Adviezen
RvA no. RA/10-23-LV: Ontwerplandsverordening tot wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening tarief van invoerrechten, de Algemene Verordening I.U. en D. 1908, (e.a. landsverordeningen) (Landsverordening herziening en reparatie belastingverordeningen 2023)
Ontvangstdatum: 05/06/2023
Publicatie datum: 09/01/2024
(zaaknummer 2021/032284)
Ontwerplandsverordening, tot wijziging van de Algemene landsverordening Landsbelastingen, de Landsverordening tarief van invoerrechten, de Algemene Verordening I. U. en D. 1908, de Landsverordening van de 1ste november 1932 (P.B. 1932, no. 107) tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine, de Landsverordening accijns op bier, de Landsverordening In- en Uitvoer, de Landsverordening Accijns van Sigaretten 1970, de Gedistilleerdverordening 1908, de Landsverordening op de winstbelasting 1940, de Landsverordening op de Loonbelasting 1976, de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, de Landsverordening belastingherziening 2019, de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen, de Successiebelastingverordening 1908, de Landsverordening internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de Verkopingsverordening 1908, de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014, de Overdrachtsbelasting 1908 en Landsverordening op de dividendbelasting 2000 (Landsverordening herziening en reparatie belastingverordening 2023) (zaaknummer 2021/032284)
Advies:
Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 2 juni 2023 om het oordeel van de Raad van Advies inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 17 juli 2023, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemeen
1. Inleiding
De in de aanhef van dit advies genoemde ontwerplandsverordening (hierna: het ontwerp) strekt volgens de memorie van toelichting behorende bij het ontwerp (hierna: de memorie van toelichting) ertoe de Algemene landsverordening Landsbelastingen, (hierna: de ALL) en de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: de LWB), te wijzigen om in adequate mate te kunnen voldoen aan de internationale normen en standaarden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: OESO), om zo blijvend internationale economische activiteiten aan te kunnen trekken. Daarnaast worden meerdere omissies en onjuistheden hersteld, waarbij geen inhoudelijke wijzigingen beoogd zijn, en worden enkele praktische beleidskeuzes in de diverse belastingverordeningen doorgevoerd.
2. De totstandkoming van het ontwerp
De Raad onderschrijft het belang dat met het ontwerp wordt gediend. Immers, het niet voldoen aan internationale normen en standaarden van de OESO in casu voor automatische informatie-uitwisseling (AEOI- standaard) zal tot gevolg hebben dat Curaçao op de zwarte lijsten van de OESO (“list of non-cooperative jurisdictions”) respectievelijk de Europese Unie zal worden geplaatst. Dit draagt uiteraard het risico in zich dat Curaçao minder internationale economische activiteiten zal aantrekken.
Het vorenstaande doet echter niet af aan de omstandigheid dat aan de Raad voldoende tijd geboden moet worden om verantwoorde adviezen uit te brengen. Dit geldt zeker, zoals in dit geval, wanneer internationale belangen in het geding zijn.
De Raad herhaalt daarom dat de regering aandacht moet blijven besteden aan de voortgangsbewaking van het totstandkomingstraject van wettelijke regelingen. In het bijzonder de totstandkoming van wettelijke regelingen die, ter voldoening aan internationale afspraken, op een afgesproken tijdstip in werking moeten treden.
Bij de planning van de tot stand te brengen wettelijke regeling dient steeds in ogenschouw te worden genomen dat voor alle deelnemers in het wetgevingsproces, waaronder de Raad van Advies, geldt dat zij een redelijke termijn nodig hebben om verantwoorde adviezen uit te brengen. Voorkomen moet worden dat tekortkomingen in het monitoren van voornoemde ontwikkelingen of eventuele vertragingen in de ambtelijke voorbereiding van ontwerpregelingen tot gevolg hebben dat de termijn die de Raad – als laatste adviesinstantie – heeft voor het uitbrengen van een advies wordt ingekort, zoals nu weer het geval is.
Gezien het belang van Curaçao om eventuele gevolgen te ontlopen in verband met het niet tijdig voldoen aan de ‘AEOI-standards’, zal de Raad toch advies uitbrengen over het ontwerp, waarbij de Raad tegelijkertijd aangeeft dat indien hem meer tijd was gegund er wellicht een diepgaander en genuanceerder advies zou zijn uitgebracht.
In het licht van het waarborgen van de kwaliteit van wet- en regelgeving verzoekt de Raad de regering met klem om in het vervolg volgens de juiste procedure en dus met inachtneming van een redelijke termijn een adviesverzoek aan de Raad voor te leggen.
3. Het opnemen van regels van het Landsbesluit winstbelasting in de LWB
In de Landsverordening belastingherziening 2019 is artikel 4, vierde lid, van de LWB met ingang van 1 januari 2020 gewijzigd. Bij die wijziging is bepaald dat in Curaçao de winst uit binnenlandse onderneming belast is. Daarbij is ook bepaald dat nadere regels ter uitvoering van het vierde lid van artikel 4 van de LWB bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden gesteld. In zijn adviezen van 17 december 2019 over de ontwerplandsverordening belastingherziening 2019[1] en 21 december 2020 over het ontwerplandsbesluit tot wijziging van het Landsbesluit winstbelasting[2] heeft de Raad de regering geadviseerd om de invulling van het begrip ‘winst uit binnenlandse onderneming’ in de LWB zelf en niet in de daarbij behorende memorie van toelichting op te nemen. Ook over het stellen van nadere regels daarover bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, heeft de Raad in genoemde adviezen negatief geadviseerd.
Immers, artikel 84 van de Staatsregeling van Curaçao (hierna: de Staatsregeling) schrijft voor dat het opleggen van belastingen en andere heffingen bij landsverordening dient te worden vastgesteld. Dit betekent dat de essentialia van belastingen en andere heffingen in voldoende mate in een landsverordening moeten worden geregeld. Daarnaast moet het object waarover in Curaçao winstbelasting wordt geheven, volgens aanwijzingen 15 en 17, eerste lid, onder h, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (hierna: de Awr), als een hoofdelement van een regeling worden beschouwd, hetgeen met zich meebrengt dat regeling daarvan bij landsverordening is aangewezen. Het betreft namelijk een voorschrift dat financiële verplichtingen van de burgers richting de overheid vaststelt.
De regering heeft bovengenoemd advies van de Raad niet opgevolgd en heeft vooruitlopend op de totstandkoming van laatstgenoemd landsbesluit in de memorie van toelichting bij de Landsverordening belastingherziening 2019, die op 1 januari 2020 in werking is getreden, toch ‘nadere regels’ geformuleerd over het begrip ‘winst uit binnenlandse onderneming’.
Ruim een jaar later heeft ter uitvoering van artikel 4, vierde lid, van de LWB, bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 2de maart 2021 tot wijziging van het Landsbesluit winstbelasting een nadere uitwerking plaatsgevonden van het begrip ‘winst uit binnenlandse onderneming’. Aan het desbetreffende landsbesluit is toen terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2020.
De regering stelt op pagina 14 van de memorie van toelichting (derde tekstblok) dat de in het Landsbesluit winstbelasting opgenomen nadere uitwerking van genoemd begrip nu ter verduidelijking in het ontwerp wordt opgenomen in het voorgestelde artikel 4, vierde lid, van de LWB.
De Raad vindt het een positieve ontwikkeling dat de nadere uitwerking van het begrip ‘winst uit binnenlandse onderneming’, dat nu in het Landsbesluit winstbelasting is opgenomen, naar de LWB wordt overgebracht. De motivering die daaraan ten grondslag ligt is echter onjuist. Het overbrengen van genoemde regels van het Landsbesluit winstbelasting naar de LWB dient niet ter verduidelijking, maar primair ter voldoening aan artikel 84 van de Staatsregeling (en aanwijzingen 15 en 17, eerste lid, onder h, van de Awr).
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
4. Het Landsbesluit winstbelasting
De regering merkt op pagina 5 van de memorie van toelichting op dat het Landsbesluit winstbelasting niet alleen nadere invulling geeft aan artikel 4, vierde lid, van de LWB maar ook aan de artikelen 8A, 45 en 46 van de LWB. Dit is de reden waarom het Landsbesluit winstbelasting volgens de regering na de overheveling van een aantal bepalingen daaruit naar de LWB niet kan worden ingetrokken.
De Raad is echter van oordeel dat de regels van het Landsbesluit winstbelasting die via het ontwerp ook in het LWB opgenomen zullen worden, niet naast elkaar kunnen blijven bestaan. De Raad merkt, onder verwijzing naar aanwijzing 82 van de Awr, op dat in een regeling bepalingen uit een andere regeling die hetzelfde onderwerp regelen niet worden herhaald, tenzij dit onvermijdelijk is. Het gaat hierbij met name om het vermijden van herhaling in een uitvoeringsregeling van bepalingen uit de delegerende regeling. Deze herhaling komt de duidelijkheid en eenvoud van regelingen, waarnaar ten behoeve van de rechtszekerheid van de burgers c.q. investeerders steeds moet worden gestreefd, niet ten goede. Nu met de voorgestelde wijzigingen in het ontwerp in de delegerende regeling (de LWB) al zal zijn opgenomen wat er onder het begrip ‘winst uit binnenlandse onderneming’ dient te worden verstaan, moeten (alleen) de bepalingen die datzelfde onderwerp regelen in de uitvoeringsregeling (het Landsbesluit winstbelasting) vervallen.
