Adviezen

RvA no. RA/32-23-LV: Ontwerpnota van wijziging op de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curacao voor het dienstjaar 2024

Ontvangstdatum: 29/11/2023
Publicatie datum: 18/01/2024

(zaaknummer 2023/042866)

Ontwerpnota van wijziging op de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (Zitting 2023-2024-213)

(zaaknummer 2023/042866)

Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 24 november 2023, dat de Raad van Advies op 29 november 2023 heeft ontvangen, om het oordeel van de Raad inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 13 december 2023 bericht de Raad u als volgt.

 

I. Algemene opmerkingen

1. De aanleiding voor de ontwerpnota van wijziging

Volgens de brief d.d. 20 november 2023 (zaaknummer 2023/042866) van de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer geven onder andere de volgende punten aanleiding tot de onderhavige ontwerpnota van wijziging bij de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de Begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (hierna: het ontwerp):

  • de aanpassing van de belastingramingen;
  • de verwerking van de afdracht van het bedrag van NAf 25 miljoen door de Gaming Control Board (hierna: GCB) aan de overheid;
  • het reserveren van het verwachte overschot van NAf 14 miljoen op de Begroting voor het dienstjaar 2024 (hierna: Begroting 2024);
  • de verhoging van de jaarlijkse rentelasten die voortvloeien uit de met Nederland gesloten leningsovereenkomst (de z.g. liquiditeitslening) met een bedrag van NAf 46,5 miljoen in 2024 en meerjarig met gemiddeld NAf 44 miljoen;
  • de verwachte lasten voor de overheid vanaf het jaar 2027 in het kader van de oplossing van de Ennia-problematiek;
  • de neerwaartse aanpassing van de dotatie aan het Schommelfonds Sociale Verzekeringen (hierna: Schommelfonds);
  • het verhogen van de stelpost van beloning van personeel en overdrachten vanwege de betaling van de indexering van 2019 en 2020 aan ambtenaren en onderwijzend personeel.

2. Cijfermatige gevolgen van het ontwerp

Uit de paragraaf ‘Recapitulatie’ op pagina 3 van de toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: toelichting), met name uit tabel 3 ‘Recapitulatie Begroting 2024 inclusief nota van wijziging’ op genoemde pagina blijkt dat de gewone dienst voor het jaar 2024 met een positief saldo van NAf 32,6 miljoen zal afsluiten. Anderzijds wordt verwacht dat de kapitaaldienst in het jaar 2024 met een negatief saldo van NAf 32,6 miljoen zal afsluiten, waarbij dit verwachte tekort op de kapitaaldienst in 2024 gedekt kan worden met het verwachte overschot op de gewone dienst[1].

Op basis van het bovenstaande concludeert de Raad dat de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2024 (hierna: de ontwerpbegroting 2024), zoals gewijzigd bij het ontwerp, in overeenstemming is met de financiële normen neergelegd in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de Landsverordening comptabiliteit 2010 (hierna: Lvc2010) en artikel 15, eerste lid, van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten.

3. De Ennia-problematiek in het licht van de algemene pensioenproblematiek

In de toelichting (pagina 8) is aangegeven dat door de regeringen van het land Curaçao en het land Sint Maarten en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS) een oplossing (hierna: de Resolutie voor de Ennia-problematiek) voor de Ennia problematiek is uitgewerkt. De Resolutie voor de Ennia-problematiek kost het land Curaçao naar zeggen maximaal NAf 30 miljoen per jaar gedurende 30 jaar. De Raad juicht het feit toe dat er een oplossing lijkt te zijn gevonden voor deze problematiek, die betrekking heeft op ongeveer 25.000 lokale huidige en toekomstige pensioengerechtigden die hun volledige recht op pensioen behouden. Het betreft een beleidskeuze van de regering om circa NAf 900 miljoen beschikbaar te stellen teneinde deze groep pensioengerechtigden voor de volle 100% hun pensioenrechten te garanderen. Gelijktijdig kiest de regering ervoor om af te wijken van de uitgangspunten van de Sociale Verzekeringsbank[2] (hierna: SVB) die aangeven dat de maandelijkse pensioenuitkering gebaseerd op de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (hierna: AOV-uitkering) geïndexeerd wordt als de economie een reële groei vertoont. Er wordt namelijk ervoor gekozen voor de komende jaren de AOV-uitkering niet te indexeren ondanks het feit dat de economie naar verwachting in deze jaren wel een reële groei vertoont.

