordeningen strekken vast te stellen dan wel deze te vervangen door een nieuwe regeling. Dit is onder andere geschied ter vaststelling van het bedrag waarboven geen dwangsom meer mag worden verbeurd en de hoogte van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen. Echter is, volgens de nota van toelichting behorende bij een drietal van bedoelde landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, dat reeds is vastgesteld[8], gebleken dat de bepalingen in de toezichtlandsverordeningen die de wettelijke grondslag vormen voor de CBCS om een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom aan de diverse ondertoezichtgestelden op te leggen verschillende omissies bevatten. Zo is in die bepalingen de verwijzing naar bepaalde artikelen, waarvan overtreding tot het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom kan leiden, verkeerd. Sommige van de artikelen, waarnaar in bedoelde bepalingen wordt verwezen, betreffen geen bepalingen inhoudende een verplichting of een verbod. Hierdoor is niet duidelijk voor de ondertoezichtgestelden op welke gedraging een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd.

Momenteel zijn er bij de Raad nog een drietal ontwerpen van hogerbedoelde landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, aanhangig[9]. In de nota van toelichting behorende bij deze landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, wordt ook melding gemaakt van dezelfde problematiek als in de nota van toelichting behorende bij de reeds vastgestelde landsbesluiten, houdende algemene maatregelen. Al met al gaat het om de volgende omissies in de volgende toezichtlandsverordeningen:

  • De artikelen 48b, eerste lid en 48k, eerste lid, van de Landsverordening toezicht bank en kredietwezen waarin ten onrechte wordt verwezen naar de artikelen 6a, vierde en vijfde lid, 14, vierde lid, laatste volzin, 21, eerste lid,22, tweede lid, onderdeel a, 41a, tweede lid en 45, vierde en vijfde lid van genoemde landsverordening;
  • De artikelen 29, eerste lid en 38, eerste lid, van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren, waarin ten onrechte wordt verwezen naar artikel 10, tweede lid, laatste volzin, van die landsverordening;
  • de artikelen 23a, eerste lid en 23j, eerste lid, van de Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf waarin ten onrechte wordt verwezen naar de artikelen 8b, eerste lid en 18, vijfde lid, van die landsverordening;
  • de artikelen 21b, eerste lid en 22a, eerste lid, van de Landsverordening toezicht trustwezen, waarin ten onrechte wordt verwezen naar artikel 20, vijfde lid, van die landsverordening. Ook artikel 22a, tweede lid, van die landsverordening waarin de woorden ‘kredietinstelling en omzet’ ten onrechte zijn opgenomen waardoor dat artikellid niet kan worden toegepast;
  • de artikelen 12b, eerste lid en 12k, eerste lid, van de Landsverordening toezicht effectenbeurzen, waarin ten onrechte wordt verwezen naar artikel 16, vijfde lid, van die landsverordening en;
  • de artikelen 32b, eerste lid en 32k, eerste lid, van de Landsverordening toezicht beleggingsinstellingen en administrateurs waarin ten onrechte wordt verwezen naar de artikelen 18, zevende lid, 28b, derde lid en 35, vijfde lid, van die landsverordening.

Ook blijkt uit de nota van toelichting behorende bij hogerbedoelde landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, dat de regering een ontwerplandsverordening in voorbereiding heeft tot wijziging van de desbetreffende toezichtlandsverordening met als doel die omissies te herstellen. De Raad vindt dat de regering van de gelegenheid gebruik kan maken dat bij het ontwerp bepaalde toezichtlandsverordeningen gewijzigd worden om alvast de in bovengenoemde toezichtlandsverordeningen geconstateerde omissies te herstellen. De Raad wijst de regering erop dat na aanpassing van het ontwerp naar aanleiding van het gestelde in dit onderdeel van dit advies, het aangepaste ontwerp niet opnieuw voor advies aan de Raad hoeft te worden voorgelegd.

De Raad adviseert de regering om het ontwerp met inachtneming van het bovenstaande aan te passen.

IV. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard

 Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.

 

Willemstad, 1 november 2023

de wnd. Ondervoorzitter,                                                      de Secretaris,

____________________                                            _____________________

dr. J. Sybesma                                                                     mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/22-23-LV

Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. Algemeen

Zowel in het ontwerp als de memorie van toelichting wordt de term ‘terrorismefinanciering’ of ‘financiering van terrorisme’ gebruikt. Er moet worden aangesloten bij de term die in artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de LvMOT daarvoor wordt gebruikt. In dat artikel wordt de term ‘financieren van terrorisme’ en niet ‘terrorismefinanciering’ of ‘financiering van terrorisme’ gebruikt. In verband hiermee wordt voorgesteld in artikel II, onderdeel A, punt 15, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel w, van de LvMOT) de term ‘proliferatiefinanciering’ te vervangen door ‘het financieren van proliferatie’. Als gevolg hiervan moet overal in het ontwerp en in de memorie van toelichting waar de termen ‘terrorismefinanciering’, terrorisme financiering of ‘financiering van terrorisme’, worden gebruikt deze termen in lijn worden gebracht met artikel 1, eerste lid, onderdeel k, van de LvMOT.

Ook de termen ‘proliferatiefinanciering’, proliferatie financiering of ‘financiering van proliferatie’ moeten overal in het ontwerp en de memorie van toelichting worden aangepast. De Raad geeft een aantal voorbeelden van de artikelen in het ontwerp en van plaatsen in de memorie van toelichting waar bovengenoemde wijzigingen moeten worden aangebracht. Het betreft de artikelen I, onderdelen E, punt 3, S,T,U,V,W en X, II, onderdelen E, I, J, K, R en HH, VI, vijfde lid en IX. Voor wat de memorie van toelichting betreft wordt verwezen naar pagina 1 en pagina 2, eerste tekstblok onder punt 3, eerste en tweede zin.

