Adviezen
RvA no. RA/27-24-LV: Ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curacao voor het dienstjaar 2025
Ontvangstdatum: 11/07/2024
Publicatie datum: 12/09/2024
zaaknummer 2024/025865
Ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2025
(zaaknummer 2024/025865)
Advies: Met verwijzing naar uw spoedadviesverzoek d.d. 10 juli 2024, dat de Raad van Advies op 11 juli 2024 heeft ontvangen, om het oordeel van de Raad inzake bovengenoemd onderwerp en naar aanleiding van de behandeling hiervan op 8 augustus 2024, bericht de Raad u als volgt.
I. Algemene opmerkingen
1. De kwaliteit van de ontwerpbegroting 2025
a. Verbeterpunten
De Raad constateert dat de eerder geboekte vooruitgang in de ontwerpbegrotingen, zoals ook aangegeven in het advies van 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV)[1] over de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2024 (hierna: ontwerpbegroting 2024), in de ontwerpbegroting voor het dienstjaar van 2025 (hierna: de ontwerpbegroting 2025) niet is voortgezet. De ontwerpbegroting 2025 vertoont duidelijk grote ruimte voor kwalitatieve verbetering.
De begroting is het beleidsinstrument waarin de regering haar beleid voor de komende jaren en financiële vertaling daarvan uitzet. Dit dient op zodanige wijze te geschieden dat de begroting de autorisatie-, sturings- en beleidsfuncties als afgeleide van het budgetrecht van de Staten kan vervullen. In de verantwoordingsfase dient de begroting voorts een adequaat hulpmiddel te zijn voor een algehele evaluatie die ten grondslag moet liggen aan het afleggen van verantwoording.
De Raad constateert dat de kwaliteit van de ontwerpbegroting 2025 van dien aard is dat het niet optimaal kan voldoen aan de hierboven genoemde functies.
In onderdelen b tot en met d van dit onderdeel wordt in algemene zin ingegaan op de verbeterpunten.
b. Meerjarig beleid en uitvoering
De begroting voor een dienstjaar gaat vergezeld van een meerjarenbegroting van de baten en lasten voor ten minste drie op het desbetreffende dienstjaar volgende jaren (artikel 13, eerste lid, van de Landsverordening comptabiliteit 2010 (hierna: LvC2010). Het gaat hierbij echter niet alleen om een weergave van nieuw te implementeren beleid maar ook van beleid dat reeds in uitvoering is. In een begroting worden namelijk ook gelden gereserveerd voor uitvoering van bestaand beleid. Derhalve is het van belang dat een begroting dan ook inzicht geeft in de stand van zaken van beleid dat reeds in uitvoering is, hoe de stand van zaken zich verhoudt tot de doelstellingen die de regering eerder heeft geformuleerd en hoe het bestaande beleid in de komende jaren verder wordt geïmplementeerd. Uiteraard met een vertaling hiervan naar de kosten die hiermee gemoeid zijn.
De meeste beleidsvoornemens in de memorie van toelichting behorende bij de ontwerpbegroting 2025 (hierna: de memorie van toelichting) komen over alsof die in 2025 starten en na 2025 geen voortgang zullen hebben.
c. Concrete formulering van beleid
Het is van belang dat het (voorgenomen) beleid volgens het SMART-principe geformuleerd wordt in de memorie van toelichting en dat de financiële consequenties van dit beleid weergegeven worden in de meerjarenbegroting, voor zover het beleid betreft waarvan de uitvoering meerdere jaren behelst. Dit laatste is nodig om gericht beleid te kunnen voeren en om het voorgenomen beleid te kunnen evalueren op financiële haalbaarheid en effectiviteit zodat processen in uitvoering – waar nodig – bijgestuurd kunnen worden.
De hoofdstukken met betrekking tot de ministeries in de Algemene beschouwingen van de memorie van toelichting zijn in de meeste gevallen heel uitgebreid maar te algemeen geformuleerd. Hierdoor ontbreekt de vertaling in concreet te verrichten activiteiten c.q. SMART-geformuleerde elementen.
Bij het opmaken van het jaarverslag in verband met een evaluatie, bedoeld in artikel 18, onderdeel p, in samenhang met artikel 33 van de LvC2010 dient een ministerie in ieder geval aan te geven in hoeverre beleidsvoornemens die tevoren met betrekking tot het betreffende dienstjaar waren geformuleerd gerealiseerd zijn. Vanwege de niet voldoende geconcretiseerde deeltrajecten waarbij evenmin zichtbaar is gemaakt hoe de uitvoering verspreid over verschillende jaren zal plaatsvinden – voorzover uitvoering verspreid plaatsvindt – voorziet de Raad moeilijkheden bij het opstellen van het jaarverslag door de ministeries. Dit omdat niet duidelijk is vastgesteld welke prestaties in het dienstjaar 2025 zullen worden uitgevoerd.
Bij wijze van voorbeeld wordt verwezen naar het hoofdstuk ‘Ministerie Gezondheid, Milieu en Natuur’ en het hoofdstuk ‘Ministerie van Economische Ontwikkeling’ van de Algemene beschouwingen. Ten aanzien van laatstgenoemd hoofdstuk wordt verwezen naar onderdeel III. 7. ‘onderdeel ‘a, Concretisering trajecten bij domeinen’ van dit advies.
d. Advies
De Raad adviseert de regering het nodige te doen om de kwaliteit van de memorie van toelichting drastisch te verbeteren door bij de aanpassing daarvan rekening te houden met de bovengenoemde verbeterpunten. Bij de wijziging van de memorie van toelichting moet onder andere de stand van zaken worden aangegeven van beleid dat reeds in uitvoering is en nieuw beleid dient zoveel mogelijk volgens het SMART-principe geformuleerd te worden. In voorkomende gevallen is het bovendien belangrijk om aan te geven of dit beleid over meerdere jaren gefaseerd uitgevoerd zal worden. Tevens dient uiteraard het voorgenomen beleid vertaald te worden in cijfers c.q. uitgaven opdat de aanwending van de algemene middelen via de begroting inzichtelijk wordt gemaakt en vervolgens bij de beleidsevaluatie gemeten kan worden welke resultaten met de opgebrachte en ingezette algemene middelen zijn behaald.
2. Risico’s waarmee rekening dient te worden gehouden
a. Het sociale zekerheidsstelsel
Het is algemeen bekend dat de overheid jaarlijks fors bijdraagt aan de financiering van de sociale fondsen die door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) worden beheerd. Desondanks is het (tot nu toe) niet gelukt deze sociale fondsen financieel in rustig vaarwater te krijgen. Immers de financiële druk op de sociale fondsen neemt niet af. Zie in dit verband ook de ontwikkelingen bij het Curaçao Medical Center (hierna: het CMC), één van de belangrijkste actoren in de gezondheidszorg. De zwakke financiële positie van de sociale fondsen komt uiteindelijk tot uitdrukking in de stand van het Schommelfonds Sociale Verzekeringen (hierna: het Schommelfonds), welke volgens de eerste tabel (‘SVB raming Schommelfonds’) op pagina 68 van de Nota van Financiën van een positieve saldo van NAf 31 miljoen in 2023, in 2028 zal omslaan in een tekort van NAf 115,7 miljoen. Opgemerkt dient te worden dat volgens de brief van het Ministerie van Financiën d.d. 5 juli 2024 (zaaknummer 2024/025865) de in de ontwerpbegroting 2025 gepresenteerde cijfers over de sociale fondsen, gebaseerd zijn op ramingen die door de SVB in september 2023 zijn gemaakt. Eind juli 2024 verwacht(te) het ministerie nieuwe ramingen van de SVB, op basis waarvan de cijfers van de sociale fondsen zullen worden aangepast in de ontwerpbegroting 2025 alvorens deze aan de Staten wordt aangeboden. De Raad gaat in het hiernavolgende uit van de thans bekende cijfers.
De verwachting is dus dat binnen zes jaar het Schommelfonds met ca. NAf 146 miljoen zal verslechteren. Dit tekort is des te schrikbarender als er rekening wordt gehouden met het feit dat de weergegeven tekorten, na verwerking van maatregelen zijn.
Hoe de verslechtering van het Schommelfonds zal worden afgewend, is niet op te maken uit de memorie van toelichting. Gezien de omvang van de tekorten is het van belang dat de regering in de memorie van toelichting aangeeft welke maatregelen reeds genomen zijn en het effect van die maatregelen, maar ook welke maatregelen er nog genomen zullen worden en met welk effect om het tekort van ca. NAf 115 miljoen om te buigen. Daar waar er onvoldoende zekerheid bestaat voor wat de financieel budgettaire effecten betreft stelt de Raad voor aanvullende maatregelen te treffen. Voorts dienen ook de effecten voor de kwaliteit van de medische zorg in het algemeen in beeld te worden gebracht. Verder vraagt de Raad in dit verband ook de aandacht van de Regering voor de demografische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor het sociale- zekerheidsstelsel, waar de Raad op in onderdeel IV. ‘4. Demografische ontwikkeling’ van dit advies nader op ingaat.
Zeker omdat vaststaat dat indien dit financieel probleem niet tijdig en afdoende wordt aangepakt uiteindelijk de overheid op grond van artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank zal moeten opdraaien voor het aanzuiveren van de verwachte tekorten bij het Schommelfonds.
Het doorvoeren van effectieve kostenbeheersende maatregelen binnen de sociale zekerheid is imperatief volgens de Raad. Vermeldenswaardig is dat het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (hierna: het Cft) de overheid al geruime tijd oproept kostenbeheersende maatregelen te nemen teneinde dotaties aan het Schommelfonds te voorkomen. Het uitstellen van de implementatie van effectieve maatregelen leidt steeds tot toenemende financiële tekorten bij de sociale fondsen welke uiteindelijk door de overheid gedragen zullen moeten worden, met als gevolg dat de overheid elders binnen de begroting minder kan realiseren.