De Raad adviseert de regering om haar beleidskeuze om bij voornoemde groep pensioengerechtigden hun aanvullend pensioen voor de komende 30 jaar voor 100% te garanderen, ten opzichte van andere groepen, bijvoorbeeld diegenen die slechts een AOV-uitkering genieten – waarbij deze uitkering volgens de uitgangspunten van de SVB in de komende jaren niet zal worden geïndexeerd, met een reëel koopkrachtverlies tot gevolg, toe te lichten.

4. Gebruik van nominale groeicijfers versus reële groeicijfers voor de projecties

Teneinde een projectie te doen van de belastingmiddelen, past de regering groeicijfers toe. Hierbij wordt er een onderscheid gemaakt tussen indirecte belastingmiddelen en directe belastingmiddelen in de zin dat voor de indirecte belastingmiddelen uit wordt gegaan van de nominale groeicijfers en voor de directe belastingmiddelen van reële groeicijfers.

Een gangbaar uitgangspunt is dat de belastingopbrengsten gecorreleerd zijn met nominale groei. Uit een toelichting gegeven door functionarissen van het Ministerie van Financiën heeft de Raad begrepen dat de praktijk heeft uitgewezen dat in het verleden met name de werkelijke directe belastingopbrengsten achter zijn gebleven op hetgeen verwacht werd, uitgaande van nominale groeicijfers en dat daardoor gekozen is om bij de directe belastingen uit te gaan van reële groeicijfers. De Raad kan zich vinden in een aanpassing van de verwachte inkomsten op basis van gerealiseerde cijfers voor zover de aangebrachte correlatie ondersteund wordt door de economische theorie.

De Raad adviseert de regering om in de toelichting de relatie tussen de directe belastingopbrengsten en de reële groeicijfers op basis van de economische theorie nader te onderbouwen. Voorts wordt geadviseerd in de tabel op pagina 5 van de toelichting ook de cijfers van de nominale groei op te nemen.

5. Risico’s waarmee rekening dient te worden gehouden

a. Inleiding

De Raad constateert dat de toelichting onvoldoende informatie geeft ten aanzien van bepaalde onderwerpen, die het begrotingsbeeld negatief kunnen beïnvloeden. Hierdoor vormen zij een potentieel risico voor de Begroting 2024. In de volgende onderdelen zal op deze onderwerpen – waarover meer informatie in de toelichting zou moeten worden opgenomen – worden ingegaan, ten einde het realiteitsgehalte van de begroting te kunnen beoordelen c.q. te vergroten.

b. Gestage groei in lasten

Het behoeft geen betoog dat de schuldquote nog steeds te hoog is, en dat het van belang is om de schuldhoudbaarheid te verbeteren. Van betekenis hierbij is de afbouw van de overheidsschuld. In dit kader is een duidelijk tijdpad voor het begrotingsevenwicht en -overschotten noodzakelijk. Dit behelst afspraken voor de komende jaren over de gewenste uitkomsten van de overheidsbegroting. De overheid zet in op “tax compliance” en dat werpt duidelijk zijn vruchten af. Gezien echter de gestage geprojecteerde groei in lasten, lijkt het de Raad van belang dat deze groei in lasten wordt beheerst door het vaststellen van uitgavenkaders die duidelijk verlaging van lasten op termijn nastreven. In verband daarmee is het tevens belangrijk te trachten om eventuele tegenvallers, onvoorziene uitgaven of noodzakelijke ingrepen elders in de lastensfeer primair te compenseren (en niet te dekken middels incidentele inkomstenverhogingen).

Dit zal bijdragen aan het maximaliseren van begrotingsoverschotten, waarmee buffers kunnen worden opgebouwd, die kunnen worden aangewend om de overheidsschuld terug te brengen naar een aanvaardbaar niveau (bijvoorbeeld – een gedeeltelijke – aflossing van de lening van NAf 140 miljoen in 2025) en/of om economische schokken op te vangen/te mitigeren.