Zowel in het ontwerp als in de memorie van toelichting wordt verwezen naar de in dit ontwerp gewijzigde of huidige artikelen of artikelonderdelen van de desbetreffende landsverordeningen. Het komt vaak voor dat deze verwijzingen niet kloppen. De Raad noemt in deze bijlage enkele voorbeelden en stelt voor om zowel in het ontwerp als de memorie van toelichting grondig na te gaan of genoemde verwijzingen naar artikelen en artikelonderdelen correct zijn.

Ook wordt voorgesteld op het gebruik van leesttekens in het ontwerp en de memorie van toelichting te letten. Op sommige plaatsen in de tekst wordt een punt geplaatst, twee punten geplaatst of een puntkomma geplaatst waar dat eigenlijk niet had gemoeten. Ter illustratie: in artikel I, onderdeel A, punt 5, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 15°) wordt een punt achter de puntkomma geplaatst terwijl dat niet had gemoeten. Ook in de artikelen I, onderdeel A, onder t (feitelijk punt 24) (het voorgestelde artikel 1, onderdeel y van de LID) en I, onderdeel B, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, achtste lid, van de LID is aan het slot respectievelijk het slot van de laatste zin twee punten geplaatst. Voorgesteld wordt het ontwerp door te lichten en genoemde omissies te herstellen.

Soms wordt in de memorie van toelichting de term ‘richtlijn’ in plaats van de term ‘aanbeveling’ voor een FATF-aanbeveling gebruikt. Voorgesteld wordt de memorie van toelichting te screenen voor genoemde omissie en die toelichting aan te passen.

2. Het ontwerp

 Algemeen

Volgens aanwijzing 173, tweede lid, van de Awr wordt alleen het te vervangen tekstgedeelte tussen aanhalingstekens geplaatst. De nieuwe tekst wordt niet tussen aanhalingstekens geplaatst, tenzij dit voor de duidelijkheid nodig is. Volgens de toelichting op die aanwijzing kan de uitzondering, bedoeld aan het slot van het tweede lid zich voordoen indien in een volzin twee of meer tekstwijzigingen zijn opgenomen. In dat geval wordt achter ‘wordt vervangen door’ of ‘komt te luiden’ geen dubbele punt geplaatst. In het ontwerp komt vaak voor dat er in een volzin twee of meer tekstwijzigingen zijn opgenomen. Voorgesteld wordt in die gevallen voor de duidelijkheid ook de nieuwe tekst tussen aanhalingstekens te plaatsen.  Enkele voorbeelden in het ontwerp waarin in een volzin twee of meer tekstwijzigingen zijn opgenomen zijn de artikelen I, onderdelen C, J, punt 4, O, punt 2, Y, punt 1 en NN, punten 1, 2 en 5 en II, onderdelen Q,Z, GG en HH van het ontwerp.

Voorgesteld wordt het ontwerp door te lichten en overal in het ontwerp waar in een volzin twee of meer tekstwijzigingen zijn opgenomen de uitzondering, bedoeld aan het slot van het tweede lid van aanwijzing 173 van de Awr toe te passen.

 Ook wordt soms in het ontwerp twee of meer tekstwijzigingen die in hetzelfde artikel of artikelonderdeel moeten worden aangebracht apart opgenomen. Ter illustratie wordt verwezen naar artikel I, onderdeel NN, punten 1 en 2, van het ontwerp. Daar wordt in twee afzonderlijke zinnen voorgesteld om in artikel 11, eerste lid, onderdeel a, van de LID twee tekstwijzigingen aan te brengen.

Voorgesteld wordt in het ontwerp consequent te zijn door wijzigingen die in hetzelfde artikel of artikelonderdeel moeten worden aangebracht in één zin met inachtneming van het slot van het tweede lid van aanwijzing 173 van de Awr op te nemen.

 Voorgesteld wordt in het opschrift vóór ‘Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf’ het lidwoord ‘de’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in de eerste, tweede en derde overweging in de considerans ‘wenselijk’ te vervangen door ‘noodzakelijk’. Het niet voldoen aan de recente FTAF-aanbevelingen, de bevindingen van de National Risk Assessment en het niet oplossen van praktijk knelpunten vormen een risico voor witwassen, het financieren van terrorisme en proliferatie en daarmee voor de integriteit van het financiële stelsel van Curaçao. De voorgestelde wijzigingen van de desbetreffende landsverordeningen zijn daarom noodzakelijk.

Voorgesteld wordt in de eerste overweging ‘middels deze landsverordeningen’ te schrappen.

Voorgesteld wordt in de tweede overweging na ‘aandachtspunten’ in te voegen ‘ter beperking van de risico’s en kwetsbaarheden in het financiële stelsel van Curaçao voor witwassen’.

Voorgesteld wordt de laatste considerans na ‘wijzigingen’ in te voegen ‘in deze landsverordeningen’ en ‘aan te vullen en aan te passen’ te vervangen door ‘te wijzigen’.