De zorgwekkende financiële situatie van het CMC staat niet los van de financiële situatie bij de sociale fondsen, het zijn namelijk communicerende vaten. Dit komt doordat de financiering van de sociale fondsen en van het CMC geheel danwel voor een groot deel via de SVB verloopt. De Raad wenst met klem erop te wijzen dat het ongewijzigd vaststellen van de ontwerpbegroting 2025 met de thans gepresenteerde financiële situatie van het Schommelfonds, zonder implementatie van de benodigde kostenbeheersende maatregelen de continuïteit van de sociale fondsen en mogelijk de kwaliteit van de zorg in het gedrang brengt, voor zoverre die continuïteit niet reeds in gedrang is.
In lijn met het vorenstaande adviseert de Raad de regering na ontvangst van de geactualiseerde cijfers over de sociale fondsen de nodige aanpassingen aan te brengen in de memorie van toelichting en zonodig in de ontwerpbegroting 2025. Voorts adviseert de Raad in de memorie van toelichting duidelijk aan te geven welke concrete maatregelen de overheid thans uitvoert, dan wel binnenkort zal uitvoeren teneinde een solide financiële situatie te realiseren bij de sociale fondsen waardoor eindelijk het tij bij het Schommelfonds zal worden gekeerd. Ter verhoging van het vertrouwen in de ontwerpbegroting 2025 en de informatiewaarde daarvan wordt voorts geadviseerd met betrekking tot de kostenbeheersende maatregelen, het tijdpad, de stand van zaken en de kwantificering van de (verwachte) financiële effecten van deze maatregelen in de memorie van toelichting op te nemen.
b. Het CMC
Uit diverse adviezen van het Cft en uit de media blijkt dat al geruime tijd sprake is van een kritieke financiële situatie bij het CMC. Het bevreemdt de Raad dat in de memorie van toelichting niet wordt vermeld hoe ernstig de financiële problemen zijn bij het CMC. De regering volstaat hierbij met het benoemen van maatregelen waarmee hij de financiële problemen bij het CMC hoopt op te kunnen lossen. In dit verband zal de landsbijdrage voor de basisverzekering ziektekosten structureel worden verhoogd met NAf 10 miljoen zodat deze via de SVB naar het CMC kan worden doorgesluisd. Verder gaat de regering ervan uit dat de overige meerkosten van het CMC (lees: het restant tekort) – die onbenoemd blijven in de memorie van toelichting – door de SVB zullen worden gedekt en wel via te realiseren besparingsmaatregelen – die ook niet verder worden gespecificeerd – en verbeterde betaling van sociale premies.
Uit de memorie van toelichting kan dus niet worden opgemaakt hoe groot het financieel probleem bij het CMC is. Uit het advies van het Cft van 26 juni 2024 (met kenmerk Cft 202400071) – over de ontwerpbegrotingswijziging 2024 van Curaçao– is uit pagina 2 op te maken dat het CMC doelmatigheidsverbeteringen dient door te voeren om de eigen exploitatiekosten te verlagen. Voorts blijkt uit de eerder vermelde pagina dat volgens de regering, na rekening gehouden te hebben met de effecten van deze doelmatigheidsverbeteringen er een structureel exploitatietekort resteert van NAf 35-45 miljoen welke voor rekening van de SVB komt. Volgens de Raad geldt – gezien het bepaalde in artikel 21 van de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank – dat alle niet gerealiseerde besparingen dan wel premie- opbrengsten door de SVB, ten laste van de overheidsbegroting (zullen blijven) komen waardoor verwachte overschotten makkelijk kunnen wegebben.
De Raad adviseert de regering de ontwerpbegroting 2025 aan te vullen met/door:
– de financiële cijfers van het CMC waaruit in ieder geval de gecumuleerde – en de structurele (exploitatie)tekorten blijken;
– op jaarbasis aan te geven per wanneer de extra opbrengsten via verbeterde betaling van sociale premies worden binnengehaald en de verwachte omvang hiervan op jaarbasis; en
– de implementatietermijn en de kwantificering van de besparingsmaatregelen door te voeren door de SVB.
c. Vervangingsinvesteringen CMC
Volgens pagina 21 van de Nota van Financiën pleit het Land thans voor herfinanciering van een schuld van NAf 140 miljoen die in 2025 afgelost dient te worden. Vooralsnog is dit bedrag van NAf 140 miljoen volledig als af te lossen bedrag in (het ontwerp van) de Eerste suppletoire begroting 2024[2], de ontwerpbegroting 2025 en liquiditeitsplanning opgenomen. Indien bedoeld bedrag van NAf 140 miljoen geherfinancierd wordt, zal de regering het bedrag dat eerder bedoeld was om de lening van NAf 140 mln af te lossen, aanwenden voor vervangingsinvesteringen ten behoeve van het CMC (in totaal NAf 60 miljoen) en voor versnelde aflossing van de schuld aan het Algemeen Pensioenfonds Curaçao. Volgens de Raad is het evident dat indien de beoogde herfinanciering niet tot stand kan komen, de voorgenomen vervangingsinvesteringen bij het CMC van de baan zullen zijn.
De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën duidelijk aan te geven of het bedrag van NAf 60 mln toereikend zal zijn om de benodigde vervangingsinvesteringen bij het CMC, inclusief eventuele achterstand hierin, te financieren en welke alternatieven er zijn voor de financiering van NAf 60 miljoen voor het geval de herfinanciering van een schuld van NAf 140 miljoen niet lukt.
d. Economische groei solideren
Uit de memorie van toelichting en uit van het Ministerie van Financiën verkregen informatie blijkt dat verwacht wordt dat de reële economie in 2024 met 4,5% zal groeien. Voor 2025 en 2026 is de verwachte groei respectievelijk 3,5% en 2,5%, terwijl voor de verdere jaren een groei van 1,5% wordt verwacht. (Zie pagina’s 9, onder ‘Curaçao’, 10 en 36, derde tekstblok, van de Nota van Financiën.)
Het vorenstaande is uiteraard een positieve ontwikkeling, indien het zich materialiseert. Echter zonder duidelijk aan te geven welke verwachte ontwikkelingen en welke goed op elkaar afgestemde (vastomlijne) maatregelen/acties tot deze groei zullen leiden c.q. wat de regering concreet zal doen om deze groei te bewerkstelligen /consolideren, bestaan er de volgende risico’s:
– Begrotingsrisico: de verwachte positieve groeicijfers, worden vertaald in toename van de belastinginkomsten waarbij de uitgaven ook meegroeien. Indien door het uitblijven van concrete acties deze groei uitblijft, blijft ook de groei in belastinginkomsten achterwege. Idealiter zouden de uitgaven dan ook moeten dalen. Ervaring leert echter dat uitgaven zich niet makkelijk laten ombuigen. Het is dan ook van eminent belang om de economische groei te verduurzamen en dat de regering concreet aangeeft hoe dat bewerkstelligd zal worden.
– Arbeidsmarktkrapte: gelet op de krapte op de arbeidsmarkt – in bijna alle sectoren – en dus het tekortschietende aanbod van arbeid is het zeer de vraag of de arbeidsmarkt de potentie heeft de verwachte economische groei te kunnen dragen.
De Raad adviseert de regering aan te geven welke maatregelen genomen zullen worden teneinde de thans groeiende economie te verduurzamen.
e. Inflatie
Curaçao kent een zeer open economie. Dit brengt met zich mee dat economische ontwikkelingen in het buitenland en met name bij de handelspartners van Curaçao, ook gevolgen hebben voor de economie van Curaçao. Een veel voorkomend effect is – als gevolg van de relatief hoge inflatie wereldwijd de laatste jaren – de importinflatie[3]. De importinflatie treft via met name duurdere eerste levensmiddelen de laagste inkomensgroepen het meest.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven hoe de effecten van de importinflatie met name op de eerste levensmiddelen zal worden gemitigeerd.
f. Onvoldoende beheersing van de uitgaven
De ontwerpbegroting 2025 laat volgens de Raad een beeld zien dat er bij de overheid sprake is van onvoldoende beheersing van de uitgaven. Een aantal voorbeelden hiervan zijn:
- de opleidingskosten. Volgens punt 2 van paragraaf ‘Verbruik goederen en diensten’ op pagina 59 van de Nota van Financiën is een bedrag nodig van NAf 4,5 miljoen. Het is niet duidelijk hoe men aan dit bedrag is gekomen. Wel wordt aangegeven dat het geven van opleidingen zal leiden tot hogere opleidingskosten dan in het jaar 2023.
- de post ‘Beloning van personeel’. Volgens ‘Tabel 4. Gewone dienst‘ op pagina 31 van de Nota van Financiën is het geraamde bedrag op deze post NAf 504,8 miljoen in 2024 (B2024). Afgaande op de ontwerpbegroting 2025 bedraagt deze post echter NAf 505,8 miljoen en de realisatie in 2023 NAf 413,8 miljoen.
De Raad is van oordeel dat uit de ontwerpbegroting 2025 duidelijk dient te blijken hoe de regering van plan is om te zorgen voor een gedegen beheersing van de uitgaven. In dit kader wordt ook verwezen naar de brief van 2 mei 2024 (met kenmerk Cft 202400047) waarin het Cft aangeeft dat de (forse) oploop van de personeelslasten in 2024 haaks staat op de maatregelen in het Landspakket met betrekking tot de herinrichting van het ambtenarenapparaat en de beheersing van de personeelslasten. Dergelijke intensiveringen zouden volgens het Cft gepaard moeten gaan met besparende maatregelen om zo de doelstellingen van het Landspakket niet uit het oog te verliezen.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
g. Risico’s gerelateerd aan de uitvoeringscapaciteit
De memorie van toelichting benoemt een aantal projecten waarvan het voornemen is om deze in het dienstjaar 2025 uit te voeren. Daar komen nog de beleidsvoornemens bij die verband houden met de uitvoering van het Landspakket. Door de beperkte inzichtelijkheid in de beleidsuitvoering is het moeilijk om de voortgang van de uitvoering van deze projecten en van het beleid te bewaken en te beoordelen.