De Raad heeft de regering in verschillende adviezen[3] aanbevolen om een gepaste schuldquote vast te stellen en die in de Lvc2010 op te nemen. Naast deze aanbeveling adviseert de Raad ook een “medium term expenditure framework” in te voeren teneinde de implementatie van vooral meerjarige beleidsvoornemens te kunnen monitoren.

c. Kosten Beloning personeel en coherentie met landspakket

Onder Thema B van het landspakket vallen verschillende trajecten die maximalisatie van de capaciteit (kwaliteit, effectiviteit, uitvoeringskracht) van het ambtelijk apparaat tot doel hebben. In het kader van dit thema zullen onder meer de arbeidsvoorwaarden, de formatie en de bezetting van het ambtelijk apparaat onder de loep worden genomen. De huidige stijgende tendens van de personeelskosten van het ambtelijk apparaat kan mogelijkerwijs niet stroken met de uitkomsten van Thema B van het landspakket.

De Raad adviseert de regering om toe te zien op een gedegen afstemming tussen het Ministerie van Financiën en de Taskforce organisatie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het landspakket.

d. Overdrachten en het onderwijs

De stelpost van overdrachten wordt verhoogd ter dekking van de uitgaven vanwege de betaling van de indexering van 2019 en 2020 aan onderwijzend personeel van bijzondere schoolbesturen (pagina 8, tweede alinea van de toelichting). De Raad vraagt de aandacht van de regering voor de zogeheten trendvolgers, zijnde de (overige) gesubsidieerde instellingen wiens arbeidsvoorwaarden gelijke tred houden met de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. Indien de verwachting is dat deze instellingen nu ook de indexering van 2019 en 2020 wensen uit te betalen aan hun personeel en hun subsidie – ook na de doorgevoerde verhoging – niet toereikend is om deze extra lasten op te vangen, dan kan er een druk ontstaan op de overheidsfinanciën om de subsidiebedragen te verhogen.

De Raad adviseert de regering om het risico van toenemende subsidie ter uitbetaling van indexering aan het personeel van gesubsidieerde instellingen in kaart te brengen. Indien dit risico reëel is, wordt de regering geadviseerd om binnen de Begroting 2024 en de meerjarenbegroting hier rekening mee te houden ten einde budgetoverschrijding te voorkomen. Indien het inzicht in bovengenoemd risico ontbreekt adviseert de Raad om de systematiek van monitoring van de gesubsidieerde instellingen verder te versterken.

e. Overdrachten en de Ennia-problematiek

Volgens de eerste zin van de tweede alinea van paragraaf ‘Overdrachten’ op pagina 8 van de toelichting is met de Resolutie voor de Ennia-problematiek jaarlijks – vanaf 2027 – een bedrag van NAf 30 miljoen aan bijdrage van het Land gemoeid. Uit een toelichting van het Ministerie van Financiën heeft de Raad begrepen dat het om een maximaal bedrag van NAf 30 miljoen voor een maximale termijn van 30 jaar gaat. De Raad wijst er, ten overvloede, op dat het hierbij om een zeer substantieel bedrag per jaar gaat – bovendien bedoeld om een particuliere instelling financieel in stand te houden – waaraan vele toekomstige regeringen gebonden zullen zijn. Voorts is het onduidelijk hoe het bedrag van de jaarlijks door de overheid te betalen kapitaalinjectie van NAf 30 miljoen tot stand is gekomen en op basis van welke afweging binnen de begroting de ruimte hiervoor is gecreëerd. In dat licht is de toelichting op de bereikte oplossing en de eventuele risico’s die ermee gemoeid zijn zeer summier te noemen.

De Raad adviseert de regering om in de toelichting meer details te verstrekken en nader in te gaan op de Resolutie voor de Ennia-problematiek en ook de eventuele daarmee gemoeide risico’s voor de Landskas op zowel korte als langere termijn te benoemen. Ook geeft de Raad de regering in dat kader in overweging om de specifieke voordelen van de Resolutie voor de Ennia-problematiek ten opzichte van het eerder afgevallen alternatief van een langlopende lening via Nederland van NAf 1,2 miljard te benoemen.

f. Andere uitgaven (sociale zekerheid)