De Raad adviseert de regering het nodige te doen opdat het Landsbesluit winstbelasting met inachtneming van het vorenstaande wordt aangepast.
II. Inhoudelijke opmerkingen
1. Het ontwerp
a. De ALL
1°. De opsomming van de heffingslandsverordeningen waarop de ALL van toepassing is
In artikel I, onderdeel A, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de ALL) wordt de heffing van dividendbelasting als bedoeld in de Landsverordening op de dividendbelasting 2000 als één van de belastingen genoemd waarop de ALL van toepassing is. In artikel XIX van het ontwerp wordt voorgesteld om de Landsverordening op de dividendbelasting 2000 in te trekken. Hierdoor meent de Raad dat de Landsverordening op de
dividendbelasting 2000 uit de opsomming opgenomen in artikel I, onderdeel A, van het ontwerp (artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de ALL) moet worden geschrapt.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
2°. De digitale berichtenbox en de burger
In artikel I, onderdeel F, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a van de ALL) staat dat berichten elektronisch worden verzonden in het verkeer tussen belastingplichtigen, inhoudingsplichtigen of administratieplichtigen en de Inspecteur. Uit de memorie van toelichting (pagina 2, laatste tekstblok) blijkt dat het de bedoeling is dat de communicatie tussen de overheid en genoemde doelgroepen alleen door middel van een zogenaamde berichtenbox zal plaatsvinden.
Ondanks de grote vooruitgang die de laatste decennia geboekt is op het gebied van digitale communicatie, zijn er binnen onze samenleving nog steeds groepen burgers die niet goed thuis zijn in de digitale wereld of die geen toegang daartoe hebben. De memorie van toelichting besteedt geen aandacht hieraan en gaat niet in op de wijze waarop de Inspecteur met deze groepen zal communiceren. Naar het oordeel van de Raad moeten ook deze personen het contact met de Inspecteur behouden om te voorkomen dat zij worden benadeeld. Indien zij geen toegang kunnen hebben tot de digitale berichtenbox kunnen zij immers hun aanslagen niet ontvangen en betalen. Bovendien bestaat het risico dat het Land inkomsten derft omdat deze personen vanwege de voor hen omslachtige manier waarop zij aan hun fiscale verplichtingen dienen te voldoen hun verplichtingen zullen trachten te ontlopen of dat de Ontvanger meer dan gemiddelde inspanningen zal moeten plegen om hen tot betaling te bewegen.
De Raad adviseert de regering artikel I, onderdeel F, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a van de ALL) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen en in de memorie van toelichting op die aanpassing in te gaan.
3°. Digitale communicatie en de Ontvanger
Daarnaast volgt uit de memorie van toelichting (pagina 2, laatste tekstblok, en pagina 6, laatste tekstblok), in tegenstelling tot wat er in artikel I, onderdeel F, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 5a van de ALL) staat, dat ook de Ontvanger slechts door middel van de digitale berichtenbox met de desbetreffende doelgroepen zal communiceren.
Het voorgestelde artikel 5a van de ALL geldt echter niet voor de Ontvanger. Immers, de ALL is niet van toepassing op de invorderingsverordeningen en de daarop berustende bepalingen. Daarnaast stelt artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de ALL de Ontvanger slechts gelijk aan de Inspecteur voor de toepassing van Hoofdstuk VI (Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing) en niet voor andere gevallen.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting op grond van het vorenstaande aan te passen.
b. De Landsverordening tarief van invoerrechten
Op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening tarief van invoerrechten wordt onder tarief van invoerrechten verstaan: de in de bijlage bij deze landsverordening opgenomen naamlijst van goederen en de algemene regels voor de interpretatie daarvan, onder vermelding van bedragen en percentages. Dit artikel is statisch geformuleerd. Hetgeen inhoudt dat bedoelde bijlage uitdrukkelijk (met zoveel woorden) door een nieuwe bijlage vervangen moet worden.
In artikel II, onderdeel A, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening tarief van invoerrechten) wordt na ‘bijlage’ ingevoegd: behorende.
Uit de memorie van toelichting (pagina’s 2, tweede tekstblok, onder ‘§ 2. Financiële paragraaf’ en 8, laatste tekstblok) leidt de Raad af dat de voorgestelde wijziging de bijlage waarnaar in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening tarief van invoerrechten wordt verwezen, beoogt te vervangen door een nieuwe bijlage. Die nieuwe bijlage is gebaseerd op de naamlijst en coderingen van het Geharmoniseerd Systeem, zoals laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2017, en gereviseerd door de Wereld Douane Organisatie.
De voorgestelde wijziging vervangt de bestaande bijlage niet uitdrukkelijk en heeft om die reden niet het beoogde effect.
De Raad adviseert de regering om in het ontwerp expliciet op te nemen dat bedoelde bijlage vervangen wordt. De Raad adviseert in het verlengde daarvan om artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening tarief van invoerrechten (door een wijziging) dynamisch[3] te formuleren. Door dat te doen zullen internationale wijzigingen op de naamlijst en coderingen van het Geharmoniseerd Systeem steeds automatisch naar de laatste stand van zaken in ons lokaal recht worden geïncorporeerd. Indien onmiddellijke (automatische) doorwerking in ons rechtssysteem niet wenselijk is, kan in de Landsverordening tarief van invoerrechten een bepaling worden opgenomen die mogelijk maakt om bedoelde bijlage bij lagere regeling te wijzigen. Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met aanwijzingen 19 en 25 van de Awr.
c. De Algemene verordening I.U. en D. 1908
1°. Factuurvereisten gesteld aan goederen die ten invoer worden aangeboden
Artikel III, onderdeel B, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) beoogt vereisten vast te stellen waaraan facturen voor goederen die ten invoer worden aangeboden dienen te voldoen om als basis te dienen voor de bepaling van de douanewaarde op basis van de transactiewaarde; de factuur wordt dus als uitgangspunt genomen.
De in deze bepaling opgenomen vereisten komen praktisch overeen met de factuurvereisten die gelden voor binnenlandse administratieplichtigen (artikel 44 van de ALL). De Raad begrijpt en ondersteunt de gedachte dat de douaneautoriteiten enige flexibiliteit moeten hebben om af te wijken van facturen die niet echt lijken te zijn. Deze bepaling schiet naar het oordeel van de Raad echter haar doel voorbij. De buitenlandse leveranciers hebben zich namelijk slechts te houden aan de factuurvereisten welke gelden in hun land van vestiging. Deze leveranciers zijn niet gebonden aan de wettelijke verplichtingen die in Curaçao op dit gebied gelden. De Curaçaose afnemer kan ook niet afdwingen dat de aan hem uitgereikte factuur voldoet aan de eisen zoals in artikel III, onderdeel B, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) vastgesteld.
In samenhang met artikel III, onderdeel B, tweede lid, van het ontwerp (het voorgestelde zevende lid van artikel 54 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) wordt de Curaçaose afnemer in een zeer nadelige positie geplaatst, omdat de Inspecteur – in alle gevallen waarin de facturen niet volledig voldoen aan de Curaçaose vereisten – kan weigeren de transactiemethode toe te passen en naar eigen inzicht een andere methode ter bepaling van de douanewaarde kan hanteren. Deze zal praktisch altijd afwijken van de door de Curaçaose afnemer daadwerkelijk voor de goederen betaalde prijs.
De Raad adviseert de regering artikel III, onderdeel B, tweede lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) met inachtneming van het vorenstaande te heroverwegen.
2°. Enkele kanttekeningen bij de afzonderlijke factuurvereisten
In dit onderdeel plaatst de Raad een aantal kanttekeningen bij de in het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 gestelde afzonderlijke vereisten waaraan de facturen voor goederen die ten invoer worden aangeboden, dienen te voldoen.
– Omschrijving van verrichte diensten
In het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, onderdelen e en f, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 staat dat genoemde facturen onder andere een duidelijke omschrijving van de verrichte diensten en de omvang daarvan moeten vermelden. Aangezien deze facturen goederen betreffen die ten invoer worden aangeboden, zullen zij geen betrekking hebben op verrichte diensten.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
– Buitenlandse belastingen en de inkoopprijs
Voorts staat in het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, onderdeel g, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 dat de factuur de eenheidsprijs exclusief belasting moet vermelden. Aangezien het hier om in het buitenland geleverde goederen gaat, zullen de eventueel daarop drukkende buitenlandse belastingen behoren tot de inkoopprijs van die goederen.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
– Vermelden van datum van levering op factuur
In het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, onderdeel h, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 staat ook dat de facturen de datum moeten vermelden waarop de goederen zijn geleverd, indien deze datum afwijkt van de datum waarop de factuur is uitgereikt. De relevantie van deze bepaling is volgens de Raad, in verband met het feit dat het om in het buitenland geleverde goederen gaat, niet duidelijk.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen, althans om in de memorie van toelichting op de relevantie van genoemde bepaling in te gaan.