Uit de Algemene beschouwingen kan ook niet worden afgeleid welke doelstellingen die verband houden met bestaand beleid volgens planning (al dan niet deels) zijn gerealiseerd, en op welke punten de regering vóór of achterloopt op eventuele planningen. Een voorbeeld hiervan is het verkrijgen van de categorie 1 status (van de Federal Aviation Administration) door Curaçao ten aanzien van de luchtvaart. (Zie verder onderdeel III.6. ’c. Luchtvaart’ van dit advies).
Bovendien geven de Algemene beschouwingen onvoldoende zicht op de middelen (waaronder uitvoeringscapaciteit) die nodig zijn om die doelstellingen te bereiken. De omvang van de voorgenomen beleidsplannen zal volgens de Raad afgestemd moeten worden op de uitvoeringskracht van de ministeries waar de implementatie van de beleidsplannen voornamelijk van afhangt. Voorkomen moet namelijk worden dat beperkte uitvoeringscapaciteit – wat een jaarlijks terugkerende beperking blijkt te zijn – op den duur resulteert in een cumulatie van niet uitgevoerd beleid.
De Raad adviseert de regering aandacht aan het bovenstaande te besteden teneinde een zo realistisch mogelijke ontwerpbegroting 2025 en meerjarenbegroting te presenteren.
II. De ontwerpbegroting 2025
1. Artikel 1
Aan het slot van artikel 1 wordt het eindcijfer van de Begroting 2025 aangegeven, welke NAf 2.330.424.500 is. Volgens de eerste tabel op pagina 4 van de ontwerpbegroting (het beleidsdeel) bedragen de totale uitgaven op de Begroting 2025 NAf 2.330.424.600.
De Raad adviseert voornoemde bedragen en andere hiermee samenhangende bedragen met elkaar in overeenstemming te brengen.
2. Saldo gewone dienst 2024
Volgens de recapitulatiestaten (pagina 2) is in 2024 het saldo op de gewone dienst NAf 18,6 miljoen, terwijl de Eerste suppletoire begroting 2024 een saldo van NAf 19 miljoen aangeeft op de gewone dienst.
De Raad adviseert de regering de betreffende cijfers en overige hiermee samenhangende cijfers met elkaar in overeenstemming te brengen.
3. Staat van opgenomen geldleningen
a. Inconsistentie bij stand van geldleningen
Volgens de eerste tabel op pagina 2 van de ‘Staat van opgenomen geldleningen’ behorende bij de ontwerpbegroting 2025 bedraagt de stand van de langlopende leningen per 31 december 2025 NAf 3.558.017.100. Volgens de eerste tabel op pagina 3 bedraagt de stand van de langlopende leningen per 1 januari 2026 NAf 3.708.077.100.
De Raad adviseert de regering de discrepantie tussen de stand van de schulden per 31 december 2025 versus de stand per 1 januari 2026 – welke volgens de Raad gelijk horen te zijn – in de memorie van toelichting toe te lichten en anders de nodige correcties in dit verband aan te brengen in de ‘Staat van opgenomen geldleningen’.
b. De schuldquote
1°. Verwachte ontwikkeling van de schuldquote
De Raad constateert uit pagina’s 3, 4 en 5 van de ‘Staat van opgenomen geldleningen’ dat de langlopende leningen in de periode 2026–2028 stijgen van NAf 3.708.077.100 naar NAf 3.897.175.600. Dit komt neer op een stijging van ca. NAf 190 miljoen in drie jaar. Gegeven het voornemen van de regering – zie pagina’s 28 en 75 van de Nota van Financiën – om de schuldquote te verlagen tot 55% tegen 2030, zal dit bij stijgende langlopende leningen alleen te realiseren zijn als het Bruto Binnenlands Product (hierna: BBP) – in de nodige mate – procentueel harder stijgt dan de schuldomvang. Een verlaging van de schuldquote is volgens de Raad uiteraard ook te bereiken door schuldaflossing. Thans is volgens de Nota van Financiën de schuldquote (volgens projectie) ongeveer 65%. Dit betekent dat de schuldquote met ca. 15%-punten dient te worden verlaagd in een periode van vijf jaar.
Aangezien uit de meerjarenbegroting blijkt dat de nominale staatsschuld in de komende jaren een flinke stijging zal vertonen, adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting in te gaan op het traject voor het behalen van een schuldquote van 55% in 2030.
2°. Wettelijke basis voor een schuldquotenorm
In verband met het voornemen van de regering de schuldquote te verlagen adviseert de Raad de regering opnieuw[4] met voortvarendheid een acceptabele schuldquotenorm wettelijk te verankeren in bijvoorbeeld de LvC2010.
III. De memorie van toelichting
1. Algemeen
Uit een analyse van de ontwerpbegroting 2025 volgen een aantal punten waarmee volgens de Raad onvoldoende rekening gehouden is in het ontwerp en de memorie van toelichting:
- de verwijzingen naar het regeerprogramma 2021-2025, het Landspakket en de Sustainable Development Goals (hierna: SDG’s) zijn niet altijd verwerkt in de bijdragen van een aantal ministeries;
- het vergroten van het kennisniveau van het personeel van de ministeries kan eventueel gezamenlijk plaatsvinden in het kader van efficiëntie en kostenbesparing;
- er wordt bij de meeste ministeries een uiteenzetting gehouden van beleidsvoornemens maar het tijdpad dat daarmee samenhangt wordt niet aangegeven. Hierdoor is niet af te leiden hoe realistisch de bijdragen zijn. Volgens de Raad dient het een en ander binnen het begrotingsjaar en meerjarig in de opvolgende jaren geplaatst te worden.
- duidelijk dient te worden gemaakt op welke wijze in de ontwerpbegroting 2025 rekening gehouden wordt met de aanbevelingen van het Cft.
De Raad adviseert de regering om deze punten in de ontwerpbegroting 2025 en de memorie van toelichting te verwerken.
2. Staatsorganen en overige algemene organen
a. Beloning van personeel
Het is de Raad opgevallen dat bij de post ‘Beloning van Personeel’ dat enkel bij de Raad van Advies het geraamde bedrag daarvoor is verlaagd voor de komende jaren in vergelijking tot het jaar 2024. Zoals blijkt op pagina 6 van de Begroting voor het dienstjaar 2024 (hierna: Begroting 2024) (Beleidsdeel) bedroeg de post ‘Beloning van Personeel’ van de Raad van Advies in 2024 NAf 1.295.800 tegen NAf 1.269.500 voor het jaar 2025 en opvolgende jaren. Uit de memorie van toelichting volgt niet wat de reden voor deze verlaging is. Te meer daar het aantal fte’s niet minder is geworden.
Overigens valt het op dat bij de andere staatsorganen (Algemene Rekenkamer, Sociaal Economische Raad, Ombudsman) er juist sprake is van een verhoging van het geraamde bedrag op de post ‘Beloning van Personeel’ voor de komende jaren in vergelijking tot het jaar 2024. Uit de memorie van toelichting valt niet op te maken wat hieraan ten grondslag ligt.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen.
b. De vergoeding van de leden van de Sociaal Economische Raad
In het tweede tekstblok op pagina 19 van de memorie van toelichting wordt de vergoeding van de leden van de Sociaal Economische Raad (hierna: de SER) besproken. Daaruit volgt dat het vergoedingenstelsel van de SER herzien zal worden waardoor er een stijging zal ontstaan van de vergoeding van NAf 150,- per lid per vergadering naar maximaal NAf 420,- per lid per vergadering.
De Raad adviseert de regering om deze stijging in de memorie van toelichting toe te lichten.
3. Ministerie van Algemene Zaken
Beloning van personeel
Het is de Raad opgevallen dat bij de post ‘Beloning van personeel’ bij het Kabinet van de Minister van Algemene Zaken (110300) en bij het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister (110304) sprake is van een grote stijging in deze kosten voor het jaar 2025 ten opzichte van het jaar 2023. In het jaar 2023 bedroegen deze posten NAf 1.808.998 en NAf 607.866 en stijgen in 2025 tot respectievelijk NAf 2.033.000 en NAf 3.336.800. Uit de memorie van toelichting volgt niet wat de reden voor deze verhoging is.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting op dit punt aan te vullen.
4. Ministerie van Justitie
a. Algemeen
In het advies van de Raad van 14 augustus 2023, met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV, over de ontwerpbegroting 2024 heeft de Raad ten aanzien van het Ministerie van Justitie een aantal opmerkingen gemaakt.[5] Het is opgevallen dat de destijds gemaakte opmerkingen grotendeels nog steeds gelden voor de ontwerpbegroting 2025. Dit doet de vraag rijzen of de doelen ten aanzien van de verschillende projecten in het jaar 2024 wel of niet gehaald zijn of zullen worden. Maar aangezien een nadere motivering ontbreekt, zal de Raad de relevante opmerkingen nogmaals opnemen in de verwachting dat duidelijk aangegeven zal worden of de doelstellingen wel of niet gehaald zijn en bij een negatief antwoord, wat de reden daarvoor is.
b. Het Criminaliteitsbestrijdingsfonds
Het Criminaliteitsbestrijdingsfonds wordt op pagina 63 van de Algemene beschouwingen genoemd.