 

De LID

Artikel I, onderdeel A

De verschillende wijzigingen in een artikel van een regeling worden ingevolge aanwijzing 175, derde lid, van de Awr aangeduid met Arabische cijfers of kleine letters. De in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp voorgestelde wijzigingen in artikel 1 van de LID worden zowel met Arabische cijfers als kleine letters aangeduid. Aangezien de aanduiding van de diverse wijzigingsonderdelen in artikel 1 van de LID in kleine letters alleen in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp voorkomt, wordt voorgesteld om de aanduiding van de diverse wijzigingen in artikel 1 van de LID met Arabische cijfers aan te houden door ‘artikel I, onderdeel A, onder d tot en met u’ van het ontwerp te vervangen door ‘artikel I, onderdeel A, punten 8 tot en met 25. Als gevolg van laatstgenoemde wijziging wordt voorgesteld om artikel I, onderdeel A, punten 24 en 25 van het ontwerp te vervangen door artikel I, onderdeel A, punten 26 en 27.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel A, punt 6, van het ontwerp ‘worden’ te vervangen door ‘wordt’.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel A, onder e (feitelijk punt 9) van het ontwerp ‘er’ te schrappen.

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel A, onder o (feitelijk punt 19) van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel q, van de LID) ‘politiek prominent persoon’ te vervangen door ‘politiek prominente persoon’.

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel A, onder q (feitelijk punt 21) van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de LID) ‘respondent instelling’ te vervangen door ‘respondentinstelling’.

Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel A, onder u (feitelijk punt 25) van het ontwerp ‘het tweede, derde en vierde lid’ te vervangen door ‘het tweede en derde lid’.  Het bepaalde in het vierde lid dat door de wijziging in het voorgestelde artikel I, onderdeel A, punt 24 (feitelijk punt 26) van het ontwerp het nieuwe vijfde lid is geworden wordt in artikel I, onderdeel A, punt 25 (feitelijk punt 27) van het ontwerp immers vervangen door een geheel nieuwe tekst waarin de voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel A, onder u (feitelijk punt 25), van het ontwerp al is opgenomen.

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel A, onder u (feitelijk punt 25) van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel x, onder a, van de LID) de komma vóór ‘en’ te vervangen door een puntkomma.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel A, punt 24 (feitelijk punt 26) van het ontwerp ‘er’ te schrappen en ‘nieuwe’ te vervangen door ‘nieuw’.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel A, punt 25 (feitelijk punt 27) van het ontwerp met inachtneming van aanwijzing 178, zevende lid, van de Awr na ‘vijfde lid’ het woord ‘(nieuw)’ in te voegen.

 

Artikel I, onderdeel C

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel C, van het ontwerp vóór ‘artikelen’, het lidwoord ‘de’ in te voegen.

Daarnaast wordt voorgesteld ‘5a, onderdeel a en b’ te schrappen. Artikel 5a van de LID wordt in artikel I, onderdeel K, van het ontwerp vervangen door een nieuw artikel 5a van de LID dat niet uit onderdelen a en b bestaat. Overigens is in het voorgestelde artikel 5a, eerste lid (nieuw) van de LID de term ‘uiteindelijk gerechtigde’ al opgenomen.

 

Artikel I, onderdeel E   

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van artikel I, onderdeel E, punt 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2b, onderdeel d, van de LID) de volgende wijzigingen aan te brengen:

  • ‘wordt en’ te vervangen door ‘worden’;
  • in de laatste zin ‘het vorige zinsdeel’ te vervangen door ‘de vorige volzin’.

Voorts wordt voorgesteld in artikel I, onderdeel E, punt 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2b, onderdeel e, van de LID) na ‘die een notaris is’ in te voegen ‘toegestaan’, na ‘verifiëren’ ‘te’ in te voegen, vóór ‘artikelen’ het lidwoord ‘de’ in te voegen.

 

Artikel I, onderdeel G

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van artikel I, onderdeel G, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2e, eerste lid, onderdeel a, van de LID) ‘“Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994”’ te vervangen door ‘“Landsverordening toezicht- en kredietwezen 1991”’.

 

Artikel I, onderdeel K

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a, eerste lid, van de LID) ‘artikel 1, eerste lid onderdeel b’ te vervangen door ‘artikel 1, eerste lid, onderdeel b,’ en ‘een politiek prominent persoon’ te vervangen door ‘een politiek prominente persoon’.

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a, tweede lid, van de LID) ‘een politiek prominent persoon’ te vervangen door ‘een politiek prominente persoon’.

 

Artikel I, onderdeel L

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel L, punten 2, 3, 4 en 7, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5b, onderdeel a, aanhef, onderdeel a, onder 3°, onderdeel a, onder 5° en onderdeel d van de LID) ‘respondent instelling’ te vervangen door ‘respondentinstelling’.

 

Artikel I, onderdeel Z

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel Z, punten 1 en 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 7, eerste en derde lid van de LID) ‘Landsverordening Melding Ongebruikelijke Transacties’ te vervangen door “Landsverordening melding ongebruikelijke transacties’.  Ook wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel 7, eerste en derde lid, van de LID ‘deze Landsverordening” te vervangen door ‘deze landsverordening’.

 

Artikel I, onderdeel AA

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel I, onderdeel AA, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 8, eerste lid, van de LID) ‘het twee lid’ te vervangen door ‘het eerste lid’.

 

Artikel I, onderdeel LL

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel LL (het voorgestelde artikel 10, eerste lid, van de LID) ’11, derde, laatste volzin’ te vervangen door ’11, derde lid, laatste volzin’.

 

Artikel I, onderdeel NN

Voorgesteld wordt in artikel I, onderdeel NN, punt 7, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11, vierde lid, onderdeel g, van de LID) ‘waar het betreft’ te vervangen door ‘voor wat het’ en na ‘15°’ in te voegen ‘betreft’.