– Het vermelden van de invoerrechten of de vrijstelling daarvan door de buitenlandse leverancier
Het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, onderdeel i, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 schrijft voor dat de factuur het toegepaste tarief aan rechten moet vermelden of, indien een vrijstelling van rechten van toepassing is dan wel de rechten van de afnemer worden geheven, enige vermelding daarvan.
De Raad merkt op dat de buitenlandse leverancier noch Curaçaose invoerrechten noch een eventuele vrijstelling daarvan op de uitgereikte factuur zal vermelden.
De Raad adviseert de regering het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen. Zie ook het voorgestelde artikel 54, vijfde lid, onderdeel k, van de Algemene verordening I.U. en D. 1908.
d. De Gedistilleerdverordening 1908
Aan de ene kant voorziet artikel VIII, onderdeel E, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 64a, eerste lid, van de Gedistilleerdverordening 1908) in de aanwijzing van de ambtenaren der Invoerrechten en Accijnzen als opsporingsambtenaren bij landsbesluit.
Aan de andere kant voorzien de artikelen IV, onderdeel C (de voorgestelde artikelen 5a, eerste lid en 14, eerste lid, van Landsverordening tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine), V, onderdeel B, (de voorgestelde artikelen 15a, eerste lid en 24, eerste lid, van de Landsverordening accijns op bier 1970) en VI (de voorgestelde artikelen 15a, eerste lid en 26, eerste lid, van de Landsverordening accijns van Sigaretten 1970) van het ontwerp, in de aanwijzing van de ambtenaren der Invoerrechten en Accijnzen als toezicht- en opsporingsambtenaren in de desbetreffende landsverordeningen zelf (de categorale aanwijzing).
Uit de memorie van toelichting kan de Raad niet opmaken om welke reden de aanwijzing van bovenbedoelde ambtenaren als toezicht- c.q. opsporingsambtenaren niet in alle gevallen op dezelfde wijze plaatsvindt. Als daarvoor geen bijzondere reden is, adviseert de Raad om bedoelde aanwijzing in de desbetreffende landsverordeningen zelf op te nemen.
De Raad adviseert de regering het ontwerp indien nodig in het licht van het vorenstaande aan te passen.
e. Definitie van het begrip ‘Belastingdienst’
In boven aangehaalde artikelen van de Landsverordening tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine, de Landsverordening accijns op bier 1970, Landsverordening accijns van Sigaretten 1970 en de Gedistilleerdverordening 1908 wordt het begrip ‘Belastingdienst’ gebruikt.
Aangezien de Belastingdienst als organisatieonderdeel van het Ministerie van Financiën niet is geformaliseerd, geeft de Raad de regering in overweging om het begrip ‘Belastingdienst’ in bovengenoemde heffingsverordeningen te definiëren.
f. De LWB
1°. De status van Curaçaose Beleggingsvennootschap
- Kenbaar maken van de wens om behandeld te worden als een Curaçaose Beleggingsvennootschap
Artikel IX, onderdeel B, vierde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, eerste volzin, van de LWB) bepaalt dat de vennootschap in haar aangifte winstbelasting kenbaar kan maken dat zij wil worden behandeld als een Curaçaose Beleggingsvennootschap die voldoet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdeel f. Het is uit dat artikellid niet duidelijk of de vennootschap dat jaarlijks kenbaar moet maken.
De Raad adviseert de regering artikel IX, onderdeel B, vierde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, van de LWB) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
- Ingangsdatum van de status van Curaçaose Beleggingsvennootschap
Uit de samenloop met artikel 3, derde lid, van de LWB blijkt een discrepantie te ontstaan over de datum waarop een vennootschap de status verkrijgt van Curaçaose Beleggingsvennootschap. De vennootschap kan namelijk pas in de aangifte winstbelasting over een bepaald boekjaar kenbaar maken dat zij, middels vernoemde status, als vrijgestelde vennootschap wenst te worden behandeld. Uit het derde lid van artikel 3 van de LWB kan worden afgeleid dat de status dan met ingang van het volgend boekjaar ingaat. Dat wordt echter noch in het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, van de LWB noch in het derde lid van artikel 3 van de LWB bepaald.
De Raad adviseert de regering om een ingangsdatum voor de status van Curaçaose Beleggingsvennootschap in het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, van de LWB op te nemen. Daarnaast ontbreekt in het ontwerp een voorziening voor nieuw opgerichte vennootschappen die gelijk met ingang van de datum van oprichting als Curaçaose beleggingsvennootschappen wensen te worden behandeld. De Raad adviseert de regering om ook voor die gevallen een voorziening in het ontwerp op te nemen.
2°. Het vervallen van de status van Curaçaose Beleggingsvennootschap met terugwerkende kracht
Indien blijkt dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, komt volgens het ontwerp de status van de vennootschap als Curaçaose Beleggingsvennootschap met terugwerkende kracht te vervallen (artikel IX, onderdeel B, vierde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, tweede volzin, van de LWB)). In het voorgestelde artikellid is niet vastgesteld tot welk moment de status van de vennootschap als Curaçaose Beleggingsvennootschap in dat geval geacht wordt met terugwerkende kracht te zijn vervallen. Het komt de Raad voor dat het vervallen van genoemde status terug zal moeten werken tot het eerste moment waarop niet langer aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
De Raad adviseert de regering in artikel IX, onderdeel B, vierde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel IA, vijfde lid, van de LWB) te bepalen tot welk moment het vervallen van de status als Curaçaose Beleggingsvennootschap terugwerkt.
3°. Rechtsbescherming bij het vervallen van de status van Curaçaose Beleggingsvennootschap
Het met terugwerkende kracht vervallen van de status van de vennootschap als Curaçaose Beleggingsvennootschap, indien later blijkt dat niet aan alle voorwaarden opgenomen in artikel 1A, eerste lid, onderdeel f, van de LWB wordt voldaan, is geen voor bezwaar vatbare beschikking. Immers het vervallen van een recht of een status (het rechtsgevolg) wordt volgens de literatuur geacht al te hebben plaatsgevonden vanaf het eerste moment waarop niet langer aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan. Een mededeling daarover door de Inspecteur voegt daar niets aan toe[4]. Het gesloten stelsel van fiscale rechtsmiddelen brengt met zich mee dat een dergelijke mededeling van de Inspecteur, waarbij aan de vennootschap kenbaar wordt gemaakt een belaste vennootschap te zijn door het niet voldoen aan de vastgestelde voorwaarden, niet voor bezwaar vatbaar is. Daardoor kan de vennootschap pas in bezwaar tegen het met terugwerkende kracht vervallen van genoemde status op het moment dat daaruit een aanslag voortvloeit (zie artikel 29, eerste lid, van de ALL). Hoewel in dat geval de mogelijkheid voor de vennootschap bestaat om tegen die wijziging in haar rechtstoestand bij de civiele rechter op te komen, is de Raad van oordeel dat de mogelijkheid om bezwaar te maken bij de Inspecteur tegen die wijziging in het ontwerp moet worden opgenomen zodat de vennootschap direct hiertegen kan opkomen.
De Raad adviseert de regering met inachtneming van het vorenstaande in het ontwerp een voorziening op te nemen.
4°. Goede inbedding van het fonds voor gemene rekening in de LWB
Het voorgestelde artikel 1B van de LWB is niet helemaal nieuw (artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp). Het eerste lid, onderdeel c, daarvan komt immers al voor in het huidige artikel 1B, tweede lid, onderdeel c, van de LWB. In dat artikelonderdeel wordt het begrip ‘fonds voor gemene rekening’ gedefinieerd. Hoewel het in dit geval dus niet gaat om de invoering van een nieuw begrip, maakt de Raad van deze gelegenheid gebruik om enkele onduidelijkheden rondom deze bepaling aan de orde te stellen.
De Raad constateert dat de definitie van het fonds voor gemene rekening in de LWB is overgenomen van de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarin een fonds voor gemene rekening als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting is genoemd. Anders dan in de Nederlandse Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is in de Curaçaose belastingregelingen het fonds voor gemene rekening niet als belastingsubject genoemd.
Door het opnemen van een fonds voor gemene rekening in artikel 1B, eerste lid, onderdeel c, van de LWB wordt de mogelijkheid geboden aan een samenwerkingsverband of lichaam[5], dat niet als belastingsubject onderworpen is aan winstbelasting, wiens winst al dan niet daarvan vrijgesteld zou zijn, om als doelvermogen te worden behandeld. Hieruit volgt dat het fonds voor gemene rekening niet goed is ingebed in de LWB.
De Raad adviseert de regering om met inachtneming van het vorenstaande het fonds voor gemene rekening goed in de LWB in te bedden.
5°. De fiscale gevolgen van het aanmerken van een fonds voor gemene rekening als onderneming
De Raad merkt voorts op dat in de definitie van het fonds voor gemene rekening in het voorgestelde artikel 1B, eerste lid, onderdeel c, van de LWB is bepaald dat een fonds voor gemene rekening als onderneming wordt aangemerkt. De Raad kan uit de memorie van toelichting evenwel niet opmaken wat het zijn van een onderneming met zich meebrengt voor de toepassing van de LWB in zijn algemeenheid, de territorialiteit daarin mee begrepen en de deelnemingsvrijstelling.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.