Volgens artikel 5, eerste lid, van de Landsverordening criminaliteitsbestrijdingsfonds is de Minister van Justitie gehouden om jaarlijks bij de indiening van de begroting een beleidsplan in te dienen waarbij de projecten worden aangeduid welke in het begrotingsjaar voor financiering uit het fonds in aanmerking komen. In artikel 3 van voornoemde landsverordening zijn de inkomsten van het Criminaliteitsbestrijdingsfonds geregeld. Uit de ontwerpbegroting 2025 is niet op te maken welke financiële relatie tussen het Criminaliteitsbestrijdingsfonds en de overheidsbegroting bestaat aangezien er geen bedragen zijn opgenomen met betrekking tot dit fonds.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting in te gaan op de financiële relatie tussen het Criminaliteitsbestrijdingsfonds en de overheid(sbegroting) en het ontbreken van cijfers over dit fonds in de ontwerpbegroting 2025 toe te lichten.
c. Halt-straffen
In het voorlaatste tekstblok op pagina 67 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat Halt-straffen middels landsbesluit, houdende algemene maatregelen, een goed instrument is om de primaire en secundaire preventie, genoemd in onderdeel 1.1.1 ‘Focusgebied Veiligheid van jeugd en jongvolwassenen’ van het hoofdstuk ‘Justitie’, te kunnen bewerkstelligen. Deze constatering wordt wederom niet door de regering in de memorie van toelichting verder uitgewerkt. Ook een specifieke periode (datum) ter realisatie van dit landsbesluit ontbreekt.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven waarom de introductie van Halt-straffen middels landsbesluit, houdende algemene maatregelen, als een goed instrument kan dienen ter voorkoming en bestrijding van jeugdcriminaliteit. Daarnaast adviseert de Raad om in de memorie van toelichting een specifieke periode (datum) op te nemen, ter realisatie van dit landsbesluit. Het enkel melden dat de introductie op de middellange termijn zal plaatsvinden, is aldus niet voldoende.
d. Geprioriteerde projecten
Volgens pagina’s 67 en 68 van de memorie van toelichting heeft de regering tot doel het waarborgen dat de jongvolwassenen van een veilige en aangename leefsituatie kunnen genieten. De regering heeft een aantal belangrijke projecten aangewezen om deze doelstelling te realiseren. Uit de memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt welke bedragen voor de uitvoering van deze projecten begroot zijn. Ook een specifieke periode ter realisatie van deze doelstelling ontbreekt.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting ten aanzien van de door het Ministerie van Justitie geprioriteerde projecten aan te geven welke bedragen voor de uitvoering van deze projecten begroot zijn en binnen welke periode de doelstellingen behaald zullen worden.
e. De focusgebieden ‘Veiligheidsgevoel bij burgers’ en ‘Mensenhandel en -smokkel’
Ook ten aanzien van de focusgebieden ‘Veiligheidsgevoel bij burgers’ en ‘Mensenhandel en -smokkel’ ontbreekt op pagina’s 68 en 69 van de memorie van toelichting een nadere onderbouwing van de wijze waarop de specifieke projecten en activiteiten zullen worden uitgevoerd en wat de exacte kosten hiervan zijn.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
f. Het volledig voldoen aan minimumnormen
In het focusgebied ‘Mensenhandel en -smokkel’ wordt aangegeven dat het streven is dat Curaçao in het jaar 2025 volledig voldoet aan alle van toepassing zijnde minimumnormen om mensenhandel uit te bannen (Zie het derde tekstblok op pagina 69 van de memorie van toelichting). Echter wordt vervolgens gesteld dat in de komende jaren ernaar gestreefd wordt om de aanbevelingen als aangevoerd in onder andere de TIP-rapporten (Trafficking in Persons Report) van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken te implementeren. Volgens de Raad strookt dit niet met elkaar indien het streven is om reeds in 2025 aan alle minimumnormen voor uitbanning van mensenhandel te voldoen.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
g. Re-integratie (ex) delictplegers in de maatschappij
Op pagina’s 70 en 71 van de memorie van toelichting is bij de derde bullet van het/de door het Ministerie van Justitie geprioriteerde project/activiteit het volgende opgenomen:
‘Hulpverlening aan de resocialisatie van delict plegers en levenslang gestraften door versterking van de UO Reclassering met extra mankracht ter stimulering van een succesvolle re-integratie in de samenleving’.
De Raad adviseert de regering wederom om in de memorie van toelichting in te gaan op de wijze waarop de hulpverlening aan de (succesvolle) resocialisatie van levenslang gestraften – waarbij aan deze gedetineerden perspectief op terugkeer in de samenleving wordt gegeven – daaraan zal bijdragen en in de praktijk zal worden bewerkstelligd. Dit laatste in het licht van de te nemen beslissingen op gratieverzoeken en de tenuitvoerlegging van deze levenslange gevangenisstraffen.
5. Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning
a. Samenhang overheidsbeleid
1°. Teststraat
Op pagina 78 van de memorie van toelichting, wordt onder ‘Ad 2.’ opgemerkt dat de capaciteit die nodig is voor de technische keuring van motorvoertuigen moet worden uitgebreid met de aanleg van een nieuwe teststraat. De uitbreiding zal in fasen gebeuren, waarbij eerst aanpassingen zullen worden gedaan aan het gebouw om daarna nieuwe apparatuur in te kopen en te installeren.
De Raad constateert dat ook in de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (Zittingsjaar 2023-2024-213) melding is gemaakt van de aanschaf en installatie van teststraten. Volgens pagina 118 van laatstbedoelde memorie van toelichting zou de installatie van een tweede teststraat in 2023 worden afgerond. De aanschaf en installatie van een derde teststraat bedoeld voor motorfietsen was gepland voor 2024.
Uit de voorliggende memorie van toelichting kan niet worden opgemaakt met hoeveel teststraten bedoeld voor motorvoertuigen en motorfietsen de bestaande capaciteit moet worden uitgebreid, per wanneer de beoogde (volle) capaciteit moet zijn gerealiseerd en of het eerder voor 2023 vastgestelde voornemen is gerealiseerd. Ook is geen indicatie in de memorie van toelichting gegeven wat de streefdatum is voor de aanvang en afronding van elke voorgenomen fase voor de uitbreiding van de teststraten.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
2°. Toezicht op de naleving van de Eilandsverordening personenvervoer
Op pagina 78 van de memorie van toelichting, onder ‘Ad 3.’ wordt opgemerkt dat in 2024 de eerste stappen zullen worden gezet om het houden van toezicht op de naleving van de voorschriften zoals opgenomen in de Eilandsverordening personenvervoer onder te brengen bij het in 2022 ingestelde Projectteam Toezicht en Handhaving van het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning.
Aangezien wij ons inmiddels in de tweede helft van 2024 bevinden, adviseert de Raad de regering in de memorie van toelichting aan te geven wat de stand van zaken is met betrekking tot het voorgaande.
3°. Openbaar vervoer en huisvesting in de strijd tegen armoede
– Huisvesting
De Raad beseft dat het construeren van betaalbare woningen een grote maatschappelijke uitdaging is. Op pagina 86 van de memorie van toelichting gaat de regering uitgebreid in op de volkswoningbouw. De Raad mist echter een verwijzing naar een algemeen beleid van de regering dat moet leiden tot meer betaalbare woningen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de regering[6] in 2023, naar aanleiding van een vraag van de Raad van Advies[7] met betrekking tot de aanpak van de enorme wachtlijsten voor overheidsgrond voor woningbouw en sociale woningen, heeft aangegeven dat er diverse beleidsinitiatieven zijn die verder zullen worden uitgewerkt, vanuit een integraal en samenhangend kaderbeleid volkshuisvesting. Daarbij zijn een aantal van deze beleidsinitiatieven in de memorie van toelichting genoemd.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
Op pagina 86 van de Algemene beschouwingen wordt in de laatste alinea van het onderdeel ‘(Volks)woningbouw en wijkverbetering’ bij punt 3 aangegeven dat een aanbesteding voor woningbouw en infra te Fortuna Pariba en infra voor Sapate blok H zal plaatsvinden.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven hoeveel woningen de regering voornemens is (per 2025) te bouwen, wanneer de oplevering zal plaatsvinden en in welke mate hiermee het hoofd wordt geboden aan de huidige woningnood in Curaçao
4°. De naleving van nationale en internationale normen
De Internationaal Maritieme Organisatie (hierna: IMO) voert periodiek audits uit om te controleren of staten de internationale verplichtingen op het gebied van vlaggenstaat, kuststaat en havenstaat naleven. De naleving van nationale en internationale normen op het gebied van scheepvaartveiligheid, beveiliging en milieu is volgens de voorlaatste alinea van onderdeel ‘Verkeer te zee’ op pagina 79 van de memorie van toelichting daarom van cruciaal belang.
IMO heeft in het jaar 2023 een audit uitgevoerd binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Naar aanleiding van de bevindingen van de IMO is voor het Koninkrijk der Nederlanden een Corrective Action Plan (hierna: CAP) opgesteld.
De memorie van toelichting maakt er melding van dat de uitvoering van de CAP inhoudt dat maatregelen en verbeteringen moeten komen op het gebied van wet- en regelgeving, beleid en richtlijnen, personeel en organisatie en financiën.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting ook aan te geven of al een aanvang is gemaakt met de uitvoering van de CAP en binnen welke periode bedoelde maatregelen moeten zijn genomen en verbeteringen moeten hebben plaatsgevonden.
5°. Hemelwaterafvoer en levering/verkoop van gezuiverd water
Op pagina 85, tweede alinea, van de memorie van toelichting wordt gesteld dat een substantiële verhoging van het budget vereist is voor het vernieuwen van pijpen, gemalen en zuiveringsinstallaties.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven wanneer een aanvang zal worden gemaakt met de vernieuwing en de daarvoor benodigde bedragen in het betreffende dienstjaar en indien van toepassing meerjarig te begroten.
6°. Ruimtelijke ordening
Volgens de memorie van toelichting zijn in de afgelopen jaren en sinds 2023 conform de Roadmap Hervorming Ruimtelijk Afwegingskader diverse beleidstrajecten voortgezet of opgestart en zal stapsgewijs worden toegewerkt naar de algehele herziening van het ruimtelijk beleid en wetgeving (pagina 85, onder ‘Ruimtelijke ontwikkeling, tweede alinea).
De Raad adviseert de regering aan te geven om welke trajecten het gaat en wat de stand van zaken ter zake deze trajecten is.
Op pagina 85 van de memorie van toelichting, derde tekstblok, tweede gedachtestreep wordt melding gemaakt van ‘vijf projecten die thans lopen en in 2025 in de wetgevingsprocedure moeten worden gebracht’.