 

De LvMOT

Artikel II, onderdeel A

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11° van de LvMOT) ‘eerste lid, onderdeel b,’ te vervangen door ‘eerste lid, onderdeel a’.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 5, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15° van de LvMOT) ‘eerste lid, onderdeel b,’ te vervangen door ‘eerste lid, onderdeel a’.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 6, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15°, subonderdeel a, van de LvMOT) ‘worden’ te vervangen door ‘wordt’.

Voorgesteld wordt in artikel II, onderdeel A, punt 8, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15°, subonderdeel d, van de LvMOT) na ‘Algemene landsverordening Landsbelastingen’ vóór de punt een puntkomma in te voegen.

Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 9, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15°van de LvMOT) te schrappen. Aan het slot van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15 ° van de LvMOT is geen punt geplaatst. Hierboven is al voorgesteld in het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 15°, subonderdeel d, van de LvMOT na ‘Algemene landsverordening Landsbelastingen’ vóór de punt een puntkomma te plaatsten.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 10, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 24° tot en met 28° van de LvMOT) ‘er’ te schrappen.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 14, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de LvMOT) ‘komt als volgt te luiden’ te vervangen door ‘komt te luiden’.

Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 15, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdelen t tot en met w van de LvMOT) met inachtneming van aanwijzing 178, vierde lid, onder B, van de Awr als volgt te doen luiden:

Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel s, door een puntkomma worden vier nieuwe onderdelen toegevoegd, luidende:

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel A, punt 16, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, tweede, derde en vierde lid, van de LvMOT), ‘het tweede, derde en vierde lid’ te vervangen door ‘het tweede en derde lid’. Immers het voorgestelde artikel 1, vierde lid, van de LvMOT wordt vijfde lid (nieuw) en wordt vervangen door een nieuwe tekst waarin de beoogde correctie al is verwerkt (zie artikel II, onderdeel A, punten 17 en 18, van het ontwerp).

Voorgesteld wordt de tweede aanduiding ‘17’ van artikel II, onderdeel A, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, vijfde lid (nieuw) van de LvMOT) te vervangen door ‘18’ en in de wijzigingsinstructie na ‘vijfde lid’ ‘(nieuw)’ in te voegen.

 

Artikel II, onderdeel B

Voorgesteld wordt in artikel II, onderdeel B, punt 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 3, onderdeel j, van de LvMOT) ‘een nieuwe’ te vervangen door ‘een nieuw’.

 

Artikel II, onderdeel D

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van dat onderdeel ‘In het derde lid‘ te vervangen door ‘In het derde lid (nieuw)’ en ‘het betreffende register of de betreffende instantie’ te vervangen door ‘de registers, bedoeld in het eerste lid’. Het gaat in artikel 5, eerste lid, van de LvMOT om de registers van de instanties en ambtenaren die al dan niet met opsporing en vervolging van strafbare feiten zijn belast.

 

Artikel II, onderdeel E

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel E, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 6, derde en vierde lid (beiden nieuw), van de LvMOT) ‘wordt er’ te vervangen door ‘worden’ en ‘nieuwe’ te vervangen door ‘nieuw’.

Voorgesteld wordt in artikel II, onderdeel E, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 6, vierde lid (nieuw), aanhef van de LvMOT) ‘kan houden’ te vervangen door ‘houdt’.

 

Artikel II, onderdeel F

Voorgesteld wordt in artikel II, onderdeel F, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11, eerste lid, van de LvMOT) in een voetnoot aan te geven in welk Publicatieblad de Landsverordening In- en Uitvoer is geplaatst.

 

Artikel II, onderdeel I

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel I, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 13a, van de LvMOT) ‘er’ te schrappen.

Ingevolge artikel II, onderdeel I, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 13a, vijfde lid van de LvMOT) is de duur van de opschorting maximaal vijf werkdagen met de mogelijkheid dat genoemde termijn kan worden verlengd tot vijftien werkdagen. Echter blijkt uit de toelichting op artikel II, onderdeel I, van het ontwerp dat de termijn met maximaal vijftien werkdagen kan worden verlengd.

Voorgesteld wordt daarom in artikel II, onderdeel I, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 13a, vijfde lid, van de LvMOT) vóór ‘vijftien’ ‘maximaal’ in te voegen.

 

Artikel II, onderdeel L

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel L, punt 2 van het ontwerp (het voorgestelde artikel 15a, tweede lid, (nieuw) van de LvMOT) ‘genummerd’ te vervangen door ‘vernummerd’.

Voorgesteld wordt de tweede aanduiding ‘3’ van de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel L, punt 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 15a, tweede lid, (nieuw) van de LvMOT) te vervangen door ‘4’.

Voorgesteld wordt de aanduiding ‘4’ van de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel L, punt 3, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 15a, derde lid, van de LvMOT) te vervangen door ‘5’ en de wijzigingsinstructie te herformuleren. Het derde lid van artikel 15a, van de LvMOT wordt hiervoor vernummerd tot tweede lid. Het kan dus niet vervangen worden het bestaat niet meer. Er moet een nieuw derde lid worden ingevoegd.

 

Artikel II, onderdeel T

Voorgesteld wordt in artikel II, onderdeel T, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 20b, eerste lid, van de LvMOT) ‘als bedoeld in artikel 20a..’ te vervangen door ‘als bedoeld in artikel 20a, tweede lid.)