6°. Fonds voor gemene rekening zonder doelvermogen niet belastingplichtig
In artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, tweede lid, eerste volzin van de LWB) staat dat het lichaam in haar aangifte winstbelasting, kenbaar maakt behandeld te willen worden als een doelvermogen dat aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid voldoet. De Raad merkt op dat een fonds voor gemene rekening conform artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de ALL pas als lichaam wordt aangemerkt na verkrijging van de status van doelvermogen. Daarvóór is een fonds voor gemene rekening niet belastingplichtig en dus niet aangifteplichtig voor de winstbelasting.
De Raad adviseert de regering artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, tweede lid, van de LWB) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
7°. Het vervallen van de status van het lichaam als doelvermogen met terugwerkende kracht
Op grond van artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, tweede lid, tweede volzin, van de LWB) komt de status van het lichaam als doelvermogen, indien blijkt dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, met terugwerkende kracht te vervallen. In het voorgestelde artikel IB, tweede lid, tweede volzin, van de LWB is niet vastgesteld tot welk moment de status van het lichaam als doelvermogen in dat geval geacht wordt met terugwerkende kracht te zijn vervallen. Het komt de Raad voor dat het vervallen van genoemde status terug zal moeten werken tot het eerste moment waarop niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
De Raad adviseert de regering in artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel IB, tweede lid, van de LWB) te bepalen tot welk moment het vervallen van de status van doelvermogen terugwerkt.
8°. Rechtsbescherming bij het vervallen van de status van doelvermogen
Daarnaast is – net zoals op pagina 8 in onderdeel 3 besproken – de rechtsbescherming ook in dit geval onduidelijk aangezien het vervallen van de status van doelvermogen geen voor bezwaar vatbare beschikking is. Derhalve kan het lichaam pas in bezwaar tegen het met terugwerkende kracht vervallen van de status op het moment dat daaruit een aanslag voortvloeit. Voor enkele van de in het eerste lid van artikel 1B van de LWB opgesomde lichamen zal het vervallen van de status niet tot belastingheffing leiden. Zij zullen dus geen aanslag ontvangen. Vooral voor deze lichamen, die bewust hebben gekozen om als doelvermogen te worden behandeld, is het, naar het oordeel van de Raad, van belang dat zij de mogelijkheid hebben om tegen die wijziging in hun rechtstoestand in bezwaar te gaan.
De Raad adviseert de regering met inachtneming van het vorenstaande in het ontwerp een voorziening daarvoor op te nemen.
9°. De discrepantie over ingangsdatum van de status als doelvermogen
Artikel 3, derde lid, van de LWB is van overeenkomstige toepassing indien een kwalificerend lichaam als bedoeld in het eerste lid van artikel 1B van de LWB opteert te worden behandeld als doelvermogen (artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, vierde lid, van de LWB)). Volgens de Raad blijkt uit de samenloop met artikel 3, derde lid, van de LWB een discrepantie te ontstaan over de ingangsdatum waarop een kwalificerend lichaam als doelvermogen wordt behandeld. Het lichaam kan namelijk pas in de aangifte over een bepaald boekjaar kenbaar maken dat zij als doelvermogen wenst te worden behandeld. Uit het derde lid van artikel 3 van de LWB kan worden afgeleid dat de gewenste status dan met ingang van het volgend boekjaar ingaat. Dat wordt echter noch in dit artikel noch in het derde lid van artikel 3 van de LWB bepaald.
De Raad adviseert de regering om een ingangsdatum voor de status van lichaam als doelvermogen in het ontwerp op te nemen.
Daarnaast ontbreekt een voorziening in het ontwerp voor nieuw opgerichte lichamen die gelijk met ingang van de datum van oprichting als doelvermogen wensen te worden behandeld.
De Raad adviseert de regering artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, vierde lid, van de LWB) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
10°. De discrepantie over ingangsdatum van het vervallen van de status als doelvermogen
Artikel 3, vierde lid, van de LWB is van overeenkomstige toepassing, indien een kwalificerend lichaam als bedoeld in het eerste lid van artikel 1B niet langer wordt aangemerkt als doelvermogen (artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, vijfde lid, van de LWB)). Volgens de Raad blijkt uit de samenloop met artikel 3, vierde lid, van de LWB een discrepantie te ontstaan over de ingangsdatum waarop de status als doelvermogen komt te vervallen. Het lichaam kan namelijk pas in de aangifte over een bepaald boekjaar kenbaar maken dat hij niet langer als doelvermogen wenst te worden behandeld. Uit het vierde lid van artikel 3 van de LWB kan worden afgeleid dat de status dan met ingang van het volgend boekjaar komt te vervallen. Dat is echter noch in het voorgestelde artikel 1B, vijfde lid, van de LWB noch in het vierde lid van artikel 3 LWB bepaald.
De Raad adviseert de regering artikel IX, onderdeel C, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1B, vijfde lid, van de LWB) met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
g. De Landsverordening belastingherziening 2019
1°. Voorstel in het ontwerp tot wijziging van de wijzigingsinstructie in artikel V, onderdeel A, onder 5, van de Landsverordening belastingherziening 2019
Artikel V, onderdeel A, onder 5 van de Landsverordening belastingherziening 2019 beoogt in artikel 1, zesde lid, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen ‘rechtspersonen met een aandelen verdeeld kapitaal’ te vervangen door: besloten vennootschap of een naamloze vennootschap of een vennootschap naar buitenlands recht opgericht die met een van deze rechtsvormen vergelijkbaar is. Deze wijziging heeft in de praktijk om wetstechnische redenen geen effect gehad. Immers, in het artikellid dat gewijzigd moest worden staat niet ‘rechtspersonen met een aandelen verdeeld kapitaal’ maar ‘rechtspersonen met een in aandelen verdeeld kapitaal’. In artikel XII van het ontwerp tracht de regering die wijziging alsnog te concretiseren door de oude wijzigingsinstructie in artikel V, onderdeel A, onder 5, van de Landsverordening belastingherziening 2019 te wijzigen. Hierover het volgende.
Wijzigingen aangebracht in verschillende wettelijke regelingen door middel van een zogenoemde veegwet, zoals de Landsverordening belastingherziening 2019, worden geacht uitgewerkt te zijn na de inwerkingtreding van die veegwet. Het is dus niet correct een in een veegwet opgenomen wijziging(sopdracht) die al geëffectueerd is (of dat behoorde te zijn) via een wijziging van die veegwet achteraf weer te wijzigen of te corrigeren.
In dit geval wordt bovengenoemde in de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen beoogde wijziging geacht niet plaats te hebben gevonden door de foute aanhaling van het te wijzigen zinsdeel. De aangewezen weg om bovenvermelde misslag te corrigeren is door een wijziging van de Landsverordening belastingherziening investeringen zelf.
De Raad adviseert de regering artikel XII van het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
2°. Terugwerkende kracht
In de memorie van toelichting wordt de in artikel XII van het ontwerp voorgestelde wijziging van de wijzigingsinstructie opgenomen in artikel V, onderdeel A, onder 5, van de Landsverordening belastingherziening 2019 aangemerkt als een wetstechnische omissie die hersteld dient te worden. In artikel XXI, vierde lid, van het ontwerp wordt voorgesteld deze met terugwerkende kracht in werking te laten treden op het moment dat deze op basis van de Landsverordening belastingherziening 2019 in werking zou zijn getreden, te weten tot en met 1 januari 2017[6].
Uit hetgeen de Raad hiervoor naar voren heeft gebracht blijkt dat bovengenoemde misslag in de Landsverordening belastingherziening 2019 niet kan worden gerepareerd middels een wijziging van laatstgenoemde landsverordening, maar door een wijziging van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen zelf. Deze wijziging is formeel geen wetstechnische maar een inhoudelijke wijziging. Omdat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gerespecteerd, kan het verlenen van terugwerkende kracht op gespannen voet komen te staan met het rechtszekerheidsbeginsel. De Raad wijst hierbij op aanwijzing 126 van de Awr die onder andere bepaalt dat aan een regeling slechts terugwerkende kracht wordt verleend als daarvoor een bijzondere reden bestaat en dat aan belastende regelingen geen terugwerkende kracht wordt toegekend behoudens in uitzonderlijke gevallen.
Indien de regering ervoor kiest om aan bedoelde in de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen aan te brengen wijziging terugwerkende kracht te verlenen, dient de reden daarvoor in de memorie van toelichting goed te worden onderbouwd. Bovendien moet daaruit blijken waarom de regering van oordeel is dat het verlenen van terugwerkende kracht de rechtszekerheid van de burgers in dit geval niet aantast. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de beoogde wijziging in de praktijk reeds als zodanig werd toegepast.
De Raad adviseert de regering met inachtneming van aanwijzing 126 van de Awr met het vorenstaande rekening te houden bij het eventueel verlenen van terugwerkende kracht aan de bovenvermelde in de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen aan te brengen wijziging.
h. De Landsverordening internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen
1°. Het begrip ‘eigenverklaring’
In artikel XV, onderdeel A, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen) worden de begrippen ‘eigenverklaring’ en ‘due diligence’ gebruikt.
Het valt op dat het begrip ‘eigenverklaring’ in genoemde landsverordening niet wordt gedefinieerd.