Op pagina 8, in het laatste tekstblok van de toelichting wordt onder ‘Andere uitgaven (Sociale zekerheid)’ aangegeven dat naar aanleiding van de geactualiseerde meerjarige ramingen van de fondsen die onder beheer van de SVB staan (hierna: sociale fondsen), de dotaties aan het Schommelfonds neerwaarts zijn aangepast, tot nihil in 2024. Echter uit de tabel ‘Meerjarenprognose Sociale fondsen’ op pagina 9 van de toelichting blijkt dat gebaseerd op de thans beschikbare ramingen er vanaf 2025, toch dotaties aan het Schommelfonds noodzakelijk worden welke oplopen van NAf 7,7 miljoen in 2025 tot NAf 61,4 miljoen in 2027. De betere resultaten van de sociale fondsen in vergelijking tot de eerdere prognoses zijn mede het gevolg van betere compliance voor wat betreft premiebetalingen. De regering geeft op pagina’s 11 en 10 van de toelichting een indicatie van voorgenomen beheersmaatregelen en de verduurzamingstrajecten die in gang zijn gezet voor wat betreft de sociale fondsen, de gezondheidszorg en de Curaçao Medical Center (hierna: CMC) maar de meerjarige effecten van deze maatregelen c.q. trajecten en de effectiviteit daarvan zijn nog niet gepresenteerd.

De Raad vindt het zeker een goede ontwikkeling dat gebaseerd op de actuele ramingen lagere dotaties aan het Schommelfonds noodzakelijk lijken te zijn maar betreurt het aan de andere kant dat nog geen effectieve beheersmaatregelen zijn geïmplementeerd ter verduurzaming van de sociale fondsen. Volgens de toelichting (pagina 11, tweede tekstblok) zal een nieuwe task force worden ingesteld die met nieuwe voorstellen ten aanzien van de te nemen beheersmaatregelen moet komen. Hiervoor is gekozen omdat de taakstellende beheersmaatregelen van de Taskforce Marktordening en Financiering Zorgsector en de aanvullende maatregelen ter voorkoming van een negatief Schommelfonds niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd.

De Raad adviseert de regering om enerzijds de focus op de verbeterde compliance niet te verliezen en anderzijds haast te maken met de implementatie van nadere beheersmaatregelen ter verduurzaming van zowel de sociale fondsen, de gezondheidszorg als de CMC. Dit ten einde een meer realistisch beeld te krijgen van de financiële risico’s die het land loopt ten aanzien van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg.

Voorts merkt de Raad op dat de neerwaartse verlaging van de bedragen bij het Schommelfonds, opgenomen in ‘tabel 4. Mutatie op gewone dienst’ op pagina 4 van de toelichting, overeenkomen met de verlaging bij de post ‘bijstandsverlening’ in de tabel op pagina 6 van het beleidsdeel van de gewone dienst. De regering wordt geadviseerd de relatie tussen de dotatie aan het Schommelfonds en de bijstandsverlening toe te lichten anders de nodige correcties in dit verband aan te brengen.

 II. Inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot de toelichting

a. Belastingopbrengsten

Uit de paragraaf “Belastingopbrengsten” van de toelichting volgt uit pagina 5 dat de realisatiecijfers van de eerste tien maanden van 2023 aanleiding hebben gegeven om de belastingramingen van 2024 tot en met 2027 aan te passen. Anders dan in de ontwerpbegroting 2024 het geval was, is bij de in het ontwerp aangepaste belastingramingen uitgegaan van de door de CBCS gecalculeerde reële en nominale groeiverwachtingen van september 2023 in plaats van de reële en nominale groeiverwachtingen van het Internationale Monetaire Fonds (hierna: IMF).

Uit een toelichting gegeven door functionarissen van het Ministerie van Financiën heeft de Raad begrepen dat de reden voor de overstap op groeiverwachtingen van de CBCS in plaats van die van het IMF is dat de CBCS-cijfers een betere weerspiegeling geven van de Curaçaose economische realiteit.

De Raad adviseert de regering in de toelichting uitgebreider in te gaan op haar keuze om de belastingramingen aan te passen op basis van CBCS-cijfers in plaats van IMF cijfers en met het oog op consistentie naar de toekomst toe, aan te geven of voortaan altijd zal worden uitgegaan van CBCS-cijfers in plaats van IMF-cijfers.

b. Opbrengsten uit omzetbelasting

In paragraaf “Belastingopbrengsten” van de toelichting wordt op pagina 5 in de tweede zin van het tweede tekstblok aangegeven dat verwacht wordt dat de opbrengsten uit omzetbelasting vanwege extra compliance tot een bedrag van NAf 12 miljoen verhoogd zullen worden in het jaar 2024. De Raad mist een onderbouwing hiervan in de toelichting.