 

Artikel II, onderdeel DD

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van artikel II, onderdeel DD, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, eerste lid, van de LvMOT) ‘het eerste lid’ te vervangen door ‘het eerste lid, onderdelen a en b’. Immers artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de LvMOT wordt in het vierde lid van dit artikel vervangen door een nieuwe tekst waarin de beoogde wijziging al is verwerkt.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van artikel II, onderdeel DD, punt 2, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, eerste lid, onderdeel a, van de LvMOT) ‘De Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten’ te vervangen door ‘de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten’.

Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van artikel II, onderdeel DD, punt 5, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, tweede lid van de LvMOT) ‘“24°”’ te vervangen door ‘“sub 24°”’ en ‘26°’ te vervangen door ‘onder 26°.

Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel DD, punt 8, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, zesde lid, van de LvMOT) anders te redigeren. De aanduiding ‘komt te luiden’ wordt gebruikt als een tekst vervangen wordt door een nieuwe tekst. Het voorgestelde artikel 22mm, zesde lid, van de LvMOT is voorheen al vervallen. De wijzigingsinstructie dient dan te luiden: na het vijfde lid wordt een zesde lid ingevoegd luidende:

Ook wordt voorgesteld in artikel II, onderdeel DD, punt 8, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22mm, zesde lid, van de LvMOT) in de tweede zin, ‘het eerste volzin’ te vervangen door ‘de eerste volzin’.

 

Artikel II, onderdeel EE

Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in artikel II, onderdeel EE, punt 1, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 22nn, eerste lid, van de LvMOT) te schrappen. In het huidige artikel 22nn, eerste lid, van de LvMOT komt het woord ‘sub’ niet voor.

 

De Landsverordening toezicht trustwezen

Artikel III, onderdeel B

Voorgesteld wordt in artikel III, onderdeel B van het ontwerp (het voorgestelde artikel 10, tweede lid, van de Landsverordening toezicht trustwezen) vóór de tekst van artikel 10 het opschrift ‘Artikel 10’ op te nemen en in de tekst van dat artikel de tweede ‘door de Bank’ te schrappen.

 

De overgangsregeling

Voorgesteld wordt in artikel VI, eerste lid, van het ontwerp ‘zoals bedoeld’ te vervangen door ‘als bedoeld’.

 

De slotbepaling

Voorgesteld wordt in artikel VII vóór ‘Landsverordening toezicht assurantiebemiddelingsbedrijf’ het lidwoord ‘de’ in te voegen.

 

3. De memorie van toelichting

 Algemeen

In het advies van WJZ van 3 juli 2023 wordt ten aanzien van de memorie van toelichting een viertal opmerkingen gemaakt. De Raad sluit zich aan bij dat advies voor wat opmerking 4 betreft.

Voorgesteld wordt de toelichting op taalgebruik en grammatica te controleren. Aanbevolen wordt om de lange zinnen zoveel mogelijk beknopter te maken.

 Opgemerkt wordt dat in de memorie van toelichting vaak niet wordt aangegeven in welk specifiek onderdeel van een bepaald artikel in het ontwerp de in de desbetreffende landsverordeningen voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen. Zo wordt in de toelichting op artikel I, onderdeel A, van het ontwerp, laatste tekstblok (pagina 3) aangegeven dat artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 10° van de LID, gewijzigd wordt naar aanleiding van een commentaar van de CFATF dat de huidige omschrijving van de betreffende dienst de FATF-definitie van “Money or value transfer services” niet volledig dekt. Er wordt niet aangegeven dat de voorgestelde wijziging van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 10° opgenomen is in artikel I, onderdeel A, punt 1, van het ontwerp. Ook op pagina 4, tweede tekstblok, van de toelichting op hetzelfde artikel staat dat er een nieuw tweede lid is ingevoegd in artikel 1 van de LID. Er staat niet in welk onderdeel van artikel I, onderdeel A, van het ontwerp dat nieuwe tweede lid is ingevoegd. Voor de lezer moet duidelijk zijn dat laatstgenoemde wijziging opgenomen is in artikel I, onderdeel A, punt 24, van het ontwerp.

Voorgesteld wordt de memorie van toelichting ten behoeve van de toegankelijkheid en leesbaarheid daarvan grondig door te lichten en daarin duidelijk te specificeren op welk artikelonderdeel van het ontwerp een verwijzing naar een voorgestelde wijziging van een artikel of artikelonderdeel van de desbetreffende wettelijke regelingen betrekking heeft.

Voorgesteld wordt in de artikelsgewijze toelichting in de opschriften van de toe te lichten onderdelen van de desbetreffende artikelen van het ontwerp ‘Onderdeel’ of ‘Onderdelen’ steeds te vervangen door ‘onderdeel’ of ‘onderdelen’.

 

Pagina 1

Voorgesteld wordt onder ‘1. Algemeen deel’, derde zin, na ‘de integriteit’ in te voegen ‘van het financiële stelsel, ‘ervan’ te schrappen en na ‘misbruik’ een punt te plaatsen.

Voorgesteld wordt onder ‘1. Algemeen deel’, voorlaatste zin, ‘en de regeling van een viertal hoofdzaken’ te vervangen door ‘met als doel:’ en ‘Deze zijn:’ te schrappen.

 

Pagina 2

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin, ‘Vereisten’ te vervangen door “Ook de vereisten’ en na ‘aanbeveling 24 en 25’ tussen komma’s te plaatsen.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, onder punt 2, ‘“risk based approach”’ te vervangen door ‘risicogebaseerde benadering’.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, onder punt 3, eerste zin, ‘de FIU (financiële inlichtingen eenheid)’ te vervangen door ‘de financiële inlichtingen eenheid (hierna: de FIU).