De Raad adviseert de regering het begrip ‘eigenverklaring’ in het voorgestelde artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen te definiëren en daarbij een verband te leggen tussen dit begrip en de Common Reporting Standard (hierna: CRS) waarop dit begrip terug te voeren is.
2°. Het begrip ‘due diligence procedure’
In het Landsbesluit uitvoering internationale bijstandsverlening wordt voorts niet van ‘due diligence procedures’ gesproken, maar van ‘identificatieprocedures in Secties II tot VII’ van de CRS.
In een uitvoeringsregeling wordt, conform aanwijzing 42, tweede lid, van de Awr dezelfde terminologie gebruikt als in de regeling waarop zij is gebaseerd. De gebruikte terminologieën in de moederregeling en de uitvoeringsregeling moeten voor een goed begrip van de rechten en plichten op elkaar aansluiten.
De Raad adviseert de regering artikel XV, onderdeel A, eerste lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 28, tweede lid, van de Landsverordening internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen) aan te passen.
i. Overgangsregeling voor op 31 december bestaande open commanditaire vennootschappen
Artikel XX, eerste lid, van het ontwerp bepaalt dat artikel I, onderdeel B, van het ontwerp niet van toepassing is ten aanzien van op 31 december 2023 bestaande open commanditaire vennootschappen.
De Raad adviseert de regering genoemde datum te heroverwegen, omdat deze landsverordening, afgaande op de bij dit dossier gevoegde brief d.d. 26 mei 2023 van de Minister van Financiën (met kenmerk 2021/032284) vóór het einde van het jaar (dus vóór 31 december 2023) in werking zal treden.
j. De inwerkingtredingsbepaling
Ingevolge artikel XXI, derde lid, van het ontwerp treden artikel I, onderdeel K, en artikel IX, onderdelen A en B, eerste en derde lid, en K in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking en werken terug tot en met 1 januari 2020.
Uit de memorie van toelichting (pagina 15, vierde tekstblok) leidt de Raad af dat beoogd wordt ook aan artikel IX, onderdeel G, eerste lid, van het ontwerp terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2020. Artikel IX, onderdeel G, eerste lid, van het ontwerp wordt echter niet in artikel XXI, derde lid, van het ontwerp genoemd.
De Raad adviseert de regering artikel XXI, derde lid, van het ontwerp met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
2. De memorie van toelichting
a. De samenloop tussen artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, van de ALL) en artikel 7:801 in samenhang met artikel 7:836 van
het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
In de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, van de ALL) staat dat Curaçao de wens heeft om zijn financiële sector meer te ondersteunen door collectieve beleggingsinstellingen die opereren in de vorm van commanditaire vennootschappen aan te trekken (pagina 6, eerste tekstblok).
Artikel 7:801 in samenhang met artikel 7:836 BW schrijven echter voor dat een rechtsgeldige commanditaire vennootschap beroeps- of bedrijfsmatige handelingen verricht. Het verrichten van beleggingsactiviteiten valt niet onder beroeps- of bedrijfsmatige handelingen die een rechtsgeldige commanditaire vennootschap zou moeten verrichten.
In het verlengde hiervan moet worden vastgesteld dat het verrichten van beleggingsactiviteiten door een commanditaire vennootschap als beroeps- en bedrijfsmatige handelingen als bedoeld in artikel 7:801 in samenhang met artikel 7:836 BW kan worden aangemerkt. Indien de regering dat niet doet zal door bovengenoemd civielrechtelijke obstakel het met artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, van de ALL) beoogde doel niet kunnen worden bereikt.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
b. De eis van reële aanwezigheid voor een commanditaire vennootschap
In artikel 1C van de LWB zijn de eisen inzake de reële aanwezigheid van een belastingplichtige vervat. Artikel IX, onderdeel D, vijfde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1C, derde lid, van de LWB) bepaalt dat artikel 1C van de LWB, onder bepaalde in laatstgenoemd artikel opgenomen voorwaarden niet van toepassing is op beleggingsinstellingen. In de toelichting op artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, van de ALL) wordt uitgeweid over het feit dat aan de OESO en de EU-toestemming is gevraagd om bovengenoemde wijziging opgenomen in artikel IX, onderdeel D, vijfde lid, van het ontwerp door te voeren (pagina 6, eerste tekstblok).
In artikel I, onderdeel B, van het ontwerp wordt het begrip ‘open commanditaire vennootschap’ gedefinieerd, waardoor de mogelijkheid wordt gecreëerd om collectieve beleggingsinstellingen aan te trekken.
Door in de memorie van toelichting uit te weiden over de toestemming van de OESO en de EU wordt de indruk gewekt dat alle beleggingsinstellingen in de vorm van een commanditaire vennootschap aan de eis van reële aanwezigheid, zoals opgenomen in artikel 1C van de LWB, moeten voldoen. Dat is niet het geval. Als de commanditaire vennootschap er niet voor kiest om als open commanditaire vennootschap, als bedoeld in artikel I, onderdeel B, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, van de ALL) te worden behandeld, wordt de desbetreffende commanditaire vennootschap niet belastingplichtig voor de winstbelasting. Als gevolg hiervan dient zij ook niet te voldoen aan de eis van reële aanwezigheid waar in het voorgestelde artikel IX, onderdeel D, vijfde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 1C, derde lid, van de LWB), ontheffing voor wordt gecreëerd.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven dat deze bepaling relevantie mist ingeval een beleggingsinstelling in de vorm van een Curaçaose commanditaire vennootschap opereert en geen gebruik maakt van de mogelijkheid om voor een open commanditaire vennootschap, te opteren.
c. Het compenseren van verliezen van vóór het jaar 2020
Op grond van artikel IX, onderdeel M, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 10, eerste lid, van de LWB) kunnen verliezen slechts worden verrekend met de winst die belast is in dezelfde tariefgroep waartoe de verliezen oorspronkelijk behoorden of met de winst die belast is in een lagere tariefgroep. De toelichting op dat artikel geeft aan dat alle verliezen, dus ook verliezen die vóór 2020 zijn ontstaan, slechts kunnen worden afgezet tegen de winst die belast is in dezelfde tariefgroep waartoe de verliezen behoorden (pagina 17, tweede tekstblok). De LWB kende vóór het jaar 2020 slechts 2 tarieven, de tarieven van 0% en 22%. Vanaf het jaar 2020 is daar een derde tarief bijgekomen, het tarief van 3%. Het is voor de Raad onduidelijk hoe de verrekening verloopt van op 1 januari 2020 reeds bestaande verliezen (allemaal destijds vallende onder het tarief van 22%) met winsten die sinds 2020 onder een voorheen niet bestaande tariefgroep (3%) worden belast.
De Raad adviseert de regering met het oog op het vorenstaande in de toelichting op artikel IX, onderdeel M, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 10, eerste lid, van de LWB) in te gaan op de verrekening van verliezen die met ingang van 2020 reeds bestonden.
d. De meldplicht van de notaris
In artikel XVII van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11a van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014) wordt de meldplicht voor de notaris van de intentie tot overdracht van onroerende zaken en de zakelijke genotsrechten waaraan deze zijn onderworpen geregeld. Uit de toelichting op dat artikel blijkt dat het doel dat met deze meldplicht wordt nagestreefd is dat de Ontvanger, ingeval aanslagen onroerendezaakbelasting openstaan, eventueel een vordering onder de notaris kan doen om deze openstaande aanslagen in te vorderen (pagina 21, tweede tekstblok). Daarmee lijkt het dat de vordering onder de notaris alleen kan zien op openstaande aanslagen onroerendezaakbelasting en geen andere belastingmiddelen.
De Raad adviseert de regering in de toelichting op artikel XVII van het ontwerp (het voorgestelde artikel 11a van de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014) te bevestigen dat de vordering onder de notaris alleen kan zien op openstaande aanslagen onroerendezaakbelasting en niet op andere belastingmiddelen.
e. Het tijdstip voor het operationeel zijn van de digitale berichtenbox
Uit de memorie van toelichting leidt de Raad af dat het de verwachting is dat de digitale berichtenbox in de tweede helft van het jaar 2023 operationeel zal zijn (pagina 6, laatste tekstblok). Uit artikel XXI, tweede lid, van het ontwerp volgt evenwel dat de desbetreffende bepaling over de digitale berichtenbox (artikel I, onderdeel F (het voorgestelde artikel 5a van de ALL) op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip in werking treedt.
De Raad adviseert de regering de memorie van toelichting in overeenstemming te brengen met het bepaalde in artikel XXI, tweede lid, van het ontwerp.
f. De Algemene verordening I.U. en D. 1908
1°. Ontbrekende bevoegdheid om inzage te vorderen bij derden
In de memorie van toelichting op artikel III, onderdeel G, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 116 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 (pagina 11) staat dat de nieuwe tekst voor artikel 116 (het voorgestelde vierde lid) van genoemde landsverordening verband houdt met de thans ontbrekende bevoegdheid om inzage te vorderen bij derden.
Uit het huidige artikel 116 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 leidt de Raad – door gebruik van het woord ‘eenieder’ in de tekst – echter af dat de bevoegdheid om onder meer inzage bij derden te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is, reeds bestaat. Het is daarom niet duidelijk waarom het huidige artikel 116 op dat punt moet worden aangevuld.