De Raad adviseert de regering te vermelden om welke projecten het gaat.
b. Luchtvaart
1°. Stand van zaken Luchtvaartlandsverordening en de uitvoeringsregelgeving
Volgens de memorie van toelichting (pagina 81, eerste alinea en tweede tekstblok, onder ‘Wet- en regelgeving’) zullen voor het behalen van de categorie 1 status (van de Federal Aviation Administration) onder andere de Luchtvaartlandsverordening en het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van de Luchtvaartlandsverordening worden afgerond. Dit laatste voor zover deze landsverordening en dit landsbesluit niet al in 2023 in werking is getreden. Voor een verdere detaillering over wat gedaan moet worden om deze status te halen verwijst de memorie van toelichting naar de Corrective Action Plan.
Aangezien wij inmiddels in de tweede helft van 2024 leven, rijst de vraag wat de stand van zaken is met betrekking tot de totstandbrenging van voornoemde landsverordening en diens uitvoeringsregeling. Omdat al geruime tijd in diverse ontwerpbegrotingen van het Land en de bijbehorende memories van toelichting dit beleidsvoornemen wordt genoemd, is de Raad voorts van oordeel dat in de memorie van toelichting concreter moet worden aangegeven welke maatregelen binnen welke periode genomen moeten worden om hoger bedoelde categorie 1 status wederom te verkrijgen. Ook in het advies van 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV) over de ontwerpbegroting 2024 (pagina’s 9 en 10) heeft de Raad aangedrongen om concreter aan te geven binnen welk tijdsbestek de benodigde maatregelen genomen moeten worden om deze status wederom te krijgen.
De Raad adviseert de regering om de memorie van toelichting aan te passen.
2°. Voldoende en gekwalificeerd personeel
Op pagina 81, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting, onder ‘Personeel’ staat dat het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning tot op heden niet is gelukt om voldoende middelen op de begroting te hebben voor het in dienstnemen van fte’s die noodzakelijk zijn voor de International Civil Aviation Organisation (ICAO)- en de Amerikaanse Federal Aviation Administration (FAA) audits.
De Raad vindt dit zorgelijk gezien het belang van een continue luchtverbinding met andere landen voor onze economie, in dit geval voor het toerisme, thans de belangrijkste economische pijler en vraagt uw bijzondere aandacht hiervoor.
6. Ministerie van Economische Ontwikkeling
a. Concretisering trajecten bij domeinen
Op pagina 93 van de Algemene beschouwingen worden in de eerste tabel de beleidsdomeinen van het Ministerie van Economische Ontwikkeling weergegeven. Vervolgens worden per beleidsdomein in een tabel de diverse deeltrajecten weergegeven waarmee uitvoering wordt gegeven aan een bepaald domein. Zo worden de deeltrajecten behorende bij domein ’11. Economische structuur’ in de tabel op pagina’s 93 en 94 van de Algemene beschouwingen weergegeven. Bij de meeste deeltrajecten van voornoemde domein – geldt eveneens voor de deeltrajecten bij de overige domeinen – is niet op te maken in welke fase die zich bevinden en welk deeltraject voor het eerst in 2025 zal worden geïmplementeerd.
Ter verhoging van de informatiewaarde van de Begroting voor het dienstjaar 2025 (hierna: Begroting 2025) en om bij het opmaken van het jaarverslag de voornemens afdoende te kunnen meten adviseert de Raad de regering de opgenomen voornemens (deeltrajecten), met name voor het jaar 2025, zoveel als mogelijk te concretiseren en eventuele gefaseerde uitvoering over verschillende jaren inzichtelijk te maken.
b. Garantie-instrumentarium en garantiefonds
Op pagina 94 van de Algemene beschouwingen geeft de regering in het onderdeel ’02 Verbeteren werking lokale kapitaalmarkt’ aan dat de overheid beoogt beter functionering van de kapitaalmarkt te bewerkstelligen voor kleine en middelgrote ondernemers die niet beschikken over voldoende zekerheid om een lening te kunnen krijgen van de financiële sector. De overheid wenst een garantie-instrumentarium te introduceren waarbij het oprichten van een garantiefonds van eminent belang is. Het voornemen van de overheid is om bedoeld fonds garant te laten staan voor maximaal 70% á 80% van het verzochte leningsbedrag. Dit impliceert volgens de overheid dat met tiental miljoen een bedrag aan honderden miljoenen aan leningen verstrekt zouden kunnen worden. Ook beoogt de overheid met de verbetering van de functionering van de kapitaalmarkt om meer instrumenten op de kapitaalmarkt te lanceren waaronder ‘seed capital’ en ‘startup regeling’.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting:
– aan te geven welke financiële instelling(en) belast zal (zullen) worden met het verstrekken van de bedoelde leningen en
– de genoemde instrumenten ‘seed capital’ en ‘startup regeling’ nader toe te lichten en aan te geven wanneer deze instrumenten een feit zullen zijn geworden.
c. Curaçao Tourism Development Foundation
Volgens pagina 99 van de Algemene beschouwingen wordt voor het dienstjaar 2025 een bedrag van ca. NAf 42 miljoen opgenomen voor Curaçao Tourism Development Foundation (hierna: de CTDF), welke meerjarig opgehoogd wordt met ca. NAf 1 miljoen.
De Raad adviseert de regering de jaarlijks opgenomen significante bedragen ten behoeve van CTDF in de memorie van toelichting toe te lichten.
d. Offshore boringen
Volgens pagina 99 van de Algemene beschouwingen wordt voor het dienstjaar 2025 een bedrag van NAf 25 miljoen gereserveerd voor offshore boringen. De Raad heeft geen toelichting op dit bedrag in de memorie van toelichting aangetroffen.
De Raad adviseert de regering de noodzaak van de aanwending van het bedrag van NAf 25 miljoen in de memorie van toelichting nader toe te lichten.
e. Inkomsten uit internationale visserij
Op pagina 99 van de Algemene beschouwingen wordt met betrekking tot inkomsten uit internationale visserij voor de periode 2025-2028 negatieve bedragen begroot.
De Raad adviseert de regering de opname van de betreffende negatieve inkomsten in de memorie van toelichting nader toe te lichten.
f. Toelating tot de World Trade Organization
Op pagina 104 van de memorie van toelichting wordt onder ’04 Handel en export’ gemeld dat de werkzaamheden van de in 2017 ingestelde Permanente Commissie Internationale Handel en Buitenlandse Economische Betrekkingen zullen worden voortgezet ter realisatie van het zelfstandig lidmaatschap van de World Trade Organization (hierna: WTO).
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op te nemen in welke mate Curaçao reeds voldoet aan de voorwaarden om tot de WTO te worden toegelaten en hoelang de regering verwacht dat het proces tot toelating nog zal duren.
7. Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport
De toelichting mist concrete acties
De memorie van toelichting van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport is zeer summier. De doelstellingen worden heel algemeen geformuleerd en er worden geen concrete acties genoemd om de doelstellingen te bereiken. Dit wordt belicht aan de hand van de volgende voorbeelden.
– Op pagina 118 van de memorie van toelichting wordt gesteld dat binnen het domein ‘Sport’ de focus ligt op het realiseren van een breed aanbod aan sportvoorzieningen in goede staat van onderhoud en het vergroten van het besef binnen de samenleving van het belang van sport en bewegen voor een goede levensstijl. Er wordt echter niet aangegeven hoe dit gerealiseerd zal worden.
De Raad adviseert de regering onder meer aan te geven welke sportvoorzieningen in 2025 zullen worden verbeterd en op welke wijze de regering voornemens is om de burgers het belang van sport en bewegen te laten inzien en daarbij te kwantificeren hoeveel het één en ander zal kosten.
– Zie ook pagina 117, tweede tekstblok, van de memorie van toelichting voor wat betreft het bevorderen van onderzoek en samenwerking binnen het hoger onderwijs en het promoveren van wetenschappelijk onderzoek en pagina 120, eerste tekstblok, voor wat betreft de nodige innovaties en de infrastructuur, materiële voorzieningen en personeel die op peil moeten zijn.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting op te nemen hoever we nu al zijn en wat we nog precies missen in het aangehaalde traject van onderzoek en samenwerking binnen het hoger onderwijs en op het gebied van het promoveren van wetenschappelijk onderzoek. De Raad adviseert de regering voorts in de memorie van toelichting nader in te gaan op de noodzakelijke innovaties binnen het onderwijs de vorderingen om de infrastructuur, de materiele voorzieningen en het personeel op peil te hebben opdat onderwijs op niveau kan worden aangeboden.
8. Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn
a. Het ratificeren van verdragen en het vaststellen van lokale wetgeving
In de eerste en tweede zin van het voorlaatste tekstblok op pagina 173 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het Verdrag van Istanbul ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen nog niet ten aanzien van Curaçao is geratificeerd. Daardoor dient volgens de regering nog geen lokale wetgeving te worden ingevoerd. Volgens de Raad zal de voortvarendheid van het proces van medegelding voor Curaçao aan een verdrag hoger kunnen zijn indien er juist wel lokale wetgeving over het desbetreffende onderwerp is vastgesteld.
De Raad vraagt aandacht van de regering hiervoor.
b. Veel ambities, weinig mankracht
Het is de Raad opgevallen dat bij het desbetreffende ministerie er veel projecten op verschillende beleidsterreinen zijn die in het jaar 2025 uitgevoerd moeten worden. Als voorbeeld noemt de Raad de medegelding van het Verdrag van Istanbul ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen voor Curaçao. In de derde zin van het voorlaatste tekstblok op pagina 173 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat medegelding een capaciteitsvereiste met zich mee zal brengen maar die echter ontbreekt bij het ministerie. Uit subparagraaf ‘Het functiehuis is op peil en ondersteunt de behoeften van het ministerie’ op pagina 180 (tweede tekstblok) kan echter gelezen worden dat 106 functies van in totaal 217 nog vacant zijn. De Raad vraagt zich af op welke wijze de voorgestelde projecten uitgevoerd zullen worden indien er een tekort aan mankracht bij het ministerie bestaat.
De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting op het bovenstaande in te gaan.
9. Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur
a. Kernrollen van het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur
Op pagina 187 van de Algemene beschouwingen wordt onder ‘Beleidsdomein Gezondheid’ als een van de doelstellingen (bij punt 2) aangegeven: ”Het realiseren van een gezondheidsstelsel dat voorziet in de gezondheidsbehoefte van de burger en het waarborgen van de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de voorzieningen.” Verder wordt op pagina 188, onder ‘Beleidsdomein Inspectie’, van de Algemene beschouwingen aangegeven dat dit domein gericht is op ‘het beschermen en bevorderen van de gezondheidsbelangen van iedere burger op Curaçao’.
Tezamen met deze genoemde goede voornemens bestaat de realiteit dat in veel gevallen patiënten met bepaalde medische aandoeningen geen toegang hebben tot medische behandeling omdat zij niet bij een specialist kunnen worden ingeschreven.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven hoe aspecten als het voorzien in de gezondheidsbehoeften van de burger en het beschermen en bevorderen van de gezondheidsbelangen van iedere burger rijmen met het feit dat er sprake is van lange wachttijden voor specialistische zorg, met alle gevolgen van dien.
b. Het ontbreken van een algemeen beleid ten aanzien van natuurbeheer en -bescherming
Het is de Raad opgevallen dat het hoofdstuk ‘Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur’ van de Algemene Beschouwingen vooral gericht is op de gezondheid, in mindere mate op het milieu en nog in mindere mate op de natuur. De beleidsmatige invulling van de diverse domeinen is volgens de Raad oppervlakkig en niet voldoende concreet. Als voorbeeld verwijst de Raad naar paragraaf ‘De sector Landbouw Milieu en Natuur’ op pagina 193, laatste tekstblok, van de memorie van toelichting. Daarin wordt gesteld dat programma’s, zoals mangrovebehoud en sargassum-bestrijding, bescherming en behoud zullen bieden aan biodiversiteit en het ecologisch systeem. Volgens de Raad geeft dit onvoldoende inzicht in het beleid inzake natuurbescherming en waarom de desbetreffende programma’s daartoe zullen bijdragen. Bijvoorbeeld mangroves zijn niet wettelijk beschermd. Sargassum is een periodiek seizoensgebonden probleem dat tot stankoverlast zorgt en zeeschildpadden verstikt.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting in te gaan op het algemeen beleid ten aanzien van natuurbeheer en -bescherming.
c. De implementatie van de dierenwelzijnswetgeving
De in P.B. 2022, no. 90 afgekondigde Landsverordening dierenwelzijn is op 1 januari 2023 in werking getreden (P.B. 2022, no. 132). De implementatie van deze landsverordening verloopt volgens de media moeizaam. Uit de memorie van toelichting blijkt niet op welke wijze hiermee omgegaan moet worden. Ook blijkt niet uit de memorie van toelichting welke toezichthouder genoemde landsverordening moet gaan uitvoeren en op welke wijze UO Veterinaire Zaken hiermee om moet gaan.
De Raad adviseert de regering om in de memorie van toelichting hierop in te gaan.
10. Ministerie van Financiën
a. Begrotingskamer
Op pagina 202 van de Algemene beschouwingen wordt vermeld dat in het streven naar een evenwichtige begroting het traject tot instelling van een nieuw Hoog College van Staat, de Begrotingskamer, wordt voortgezet. Met de realisatie van de begrotingskamer zal volgens de regering het toezicht op de begroting verscherpt worden.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven in welk jaar de Begrotingskamer operationeel zal zijn, de hiermee gemoeide kosten in het desbetreffende begrotingsjaar op te nemen en tevens aan te geven of het traject daartoe naar behoren verloopt.
b. Vereenvoudigde stelsel van omzetbelasting
Op pagina 218, eerste alinea, van de Algemene beschouwingen wordt aangegeven dat met betrekking tot het thema van belastingen het Land over zal gaan tot de implementatie van een vereenvoudigd stelsel van omzetbelasting.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting aan te geven per wanneer het vereenvoudigde stelsel van omzetbelasting in zal gaan en wat de budgettaire effecten hiervan zullen zijn.
c. Stelpost Personeel (financiële functies)
Onder ‘Stelposten Personeel’ wordt op pagina 219 van de Algemene beschouwingen aangegeven welke begrotingsposten c.q. personeelskosten deze stelpost omvat.
De eerste begrotingspost betreft het aantrekken van 43 nieuwe medewerkers ter versterking van het financieel beheer of de financiële functie.
De Raad merkt op dat ook in de Begroting 2024 – op pagina 51 van de Nota van Financiën – rekening werd gehouden met deze 43 nieuwe instromers. Uit het vorenstaande is volgens de Raad te concluderen dat de in te vullen 43 financiële functies al ruim een jaar openstaan en geen van de 43 betrokken vacatures tot nu toe kon worden ingevuld. Het niet tijdig kunnen invullen van de financiële functies kan gevolgen hebben voor ook de nieuwe roadmap tot een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening 2026. Volgens de Raad dient de regering, voorzover dat nog niet is geschied, na te gaan waardoor het proces van werving van medewerkers voor invulling van de financiële functies is gestagneerd. Immers zonder een gedegen invulling van de financiële functies zullen de diverse trajecten verbonden aan de nieuwe roadmap niet naar behoren kunnen worden uitgevoerd.
De Raad adviseert de regering dit met voortvarendheid te (laten) onderzoeken en de noodzakelijke maatregelen te treffen in dit verband.
IV. De Nota van Financiën
1. Ennia-oplossing
a. Renteloze achtergestelde leningen
Volgens pagina 12 van de Nota van Financiën betaalt Curaçao vanaf 2027, gedurende een periode van 30 jaar, een jaarlijkse bijdrage van NAf 30 miljoen aan het Resolutiefonds. Deze bijdragen worden als renteloze achtergestelde leningen verstrekt, maar desondanks als last op de gewone dienst van het Land verantwoord.
Gelet op het feit dat de bedragen als onderdeel van een (renteloze) lening worden verstrekt, wordt de regering gevraagd in de Nota van Financiën aan te geven waarom deze lening op de gewone dienst en niet op de kapitaaldienst zal worden opgenomen.
b. Piekfaciliteit
Voorts wordt op pagina 12 van de Nota van Financiën aangegeven dat in verband met de Ennia-oplossing er per eind 2073 een openstaande Piekfaciliteit van NAf 120 miljoen zal bestaan.
De Raad adviseert de regering de totstandkoming van de Piekfaciliteit van NAf 120 miljoen nader toe te lichten in de Nota van Financiën.
2. Raffinaderij/Oryx
Volgens pagina 15 van de Nota van Financiën heeft de regering recentelijk een leaseovereenkomst getekend met het bedrijf Oryx voor 30 jaar ter exploitatie van de raffinaderij-faciliteiten. Volgens de Nota van Financiën zijn forse investeringen benodigd om de raffinaderij weer operationeel te krijgen. De regering gaat samen met het bedrijf Oryx deze uitdaging aan.
De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën aan te geven of in dit verband de overheid een financiële bijdrage dient te leveren en of met een eventuele bijdrage rekening gehouden is in de meerjarenbegroting.
3. Herfinanciering
Op pagina 13 van de Nota van Financiën – tweede alinea – wordt, nadat de Ennia problematiek aan de orde is geweest op pagina’s 12 en 13, aangegeven dat er nog onderhandeld wordt over het herfinancieringstraject waarbij onder andere wordt gesproken over het rentepercentage, de looptijd en de leningsvorm. Vervolgens wordt op pagina 17 (derde tekstblok) van de Nota van Financiën vermeld dat Nederland de Ennia-oplossing positief heeft beoordeeld en deze solide en duurzaam heeft bevonden. De Ennia-oplossing was een voorwaarde om de lening – die deel uitmaakt van de Ennia-oplossing – en COVID-leningen tegen gunstigere voorwaarden te herfinancieren. Het rentepercentage is verlaagd van 5,1% naar 2,9% en de lening is omgevormd tot een 20-jarige annuïteitenlening.
De Raad adviseert de regering om de betreffende passages op pagina’s 13 en 17 van de Nota van Financiën met elkaar in overeenstemming te brengen.
4. Demografische ontwikkeling
Een van de demografische ontwikkelingen die zorgwekkend is, is de vergrijzing. Volgens pagina 15, onder ‘Census 2023’, van de Nota van Financiën bedroeg de vergrijzing in 2023 circa 25% van de totale bevolking en is het aantal bewoners met 3,5% toegenomen. Uit pagina’s 57 en 58 van de Nota van Financiën kan worden opgemaakt dat vergrijzing de aandacht van de regering heeft. Echter gaat de regering hier enkel in op de vergrijzing binnen de overheid c.q. het overheidsapparaat. De gevolgen van de brede maatschappelijke vergrijzing voor de overheid strekken echter verder dan alleen de effecten op het personeelsbestand en daarmee samenhangende factoren. De algehele vergrijzing heeft ook effect op de kostenontwikkeling van de sociale fondsen, met name het Fonds Basisverzekering Ziektekosten en het Ouderdomsfonds, en bij ongewijzigd beleid dientengevolge ook voor de overheidsbegroting en het Schommelfonds.
Om de gevolgen van de steeds toenemende vergrijzing het hoofd te kunnen bieden dient de regering gepaste maatregelen te nemen c.q. hervormingen door te voeren. Uit de memorie van toelichting is niet op te maken welke maatschappelijke gevolgen de vergrijzing met zich meebrengt/ zal meebrengen en hoe de regering deze zal mitigeren.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting in te gaan op het vorenstaande.