 

Pagina 3

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok na ‘overheidsdiensten’ ‘en’ te schrappen en een punt te plaatsen. Ook wordt voorgesteld ‘hebben geen financiële gevolgen’ te vervangen door ‘Deze wijzigingen hebben geen financiële gevolgen.’.

Voorgesteld wordt in de zin onder ‘Artikel I’ ‘De Landsverordening identificatie bij dienstverlening’ te vervangen door ‘LID’.

Voorgesteld wordt onder ‘Artikel I, Onderdeel A’ ‘eenentwintigste’ te schrappen. Artikel I, onderdeel A, eenentwintigste lid, (aangeduid als artikel I, onderdeel A, onder q, in het ontwerp) betreft geen herstel van een wetstechnische omissie. Het gaat om een inhoudelijke wijziging. Een nieuwe term te weten ‘respondentinstelling’ wordt daarin geïntroduceerd.

 

Pagina 5

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, aan te geven waar de afkortingen (AA, CPA en RA) voor staan.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin ‘subonderdeel 15°’ te vervangen door ‘onder 15°’ en ‘een nieuw onderdeel’ te vervangen door ‘een nieuw subonderdeel’.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin, ‘En’ te vervangen door ‘Het’.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘onder 15° (onderdelen a tot en met d)’ te vervangen door ‘onder artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 15° (subonderdelen a tot en met d).

 

Pagina 6

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin ‘uiteindelijke belanghebbende’ te vervangen door ‘uiteindelijk belanghebbende’

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin, na ‘definitie’ ‘van’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin, ‘de uiteindelijke gerechtigde’ te vervangen door ‘uiteindelijk gerechtigde’ en ‘de uiteindelijke belanghebbende’ te vervangen door ‘de uiteindelijk belanghebbende’.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin ‘gekwalificeerde belang’ te vervangen door ‘gekwalificeerd belang’ en ‘uiteindelijke gerechtigde’ te vervangen door ‘uiteindelijk gerechtigde’.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, vijfde zin, ‘FATF guidance’ te vervangen door ‘FATF-guidance’.

 

Pagina 7

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin, ‘In de wijziging van artikel’ te vervangen door ‘In het voorgestelde artikel’ en na ‘de definitie’ de woorden ‘van politiek prominente persoon,’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, tweede zin, ‘het nieuwe artikel 1, vijfde lid, van de LID’ te vervangen door ‘artikel 1, zesde lid, (nieuw) van de LID’.

Voorgesteld wordt in de zin na het vierde tekstblok ‘In het’ te vervangen door ‘Het’ en na ‘buitengaatse ondernemingen’ ‘als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Landsverordening toezicht trustwezen’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin ‘De wijziging’ te vervangen door ‘Het voorgestelde artikel 1, vijfde lid, (nieuw) van de LID (artikel I, onderdeel A, punt 27, van het ontwerp)’.

 

Pagina 8

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin, na ‘opvolgen de woorden ‘van de verplichtingen’ in te voegen en ‘artikel 9, eerste lid’ te vervangen door ‘artikel 9a, eerste lid’.

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, na de laatste zin de volgende zin in te voegen: In artikel 2a, eerste lid, moet verwezen worden naar artikel 2, derde lid, onderdeel b.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste zin, ‘bij richtlijn 22’ te vervangen door ‘bij aanbeveling 22’, ‘Recommendation 22’ te schrappen en na ‘geldt’ ‘het volgende’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, derde zin van onderaf ‘artikel 2’ te vervangen door ‘artikel 2b’.

 

Pagina 10

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, onder ‘Artikel I, Onderdeel H, eerste zin, ‘de risk based benadering’ te vervangen door ‘de risicogebaseerde benadering’ en ‘richtlijn 10’ te vervangen door ‘aanbeveling 10’ en na ‘aanbeveling 10’ in te voegen ‘die luidt:’.

In het eerste tekstblok, onder ‘Artikel I, Onderdeel H’, in het citaat van aanbeveling 10 van de FATF staat de afkorting ‘CDD’.  De afkorting ‘CDD’ staat voor Customer Due Dilgence.  Aangezien deze afkorting in een citaat voorkomt, wordt voorgesteld in een voetnoot aan te geven dat de term ‘Customer Due Deligence’ verder in de tekst van de memorie van toelichting zal worden afgekort met de afkorting ‘CDD’.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, onder ‘Artikel I, Onderdeel H, eerste zin, “Artikel 2, vierde lid, LID’ te vervangen door ‘Het voorgestelde artikel 2, vierde lid, van de LID’ en ‘de risk based benadering’ te vervangen door ‘de risicogebaseerde benadering’.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, onder ‘Artikel I, Onderdeel H, na ‘voorschriften’ de woorden ‘en richtlijnen’ in te voegen, ‘betreffende’ te vervangen door ‘desbetreffende’ en na ‘diensten’ ‘zakelijke relaties’ in te voegen.

 

Pagina 11

Voorgesteld wordt, onder ‘Artikel I, Onderdeel K, eerste zin, ‘worden de termen politieke kwetsbaar’ te vervangen door ‘wordt de term ‘politiek kwetsbaar’’.

 

Pagina 12

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin, na ‘ook’ ‘maatregelen voor’ in te voegen.