De Raad adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan.
2°. De zekerheidstelling door borgstelling
– Inleiding
In artikel III, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) is de zekerheidstelling door borgstelling geregeld. Ingevolge het eerste lid van het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 verbindt de borg zich bij een zekerheidstelling door borgstelling schriftelijk ertoe hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de rechten.
– Borgstelling en hoofdelijke aansprakelijkheid in het BW
Artikel 7:850 BW regelt wat er onder borgtocht, ook wel aangeduid als borgstelling, dient te worden verstaan. Van borgtocht is sprake als iemand (de borg) zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis van een derde, de hoofdschuldenaar.
Het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 gaat ervan uit dat de borg hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de verschuldigde rechten van de schuldenaar.
Bij borgtocht speelt echter het zogenaamde ‘subsidiariteitsvereiste’ opgenomen in artikel 7:855 BW een rol. Dit houdt in dat de schuldeiser, anders dan bij hoofdelijkheid, niet meteen de borg mag aanspreken tot betaling. Eerst zal de schuldeiser het nodige moeten hebben gedaan om te constateren dat de schuldenaar, voor wie de borg zich heeft verbonden, zijn betalingsverplichting niet nakomt. Daarvoor is over het algemeen vereist dat de schuldenaar in gebreke wordt gesteld. Komt de schuldenaar na daartoe in gebreke te zijn gesteld zijn betalingsverplichting alsnog niet na, dan kan de schuldeiser de borg aanspreken tot betaling.
Bij hoofdelijke aansprakelijkheid opgenomen in artikel 6:6, tweede lid, BW is echter geen sprake van zekerheidstelling (borgstelling), maar van een medeschuldenaar die naast de andere schuldena(a)r(en) staat. De schuldeiser heeft tegenover ieder van hen recht op nakoming van het geheel en hoeft dus niet eerst verhaal te halen bij de andere schuldena(a)r(en). De schuldenaren zijn intern draagplichtig. Dit houdt in dat degene die meer betaalt dan het deel waarvoor hij ‘intern’ aansprakelijk is, bij de andere schuldena(a)r(en) het verschil kan opeisen.
Ook de verplichting van de borg om op eerste vordering van de Inspecteur het bedrag van de rechten te betalen, tot een maximum van het bedrag van de borgstelling (het vierde lid van het nieuw voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908), heeft meer het karakter van hoofdelijke aansprakelijkheid dan van borgtocht. Immers, de borg heeft op grond van artikel 7:852 BW het recht om de verweermiddelen die de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser heeft in te roepen en is daardoor niet verplicht de schuld op eerste vordering van de schuldeiser te voldoen.
Tegen deze achtergrond meent de Raad dat artikel III, onderdeel K, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908) twee verschillende rechtsvormen van zekerheidstelling uit het privaatrecht gefuseerd (gecombineerd) gebruikt. Het belastingrecht kent bijzonderheden die tot afwijking van de algemene regels van het privaatrecht kunnen nopen. De reden voor afwijking van die algemene regels moet echter in de memorie van toelichting duidelijk worden gemaakt.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
g. De kwalificatie van inhoudelijke wijzingen als wetstechnische wijzigingen
In de toelichting op artikel IX, onderdelen B, derde lid, C, D, tweede tot en met vierde lid, E, F, tweede en derde lid, G, I en M (pagina 15) staat dat de in die onderdelen beoogde wijzigingen het herstel van wetstechnische omissies betreffen. Ook in de toelichting op artikel XIII, onderdelen A, B en D wordt dat vermeld. De Raad constateert dat die wijzigingen geen herstel van wetstechnische omissies maar inhoudelijke wijzigingen zijn.
De Raad adviseert de regering te bezien of genoemde wijzigingen toelichting behoeven en de memorie van toelichting met inachtneming van het vorenstaande aan te passen.
III. Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard
Opmerkingen van wetstechnische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
De Raad van Advies heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerp en adviseert de regering om daarmee rekening te houden voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.
Willemstad, 19 juli 2023
de wnd Ondervoorzitter, de Secretaris
namens deze,
____________________ _____________________
dr. J. Sybesma mevr. mr. J.C.C. Josefa
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/10-23-LV
Zowel het ontwerp als de memorie van toelichting heeft wetstechnische en redactionele onvolkomenheden. De Raad noemt de volgende voorbeelden.
1. Algemeen
Voorgesteld wordt in het opschrift van zowel het ontwerp als de memorie van toelichting de volgende aanpassingen aan te brengen:
- na ‘Landsverordening van de 1ste november 1932’ de vindplaats van de regeling ‘(P.B. 1932, no. 107)’ te schrappen;
- na ‘de Landsverordening accijns op bier’ het jaartal ‘1970’ in te voegen;
- ‘de Landsverordening belastingherziening 2019’ met inachtneming van hetgeen in onderdeel II, onder 1, onderdeel g van dit advies naar voren is gebracht te schrappen en;
- ‘de Overdrachtsbelasting 1908’ te vervangen door ‘de Overdrachtsbelastingverordening 1908’.
In deze bijlage doet de Raad een aantal voorstellen om overbodigheid in wijzigingsinstructies door het gebruik van ‘de woorden’, ‘komt te luiden als volgt’ tegen te gaan. In elk geval stelt de Raad voor om de gemaakte keuze consequent toe te passen. Zie Borman. T.C. 15 vraagpuntjes over wijzigingstechniek: wat niet in de Aanwijzingen staat, ‘RegelMaat 2014 (29) 5’.
2. Het ontwerp
Voorgesteld wordt de vierde overweging aan te passen overeenkomstig hetgeen op pagina 2, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting staat over de strekking van het ontwerp door na ‘herstellen’ in te voegen ‘alsmede enkele praktische beleidskeuzes door te voeren in diverse belastingverordeningen’.
De ALL
a. Artikel I, onderdeel B
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 2, tweede lid, onderdeel i, tweede zin ‘voor het lopende boekjaar’ te vervangen door ‘met ingang van de datum van oprichting van de commanditaire vennootschap’ en in de voorlaatste zin na ‘boekjaar’ in te voegen ‘volgend op het boekjaar waarin de mededeling is gedaan.
b. Artikel I, onderdeel E
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘telkens’ te verplaatsen vóór ‘vervangen’.
c. Artikel I, onderdeel F
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘luidend’ te vervangen door ‘luidende’.
De volgorde van de wijzigingsonderdelen aangeduid in hoofdletters moet nader worden bekeken. Voorgesteld wordt het tweede ‘Artikel I, onderdeel F’ te verletteren tot ‘Artikel I, onderdeel G’ en ‘Artikel I, onderdelen G tot en met N’ te verletteren tot ‘Artikel I, onderdelen H tot en met O’.
d. Artikel I, onderdeel K (na de voorgestelde verlettering)
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 43, dertiende lid, ‘dat voordelen verkrijgt’ te vervangen door ‘die voordelen verkrijgen’ en ‘niet’ te vervangen door ‘anders dan’.
e. Artikel I, onderdeel M (na de voorgestelde verlettering)
Voorgesteld wordt in het eerste lid met inachtneming van aanwijzing 171 van de Awr voor ‘leidinggevend personeel’ telkens ‘het hoger’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het tweede lid met inachtneming van aanwijzing 171 van de Awr voor de eerste ‘besloten vennootschap’ en de tweede ‘naamloze vennootschap’ het lidwoord ‘een’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het vierde lid na ‘onderdeel b’ telkens ‘laatste volzin’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het vijfde lid ‘komt’ te vervangen door ‘vervallen’ en ‘te vervallen’ te schrappen.
f. Artikel I, onderdeel O (na de voorgestelde verlettering)
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘komt “en Aruba” te vervallen’ te vervangen door ‘vervalt ‘en Aruba’’.
De Landsverordening tarief van invoerrechten
g. Artikel II, onderdeel B
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘komt te vervallen’ te vervangen door ‘vervalt’.
h. Artikel II, onderdeel E
Opgemerkt wordt dat er in de geldende tekst (G.T. P.B. 2007, no. 11) ‘halffabrikaten’ staat. Indien het de bedoeling is om voortaan ‘halffabricaten’ te hanteren, wordt voorgesteld om daartoe in het ontwerp een wijzigingsvoorstel te doen. Ook wordt voorgesteld om de komma achter ‘hulpstoffen’ te schrappen.
De Algemene Verordening I.U. en D. 1908
i. Artikel III, onderdeel B
Voorgesteld wordt in het tweede lid (het voorgestelde artikel 54, zevende lid, van de Algemene Verordening I.U. en D. 1908) ‘deze eisen’ te vervangen door ‘de eisen genoemd in het vijfde lid’.
j. Artikel III, onderdelen C en H
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van genoemde onderdelen ‘als volgt’ te schrappen.
k. Artikel III, onderdeel I
Voorgesteld wordt in het eerste lid ‘komen te’ te schrappen.
l. Artikel III, onderdeel J
In artikel III, onderdeel I, eerste lid, van het ontwerp wordt voorgesteld om het tweede lid van artikel 191 te laten vervallen. Voorgesteld wordt daarom om ‘191, tweede lid,’ te schrappen.
m. Artikel III, onderdeel K
Voorgesteld wordt in het eerste lid van het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 ‘een’ te schrappen en in het derde lid ‘belastingplichtige’ te vervangen door ‘deze’.