De Raad adviseert de regering om de toelichting aan te passen.

c. Niet-belastingopbrengsten

1º. (Achterstallige) afdrachten

In de eerste alinea op pagina 7 van de toelichting wordt aangegeven dat op basis van recente cijfers een bedrag van NAf 25 miljoen afgedragen zal worden aan de overheid door de GCB. De reden hiervoor is volgens de regering omdat gebleken is dat er in de afgelopen jaren geen volledige afdracht is gedaan aan het Land van het deel (62,5%) van het speelvergunningsrecht dat op grond van de Eilandsverordening Casinowezen aan het Land verschuldigd is.

De Raad merkt op dit een merkwaardige gang van zaken te vinden die verschillende vragen kan oproepen. Het betreft onder andere de volgende vragen:

–     vanaf wanneer was het bekend dat dit bedrag als vordering uitstond;

–     hoe komt het dat dit nu opeens bekend wordt;

–     om hoeveel achterstallige afdrachten het in totaal gaat en wanneer het eventueel resterend bedrag door de overheid geïnd zal worden; en

–     hoe is het bedrag van NAf 25 miljoen bepaald en over welke jaren het precies gaat.

Als dit langere tijd onopgemerkt kan blijven, rijst ook de vraag of de mogelijkheid bestaat dat er dan wellicht uit anderen hoofde nog meer gelijksoortige achterstallige niet-gedane afdrachten bestaan en waarom deze vordering niet reeds in deze en voorgaande begrotingen en jaarrekeningen was opgenomen.

De Raad adviseert de regering in de toelichting uitgebreider in te gaan op deze naar het zich laat aanzien vrij plotselinge en aanzienlijke meevaller. Verder adviseert de Raad de regering om aan te geven hoe hoog het verwachte bedrag is dat zij vanaf het dienstjaar 2024 en opvolgende dienstjaren uit hoofde van deze afdracht in een begroting zal opnemen. Tevens adviseert de Raad om in de toelichting op te nemen hoe bedoeld bedrag zich verhoudt tot de reeds uit hoofde van de invoering van de Landsverordening op de kansspelen in de (ontwerp)begroting 2024 en de meerjarenbegrotingen geraamde jaarlijkse inkomsten. Tot slot geeft de Raad de regering mee om in de toelichting aan te geven hoe de bewaking van de te innen verplichte afdrachten versterkt zal worden.

 2º. Overschot 2023

Volgens de toelichting sluit de Begroting voor het dienstjaar 2023 (hierna: Begroting 2023) met een overschot van NAf 14 miljoen (pagina 7, tweede tekstblok, eerste zin). Dit bedrag van NAf 14 miljoen is het resultaat van NAf 30 miljoen overschot over 2023 en de aanwending van NAf 16 miljoen daarvan ter dekking van lasten van 2024. Als genoemd bedrag van NAf 14 miljoen het saldo is dat resteert nadat een deel van het overschot is aangewend ter dekking van lasten van een volgend jaar c.q. van 2024, dan is het overschot over 2023 in feite NAf 30 miljoen in plaats van NAf 14 miljoen. Verder is het overschot van NAf 30 miljoen en het resterende overschot van NAf 14 miljoen gebaseerd op een raming waarbij ervan wordt uitgegaan dat het Ministerie van Financiën zicht heeft op alle nagekomen lasten. In het verleden heeft het zich voorgedaan dat het Ministerie van Financiën bij de jaarafsluiting geconfronteerd werd met nagekomen facturen die niet eerder werden ingediend en waarvan de onderliggende verplichting ook niet bekend was bij dat ministerie. Hierdoor was het eindsaldo op de begroting uiteindelijk veel lager dan oorspronkelijk was geraamd.