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, ‘is dit’ te vervangen door ‘zijn maatregelen voor de bestrijding van het financieren van proliferatie’, de eerste ‘in’ te schrappen en ‘in de laatste’ te vervangen door ‘in de LvMOT’ , na  ‘definitie’ de woorden ‘van de term ‘financieren van proliferatie’ in te voegen en de zinsnede ‘zoals ook die van witwassen en financieren van terrorisme’ te vervangen door de zinsnede ‘zoals dat ook is gedaan in laatstgenoemde landsverordening voor de termen ‘witwassen’ en ‘financieren van terrorisme’.

Voorgesteld wordt voorst in de laatste zin van het eerste tekstblok ten behoeve van de toegankelijkheid van de memorie van toelichting aan te geven waar in het ontwerp de term ‘financieren van proliferatie’ is opgenomen en waar in de LvMOT de termen ‘witwassen’ en ‘financieren van terrorisme’ zijn opgenomen.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin na ‘registergoederen’ de woorden ‘onder andere’ in te voegen en ‘is nagegaan’ te vervangen door ‘heeft nagegaan’, het woord ‘en’ na ‘bedrag’ te schrappen, na ‘bedrag’ een punt te plaatsen en ‘tevens’ te vervangen door ‘Tevens’.

 

Pagina 13 

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, ‘het onroerende goed’ te vervangen door ‘het registergoed’.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, onder ‘Artikel I, Onderdeel AA’, eerste en laatste zin, het lidwoord ‘de’ voor ‘hieraan’ in te voegen.

 

Pagina 14

Voorgesteld wordt het opschrift ‘Artikel I, Onderdelen BB’ te vervangen door ‘Artikel I, onderdeel BB’.

 

Pagina 15

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, de tweede zin, als volgt te laten luiden:

In dit kader is het noodzakelijk dat de in artikel 9a, eerste lid, genoemde artikelen waarvan de overtreding kan leiden tot het opleggen van een last onder dwangsom, gecorrigeerd dan wel aangevuld worden.  De wettelijke grondslag om een last onder dwangsom op te leggen ontbreekt nu bij een aantal overtredingen.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, eerste zin, als volgt te laten luiden:

De in artikel 9j, eerste lid, genoemde artikelen, waarvan de overtreding kan leiden tot het opleggen van een bestuurlijke boete, zijn niet correct of onvolledig waardoor de wettelijke grondslag ontbreekt om een bestuurlijke boete op te leggen bij een aantal overtredingen (bijvoorbeeld bij overtredingen met betrekking tot de geheimhoudingsverplichting).

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, de voorlaatste en de laatste zin vóór het citaat van FTAF- aanbeveling 35 als volgt samen te voegen: Dit is opgenomen in het vijfde lid en is in lijn met FATF-aanbeveling 35 die luidt:

 

Pagina 16

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin, ‘Artikel 9S vierde lid’ te vervangen door ‘Artikel 9s, vierde lid’.

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, voorlaatste zin, ‘Artikel 9M vierde lid’ te vervangen door ‘Artikel 9m, derde lid’.

Voorgesteld wordt de zin onder ‘Artikel I, Onderdeel KK’ als volgt te laten luiden:

Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar de toelichting op onderdelen EE (het voorgestelde artikel 9a, eerste lid, van de LID) en GG (het voorgestelde artikel 9j van de LID).

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, de eerste zin als volgt te laten luiden:

Net als in de artikelen 9a, eerste lid en 9j, eerste lid, van de LID zijn de in het huidige artikel 10, eerste en tweede lid van de LID opgenomen artikelen, waarvan de overtreding kan leiden tot de oplegging van een strafrechtelijke sanctie, niet correct of onvolledig.

Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, laatste zin, vóór ‘artikel 10’ de woorden ‘het huidige’ in te voegen en ‘artikel 1:54, achtste lid, WvSr’ te vervangen door ‘artikel 1:54, zevende lid, WvSr’.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, na ‘vergunning’ ‘of een ontheffing’ in te voegen.

 

Pagina 17

In de toelichting op artikel I, Onderdeel, OO staat dat de wijzigingen in dat onderdeel het herstel van een wetstechnische omissie betreffen. In het ontwerp komt echter geen artikel I, Onderdeel OO voor.  Voorgesteld wordt hetzij deze passage te schrappen hetzij de voorgenomen wijzigingen in artikel I, onderdeel, OO op te nemen.

Voorgesteld wordt de laatste zin als volgt te laten luiden:

Voor zover de bepalingen die gewijzigd worden in dit onderdeel gelijk zijn aan die van artikel I, onderdeel A wordt voor de toelichting op dit onderdeel verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel A.

 

Pagina 18

Voorgesteld wordt in de tekst onder ‘Artikel II, Onderdeel B’, eerste zin, ‘De wijziging’ te vervangen door ‘De wijzigingen’ en ‘derde lid’ te vervangen door ‘tweede lid’. De in het derde lid voorgestelde wijziging is geen wetstechnische omissie.

Alleen de wijziging in punt 2 van artikel I, onderdeel C, van het ontwerp betreft een wetstechnische omissie. Voorgesteld wordt daarom de zin onder ‘Artikel II, Onderdeel C’ aan te passen.

 

Pagina 20

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin ‘onroerende zaken’ te vervangen door ‘registergoederen’.

Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste zin, “Door de wijziging van” te vervangen door ‘In het voorgestelde’, ‘het thans zo is dat’ te vervangen door ‘op grond van het huidige artikel 12, eerste lid, van de LvMOT’ en tot slot in die zin aan te geven dat artikel 7, tweede lid, betreft artikel 7, tweede lid, van de LID en dat laatstgenoemd artikel gewijzigd is in artikel I, onderdeel Z, tweede lid van het ontwerp.