In het eerste en vierde lid van het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 staat dat bij een zekerheidsstelling door borgstelling de borg verplicht is tot de betaling van de ‘rechten’. Echter, is in artikel 186 van die landsverordening de mogelijkheid opgenomen dat ook zekerheidsstelling voor de betaling van kosten wordt gevorderd in alle gevallen waarin volgens deze verordening of andere wettelijke regelingen op de in- en uit- en doorvoer deze ten laste van belanghebbenden komen.
Op grond van het bepaalde in artikel 186 van genoemde landsverordening wordt voorgesteld in het eerste en vierde lid van het voorgestelde artikel 192 van de Algemene verordening I.U. en D. 1908 na ‘rechten’ de zinsnede ‘en indien van toepassing kosten’ in te voegen.
n. Artikel III, onderdeel M
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘als volgt’ te schrappen.
De Landsverordening tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine
o. Artikel IV, onderdeel A
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘als volgt’ te schrappen.
Ook wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel 1, derde lid, van de Landsverordening tot heffing van een bijzonder invoerrecht op benzine vóór ‘bijzonder’ ‘het’ in te voegen.
De Gedistilleerdverordening 1908
p. Artikel VIII, onderdeel B
Voorgesteld wordt de tweede letter ‘B’ te schrappen.
q. Artikel VIII, onderdeel C
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘HOOFDSTUK VII’ te vervangen door ‘HOOFDSTUK 7’.
r. Artikel VIII, onderdeel E
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 64a, tweede lid, van de Gedistilleerdverordening 1908 na ‘ambtenaren’ de woorden ‘en personen’ in te voegen.
De LWB
s. Artikel IX, onderdeel A
Voorgesteld wordt in het eerste lid (de voorgestelde aanhef van artikel 1, tiende lid, van de LWB) ‘zijn’ te vervangen door ‘is’ en ‘hebben’ te vervangen door ‘heeft’.
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 1, tiende lid, onderdeel f, van de LWB ‘komt’ te vervangen door ‘vervalt’ en ‘vervallen’ te schrappen.
t. Artikel IX, onderdeel B
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 1A, eerste lid, onderdeel l, van de LWB ‘staat’ te vervangen door ‘staan’.
Voorgesteld wordt in het derde lid (artikel 1A, eerste lid, onderdeel l, van de LWB) de definitie van het begrip ‘concern’ als volgt te laten luiden: met concern wordt bedoeld, de belastingplichtige tezamen met de in Curaçao gevestigde lichamen, alsmede de buitenlandse lichamen voor zover deze hun bedrijf uitoefenen middels een vaste inrichting in Curaçao, behorend tot hetzelfde concern, bedoeld in onderdeel a.
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van het vierde lid (het voorgestelde artikel 1A, vijfde lid, van de LWB) na ‘vijfde’ het woord ‘lid’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie van het zesde lid (met betrekking tot artikel 1A, zevende lid, van de LWB) ‘komt te vervallen’ te vervangen door ‘vervalt’.
u. Artikel IX, onderdeel C
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 1B, tweede lid, eerste volzin, van de LWB ‘die’ te vervangen door ‘dat’.
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 1B, vierde lid, van de LWB ‘wordt’ te schrappen.
v. Artikel IX, onderdeel D
Voorgesteld wordt in het eerste lid (het voorgestelde artikel 1C, eerste lid, aanhef van de LWB ‘vennootschappen’ te vervangen door ‘lichamen’.
Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie in het vierde lid te schrappen. Zie artikel I, onderdeel C, van de Landsverordening belastingherziening 2019.
Voorgesteld wordt in het vijfde lid (het voorgestelde artikel 1C, derde lid, van de LWB) de voorlaatste ‘en’ te schrappen.
w. Artikel IX, onderdeel I
In het voorgestelde artikel 8A, eerste lid, onderdeel a, aanhef wordt het begrip ‘speur- en ontwikkelingsonderzoek’ gebruikt. In het voorgestelde artikel 8A, eerste lid, onderdeel b, van de LWB wordt zowel het begrip ‘speur- en ontwikkelingsonderzoek’ als het begrip ‘speur- en ontwikkelingswerk’ gebruikt. Het is niet duidelijk of met deze enigszins afwijkende termen ook van elkaar afwijkende (verschillende) situaties worden beoogd. Indien dat niet het geval is, wordt voorgesteld om consistent te zijn in het gebruik van deze begrippen.
x. Artikel IX, onderdeel L
Voorgesteld wordt in het voorgestelde artikel 9a, eerste lid, van de LWB ‘van dit artikel’ te schrappen.
De Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943
y. Artikel XI, onderdeel D
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘Artikel 11B’ te vervangen door ‘artikel 11B’, ‘komen de woorden’ te vervangen door ‘vervallen telkens’ en ‘telkens te vervallen’ te schrappen.
z. Artikel XI, onderdeel H
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie na ‘onderdeel j, ‘door een puntkomma’ in te voegen.
De Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen
aa. Artikel XIII, onderdeel A
Voorgesteld wordt het nummer ‘8’ te schrappen.
ab. Artikel XIII, onderdeel B
In artikel XIII, onderdeel B, tweede lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen) wordt voorgesteld om onder 1° na ‘van een bedrijf’ toe te voegen: of ten behoeve van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a en de aanhef van artikel 1, tweede lid, onderdeel c.
In artikel 1, tweede lid, onderdeel a en de aanhef van artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen wordt echter niet gesproken van bedrijfsvoering. Het lijkt er aldus op dat de voorgestelde wijziging niet tot uitdrukking brengt hetgeen daarmee wordt beoogd. Zie ook artikel XIII, onderdeel B, derde lid, van het ontwerp. Voorgesteld wordt te bezien of misschien de woorden ‘van een onderneming’ na ‘bedrijfsvoering’ ingevoegd moeten worden in artikel XIII, onderdeel B, tweede lid en derde lid, van het ontwerp (het voorgestelde artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen).
Voorgesteld wordt in het derde lid de wijzigingsinstructie als volgt te laten luiden:
Onder 3° wordt “die als bedrijf wordt aangemerkt,” vervangen door: of ten behoeve van de bedrijfsvoering van een onderneming, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a en de aanhef van artikel 1, tweede lid, onderdeel c,
ac. Artikel XIII, onderdeel C
Voorgesteld wordt in de wijzigingsinstructie ‘wordt’ te vervangen door ‘worden’ en ‘een tweede volzin’ te vervangen door ‘twee volzinnen’.
Ook wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening belastingfaciliteiten investeringen ‘dan uiterlijk’ te vervangen door ‘indien het verzoek niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is ingediend’.
De Verkopingsverordening 1908
ad. Artikel XVI
Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie conform aanwijzing 172 van de Awr als volgt te laten luiden:
De Verkopingsverordening 1908 wordt ingetrokken.
De Landsverordening op de dividendbelasting 2000
ae. Artikel XIX
Voorgesteld wordt de wijzigingsinstructie conform aanwijzing 172 van de Awr als volgt te laten luiden:
De Landsverordening op de dividendbelasting 2000 wordt ingetrokken.
De overgangsbepaling
af. Artikel XX
Voorgesteld wordt in het tweede lid ‘van deze landsverordening’ te schrapen en ‘dit landsbesluit’ te vervangen door ‘deze landsverordening’.
De inwerkingtredingsbepaling
ag. Artikel XXI
Voorgesteld wordt in artikel XXI, derde lid, de correcte volgorde van de wijzigingsonderdelen in artikel I van het ontwerp te volgen. Ook wordt voorgesteld ‘artikel IX, onderdelen A, B, leden 1 en 3, en K’ te vervangen door ‘artikel IX, onderdelen A en B, eerste en derde lid, en L’.
De datum opgenomen in artikel XXI, vijfde lid, onderdeel a, komt niet overeen met de datum die in de memorie van toelichting staat (pagina 22). Voorgesteld wordt genoemde data te herzien.
Voorgesteld wordt in artikel XXI, vijfde lid, onderdeel b, ‘terug tot 1 en met januari 2017’ te vervangen door ‘terug tot en met 1 januari 2017’.
Voorgesteld wordt het tweede ‘Artikel XXI’ te vervangen door ‘Artikel XXII’.
3. De memorie van toelichting
Pagina 1
De Algemene landsverordening Landsbelastingen wordt voor het eerst vermeld op pagina 1 van de memorie van toelichting. Voorgesteld wordt meteen na deze eerste vermelding de afkorting ‘ALL’ tussen haakjes op te nemen.
De ‘Landsverordening op de winstbelasting 1940’ wordt voor het eerst vermeld op pagina 1. Voorgesteld wordt meteen na deze eerste vermelding de afkorting ‘LWB’ tussen haakjes op te nemen.
Pagina 2
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling wordt voor het eerste op pagina 2 aangehaald. Voorgesteld wordt meteen na deze eerste vermelding de afkorting ‘OESO’ tussen haakjes op te nemen.
Voorts wordt voorgesteld in het tweede tekstblok onder ‘§ 2. Financiële paragraaf’ vierde zin van bovenaf ‘procenten’ te vervangen door ‘percentages’.