De Raad stelt voor om het bedrag van NAf 14 miljoen overschot op Begroting 2023 dat nu in de toelichting vermeld wordt, te vervangen door NAf 30 miljoen. Verder adviseert de Raad het nodige te doen teneinde zicht te krijgen op de omvang van eventuele nog na te zenden facturen opdat het realiteitsgehalte van het bedrag van NAf 30 miljoen kan worden getoetst. Tot slot beveelt de Raad de regering aan om de huidige regels betreffende het aangaan van verplichtingen zonder bestelbon – welke leidt tot facturen waar het Ministerie van Financiën geen zicht op heeft, aan te scherpen zodat dit risico wordt gemitigeerd.

III. Opmerkingen van (wets)technische en redactionele aard

Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.

 

De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.

 

Willemstad, 14 december 2023

de Ondervoorzitter,                                                    de Secretaris,

____________________                                            _____________________

mevr. mr. L. M. Dindial                                               mevr. mr. C. M. Raphaëla

 

Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/32-23-LV

Zowel de ontwerpnota van wijziging als de toelichting daarop heeft (wets)technische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.

1. De ontwerpnota van wijziging

 Het opschrift

Voorgesteld wordt om het woord ‘houdende’ te schrappen.

2. De toelichting

a. Afkortingen

Voorgesteld wordt om consequent bij de eerste keer dat afkortingen in de tekst worden opgenomen datgene wat afgekort wordt voluit te schrijven.

 

b. Pagina 2

Voorgesteld wordt om:

  • in de eerste zin de zinsnede ‘In onderhavige’ te vervangen door ‘In de onderhavige’;
  • in de tweede zin ‘wordt’ te vervangen door ‘worden’.

 

c. Pagina 5

Voorgesteld wordt om:

  • in de vierde zin van het eerste tekstblok ‘verdere’ te vervangen door ‘verder’;
  • in eerste zin van het vierde tekstblok ‘Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS)’ te vervangen door ‘CBCS’;
  • in de derde zin van het vierde tekstblok na ‘rode cijfers’ de zinsnede ‘in de tabel op de volgende pagina’ in te voegen.
  • in de enige zin van het laatste tekstblok ‘ziet als volgt uit’ te vervangen door ‘ziet er als volgt uit’.

 

d. Pagina 7

Voorgesteld wordt om:

  • in de laatste zin van het eerste tekstblok ‘van het ministerie gebleken dat’ te vervangen door ‘van het ministerie is gebleken dat’;
  • in laatste zin van het laatste tekstblok ‘dient’ te vervangen door ‘dienen’.

 

e. Pagina 8

Voorgesteld wordt om:

  • in de vierde zin van het derde tekstblok ‘van deze entiteit de financiële stabiliteit in gevaar kan brengen’ te vervangen door ‘van deze entiteit kan de financiële stabiliteit in gevaar brengen’;
  • in de vijfde zin dient achter ‘Ennia-problematiek’ de woorden ‘gevonden worden’ te worden opgenomen.

 

f. Pagina 11

Voorgesteld wordt om:

  • in de vierde zin van het tweede tekstblok ‘kan’ te vervangen door ‘kunnen’;
  • de vindplaats van het vonnis genoemd in de zevende zin van het tweede tekstblok in een voetnoot op te nemen.

__________________________

[1] Artikel 7, tweede lid, van de Landsverordening comptabiliteit 2010 schrijft voor dat de in de begroting en de meerjarenbegroting op de kapitaaldienst opgenomen verplichtingen worden gedekt door de ter dekking van die verplichtingen opgenomen middelen, rekening houdend met de verwachte ontvangsten uit de uitgifte van geldleningen en het saldo van baten en lasten van de gewone dienst.

 [2] Volgens het uitgangspunt van de SVB, genoemd in onderdeel a op pagina 10 van de toelichting geldt voor wat de AOV-premieopbrengsten betreft ‘dat de indexering van de pensioenen voorwaardelijk is gesteld aan de reële economische groei (in het geval de nominale economische groei hoger is dan de inflatie) en niet meer zoals voorheen dat aan de hand van de stijging van het prijsindexcijfer de verhoging van het AOV-bedrag automatisch plaatsvindt’.

[3] De Raad heeft dit laatstelijk gedaan in onderdeel II. ‘1. Cijfers betreffende de ontwerpbegroting 2024’ op pagina’s 4 en 5 van het advies van 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV) over de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (zaaknummer 2023/026544).