In het vijfde tekstblok wordt verwezen naar de laatste toevoeging aan het eerste lid, van artikel 12 van de LvMOT. Het is niet duidelijk wat genoemde laatste toevoeging is. Voorgesteld wordt de tekst te herformuleren zodat duidelijk wordt welke toevoeging hier bedoeld wordt.

Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin ‘opschortingsrecht’ te vervangen door ‘opschortingsbevoegdheid’.

 

Pagina 21

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, zesde zin, na ‘De Veiligheidsdienst Curaçao’ in te voegen ‘of een soortgelijke instantie van een land binnen het Koninkrijk’.

Voorgesteld de voorlaatste zin in het eerste tekstblok, als volgt te doen luiden:

Bij het niet voldoen aan een opschortingsopdracht kan een bestuurlijke sanctie of een strafrechtelijke sanctie worden opgelegd.  Ook kan de Toezichthouder aan de dienstverlener een aanwijzing geven op grond van het voorgestelde artikel 22v, eerste lid, van de LvMOT (artikel II, onderdeel AA, van de LvMOT).

 

Pagina 22

Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, de tweede zin, als volgt te doen luiden:

Dit om het mogelijk te maken dat er ook inhoudelijke eisen kunnen worden gesteld aan (het management van) de dienstverleners, met name aan de dienstverleners waar de FIU op toeziet voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens de LID en LvMOT.

Ook wordt voorgesteld in het tweede tekstblok, in de laatste zin, aan te geven in welke aanbeveling of richtlijn van de FATF de ‘fit and proper’ eis van de FATF is opgenomen.

Voorgesteld wordt in de voorlaatste zin van de toelichting op artikel II, onderdeel O, ‘Minister’ te vervangen door ‘de Minister van Financiën en de Minister van Justitie’.

 

Pagina 23

Voorgesteld wordt in de eerste zin onder ‘Artikel II, Onderdeel S’ ‘artikel 20a’ te vervangen door ‘artikel 20a, eerste lid, van de LvMOT’.

Voorgesteld wordt onder ‘Artikel II, Onderdelen W en X’, ‘aan te geven in welk artikelonderdeel van dit ontwerp de voorgestelde wijziging van artikel 9j van de LID is opgenomen.

 

Pagina 24

Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste zin, ‘hetgeen bepaald werd’ te vervangen door ‘het bepaalde’, ‘artikel 22j’ te vervangen door ‘het huidige artikel 22j’, ‘Onderdeel W’ te vervangen door ‘onderdeel W’ en ‘artikel 22i’ te vervangen door ‘het voorgestelde artikel 22i’

__________________________

[1] Naar de onderscheiding gemaakt in het huidige artikel 11, derde lid, van de Landsverordening identificatie   bij dienstverlening en het huidige artikel 22mm, eerste lid, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties betreft het: de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten, de FUI  onderscheidenlijk de Stichting Gaming Control Board.

[2] Zie in dit verband ook artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van Nederland.

[3] Advies van 3 juli 2023, met kenmerk WJZ’23/0239, pagina 2 onder ‘2. Verwijzingen naar toekomstige wetgeving’.

[4] Advies van 7 februari 2018, RvA no. RA/33-17-LB over het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 9a, zevende lid, en 9j, tweede lid, van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners) (zaaknummer 2017/025823).

[5] Advies van 7 april 2022, RvA no. RA/04-22-LB over het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 9a, zevende lid, en 9j, tweede lid, van de Landsverordening identificatie bij dienstverlening (Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2021) (zaaknummer 2017/025823).

[6] Over het ontwerplandsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de artikelen 22b,

zevende lid, en 22j, tweede lid, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties (Landsbesluit

dwangsommen en bestuurlijke boetes melders ongebruikelijke transacties) (zaaknummer 2017/040495)

heeft de Raad in zijn adviezen d.d. 7 februari 2018, met kenmerk RvA no. RA/32-17-LB, en 11 april

2018, met kenmerk RvA no. RA/32A-17-LB, geadviseerd.

[7] De regering heeft nadat de Raad over het ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2021 reeds heeft geadviseerd maar vóór de vaststelling daarvan een drietal wijzigingen in dat ontwerplandsbesluit opgenomen, dat strekte tot wijziging van het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes melding ongebruikelijke transacties 2021, waarover de Raad in zijn advies van 7 april 2022, met kenmerk RvA no. RA/04-22-LB, niet heeft geadviseerd. In dit kader wordt verwezen naar de brief van de Raad gericht aan de Minister-president van 21 maart 2023, met kenmerk RvA no. OV/13-23, met als onderwerp: het niet horen van de Raad over ingrijpende wijzigingen aangebracht in het ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes dienstverleners 2021.

[8] Het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes bank- en kredietwezen (P.B. 2023, no. 87)

Het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes geldtransactiekantoren (P.B. 2023, no. 89)

Het Landsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes assurantiebemiddelingsbedrijf (P.B. 2023, no. 90)

[9] Het betreft de volgende ontwerpen:

  • het ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes trustwezen, met volgnummer RvA no. RA/25-23-LB en zaaknummer 2020/017878);
  • het ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes beleggingsinstellingen en administrateurs, met volgnummer RvA no. RA/26-23-LB en zaaknummer 2020/017881);
  • het ontwerplandsbesluit dwangsommen en bestuurlijke boetes effectenbeurzen, met volgnummer RvA, no. RA/27-23-LB en zaaknummer 2020/017884).