Pagina 3
In het laatste tekstblok, vierde zin van bovenaf, worden de afkortingen AEOI- standaard en EOIR-standaard voor het eerst gebruikt. Voorgesteld wordt deze afkortingen uit te schrijven met de afkortingen tussenhaakjes daarachter.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, derde zin van onderaf, ‘daar’ te schrappen en ‘betreft’ te verplaatsen achter ‘normen’. Vervolgens wordt voorgesteld ‘hiervoor’ te vervangen door ‘daarvoor’.
Pagina 4
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede zin van bovenaf, ‘welke’ te vervangen door ‘welk’ en in de vierde zin van onderaf ‘Curaçao’ te verplaatsen achter ‘dat’.
Ook wordt voorgesteld in het eerste tekstblok, vijfde zin van bovenaf achter ‘Europese Unie’ de afkorting ‘EU’ tussenhaakjes te plaatsen.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, tweede zin ‘op het moment’ te vervangen door ‘momenteel’.
Pagina 5
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, tweede zin na ‘bewust’ het woord ‘is’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, vierde zin van onderaf, ‘Overigens’ te vervangen door ‘Daarnaast’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin van onderaf, de vindplaats van de uitspraak van de Nederlandse Staatssecretaris van Financiën in een voetnoot op te nemen.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, voorlaatste zin, de tweede ‘behandeld’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin van onderaf na ‘wetgevingen’ in te voegen ‘tot op zekere hoogte voor zover niet wordt geopteerd voor winstbelastingplicht’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin, ‘raad’ te vervangen door ‘SER’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, laatste zin, ‘alsmede’ te vervangen door ‘niet alleen’, ‘daarnaast’ te schrappen, na ‘aan’ het lidwoord ‘de’ in te voegen alsmede ‘en het kan daarom niet’ te vervangen door ‘en daarom niet kan’.
Pagina 6
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok eerste zin ‘de Algemene landsverordening Landsbelastingen’ te vervangen door de afkorting ‘ALL’ en in de vierde zin ‘de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (“OESO”) te vervangen door ‘OESO’ alsmede na ‘artikel II, onderdeel’ en ‘van deze’ aan te geven welk onderdeel en welke regeling hier wordt bedoeld.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin ‘wordt’ te vervangen door ‘komt’ en na ‘gereageerd’ de woorden ‘te vervallen’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin ‘het nieuwe opgesteld ruling beleid’ te vervangen door ‘het nieuw opgestelde rulingbeleid’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok derde zin van onderaf de eerste ‘een’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, laatste zin ‘’s Landskas’ te vervangen door ‘’s landskas’.
Pagina 7
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, laatste zin, na ‘administratie’ de woorden ‘de materiaalkosten, alsmede’ in te voegen.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste zin, ‘de Algemene landsverordening Landsbelastingen (“ALL”)’ te vervangen door de afkorting ‘ALL’.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin, ‘onderdeel K, vijfde en zesde lid’ te vervangen door ‘onderdeel M, vijfde en zesde lid’.
Pagina 8
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste en tweede zin ‘partnerschap’ telkens te vervangen door ‘samenwerkingsverband’ en ‘partnerschappen’ telkens te vervangen door ‘samenwerkingsverbanden’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, derde zin ‘Curaçao moet’ te vervangen door ‘moet Curaçao’.
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, laatste zin, de zinssnede ‘Omdat in het verleden was gebleken dat in de dossiers van de Inspectie der Belastingen er nauwelijks informatie beschikbaar’ te vervangen door ‘Omdat in het verleden is gebleken dat in de dossiers van de Inspectie der Belastingen nauwelijks informatie beschikbaar was’.
In het eerste tekstblok, laatste zin wordt de afkorting ‘UBO’s’ gebruikt. Voorgesteld wordt bij deze eerste vermelding de afkorting uit te schrijven met de afkorting tussenhaakjes erachter.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin ‘is er de’ te vervangen door ‘is de’.
Voorgesteld wordt het opschrift van het laatste tekstblok ‘Artikel II, onderdeel A, eerste lid’ te vervangen door ‘Artikel II, onderdeel A’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, laatste zin ‘procenten’ te vervangen door ‘percentages’.
Pagina 9
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin, vóór ‘vrijstelling’ het lidwoord ‘de’ in te voegen.
Pagina 10
Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok, eerste zin ‘kwijtschelding van’ te vervangen door ‘geheel of gedeeltelijke kwijtschelding van verschuldigde’.
Pagina 11
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok na ‘vijfde lid’ de woorden ‘van dat artikel’ in te voegen
Pagina 12
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, voorlaatste zin ‘opheffen’ te vervangen door ‘opzeggen’.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok ‘(P.B. 1932, no. 107)’ te schrappen.
Pagina 13
Onder ‘Artikel VIII’ staat: Dit artikel ziet op wijziging van de Gedistilleerdverordening 1908. Daar deze zin geen uitleg geeft van de in de Gedistilleerdverordening 1908 aangebrachte wijzigingen, wordt voorgesteld dit onderdeel te schrappen.
Pagina 14
Voorgesteld wordt in het opschrift van het tweede tekstblok ‘onderdeel F, eerste lid’ te vervangen door ‘onderdeel G, eerste lid’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, vierde zin, ‘in onderdeel F, lid 1’ te vervangen door ‘in onderdeel G, eerste lid’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, vierde zin van onderaf ‘buiteland’ te vervangen door buitenland’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, de voorlaatste zin als volgt te laten luiden:
Met concern wordt bedoeld, de belastingplichtige tezamen met de in Curaçao gevestigde lichamen, alsmede de buitenlandse lichamen voor zover deze hun bedrijf uitoefenen middels een vaste inrichting in Curaçao, behorend tot hetzelfde concern, bedoeld in artikel 1A, eerste lid, onderdeel a, van de LWB.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, de laatste zin, na ‘en totale causale kosten’ te vervangen door ‘en de totale causale kosten’.
Pagina 15
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, eerste zin, ‘en een doelvermogen’ te vervangen door ‘dan wel een doelvermogen’.
In het opschrift van de toelichting op artikel IX, onderdelen B, derde lid, C, D, tweede tot en met vierde lid, E, F, tweede en derde lid, G, I en M staat ‘artikel IX, onderdeel F, tweede en derde lid’. Artikel IX, onderdeel F, bevat geen derde lid. Voorgesteld wordt de verwijzingen naar de wijzigingsonderdelen nader te bekijken en de memorie van toelichting aan te passen.
Pagina 16
Voorgesteld wordt het opschrift ‘Artikel IX, onderdeel H’ van het voorlaatste tekstblok te vervangen door ‘Artikel IX, onderdeel I’.
Voorgesteld wordt het opschrift ‘Artikel IX, onderdeel K’ van het laatste tekstblok te vervangen door ‘Artikel IX, onderdeel L’.
Pagina 17
Voorgesteld wordt het opschrift ‘Artikel IX, onderdeel L’ van het tweede tekstblok te vervangen door ‘Artikel IX, onderdeel M’.
Pagina 18
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, derde zin van onderaf ‘woonachtig de’ te vervangen door ‘woonachtig is de’.
Voorgesteld wordt in het laatste tekstblok, tweede zin, de ‘dat’ vóór ‘belanghebbenden’ te schrappen.
Pagina 19
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok eerste zin ‘beoogd’ te vervangen door ‘beoogt’.
Voorgesteld wordt in het vierde tekstblok, laatste zin, ‘overlegd’ te vervangen door ‘overgelegd’.
Voorgesteld wordt in het vijfde tekstblok, eerste zin, ‘in’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het vijfde tekstblok, tweede zin, ‘binnen een periode van 15 jaar’ te schrappen aangezien in de volgende zin de verlengde termijn al wordt genoemd.
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, tweede zin, ‘en moet’ te vervangen door ‘en moeten’.
Voorgesteld wordt in de laatste zin ‘artikel 2a, derde lid’ te vervangen door ‘artikel 2a, tweede en derde lid’.
Pagina 20
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, onder punt 7 ‘worden, artikel 31’ te vervangen door ‘worden op grond van artikel 31’.
Pagina 21
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, laatste zin, ‘gezien’ te schrappen.
Pagina 22
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin ‘Lid 1’ te vervangen door ‘Het eerste lid’ en blijven’ te schrappen.
Voorgesteld wordt in het derde tekstblok, eerste zin ‘Lid 2’ te vervangen door ‘Het tweede lid’.
Voorgesteld wordt in de laatste tekstblok ‘het vierde lid’ te vervangen door ‘het vijfde lid’.
__________________________
[3] In dit geval door een verwijzing in het betreffende artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van de Landsverordening tarief van invoerrechten naar de naamlijst en coderingen van het Geharmoniseerd Systeem, zoals laatstelijk gewijzigd.
[4] Drop J. Th., ‘Handboek Caribisch bestuursprocesrecht’, Boom Juridisch, Den Haag 2019, pagina’s 54 en 55
[5] Pas na verkrijging van de status van doelvermogen wordt het fonds conform artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de ALL als lichaam aangemerkt.
[6] Zie in dit verband artikel XII, tweede lid, van de Landsverordening belastingherziening 2019