5. Klimaatontwikkeling
Klimaatverandering is in opmars en vormt ongetwijfeld een uitdaging voor de hele wereld. Landen kunnen er niet onderuit door hier geen rekening mee te houden, vooral bij het uitstippelen van middellange en lange termijn beleid. Ook in Curaçao zijn de gevolgen merkbaar en voelbaar. Weliswaar is het zeer moeilijk tot onmogelijk de gevolgen in zijn geheel te mitigeren, echter niks doen is zeker geen optie. Klimaat is een sectoroverschrijdende beleidskwestie waarmee op alle relevante beleidsterreinen klimaatbeleid en -strategieën dienen te worden ontwikkeld. Volgens pagina 16 van de Nota van Financiën beschikt Curaçao over een klimaatbeleid echter is de vertaling daarvan voor de diverse ministeries niet tot uitdrukking gekomen in de ontwerpbegroting 2025, de meerjarenbegroting en de memorie van toelichting. De Raad heeft eerder, namelijk in het advies van 18 augustus 2022 (met kenmerk RvA no. RA/20-22-LV)[8], de aandacht van de regering hiervoor gevraagd.
Om te voorkomen dat grote inhaalslagen gemaakt dienen te worden in de komende jaren met betrekking tot klimaatverandering en voorts om de regie erop niet te verliezen adviseert de Raad de regering vanuit een vastgestelde klimaatbeleid een vertaalslag te maken naar de diverse ministeries en op ministerieel niveau specifieke beleidsstrategieën vast te stellen en deze op te nemen in de ontwerpbegroting 2025, de meerjarenbegroting en memorie van toelichting. Uiteraard dienen deze conform een uitgestippeld traject te worden uitgevoerd en gemonitord.
6. Afvalstoffenbelasting
Uit ‘Tabel 6. Overige directe belastingopbrengsten’ op pagina 40 van de Nota van Financiën, volgt dat de opbrengsten uit afvalstoffenbelasting een flinke sprong maken van NAf 5,8 miljoen in 2023 (R2023) naar NAf 17,7 miljoen in 2024 (B2024) en verdere jaren.
De Raad adviseert de regering in de Nota van Financiën aan te geven welke oorzaken geleid hebben tot de verdrievoudigde opbrengsten uit afvalstoffenbelasting vanaf 2024 (ten opzichte van 2023).
7. Vergunnings- en registratierecht
a. Fluctuatie van verwachte opbrengsten
De opbrengsten uit vergunnings- en registratierecht – opgenomen in ‘tabel 8. De overige opbrengsten (Niet-belastingopbrengsten)’ op pagina 45 van de Nota van Financiën – fluctueren sterk in de periode 2023 -2025, die liggen tussen ca. NAf 32 miljoen en ca. NAf 97 miljoen.
De Raad adviseert de regering de sterke fluctuatie bij de opbrengsten uit vergunnings- en registratierecht in de voornoemde periode toe te lichten in de Nota van Financiën.
b. Inwerkingtredingsdatum van de ontwerplandsverordening op de kansspelen
Op pagina 47 (voorlaatste tekstblok) van de Nota van Financiën wordt gemeld dat de wetgeving van de kansspel fee (LOK) – welke onder de categorie van inkomsten vergunnings- en registratierecht valt – eind 2024 begin 2025 in werking zal treden. Echter wordt in de Algemene beschouwingen op pagina 205 (voorlaatste alinea) aangegeven dat de LOK per tweede helft van 2023 wordt ingevoerd en dat per 2024 het volledige inkomenspotentieel benut zal worden.
De Raad adviseert de regering consistentie aan te brengen bij de (verwachte) periode waarin de LOK in werking zal treden en afhankelijk daarvan de nodige correcties in de ontwerpbegroting 2025 en de meerjarenbegroting aan te brengen bij de verwachte opbrengsten voor de betreffende jaren. Ook wordt geadviseerd de memorie van toelichting op dit punt aan te passen
V. Opmerkingen van (wets)technische en redactionele aard
Opmerkingen van (wets)technische en redactionele aard zijn in een bijlage bij dit advies opgenomen en worden geacht hiervan integraal onderdeel uit te maken.
VI. Conclusie en (procedureel) advies
De Raad constateerde ten aanzien van de ontwerpbegroting 2024 verbeterslagen in de kwaliteit van die begroting. In de lijn der verwachting zou deze eerder geboekte vooruitgang in een volgende begroting – in dit geval de ontwerpbegroting 2025 worden voortgezet danwel qua kwaliteit tenminste op hetzelfde niveau zijn gebleven. Tegen die verwachting in constateert de Raad – ten opzichte van de vorige begroting – een achteruitgang in de kwaliteit van de gepresenteerde ontwerpbegroting 2025. De ontwerpbegroting 2025 is volgens de Raad niet in voldoende mate aan te merken als een beleidsinstrument waarin de regering haar beleid voor de komende jaren en de financiële vertaling ervan heeft uitgezet. Vanwege het gestelde in dit advies, in het bijzonder onderdeel I. ‘1. De kwaliteit van de ontwerpbegroting 2025’, concludeert de Raad dat de kwaliteit van de ontwerpbegroting 2025 van dien aard is dat het niet optimaal kan voldoen aan de autorisatie-, sturings- en beleidsfunctie als afgeleide van het budgetrecht van de Staten. Rekening houdend met het bovenstaande moet de kwaliteit van de begroting drastisch stapsgewijs, middels een te bewandelen traject, worden verbeterd.
De Raad wijst de regering met klem erop dat een verbetering van de kwaliteit van de begroting imperatief is. Een kwalitatief goede begroting draagt bij aan een gedegen evaluatie van het gevoerde beleid welke vervolgens voor de roadmap voor het verkrijgen van een goedkeurende accountantsverklaring voor het land Curaҫao zeker van betekenis kan zijn. In dit verband adviseert de Raad de regering om de noodzakelijke inhaalslagen te maken en daarmee te starten door de ontwerpbegroting 2025 en de memorie van toelichting – rekeninghoudende met de in dit advies gemaakte opmerkingen – zoveel mogelijk aan te passen voordat zij het ontwerp bij de Staten indient.
Willemstad, 9 augustus 2024
de Ondervoorzitter, de Secretaris,
____________________ _____________________
mevr. mr. L. M. Dindial mevr. mr. C. M. Raphaëla
Bijlage behorende bij het advies van de Raad van Advies, RvA no. RA/27-24-LV
Zowel de ontwerpbegroting 2025 als de memorie van toelichting heeft (wets)technische onvolkomenheden.
De Raad adviseert de regering in de memorie van toelichting de Nederlandse taal te controleren op spellingsfouten en grammatica alsmede voor technische onvolkomenheden.[9] De Raad geeft de regering voorts in overweging om in ieder geval rekening te houden met de opmerkingen die in deze bijlage zijn gemaakt.
1. De ontwerpbegroting 2025
a. Staat van opgenomen geldleningen
Voorgesteld wordt op pagina 5 in de eerste tabel, de eerste rij in de voorlaatste kolom ‘Stand per 31 dec 2027’ aan te passen in ‘Stand per 31 dec 2028’.
b. Overzicht van de nettobedragen van de baten en lasten van de Collectieve Sector
Voorgesteld wordt op pagina 2 in de derde rij ‘Baten’ te vervangen door ‘Lasten’.
2. De memorie van toelichting
a. Staatsorganen en overige algemene organen
1º. De Sociaal Economische Raad
In een begroting worden overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van de LvC2010 de ramingen van een staatsorgaan opgenomen. Wat de Sociaal Economische Raad betreft maken de kosten verbonden aan de bedrijfsvoering van het secretariaat deel uit van de totale ramingen van het staatsorgaan, de Sociaal Economische Raad.
In het overzicht op pagina 4 wordt ‘100202 – Secretariaat SER/GOA’ genoemd. Voorgesteld wordt om dit te vervangen door ‘100202 – Sociaal Economische Raad’.
2º. Gemeenschappelijk Hof van Justitie, Raad van de Rechtshandhaving en Defensie
Er ontbreekt een (gedegen) toelichting bij de op pagina 33 van de Algemene beschouwingen opgenomen tabellen met betrekking tot het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, de Raad van de Rechtshandhaving en de Defensie.
Voorgesteld wordt bedoelde tabellen van een (nadere) toelichting te voorzien.
b. Ministerie van Algemene Zaken
Pagina 46
Voorgesteld wordt in de tabel ‘Landspakket’ in de tweede rij, eerste kolom het thema in te vullen.
c. Ministerie van Economische Ontwikkeling
Pagina 108
Voorgesteld wordt in de tabel, de tweede kolom – de tweede rij na te gaan of ‘2%’ wellicht vervangen dient te worden door ‘2%-punten’.
d. Ministerie van Financiën
Pagina 202
Voorgesteld wordt in het voorlaatste tekstblok, de vijfde zin het gebruikte jaartal ‘2024’ te controleren op juistheid.
Pagina 205
Voorgesteld wordt in de voorlaatste alinea, de voorlaatste zin op juistheid te controleren, namelijk of het inkomenspotentieel van de Landsverordening op de kansspelen (LOK) inderdaad vanaf 2024 volledig benut zal worden.
Pagina 207
Voorgesteld wordt in de eerste alinea, de laatste zin het vermelde jaartal ‘2024’ op juistheid te controleren.
3. De Nota van Financiën
Pagina 7
Voorgesteld wordt het inflatiecijfer van de Europese Unie toe te voegen aan Tabel 2 ‘Inflatie (CPI)’.
Pagina 8
Voorgesteld wordt om in de laatste alinea ook de economische groeiraming voor het jaar 2024 voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied op te nemen in de tekst.
Pagina 9
In het tweede tekstblok wordt verwezen naar de economische groeiprojecties voor Curaçao voor 2024 (4,8%) en 2025 (3,1%) die door de CBCS in maart 2024 zijn gepubliceerd. In de laatste projectie van juni 2024 zijn de voorspellingen voor zowel 2024 (4,9%) en 2025 (3,3%) naar boven gecorrigeerd.
Voorgesteld wordt om de meest recente economische groeivoorspelling in de tekst op te nemen.
Voorgesteld wordt voorts om de inflatievoorspelling voor 2024 en 2025 voor Curaçao te actualiseren conform de meest recente projectie van de CBCS van juni 2024. In 2024 wordt namelijk een inflatie van 2,7% verwacht en in 2025 2,3%.
Pagina 10
Bij Tabel 3 ‘macro-economische indicatoren’ wordt het ‘IMF Artikel IV rapport’ van mei 2024 als bron vermeld. In genoemde tabel zijn cijfers opgenomen vanaf 2018, terwijl de reeksen van het Internationaal Monetair Fonds (hierna: IMF) in het genoemde ‘IMF Artikel IV rapport’ vanaf 2020 beginnen. Voor de consistentie wordt voorgesteld om de cijfers voor de periode 2020 – 2025 in de tabel op te nemen.
Voorgesteld wordt voorts om in ‘Tabel 3 macro-economische indicatoren’ de correcte reële groeicijfers, op de eerste rij, voor de jaren 2022 tot en met 2024 invullen. De reële groeicijfers voor Curaçao in het ‘IMF Artikel IV rapport’ zijn voor 2022 7,9%, voor 2023 4,2% en voor 2024 4,5%.
Voorgesteld wordt om de reeks ‘Bruto Binnenlands product (in miljoenen NAf)’, aan te passen door de nominale Bruto Binnenlands Product-cijfers uit het ‘IMF Artikel IV rapport’ met de koers van 1,79 te vermenigvuldigen in plaats van 1,82.
Pagina 11
Voorgesteld wordt om de bronvermelding onder de grafieken ‘Curaçao CPI-figures 2010-2022’ en ‘Curaçao Inflatie-cijfers 2011 – 2022′ op te nemen.
De linker grafiek geeft de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer (hierna: CPI) tussen 2011 – 2022 weer, terwijl de titel van de grafiek de periode 2010 -2022 aangeeft. Voorgesteld wordt om de grafiek en de titel daarvan met elkaar in overeenstemming te brengen.
Voorgesteld wordt om ook cijfers van het jaar 2023 in de grafieken ‘Curaçao CPI-figures 2010-2022’ en ‘Curaçao Inflatie-cijfers 2011 – 2022′ op te nemen en de titels van die grafieken te updaten.
Voorgesteld wordt in het tweede tekstblok, eerste zin, de periode te vermelden waarover de gemiddelde economische groei wordt berekend.
Pagina 14
Voorgesteld wordt in het eerste tekstblok, eerste gedachtestreep, na ’15 februari’ het betreffende jaar toe te voegen.
Pagina 17
Voorgesteld wordt om ter volledigheid ook de tekorten voor de jaren 2020 en 2021 te vermelden.
Voorgesteld wordt voorts om ‘Lopende rekening % BBP’ in Tabel 4 ‘Financiële indicatoren (IMF)’ te vervangen door ‘Gewone dienst % BBP’.
Pagina 23
Voorgesteld wordt de eerste twee zinnen in het laatste tekstblok te vervangen door woorden van de volgende strekking.
‘De Fed heeft sinds juli 2023 de rente niet meer verhoogd en deze is sindsdien ongewijzigd gebleven vanwege een afnemende, maar nog steeds hoge inflatie. Naar verwachting zal de Fed haar beleidsrente ongewijzigd laten totdat er meer vertrouwen is dat de inflatie zich duurzaam richting de doelstelling van 2% ontwikkelt’.
Pagina’s 23 en 24
Voorgesteld wordt de zin die begint op pagina 23 en eindigt op pagina 24 te vervangen door woorden van de volgende strekking.
‘Dit in navolging van de Fed en het feit dat de importdekking, het belangrijkste operationele doel van het monetaire beleid, naar verwachting licht zal dalen tot gemiddeld 4,6 maanden in 2024, wat ruim boven de norm van 3 maanden is. Ondanks de aanhoudende onzekerheden zullen de korte-termijneffecten van wijzigingen in de monetaire beleidsindicatoren waarschijnlijk beperkt blijven’.
Pagina 36
Voorgesteld wordt in de laatste alinea duidelijk aan te geven dat de opbrengsten uit indirecte belastingen op de Begroting 2025 berekend worden door de ‘Projectie 2024’ met de nominale groei van het IMF te vermenigvuldigen. Zoals de laatste alinea nu is geformuleerd lijkt het er namelijk op dat de opbrengsten uit indirecte belastingen op de begroting 2025 ten opzichte van de Begroting 2024 in plaats van ’Projectie 2024 worden berekend.
Pagina 40
Voorgesteld wordt de raming van de onroerendezaakbelasting voor het dienstjaar 2025 op juistheid te controleren. In het derde tekstblok wordt namelijk vermeld dat deze raming gebaseerd is op de projectie 2024. Echter, als de reële economische groei van 3,5% gehanteerd wordt op de projectie 2024 (NAf 84,2 miljoen) komt het bedrag voor de Begroting 2025 uit op NAf 87,2 miljoen.
Pagina 42
In de laatste alinea wordt vermeld dat de realisatie in de eerste vier maanden van 2024 in Grafiek 10 ‘Omzetbelasting’ wordt gepresenteerd. In de eerdere grafieken wordt de realisatie in de eerste vijf maanden gepresenteerd. Voorgesteld wordt om dezelfde realisatieperiode te hanteren in alle grafieken. In dit geval, de eerste vijf maanden van het jaar.
De cijfers in de staven in Grafiek 9 ‘Indirecte belastingen’ zijn niet goed zichtbaar. Voorgesteld wordt deze grafiek op dit punt aan te passen.
Pagina 43
In het tweede tekstblok wordt vermeld dat de realisatie in de eerste vier maanden van 2024 in Grafiek 11 ‘Invoerrechten’ wordt gepresenteerd. In de eerdere grafieken wordt de realisatie in de eerste vijf maanden gepresenteerd. Voorgesteld wordt dezelfde realisatieperiode te hanteren in alle grafieken. In dit geval, de eerste vijf maanden van het jaar.
Voorgesteld wordt om duidelijk in de tekst te vermelden indien de opbrengsten uit directe belastingen ten opzichte van de realisatie in de eerste vier maanden worden berekend, terwijl de opbrengsten uit indirecte belastingen ten opzichte van de eerste vijf maanden worden berekend.
Pagina 49
Uit de voorlaatste alinea kan worden opgemaakt dat de regering voornemens is om de tarieven betreffende niet-belastinginkomsten te indexeren op basis van de meest actuele consumentenprijsindexcijfer (2019).
Het meest actuele consumentenprijsindexcijfer dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek is gepubliceerd is van 2023. Voorgesteld wordt om na te gaan of de gemaakte raming voor niet-belastinginkomsen aangepast moet worden aan de hand van het gepubliceerde consumentenprijsindexcijfer van 2023.
Pagina 50
Voorgesteld wordt om de percentages in Grafiek 13 ‘Lasten’ overzichtelijk te maken.
Pagina 51
Voorgesteld wordt om de x-as in Grafiek 14 ‘Ontwikkeling Beloning van personeel’ consistent te maken met de andere grafieken door aan te geven of de Begroting of de Projectie van de desbetreffende jaren gebruikt wordt (namelijk B2024/P2024, B2025, enzovoorts).
Pagina’s 52 tot en met 54
In de Nota van Financiën worden de tabellen voorzien van een nummer en een opschrift.
Met het oog op consistentie wordt voorgesteld om de tabellen, opgenomen op pagina’s 52 tot en met 54 te voorzien van een nummer en een opschrift.
Pagina 54
Het totaal van ‘Beloning van Personeel’ voor de jaren 2025-2028 in het overzicht komt niet overeen met het totaal van ‘Beloning van Personeel’ in Tabel 4 ‘Gewone Dienst’ op pagina 31. Voorgesteld wordt om het overzicht en de tabel met elkaar in overeenstemming te brengen.
__________________________
[1] Zie onderdeel I. ‘1. De kwaliteit van de begroting’ op pagina 1 van het advies 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV).
[2] De Raad heeft op 19 juli 2024 advies (met kenmerk RvA no. RA/19-24-LV) uitgebracht over de ontwerplandsverordening tot wijziging van de Landsverordening van de 8ste februari 2024 tot vaststelling van de Begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (eerste suppletoire begroting 2024) (zaaknummer 2024/018449).
[3] Ten aanzien van inflatieverwachtingen wordt verwezen naar pagina’s 5 tot en met 9 en pagina 36, derde tekstblok, van de Nota van Financiën.
[4] Laatstelijk in onderdeel IV. ’11. Renterisico’ op pagina’s 16 en 17 van het advies van 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV) over de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (zaaknummer 2023/026544) en onderdeel I. ‘1. Aanleiding voor de Eerste suppletoire begroting 2024 en de cijfermatige gevolgen’ op pagina 3 van het advies van 19 juli 2024 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV) over het ontwerp van de Eerste suppletoire begroting 2024 (zaaknummer 2024/018449).
[5] Zie pagina’s 6 tot en met 8 van het desbetreffende advies.
[6] Zie pagina’s 21 en 22 van de memorie van toelichting behorende bij de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2024 (Zittingsjaar 2023-2024-213).
[7] De Raad heeft in 2023 de regering geadviseerd om uitgebreider in de memorie van toelichting in te gaan op de aanpak van de enorme wachtlijsten voor overheidsgrond voor woningbouw en sociale woningen door in ieder geval andere haalbare oplossingen te noemen. Het betreft onderdeel III. 3. a. ‘4°. Wachtlijsten voor overheidsgrond voor woningbouw en sociale woningen’ op pagina 9 van het advies d.d. 14 augustus 2023 (met kenmerk RvA no. RA/16-23-LV) over de ontwerpbegroting voor het dienstjaar 2024 (zaaknummer 2023/026544).
[8] Zie onderdeel I. ‘5. De invloed van de klimaatcrisis op de Begroting 2023’ op pagina’s 7 en 8 van het advies van 18 augustus 2022 (met kenmerk RvA no. RA/20-22-LV) over de ontwerplandsverordening tot vaststelling van de begroting van Curaçao voor het dienstjaar 2023 (zaaknummer 2022/023041).
[9] Overal waar een komma hoort te staan in de Algemene Beschouwingen van het Ministerie van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport en het Ministerie van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning, staat een punt.
